CDA - Algemene beschouwingen
Tekst van het document
1
Voorzitter De Kadernota gaat over geld, maar uiteindelijk gaat het over mensen. Over gezinnen. Over jongeren. Over starters. Over ouderen. Over ondernemers. Over verenigingen. Over onze hele Urker gemeenschap. We kijken vanavond niet alleen naar cijfers, tabellen en jaarschijven, maar vooral naar de richting die wij met Urk op willen. Deze Kadernota is in een bijzondere situatie tot stand gekomen. Zij is voorbereid onder het vorige college en gebaseerd op het vorige coalitieakkoord. Inmiddels is er een nieuw college geïnstalleerd en ligt er een nieuw coalitieakkoord voor de periode 2026-2030: Groeien met Karakter. Dat maakt dat er enige ruis op de lijn zit. Wat beide stukken gemeen hebben, is dezelfde koers: omgaan met grote ambities binnen beperkte financiële ruimte. En om die reden moeten wij als raad zorgvuldig afwegen. Zoals ook in het coalitieakkoord wordt benoemd: niet alles kan tegelijk. De vraag is daarom niet: waar willen we geld aan uitgeven? De vraag is vooral: wat vinden wij zó belangrijk dat we het ondanks de beperkte ruimte toch moeten doen? Voorzitter, het was nog best een zoektocht om structuur aan te brengen in deze Algemene Beschouwingen. Volg ik de Kadernota, volg ik het coalitieakkoord, probeer ik alle onderwerpen aan te stippen of niet? Uiteindelijk heb ik ervoor gekozen mijn bijdrage op te bouwen rond de drie moties die onze fractie vandaag indient.
Niet omdat deze onderwerpen belangrijker zijn dan andere thema’s die voorliggen, maar omdat zij een logische kapstok vormen voor ons betoog. Aan het einde van mijn bijdrage kom ik nog terug op enkele overige punten en vragen. 1. Ten eerste: onze jeugd. Niet praten óver jongeren, maar mét jongeren. Daarom dienen wij een motie in voor het onderzoeken van een kindermotiemarkt. 2. Ten tweede: onze starters. Als wij betaalbare woningen bouwen voor starters, dan moeten die woningen ook echt terechtkomen bij de doelgroep waarvoor ze bedoeld zijn. 3. Ten derde: de financiën. Wij moeten voorzichtig zijn, maar ondanks de onzekerheden dienen wij een motie in om de voorgenomen structurele verhoging van de lokale lasten met 2% in 2027 niet als uitgangspunt te nemen. Voorzitter, 1. Ik begin bij onze jeugd. De Kadernota benoemt terecht dat Urk een jonge gemeente is. Veel jongeren groeien hier op, voelen zich verbonden met Urk en willen hier graag blijven wonen. Dat is een kracht en iets om dankbaar voor te zijn. Maar de Kadernota laat ook zien dat jongeren voor steeds complexere uitdagingen staan: mentale druk, middelengebruik, groepsdruk, verschillende verwachtingen vanuit school, werk, thuis, kerk en sociale media. 2
Daarom is het goed dat in de Kadernota het programma DURF nadrukkelijk wordt genoemd. DURF bouwt voort op de kracht van de Urker gemeenschap. Het programma verbindt ouders, scholen, kerken, verenigingen, professionals en jongeren. En misschien wel het belangrijkste: DURF wil de beweging maken van achteraf ingrijpen naar preventief versterken. Voorzitter, wij vinden het belangrijk dat we ook goed zicht blijven houden op de ontwikkelingen onder onze jongeren. In de Kadernota wordt benoemd dat jongeren op Urk gemiddeld eerder beginnen met alcoholgebruik en roken dan leeftijdsgenoten elders in Nederland. Dat is een serieus signaal, maar uiteindelijk vinden wij vooral de ontwikkeling op Urk zelf van belang. Daarom vragen wij het college hoe het ervoor wil zorgen dat de raad de komende jaren beschikt over actuele informatie over de ontwikkeling van middelengebruik onder jongeren op Urk. Alleen met actuele gegevens kunnen we immers beoordelen of de ingezette preventieve aanpak daadwerkelijk effect heeft en of bijsturing nodig is. In dat kader vragen wij ook of inmiddels recentere cijfers beschikbaar zijn dan de gegevens waarop deze constatering is gebaseerd, zodat we niet alleen terugkijken, maar vooral vooruit kunnen blijven sturen. Het coalitieakkoord noemt preventie, eigen kracht en de sociale basis als leidende principes.
