CConstaterende datUrk
Koppel je AI →
Document · PDF

Ledenbrief VNG 14jul20.pdf

Gemeenteraad 1 juli 2021, gemeente UrkBij agendapunt: Wijziging Algemene Plaatselijke Verordening Urk 201812.485 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Brief aan de leden

Datum

T.a.v. het college en de raad

14 juli 2020 Kenmerk

TRE/U20200054 7 Lbr. 20/053 Telefoon

070-3738393 Bijlage(n)

3

Onderwerp

Wijziging Model-APV zomer 2020

Samenvatting De Model Algemene plaatselijke verordening (hierna: Model-APV) is weer geactualiseerd. De jaarlijkse zomeraanpassing heeft vooral geleid tot redactionele verbeteringen, zowel in de tekst als in de toelichting. De inhoudelijke wijzigingen lichten wij afzonderlijk toe. In de toelichting bij de Model-APV hebben wij ook nieuwe jurisprudentie verwerkt. Alle wijzigingen in de tekst van de Model-APV zijn opgenomen in de bijlage Was-wordt-tabel wijziging Model-APV (bijlage 1). Daarin staat ook een korte toelichting per gewijzigd artikel. Wij hebben het Model Raadsbesluit wijziging APV als bijlage 2 opgenomen. Bijlage 3 bevat een overzicht van de wijzigingen in de toelichting bij de Model-APV. In deze ledenbrief besteden wij ook aandacht aan de volgende actuele onderwerpen: Omgevingswet lachgas consumentenvuurwerk ondermijning Outlaw Motorcycle Gangs (OMG)

Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 Den Haag [ Postbus 30435 [ 2500 GK Den Haag 070 - 373 83 93 1 info@vng.nl

vng.nl

Artikel 2:10 Voorw erpen op of aan een openbare plaats (variant 3)

Wij hebben in het vijfde lid 'bevoegd bestuursorgaan' gewijzigd in 'college', omdat alleen aan het college de bevoegdheid tot het stellen van nadere regels (algemeen verbindende voorschriften) kan worden gedelegeerd. Op basis van de oude tekst kon voor bepaalde categorieën voorwerpen zowel het college als de burgemeester nadere regels stellen. Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichtingen Als weigeringsgrond voor een exploitatievergunning hebben wij in het derde lid toegevoegd dat de exploitant of leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is. De toevoeging is ontleend aan de gemeentelijke praktijk. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geeft aan dat 'slecht levensgedrag' een voldoende duidelijke weigeringsgrond is. Wel is het verstandig dat de burgemeester beleidsregels vaststelt. In de toelichting op dit artikel vermelden wij de jurisprudentie. Dit doen we ook bij de artikelen 2:25, zevende lid (vechtsportevenementen; facultatief), en 3:7 (seksinrichting). Ook daarin wordt 'slecht levensgedrag' genoemd. Artikel 2:57 Loslopende honden Wij hebben het verbod voor niet-aangelijnde honden uitgebreid tot openbare plaatsen binnen de bebouwde kom (was alleen binnen de bebouwde kom op de weg, zie eerste lid, onder b).

Hierdoor geldt het verbod ook voor andere plaatsen binnen de bebouwde kom, zoals parken en plantsoenen of andere voor publiek openstaande plaatsen. Dat past ook beter bij de uitzondering in het tweede lid, waar wordt gesproken over 'aangewezen plaatsen'. Artikel 2:65 Bedelarij Dit is in de Model-APV een facultatief artikel. Er geldt een bedelverbod voor aangewezen plaatsen op de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw. Ook hier hebben wij deze plaatsen vervangen door het begrip 'openbare plaatsen', waardoor het verbod ook in bijvoorbeeld parken of plantsoenen gaat gelden. 'Een voor het publiek toegankelijk gebouw' voor zover het verblijf daarin door de gerechtigde niet aan een doel is gebonden, is ook een openbare plaats. Artikel 3:7 Weigeringsgronden vergunning seksbedrijf In het eerste lid is tot uitdrukking gebracht dat de genoemde weigeringsgronden dienen als aanvulling op de algemene weigeringsgronden van artikel 1 :8. In het eerste lid is onderdeel b geschrapt en zijn de overige onderdelen anders geletterd. Onderdeel b bevatte de weigeringsgrond 'de exploitant of beheerder is ontzet uit het ouderlijk gezag of de voogdij'. Sinds 2015 is wettelijk sprake van 'beëindiging van ouderlijk gezag of voogdij'. Beëindiging van het ouderlijk gezag is veel ruimer dan de zeer beperkte groep ontzette ouders.

In verband hiermee is ook in de Drank- en Horecawet deze weigeringsgrond destijds vervallen. Artikel 5:32 Crossterreinen Het crossverbod beperkte zich tot wedstrijden of de voorbereiding daarvan. Wij hebben crossen buiten wedstrijdverband aan de verbodsbepaling in het eerste lid toegevoegd. 2. Actualiteiten 2.1 Omgevingswet De inwerkingtreding van de Omgevingswet is uitgesteld tot 1 januari 2022.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

3/7

Verordeningen in het omgevingsp/an

Op het moment van inwerkingtreding zijn alle bestemmingsplannen van rechtswege een omgevingsplan en hetzelfde geldt voor een beperkt aantal gemeentelijke verordeningen. Andere regels op het gebied van de fysieke leefomgeving (die bijvoorbeeld in de APV kunnen staan, maar ook in andere verordeningen) worden bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet niet automatisch beschouwd als onderdeel van het omgevingsplan. Heel kort samengevat geldt voor die regels het volgende. Een deel van deze regels moet worden opgenomen in het omgevingsplan, een ander deel mag worden opgenomen in het omgevingsplan (artikel 2.1 van het Omgevingsbesluit). Tot 2029 is er een overgangsfase waarin een en ander vorm moet krijgen en waarin een omgevingsplan tot stand moet komen dat voldoet aan de eisen van de Omgevingswet. Handreiking In opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en in nauwe samenwerking met de VNG wordt een handreiking geschreven om een beeld te geven van de keuzes die gemeenten hebben bij de integratie van gemeentelijke regelgeving in het omgevingsplan. Het streven is om de handreiking in het najaar te publiceren. 2.2 Lachgas In de VNG ledenbrief 'Lachgas' van 14 mei 2020 (Lbr.

