Informatienota toezegging
Tekst van het document
Informatienota Onderwerp
Antwoord toezegging
Datum
Aan
Zaaknummer
Van
29 oktober 2025
Gemeenteraad College B&W / Afd. Financien
Informatienota Tijdens de behandeling in de commissie Organisatie en leven van 14 oktober 2025 is gesproken over de rioolheffing en de relatie met de onroerendezaakbelasting. Dit heeft geleid tot de volgende toezegging vanuit de wethouder. • De wethouder zegt toe om een onderzoek te doen wat de gevolgen voor de begroting zijn, wanneer de rioolheffing gecorrigeerd wordt met de taakstelling van 10% en 2,7% inflatie en beperk de stijging van de OZB tot 5% taakstelling en 2,7% inflatie. Antwoord: Uw vraag vereist een wat langere beantwoording omdat er meerdere aspecten aan uw vraag zitten. Om u goed te informeren hebben wij in dit antwoord ook de techniek rondom de rioolheffing besproken. Systeem van heffingen Voorafgaand aan de concrete invulling van de toezegging is het goed om de techniek van de kostendekkendheid van de heffingen te bespreken. De berekening van kostendekkendheid van de heffing is vastgelegd in regelgeving voor gemeenten. Dit is gedaan om wildgroei in de berekening tegen te gaan en landelijke vergelijking mogelijk te maken. Heffingen mogen net als leges maximaal 100% kostendekkend zijn. Dat wil zeggen dat bij volledige kostendekkendheid de heffingen die de gemeente Urk heft volledig worden gebruikt om de kosten van de het heffingssysteem te betalen. Met uitzondering van begraafleges is dit ook de wens van de gemeenteraad van Urk.
Dit principe geldt voor alle leges en heffingen. Leges rioolheffing specifiek De kader voor de berekening van de heffing is het GWRP (Gemeentelijk rioleringsplan) zoals u dat periodiek vaststelt. Jaarlijks zetten wij de verwachte lasten af tegen de te verwachten baten. Wanneer in enig jaar bij de berekening van de kostendekkendheid een saldo ontstaat, wordt dit hetzij ten laste, hetzij ten gunste van een egalisatievoorziening (het rioleringsfonds) gebracht. In feite ontstaat hiermee een gesloten systeem. De voorziening dient € 250.000 of hoger te zijn. Wanneer echter deze voorziening niet meer toereikend is zullen de lasten worden gedragen vanuit de algemene middelen. Kadernota 2026 Ten tijde van het opstellen van de kadernota 2026 waren de kostendekkendheid tabellen vanuit de jaarrekening net gereedgekomen. Hieruit bleek een kostendekkendheid voor de riolering rond de 100%. Dit betekent dat alle kosten voor de riolering werden gedekt door de heffing. Bij de kadernota 2026 hebben wij een voorstel aan u voorgelegd om de rioolheffing voor grote lozers te 1
verhogen (mede in het kader van de vervuiler betaalt) waarbij binnen het vierkant van de totale rioolheffing dit surplus gebruikt wordt om de heffing voor de burgers te verlagen. De verlaging op de rioolheffing voor de burgers is gebruikt om de onroerendezaakbelasting in totaal onder gelijktijdige en neutrale verhoging van de onroerendezaakbelasting. De woonlasten voor de burger blijven door deze transactie gelijk. Het betrof een bedrag van in eerste instantie € 300.000. Maar via amendementen is dit verhoogd tot € 500.000. Door gebruik te maken van deze wijziging kon de meeropbrengst worden gebruikt als algemeen dekkingsmiddel en daarmee ingezet worden om de uitdagingen vanuit de kadernota te financieren. Begrotingsproces Tijdens het begrotingsproces is de kostendekkendheid van alle heffingen en leges opnieuw berekend aan de hand van de laatste informatie. Uit deze berekening blijkt dat de verwachte kostendekkendheid geen 100%, maar 79% is. De regelgeving geeft dan aan dat er vanuit de voorziening rioleringsfonds geld opgenomen moet worden om 100% kostendekkendheid te zijn. De voorziening bereikt echter haar minimumhoogte waardoor er geen onttrekking meer plaats kan vinden. Per saldo betekent dit dat uiteindelijk de algemene middelen een gedeelte van de kosten van riolering dekt voor ongeveer € 710.000. Concreet antwoord op uw vraag.
U stelt voor € 500.000 opbrengsten te verschuiven van Onroerend Zaak Belasting naar Rioolheffing en hiermee het voorstel vanuit de kadernota terug te draaien. Voor het jaar 2026 betekent de verlaging van de te ontvangen onroerendezaakbelasting een verslechtering van het begrotingssaldo met € 500.000. Tegelijkertijd betekent de hogere rioolheffing een verbetering van het begrotingssaldo van € 500.000, immers we egaliseren niet via het rioleringsfonds omdat deze de minimumhoogte heeft bereikt. Per saldo betekent het echter dat dit geen budgettair effect heeft. Met de hogere opbrengst voor rioolheffing stijgt ook het -percentage van kostendekkendheid tot 95%. Indien kosten lager uitvallen, dan wel opbrengsten meevallen zullen deze ten goede komen aan het rioleringsfonds en niet aan het begrotingssaldo. Effect op de tarieven Uw verzoek betekent ook een aanpassing van de belastingtarieven en de tarieven voor rioolheffing. In onderstaande tabel treft u de herrekening aan. Over de gevolgen voor de belastingverordeningen wordt u hieronder geinformeerd.
Gemiddelde woonlasten voor een huishouden van 3 personen voor de periode 2024-2026 Belastingsoort 2024 2025 2026 OZB eigenaar € 480 € 494 € 530 Afvalstoffenheffing € 263 € 289 € 327 Rioolheffing € 251 € 269 € 303 Totaal € 994 € 1.052 € 1.160
Ontwikkeling 2025/2026 in % 7,29% 13,15% 12,64% 10,27%
Effect op de belastingverordeningen Uw voorgestelde aanpassing heeft gevolgen voor drie verordeningen. Onderstaand treft u de aanpassingen aan: Verordening op de heffing en invordering van onroerende zaakbelastingen; 2
Artikel 5, lid 1,b,1. Het tarief voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen wordt 0,1268% Verordening op de heffing en invordering van belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten Artikel 7, lid 1,b,1. Het tarief voor roerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen wordt 0,1268% Verordening op de heffing en invordering van Rioolheffing. Artikel 6, lid 3 eerste aandachtstreepje. Bedrag moet worden € 303,00 Artikel 6, lid 3 tweede aandachtstreepje. Bedrag moet worden € 341,00
3