20/015) zijn wij ingegaan op de gevaren van oneigenlijk gebruik van lachgas en hebben wij gewezen op het kabinetsvoornemen om dit oneigenlijk gebruik tegen te gaan door lachgas te plaatsen op lijst Il van het Opiumbesluit. Hierdoor zal onder meer de verkoop, het afleveren, het verstrekken en het aanwezig hebben van lachgas voor oneigenlijk gebruik verboden worden. Dat heeft een gunstig effect op de mate van overlast in de openbare ruimte. Inmiddels heeft dit kabinetsvoornemen geleid tot een internetconsultatievoorstel (https://www.internetconsultatie.nl/lachgasbesluit). Wij ondersteunen dit verbod. In die ledenbrief hebben wij aangegeven welke bestaande Model-APV-bepalingen (in totaal 11) gemeenten kunnen gebruiken om overlast door lachgas aan te pakken. Deze bepalingen zijn goed bruikbaar om hinder en overlast door lachgas tegen te gaan. Een specifieke bepaling over lachgas brengt met zich dat moet worden aangetoond dat de hinder of overlast inderdaad is veroorzaakt door het gebruik van lachgas. In de praktijk kan het lastig zijn. Een aantal gemeenten heeft toch gevraagd om een specifieke APV-bepaling met een verbod op het gebruik van lachgas als roesmiddel. Er zijn ook al gemeenten met verbodsbepalingen. De rubricering en de formulering verschilt.

Wij denken dat een verbod het beste kan worden ondergebracht in afdeling 8 van hoofdstuk 2 van de APV, Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade. Gebruikmakend van verschillende praktijkvoorbeelden (te vinden op https://www.overheid.nl/lokale wet en regelgeving). komen wij tot het volgende voorbeeldartikel.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

4/7

Artikel 2:48a Lachgasverbod

1.

2.

3.

Het is verboden op een openbare plaats distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, indien dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken. Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college ter bescherming van de openbare orde of het woon- en leefklimaat aangewezen gebied distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben. Het college kan in het aanwijzingsbesluit het in het tweede lid bedoelde verbod beperken tot bepaalde tijden.

Toelichting op voorbeeldartikel Een algemeen, voor de gehele gemeente geldend gebruiksverbod stuit op belangrijke juridische bezwaren en is vanuit oogpunt van proportionaliteit ook niet te verdedigen. Daarmee zou er geen evenredigheid meer zijn tussen middel en doel, en dat zou in strijd zijn met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarom beperkt het verbod in het eerste lid zich tot concrete situaties van oneigenlijk lachgasgebruik, voorbereidingen of het bij zich hebben van hulpmiddelen voor dat gebruik, die gepaard gaan met verstoring van de openbare orde, nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat of anderszins hinder tot gevolg hebben. Bij de handhaving moet de gemeente kunnen aantonen dat genoemde situaties de oorzaak zijn van de overlast en dergelijke. Op grond van het tweede lid kan het college openbare plaatsen aanwijzen waar het oneigenlijk lachgasgebruik, voorbereidingen of het bij zich hebben van hulpmiddelen voor dat gebruik op voorhand verboden is, los van de vraag of dat in de concrete situatie tot ordeverstoring en dergelijke leidt. In het aanwijzingsbesluit moet het college motiveren waarom het verbod in dat specifieke gebied geldt {het belang van de openbare orde of bescherming van het woon- of leefklimaat).

Uit politierapportages kan bijvoorbeeld blijken dat op bepaalde openbare plaatsen sprake is van aantoonbare en structurele overlast door lachgas. Het college kan - als dat afdoende lijkt te zijn - in het aanwijzingsbesluit opnemen dat het verbod op bepaalde tijden geldt, bijvoorbeeld tijdens de uitgaansavonden (derde lid). In artikel 6.1 van de APV (sanctiebepaling) moet artikel 2:48a in de opsomming van de strafbaarstelling worden opgenomen. Hierdoor is strafrechtelijke handhaving mogelijk als het verbod wordt overtreden. Een overtreding wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie (€ 4.350,00). 2.3 Consumentenvuurwerk Uitbreiding landelijk vuurwerkverbod Om de jaarwisseling veiliger te laten verlopen bereidt het kabinet een wijziging voor van de Regeling aanwijzing consumenten- en theatervuurwerk {hierna: Ract). Er komt een verbod op enkelschotsbuizen, F3 vuurwerk, knalvuurwerk (inclusief knalstrengen) en vuurpijlen. Verkoop en afsteken van deze vuurwerkproducten is dan niet meer toegestaan. De voorgenomen wijziging van de Ract heeft geen gevolgen voor artikel 2:72 (vuurwerkverkoopvergunning) van de Model-APV.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

5/7

Vuurwerkvrije zones

Op grond van artikel 2:73 van de Model-APV kan het college plaatsen aanwijzen waar het verboden is consumentenvuurwerk af te steken. Bij de wijziging van het Vuurwerkbesluit (Stb. 2019, 378; inwerkingtreding 29 november 2019) heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat toegelicht dat het Vuurwerkbesluit niet in de weg staat om het gehele grondgebied van de gemeente vuurwerkvrij te maken. De bevoegdheid daartoe ontlenen gemeenten aan de autonome verordeningsbevoegdheid van artikel 149 van de Gemeentewet. In november 2019 hebben wij u geïnformeerd over de bestuurlijke overwegingen die hierbij spelen (motivering) en hebben wij een voorbeeldartikel opgenomen. De regeling in artikel 2:73 is daarin in feite 'omgedraaid' van een 'jatenzij'-regeling naar een 'nee, tenzij'-regeling (Lbr. 19/084 - Wijziging Vuurwerkbesluit en voorbeeldbepaling APV inzake gemeentelijk vuurwerkverbod (1 november 2019). Wij hebben de voorbeeldbepaling opgenomen in de toelichting van de Model-APV. 2.4 Ondermijning Ondermijnende criminaliteit neemt vele vormen aan en kan landelijk en lokaal zeer ontwrichtend zijn. In de lokale samenleving zien gemeenten en hun partners in veiligheid zich steeds meer geconfronteerd met allerlei uitwassen van ondermijning. In de strijd tegen ondermijning kan de bestuurlijke aanpak een belangrijke plaats innemen.

Handreiking APV en ondermijning Het Aanjaagteam Ondermijning, dat valt onder het ministerie van Justitie en Veiligheid, heeft de Handreiking APV en ondermijning (april 2020) voor gemeenten gepubliceerd met mogelijkheden om ondermijning via de APV aan te pakken. De handreiking bevat bestuurlijke en juridische aandachtspunten voor de aanpak van ondermijning, zoals het samenspel met de strafrechtelijke aanpak, een onderbouwde noodzaak van bestuurlijke maatregelen en de stand van de jurisprudentie. Ook bevat de handreiking een aantal voorbeeldbepalingen. Deze zijn ontleend aan de Model-APV van de VNG en enkele APV's van gemeenten. Ook worden verschillende praktijkvoorbeelden gegeven. Deze zijn geïllustreerd met interviews. De handreiking is opgesteld in samenwerking met verschillende gemeenten, Regionale Informatie- en Expertisecentra en de VNG. Factsheet ondermijningswetgeving Op de website van de Rijksoverheid is in april 2020 een factsheet met de stand van zaken van ondermijningswetgeving gepubliceerd. 2.5 Outlaw Motorcycle Gangs (OMG) Het Openbaar Ministerie heeft bij de rechter civiele verboden gevraagd en gekregen tegen enkele motorclubs.

Wat te doen wanneer een lid van een verboden club het bij die club horende jasje, ook wel colors genoemd, in het openbaar blijft dragen? Verstoring openbare orde; grondrechten In de fase dat de verbodenverklaring onherroepelijk is geworden, kan een (dreigende) overtreding van de strafbepaling (vrees voor) een verstoring van de openbare orde opleveren. Gelet hierop kan de burgemeester in beginsel gebruik maken van zijn orderechtelijke bevoegdheden. De burgemeester kan echter niet van de Grondwet afwijken. Een colorverbod of anderszins een beperkende maatregel op uiterlijke kenmerken levert een inhoudelijke beperking op van de vrijheid van meningsuiting én een beperking van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Een dergelijke beperking is uitsluitend toegestaan indien zij is neergelegd in een wet in formele zin

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

6/7

die expliciet tot doel heeft om de vrijheid van meningsuiting te beperken. De Gemeentewet en ook bepalingen in de APV voldoen niet aan die eis.

Initiatiefwetsvoorstel Bij de Tweede Kamer is in november 2018 een initiatiefwetsvoorstel ingediend dat regels geeft over het bestuursrechtelijk verbieden van organisaties die een cultuur van wetteloosheid creëren, bevorderen of in stand houden (Wet bestuurlijk verbod ondermijnende organisaties; Kamerstukken Il 2018/2019, 35079, nr. 2). Dit wetsvoorstel richt zich specifiek op OMG's en vergelijkbare organisaties. In zijn brief van 19 juni 2020 aan de Tweede Kamer deelt de minister van Rechtsbescherming mee dat het kabinet geen bezwaar heeft tegen het initiatiefvoorstel. Het voorgestelde bestuurlijke en het bestaande civiele verbod zijn naar het oordeel van het kabinet complementair. Meer informatie De Rijksuniversiteit Groningen heeft in 2019 in opdracht van het Programma Politie & Wetenschap een rechtsvergelijkende studie naar de aanpak van onrechtmatige organisaties in rechtsstatelijk perspectief uitgebracht, getiteld Bestrijding van Outlaw Motorcycle Gangs. 3. Bijlagen Deze ledenbrief bevat drie bijlagen: Bijlage 1- Was-wordt-tabel wijziging Model-APV (met korte artikelsgewijze toelichting). Deze kan desgewenst gebruikt worden voor de raadsvoordracht voor de wijziging van de verordening. Bijlage 2- Model Raadsbesluit wijziging APV: Opgemaakt in Word 2.0 format (DROP) voor publicatie, zonder toelichting.

Bijlage 3- Overzicht van de wijzigingen in de toelichting bij de Model-APV. 4. Informatie De geconsolideerde teksten van de VNG-modellen (met de bijbehorende toelichtingen) zijn te raadplegen via de Kennisbank Decentrale Regelgeving (https://www.decentraleregelgeving.nl). Voor vragen over deze ledenbrief kunt u terecht bij het Informatiecentrum van de VNG (070-373 8393 of e-mail: info@vng.nl). Met vriendelijke groet, Vereniging van Nederlandse Gemeenten

L.K. Geluk Algemeen directeur

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

7/7

Bijlage 1 bij VNG ledenbrief wijziging Model-APV zomer 2020 Was-wordt-tabel wijziging Model Algemene plaatselijke verordening Leeswijzer modelbepalingen - ... ] of (bijvoorbeeld) [iets] = door gemeente in te vullen. - [iets] = facultatief. - [iets OF iets]= door gemeente te kiezen. - [(iets)] = een voorbeeld ter illustratie of uitleg voor gemeente. - Combinaties zijn ook mogelijk. In de tabel wordt eerst aangegeven welk artikel(onderdeel) wijzigt met daarbij een verwijzing naar het bijbehorende wijzigingsbesluit. In de linkerkolom ('WAS') staat de bestaande tekst, waarbij de woorden en leestekens die wijzigen cursief zijn gezet en - als het een facultatieve bepaling betreft - eveneens zijn onderstreept (aangezien dan de hele bepaling cursief is i.v.m. het facultatieve karakter). In de rechterkolom ('WORDT) staat de nieuwe tekst, waarbij de nieuwe woorden en leestekens vet zijn gedrukt. Onder elke wijziging staat een korte toelichting, soms voor een aantal artikelen tezamen.

vos

WORDT

Artikel 1:1 (Definities), definitie voertuig: (artikel 1, onderdeel A, van het wijzigingsbesluit) - voertuig:. hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;

- voertuig. hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens, zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen;

Toelichting: De definitie in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (hierna: RVV 1990) eindigt op wagens. De uitzondering maakt duidelijk dat kleine wagens geen voertuig zijn. Rolstoelen zijn een uitzondering op gehandicaptenvoertuigen zoals genoemd in de definitie in het RVV 1990. Artikel 2:6 (Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen), vijfde lid: (artikel 1, onderdeel B, van het wijzigingsbesluit) 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:9 (Vertoning op openbare plaatsen), vierde lid: (artikel 1, onderdeel B, van het wijzigingsbesluit) 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Bijlage 1/3 bij VNG ledenbrief, Juli 2020

4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

~AS

WORDT

Toelichting op de wijziging van de artikelen 2:6 en 2:9: Redactionele verbetering. Artikel 2:10 (Voorwerpen op of aan de [weg OF openbare plaats], [titel, vijfde en ]achtste lid: (artikel 1, onderdeel C, van het wijzigingsbesluit} Titel

Titel

Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de [weg OF openbare plaats)

Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan {de weg OF een openbare plaats]

Variant 2 (Vergunningplicht)

Variant 2 (Vergunningplicht}

8. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

8. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Variant 3 (Vergunningplicht)

Variant 3 (Vergunningplicht)

5. Het bevoegd bestuursorgaan stelt nadere regels voor de categorieën, bedoeld in het vierde lid.

5. Het college stelt nadere regels voor de categorieën, bedoeld in het vierde lid.

8. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen} van toepassing.

8. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen} van toepassing.

Toelichting: De titel van het artikel is tekstueel aangepast. Vijfde lid: De burgemeester wordt in artikel 156 van de Gemeentewet niet genoemd als mogelijke delegataris van regelgevende bevoegdheid. Algemeen wordt aangenomen dat hij hooguit gebiedsaanwijzingen mag doen of aanwijzingen van categorieën inrichtingen waarvoor een vergunningplicht geldt ( dat zijn besluiten van algemene strekking die op regelgeving lijken, maar het niet zijn} en dat hij geen zelfstandige normstelling mag plegen. Nadere regels zijn algemeen verbindende voorschriften. Dus alleen het college kan hier worden genoemd, ook voor de gevallen waarvoor burgemeester bevoegd gezag is. Immers, de bevoegdheid van de burgemeester op grond van artikel 174 van de Gemeentewet betreft toezicht en uitvoering van verordeningen, niet het vaststellen van regelgeving. Achtste lid: Redactionele verbetering. Artikel 2:11 ((0mgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg}, vijfde lid: (artikel 1, onderdeel D, van het wijzigingsbesluit} 5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen} van toepassing. Toelichting: Redactionele verbetering. Artikel 2:24 (Definities}, eerste lid, onder b: (artikel 1, onderdeel E, van het wijzigingsbesluit}

Bijlage 1/3 bij VNG ledenbrief, juli 2020

5. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen} van toepassing.

[wAS

WORDT

b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22;

b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22;

Toelichting: Correctie van de verwijzing naar artikel 160 Gemeentewet. Artikel 2:25 (Evenementenvergunning), [zevende en ]achtste lid: ( artikel 1, onderdeel F, van het wijzigingsbesluit) 7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de

7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de

burgemeester een vergunning voor een

burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement

vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid,

als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f, weigeren als de

onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de

organisator of de aanvrager van de vergunning van in enig

vergunning van slecht levensgedrag is.]

opzicht van slecht levensgedrag is.]

8. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

8. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Toelichting: Zevende lid: Aanpassing aan de formulering van slecht levensgedrag in de artikelen 2:28, derde lid, onder b, en 3:7. In de toelichting op dit artikel vermelden wij de jurisprudentie. Achtste lid: Redactionele verbetering. Artikel 2:28 (Exploitatie openbare inrichting), derde en zevende lid: (artikel l, onderdeel G, van het wijzigingsbesluit) 3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1 :8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1 :8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat: a. de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of b. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

7. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning en de vrijstelling.

7. Op de aanvraag om een vergunning of een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Toelichting: Derde lid: De toegevoegde weigeringsgrond is aan de gemeentelijke praktijk ontleend. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat 'slecht levensgedrag' een voldoende duidelijke weigeringsgrond is. Wel is het noodzakelijk dat de burgemeester beleidsregels vaststelt, waaruit voldoende duidelijk blijkt hoe hij deze weigeringsgrond invult. In de toelichting op dit artikel vermelden wij de jurisprudentie. Zevende lid: Redactionele verbetering. Artikel 2:29 (Sluitingstijd}, zesde lid: (artikel 1, onderdeel B, van het wijzigingsbesluit)

Bijlage 1/3 bij VNG ledenbrief, juli 2020

was

WORDT

6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Toelichting: Redactionele verbetering. Artikel 2:34b (Regulering paracommerciële rechtspersonen), derde lid: (artikel 1, onderdeel H, van het wijzigingsbesluit) Variant 1

Variant 1

3. Een paracommercieel rechtspersoon doet uiterlijk [tijdspanne] voor een bijeenkomst als bedoeld in het eerste lid, onder b, hiervan melding aan de burgemeester.

3. Een paracommercieel rechtspersoon doet uiterlijk [tijdspanne] voor een bijeenkomst als bedoeld in het tweede lid hiervan melding aan de burgemeester.

Toelichting: De verwijzing is gecorrigeerd. Artikel 2:39 (Speelgelegenheden), vierde lid: (artikel 1, onderdeel D, van het wijzigingsbesluit) 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Toelichting: Redactionele verbetering. Artikel 2:57 (Loslopende honden), eerste lid, onder b: (artikel 1, onderdeel 1, van het wijzigingsbesluit) b. binnen de bebouwde kom op de weg als de hond niet is aangelijnd;

b. binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd;

Toelichting: Volgens het huidige onderdeel b geldt een verbod voor honden op de weg indien ze niet aangelijnd. Dus op andere openbare plaatsen dan de weg mag een hond niet aangelijnd lopen, behalve op een krachtens onderdeel a genoemde plaats/aangewezen plaats. De wijziging breidt het verbod voor niet-aangelijnde honden uit tot andere plaatsen binnen de bebouwde kom dan de weg, zoals parken en plantsoenen of andere voor publiek openstaande plaatsen. Dat past ook beter bij de uitzondering in het tweede lid, waar wordt gesproken over 'aangewezen plaatsen'. [Artikel 2:63 (Duiven), vierde lid: (artikel 1, onderdeel B, van het wijzigingsbesluit) 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.]

Bijlage 1/3 bij VNG ledenbrief, juli 2020

4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.)

was

WORDT

[Artikel 2:64 (Bijen), vijfde lid: (artikel 1, onderdeel B, van het wijzigingsbesluit) 5. Op de ontheffing is paragraaf 4. 1.3. 3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.]

5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4. 1.3. 3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.]

Toelichting op de wijziging van de artikelen 2:63 en 2:64: Redactionele verbetering. [Artikel 2:65 (Bedelarij): (artikel 1, onderdeel J, van het wijzigingsbesluit)] [Artikel 2:65 Bedelarij

[Artikel 2:65 Bedelarij

Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het publiek_toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.]

Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken.]

Toelichting: Het komt ons voor dat het verbod ook in bijvoorbeeld parken of plantsoenen zou moeten gelden. Uit onze toelichting in artikel 1 :1 op openbare plaats: het verblijf op die plaats [mag] niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden zijn. Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen 'openbare plaatsen'. Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip 'openbare plaats'. 'Een voor het publiek toegankelijk gebouw' voor zover het verblijf daarin door de gerechtigde niet aan een doel is gebonden, is dus ook een openbare plaats. Eigenaren/exploitanten van stadions enz. en gemeentehuis' moeten zelf reguleren. Artikel 2:67 (Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister), derde lid:

3. Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:72 (Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen), tweede lid: (artikel 1, onderdeel D, van het wijzigingsbesluit) 2. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

2. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Toelichting op de wijziging van de artikelen 2:67 en 2:72: Redactionele verbetering. Artikel 3:3 (Vergunning), vijfde lid: (artikel 1, onderdeel L, van het wijzigingsbesluit) 5. Een vergunning kan mede voor één seksinrichting worden verleend.

Bijlage 1/3 bij VNG ledenbrief, juli 2020

1

1

(artikel 1, onderdeel K, van het wijzigingsbesluit): 3. Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

7

5. Een vergunning kan mede voor een seksinrichting worden verleend.

was

WORDT

Toelichting: Een seksinrichting is een onderdeel van een seksbedrijf, dus een vergunningplichtig seksbedrijf (activiteit of activiteiten) kan meer dan een seksinrichting (locatie) omvatten. Ter verduidelijking hebben we 'één' vervangen door 'een'. Artikel 3:7 (Weigeringsgronden), eerste tot en met vierde lid: (artikel 1, onderdeel M, van het wijzigingsbesluit) 1. Een vergunning wordt geweigerd als:

1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 wordt een vergunning geweigerd als:

a. de exploitant of de beheerder onder curatele staat;

a. de exploitant of de beheerder onder curatele staat;

b. de exploitant of de beheerder is ontzet uit het ouderlijk gezag of de voogdij; b. de exploitant of de beheerder onherroepelijk is

c. de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is;

veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is;

d. de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt;

heeft bereikt;

e. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

d. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

f. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften;

e. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften;

g. er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000;

f. er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf

h. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden;

g. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van

i. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:

h. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:

1 •. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze verordening;

Bijlage 1/3 bij VNG ledenbrief, juli 2020

c. de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet

personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000;

meer dan zes maanden;

1°. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze verordening;

was

WORDT

2°. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht;

2°. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht;

3°. artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

3°. artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

4°. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994;

+4°. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994;

5°. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of

5°. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of

6°. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.

6°. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.

[j. [een maximum als bedoeld in artikel 3:5 is vastgesteld en dit maximum al is bereikt OF een maximum als bedoeld in artikel 3:5 al is bereikt];]

[i. {een maximum als bedoeld in artikel 3:5 is vastgesteld en dit maximum al is bereikt OF een maximum als bedoeld in artikel 3:5 al is bereikt];]

k. de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met een geldend bestemmingsplan, een bestemmingsplan in ontwerp dat ter inzage is gelegd, een beheersverordening [of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4].

j. de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met een geldend bestemmingsplan, een bestemmingsplan in ontwerp dat ter inzage is gelegd, een beheersverordening [of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4].

2. Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder h, wordt gelijkgesteld:

2. Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder g, wordt gelijkgesteld:

a. een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf;

a. een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf;

b. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375 bedraagt.

b. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan€ 375

3. De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.

3. De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.

4. Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.

4. Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder gen h, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.

bedraagt.

Toelichting: De in het eerste lid genoemde weigeringsgronden dienen als aanvulling op de algemene weigeringsgronden van artikel 1:8. Dat is in de aanhef tot uitdrukking gebracht. In het eerste lid is onderdeel b geschrapt en zijn de overige onderdelen verletterd.. Door de inwerkingtreding van de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregel (Stb. 2014/131) is niet langer sprake van ontheffing of ontzetting uit het ouderlijk gezag of de voogdij, maar van beëindiging van ouderlijk gezag of voogdij. Artikel 3:7, eerste lid, onder b, is daarom geschrapt. Beëindiging van het ouderlijk gezag is veel ruimer dan de zeer beperkte groep ontzette ouders. (Voor de Drank- en Horecawet was één van de weigeringsgronden destijds ook dat degene die de vergunning aanvraagt niet uit het ouderlijk gezag mag zijn gezet. Dit vereiste is in 2015 vervallen.) Over het begrip 'slecht levensgedrag' in het nieuwe onderdeel b (oud c) hebben wij in de toelichting jurisprudentie opgenomen. Artikel 3:9 (lntrekkingsgronden), eerste lid, onder e: (artikel 1, onderdeel N, van het wijzigingsbesluit) e. zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder a tot en met i;

Bijlage 1/3 bij VNG ledenbrief, juli 2020

e. zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder a tot en met h;

wAs

WORDT

Toelichting: De verwijzing naar artikel 3:7 is aangepast door de verlettering in dat artikel. Artikel 5:2 (Voertuigen van autobedrijf en dergelijke), vijfde lid: (artikel 1, onderdeel B, van het wijzigingsbesluit) 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:3 (Te koop aanbieden van voertuigen), derde lid: (artikel 1, onderdeel B, van het wijzigingsbesluit) 3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1 .3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5.6 (Kampeermiddelen en andere voertuigen), vierde lid: (artikel 1, onderdeel B, van het wijzigingsbesluit) 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:7 (Reclamevoertuigen), derde lid: (artikel 1, onderdeel B, van het wijzigingsbesluit)

-------3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:8 (Grote voertuigen), zesde lid: (artikel 1, onderdeel B, van het wijzigingsbesluit) 6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:13 (Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving), vierde lid: (artikel 1, onderdeel D, van het wijzigingsbesluit) 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Toelichting op de wijziging van de artikelen 5:2, 5:3, 5:6, 5:7, 5:8 en 5:13: Redactionele verbetering.

Bijlage 1/3 bij VNG ledenbrief, juli 2020

vos

WORDT

Artikel 5:14 (Definitie), tweede lid, onder b: (artikel 1, onderdeel E, van het wijzigingsbesluit) b. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of artikel 5:22;

b. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet of artikel 5:22;

Toelichting: Correctie van de verwijzing naar artikel 160 Gemeentewet. Artikel 5:15 (Ventverbod), derde lid: (artikel 1, onderdeel B, van het wijzigingsbesluit) 3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Toelichting: Redactionele verbetering. Artikel 5:17 (Definitie), tweede lid, onder a: (artikel 1, onderdeel 0, van het wijzigingsbesluit) t----

---

a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;

a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;

Toelichting: Correctie van de verwijzing naar artikel 160 Gemeentewet. Artikel 5:18 (Standplaatsvergunning en weigeringsgronden), vierde lid: (artikel 1, onderdeel D, van het wijzigingsbesluit) 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Toelichting: Redactionele verbetering. Artikel 5:22 (Definitie), tweede lid, onder a: (artikel 1, onderdeel 0, van het wijzigingsbesluit) a. een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; Toelichting: Correctie van de verwijzing naar artikel 160 Gemeentewet.

Bijlage 1/3 bij VNG ledenbrief, juli 2020

a. een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;

WAS

WORDT

Artikel 5:32 (Crossterreinen), eerste lid: (artikel 1, onderdeel P, van het wijzigingsbesluit) 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

Toelichting: Er zijn gemeenten met een terrein (in het buitengebied) waar incidenteel een paar uurtjes gecrost wordt met brommers. Het crossen is puur recreatief, dus niet ter voorbereiding op wedstrijden. Om hiertegen te kunnen optreden bij (geluids)overlast hebben wij het crossen buiten wedstrijdverband aan het eerste lid toegevoegd. Artikel 5:36 (Verboden plaatsen), vierde lid: (artikel 1, onderdeel B, van het wijzigingsbesluit) Variant 1

Variant 1

4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Toelichting: Redactionele verbetering. Artikel 6:1 (Sanctiebepaling), derde lid: (artikel 1, onderdeel Q, van het wijzigingsbesluit) 3. In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:10, vijfde juncto eerste lid, 2:11, tweede lid, [2:12, eerste lid,] en 4:11, tweede lid.

3. In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:10 en 2:11 als sprake is van een omgevingsvergunningplichtige activiteit, [artikel 2:12, eerste lid,] en artikel 4:11, tweede lid.

Toelichting: De verwijzing naar artikel 2:10 betreft variant 1. Bovendien staat in het vijfde lid van deze variant geen verbod, maar wordt alleen gesteld dat de vergunning als omgevingsvergunning wordt verleend. Hetzelfde geldt voor de verwijzing naar artikel 2:11. De tekst is daarom verduidelijkt door het verbod te duiden als omgevingsvergunningplichtige activiteit.

Bijlage 1/3 bij VNG ledenbrief, juli 2020

Bijlage 3 bij VNG ledenbrief wijziging Model-APV zomer 2020 Overzicht van de wijzigingen in de toelichting bij de Model-APV

De wijzigingen in dit overzicht betreffen inhoudelijke toevoegingen, tenzij anders vermeld. Alle wijzigingen (inclusief redactionele en wetstechnische verbeteringen) zijn te raadplegen via de Kennisbank Decentrale Regelgeving (www.decentraleregelgeving.nl).

Algemeen Onder: Juridisch karakter van een melding Zie over meldingenstelsels verder ook (onder meer) ABRvS 17-06-2015, ECLl:NL:RVS:2015:1884, ABRvS 24-06-2015, ECLl:NL:RVS:2015:1965, ABRVS 18-05-2016, ECLI:NL:RVS:2016:1309 en ABRvS 25-01-2017, ECLl:NL:RVS:2017:164. Onder: Schaarse vergunningen Als een activiteit onder de werking van de Dienstenrichtlijn valt en het aantal vergunningen voor deze activiteit wordt beperkt, komt de vraag op of die beperking gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang en daarnaast ook of die beperking evenredig is met die dwingende reden van algemeen belang. Zie hiervoor ABRVS 07-06-2017, ECLI:NL:RVS:2017:1520. Artikel 1 :5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing ABRVS 13-03-2019, ECLI:NL:RVS:2019:774. Aan de orde was een wijziging van de tenaamstelling van een vergunning op grond van de Wet op de kansspelen. De reden voor de wijziging van de tenaamstelling was een rechtsvormwijziging van de vergunninghouder(s). De rechtsvormwijziging brengt volgens de Afdeling niet mee dat er sprake is van overdracht van de vergunning. Wel oordeelt de Afdeling dat de wijziging van de tenaamstelling een 'aanzienlijke wijziging' van de vergunning is, die tevens heeft geleid tot een aanpassing van de vergunningvoorschriften.

Aangezien het gaat om een éénvergunningstelsel en daarmee om een schaarse vergunning, komt de Afdeling tot het oordeel dat de wijziging niet is toegelaten. Bij een wezenlijke wijziging van een schaarse vergunning kan geen aanspraak worden gemaakt op continuering van de schaarse vergunning. Zie ook ABRvS 27 september 2017, ECLl:NL:RVS:2017:2611. Als het gaat om een schaarse vergunning waarbij een wijziging van de tenaamstelling wordt beschouwd als een wezenlijke (of aanzienlijke) wijziging, moet dus opnieuw gelegenheid tot indiening van aanvragen worden geboden. Artikel 1 :8 Weigeringsgronden Onder: Zedelijkheid Over het belang van dierenwelzijn als aparte weigeringsgrond heeft de Afdeling beslist dat deze in strijd is met hogere regelgeving. Met de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren in samenhang met de daarop gebaseerde uitvoeringsvoorschriften is beoogd het dierenwelzijn uitputtend te regelen (ABRVS 26-08-2009, ECLINL:RVS:2009.BJ6075).

Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, juli 2020

Onder: Voorzieningenniveau bij standplaatsen

Op grond van de Dienstenrichtlijn mag onder voorwaarden wel een kwantitatieve of territoriale beperking worden gesteld (zie de toelichting op artikel 5: 18). Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden ABRvS 19-06-2019, ECLINL:RVS:2019:1940. Op grond van artikel 2:1, eerste lid, van de APV heeft de burgemeester bij besluit gelast om niet meer op een openbare plaats in de gemeente door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden in de nabijheid van een kerk. Aan de last heeft de burgemeester een dwangsom verbonden. De Afdeling oordeelt dat het gedrag van appellant, zeker gelet op de beledigende teksten, uitdagend was. Uit het rapport kan echter niet worden afgeleid dat als gevolg van dit uitdagend gedrag ongeregeldheden zijn ontstaan of dreigden te ontstaan. De omstandigheid dat de door appellant aangesproken personen zijn uitlatingen hoog hebben opgenomen, is hiervoor onvoldoende. De burgemeester was niet bevoegd om appellant de last op te leggen. Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan [de weg OF een openbare plaats] Onder: Terrassen ABRVS 20-02-2019, ECLI:NL:RVS:2019:534. Het terrein waarop het terras is gelegen moet als weg in de zin van de APV worden aangemerkt, omdat het terrein een open plaats betreft als bedoeld in de APV. Het gaat daarbij om de feitelijke toegankelijkheid.

Bij de beoordeling van een aanvraag van een terrasvergunning wordt slechts getoetst aan de voorschriften in de APV. Dit betekent dat de aanvraag slechts kan worden geweigerd indien deze niet zou voldoen aan de vereisten van artikel 2:10, derde lid, van de APV. Dit artikel brengt niet mee dat een aanvraag voor een terrasvergunning getoetst dient te worden aan het bestemmingsplan. De weigeringsgronden zien met name op gevolgen die het plaatsen van de voorwerpen op de weg met zich brengt. Bij het beoordelen van hinder als bedoeld in artikel 2:10, derde lid, van de APV gaat het om de inrichting van de openbare ruimte met het oog op de bruikbaarheid en het aanzien van de weg (vergelijk ABRvS 11-12-2013, ECLl:NL:RVS:2013:2334). Rb. Den Haag 27-01-2020, ECLl:NL:RBDHA:2020:584. Er is geen sprake van één of meer weigeringsgronden zoals opgenomen in artikel 2:10, derde lid, van de APV. Verweerder heeft in redelijkheid de terrasvergunning mogen verlenen. Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg Onder: Variant 1 (Meldingsplicht) Jurisprudentie ABRVS 14-01-2015, ECLINL:RVS:2015:14. Over het meldingenstelsel -verbod voor het maken of veranderen van een uitweg zonder voorafgaande melding, waarbij het college dit binnen vier weken na de melding kan verbieden - oordeelt de Afdeling als volgt.

Een beslissing van het college het maken of veranderen van een uitweg te verbieden is een besluit, want gericht op rechtsgevolg. Een binnen vier weken verzonden brief van het college aan de melder die erop neerkomt dat, al dan niet onder voorschriften, met de melding kan worden ingestemd of dat deze wordt geaccepteerd, dient te worden aangemerkt als besluit. De instemming of acceptatie is gericht op rechtsgevolg, omdat daarmee het recht ontstaat om met de aanleg van de uitweg te beginnen. Als een reactie binnen vier weken uitblijft, dient het van rechtswege intreden van het rechtsgevolg op dezelfde wijze als in

Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, juli 2020

artikel 6:2 van de Awb voor een andere situatie is voorgeschreven, voor de rechtsbescherming te worden gelijkgesteld met een besluit. De Afdeling overweegt verder dat, indien de gemeentelijke wetgever met een uitwegmeldingenstelsel wil bereiken dat niet alle reacties moeten worden aangemerkt als besluit dan wel daarmee voor de rechtsbescherming worden gelijkgesteld, een alternatieve regeling denkbaar is. De Afdeling doelt hierbij op de door de staatsraad advocaat-generaal in zijn conclusie genoemde meldingenstelsels die worden beheerst door algemene regels en waarbij niet voorzien is in een reactie van enig bestuursorgaan. Denkbaar is een regeling volgens welke een uitweg mag worden aangelegd indien wordt voldaan aan de in de regels gestelde voorschriften en daarnaast wordt bepaald dat in de overige gevallen een vergunning dient te worden aangevraagd. ABRvS 14-01-2015, ECLl:NL:RVS:2015:36. De instemming van rechtswege voortvloeiend uit het vijfde (in de model-APV: vierde) lid van artikel 2:12 van de Apv moet voor de rechtsbescherming worden gelijkgesteld met een besluit. ABRvS 18-05-2016, ECLl:NL:RVS:2016:1309. Het in de APV neergelegde meldingensysteem brengt met zich dat het college na het verstrijken van de termijn van vier weken niet meer alsnog de aanleg van de uitweg kon verbieden.

Onder: Variant 2 (Vergunningplicht) Jurisprudentie ARRS 12-07-1982, 1B/S 111, nr. 356. Als voorschrift aan de vergunning kan onder andere een onderhoudsplicht opgelegd worden. ARRS 28-10-1983, Gst. 6774, nr. 12 (APV Vlijmen) en ARRS 01-04-1980, tB/S V, p. 662 (APV Dongen). Via voorschriften aan de vergunning te verbinden kan de wijze waarop wordt uitgewegd worden geregeld. Verwijderd: Rb. Gelderland 07-11-2019, ECLl:NL:RBGEL:2019:5015. In de APV is een meldingenstelsel opgenomen. De uitrit kan worden aangelegd indien het college niet binnen vier weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitrit wordt verboden. Stilzwijgende instemming is geen besluit omdat geen sprake is van een rechtshandeling en de instemming ook niet op schrift is gesteld. De conclusie van Staatsraad Advocaat-Generaal om in dit geval een stilzwijgende instemming gelijk te stellen met een besluit wordt niet gevolgd. Wetswijziging noodzakelijk. Artikel 2:25 Evenementenvergunning Onder: Eerste lid Bij het bepalen van geluidsnormen in een evenementenvergunning kan de burgemeester gebruik maken van objectieve bronnen, zoals een nota evenementenbeleid. Maar het is vaste jurisprudentie dat op objectieve gronden niet valt vast te stellen wanneer een omwonende ten gevolge van een evenement onduldbare geluidshinder ondervindt.

Het oordeel of geluidshinder onaanvaardbaar is, is afhankelijk van het antwoord op de vraag of de burgemeester aan de belangen die zijn gediend met de activiteit die dat geluid veroorzaakt, redelijkerwijs doorslaggevend gewicht heeft kunnen toekennen. De burgemeester moet dus in een voorliggend geval onderzoek doen naar en inzicht hebben in de mate van hinder aan de zijde van de omwonenden. Zie ABRvS 11-05-2016,

Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, juli 2020

ECLl:NL:RVS:2016:1245 (Hardshock Festival Zwolle), AB RVS 15-05-2019, ECLl:NL:RVS:2019:1566 (Evenement Pride Amsterdam 2017), ABRvS 06-11-2019, ECLl:NL:RVS:2019:3720 (Pride 2018 Amsterdam), AB RVS 10-7-2019, ECLINL:RV S:2019:2346 (Muziekboulevard 2017 en Kermis Eikenboomgaard 2017 Oss).

Onder: Zevende lid Jurisprudentie ABRvS 18-07-2018, ECLl:NL:RVS:2018:2456. Gelet op het ontbreken van een nadere omschrijving van het begrip slecht levensgedrag in de APV, beoogt de APV kennelijk aan te sluiten bij de terminologie van de Drank- en Horecawet. Bij of krachtens de Drank- en Horecawet is geen nadere omschrijving gegeven van de eis dat leidinggevenden niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn. Gelet hierop zijn geen beperkingen gesteld aan de feiten of omstandigheden, die bij de beoordeling van het levensgedrag mogen worden betrokken. Het is niet vereist dat bij die beoordeling alleen feiten en omstandigheden die te maken hebben met de exploitatie van een café worden betrokken. Uit de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2013 (ECLl:RVS:2013:CA0629) volgt verder dat een strafrechtelijke veroordeling niet vereist is. ABRvS 18-12-2019, ECLl:NL:RVS:2019:4258; VR Raad van State 05-03-2020, ECLl:NL:RVS:2020:689 en ECLl:NL:RVS:2020:690. De Afdeling vindt dat het in beginsel voldoende duidelijk en ondubbelzinnig, objectief, transparant en toegankelijk genoeg is om iemand zijn levensgedrag tegen te werpen en dat er dus geen sprake is van strijd met artikel 10 van de Dienstenrichtlijn. Om discussie over strijd met artikel 10 van de Dienstenrichtlijn te voorkomen, is het noodzakelijk dat de burgemeester bij het toepassen van de weigeringsgrond beleidsregels vaststelt.

In die beleidsregels moet worden opgenomen wat onder slecht levensgedrag wordt verstaan en welke feiten en omstandigheden worden meegewogen. Bijvoorbeeld de beleidsregel dat slechts feiten die zich hebben voorgedaan in de periode van vijf jaar voorafgaand aan het nemen van een besluit op de aanvraag in de beoordeling van de aanvraag betrokken worden. Hebben zich in die periode geen feiten voorgedaan die te maken hebben met het levensgedrag van een exploitant, dan zal de vergunning om redenen ontleend aan het levensgedrag niet worden geweigerd. Als zich in die periode wel voorvallen hebben-voorgedaan, dan kijkt de burgemeester ook naar de voorvallen in het verdere verleden om te bezien of er een patroon van zodanig levensgedrag valt te ontwaren dat het woon- en leefmilieu of de openbare orde in de omgeving van het horecabedrijf mogelijk negatief wordt beïnvloed. Onder: Achtste lid Jurisprudentie ABRVS 13-07-2011, ECLI:NL:RVS:2011 :BR1412. Betreft beroep tegen een door de raad vastgesteld bestemmingsplan. In artikel 10.2 van de planregels staat dat het tijdelijk, al dan niet periodiek gebruik van de gronden van het plangebied als evenemententerrein, niet strijdig is met de gebruiksregels in het bestemmingsplan. Onduidelijk is gedurende welke termijn en met welke frequentie het plangebied toestaat dat het gebied als evenemententerrein mag worden gebruikt.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat artikel 10.2 onvoldoende duidelijk is en dat de begrippen tijdelijk en periodiek uit oogpunt van rechtszekerheid nader dienen te worden geconcretiseerd. De omstandigheid dat voor het organiseren van een evenement een vergunning is vereist, waarin de

Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, juli 2020

duur van het evenement kan worden vastgelegd, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat niet duidelijk is op basis van welke criteria wordt beslist op een verzoek om een dergelijke vergunning. Rb. Amsterdam, 20-8-2014,ECLl:NLRBAMS:2014:5288. In geschil is of de evenementenvergunning te laat is aangevraagd en verleend, of de aan de vergunning verbonden milieuvoorschriften te veel geluid toestaan dan wel onduidelijk zijn en of de vergunning in strijd met de Zondagswet en het Evenementenbeleid is verleend, aangezien het maximaal aantal festivaldagen voor een dergelijk zwaar evenement wordt overschreden. De voorzieningenrechter oordeelt dat het evenementenbeleid weliswaar een langere termijn voorschrijft, maar dat dit geen weigeringsgrond is en dat de aanvraag bovendien is ingediend binnen de termijn die in de APV staat. Het terrein is aangemerkt als evenementengebied, dus er is geen strijd met de bestemming. De burgemeester mocht zich baseren op het rapport van de eigen deskundige, waaruit blijkt dat er wat betreft de geluidsnormen geen verslechtering is ten opzichte van de situatie in het jaar daarvoor. Er is een ontheffing van de Zondagswet verleend. Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. ABRvS 12-11-2014, ECLl:NL:RVS:2014:4117.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Urk&id=2fc63152-dabc-4ca0-bf19-22f43d2ff87d