Juist daarom moeten we investeren voordat problemen escaleren. Dan zijn zorgen al groter geworden. Preventie betekent dat we eerder aanwezig zijn. Dat we luisteren voordat iets escaleert. Dat we jongeren niet pas zien als er overlast is, maar juist als zij ideeën, talenten en vragen hebben. Voorzitter, tegelijkertijd realiseren wij ons dat preventie geen garantie is dat de vraag naar jeugdhulp altijd gelijk blijft. Ook op Urk zien wij de ontwikkelingen om ons heen en weten we dat de druk op de jeugdzorg landelijk blijft toenemen. In de Kadernota lezen wij dat het college de ontwikkeling van de jeugdzorg volgt met behulp van KPI-rapportages. Dat vinden wij verstandig. Maar daarmee ontstaat ook een politieke vraag. Wat gebeurt er wanneer uit die rapportages blijkt dat de kosten harder stijgen dan verwacht of dat de beoogde effecten achterblijven? Kan het college concreet aangeven welke handelingsperspectieven het dan voor zich ziet? Richt het college zich dan vooral op verdere versterking van preventie en vroegsignalering, op aanpassingen in de toegang tot jeugdhulp, op regionale inkoopafspraken of op andere maatregelen? En wanneer vindt het college dat sprake is van een zodanige afwijking dat aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn? Zijn daarvoor nu al scenario's uitgewerkt of ontstaat die afweging pas wanneer de financiële druk zich daadwerkelijk voordoet?
3
Voorzitter, daarbij willen wij ook nadrukkelijk zeggen: als de kosten van jeugdzorg stijgen, mag het antwoord niet zijn dat we dan gaan snijden in het preventieve en voorliggende veld. Juist daar maken we het verschil en kunnen we voorkomen dat problemen groter worden. De Kadernota benoemt de onzekerheid rond stijgende jeugdzorgkosten. Die onzekerheid is reëel. Maar die mag ons niet verlammen en ook niet verleiden tot verkeerde bezuinigingen. Onze lijn is helder: blijf investeren in preventie, blijf investeren in jongeren. Niet omdat er geld over is, maar omdat dit op lange termijn de verstandigste keuze is. Voorzitter, juist omdat wij kiezen voor preventie, vinden wij het belangrijk dat de raad ook zicht houdt op de resultaten daarvan. Preventie is immers geen doel op zichzelf, maar een investering waarvan we mogen verwachten dat die op langere termijn maatschappelijke effecten oplevert. Het college geeft in de technische beantwoording aan dat de effecten van DURF worden gevolgd aan de hand van periodieke metingen, waarbij onder andere wordt gekeken naar mentale gezondheid, middelengebruik, ouderbetrokkenheid en vrijetijdsbesteding. Ook geeft het college aan dat begin volgend jaar nieuwe resultaten beschikbaar komen. Dat vinden wij positief.
Tegelijkertijd weten we ook dat preventieve voorzieningen in financieel moeilijke tijden vaak als eerste onder druk komen te staan, terwijl de opbrengsten zich juist pas na langere tijd laten zien. Daarom vinden wij het belangrijk dat de raad niet alleen incidenteel, maar structureel wordt meegenomen in de effecten van DURF. Deelt het college daarom de opvatting dat het zijn verantwoordelijkheid is om de raad actief en tijdig te informeren over de resultaten van DURF, zodat toekomstige afwegingen over preventief jongerenbeleid gebaseerd zijn op inzicht in effecten en maatschappelijke opbrengsten, en niet op aannames of korte termijnoverwegingen? Voorzitter, jongeren zijn niet alleen een doelgroep van beleid. Jongeren zijn inwoners van onze gemeente. En zij zijn, om een zin uit ons verkiezingsprogramma te gebruiken, de experts van hun eigen leefwereld. Wij kunnen als volwassenen veel bedenken. We kunnen beleidsnota’s schrijven, programma’s optuigen en overlegtafels organiseren. Maar als we jongeren niet zelf laten meepraten en meedenken, missen we een belangrijk deel van de werkelijkheid. Dan bestaat het risico dat wij beleid maken op basis van aannames. Goedbedoeld, maar niet altijd raak. Daarom willen wij toe naar jongerenparticipatie die echt iets betekent. Niet één keer een enquête.
Niet een bijeenkomst waar jongeren mogen zeggen wat wij daarna weer samenvatten in bestuurlijke taal. Maar structureel ruimte geven aan hun ideeën. Jongeren die verantwoordelijkheid krijgen, leren ook verantwoordelijkheid dragen. Jongeren die mogen meedenken over hun omgeving, kijken anders naar die omgeving. 4
Daarom stellen wij voor om een kindermotiemarkt te onderzoeken, naar voorbeeld van andere gemeenten. Een jaarlijks moment waarop kinderen en jongeren zelf voorstellen kunnen doen om Urk mooier, fijner, veiliger of aantrekkelijker te maken. Dat kan gaan over speelplekken, ontmoeting, sport, veiligheid, groen, verkeer, activiteiten of iets wat wij als raad misschien nog helemaal niet bedacht hebben. Het doel is niet dat kinderen onze ideeën bevestigen, maar dat zij met hun eigen ideeën komen. Een kindermotiemarkt draagt direct bij aan een van de beoogde effecten uit het coalitieakkoord: hogere participatie van jongeren en versterking van verbondenheid binnen onze gemeenschap. Een kindermotiemarkt heeft wat onze fractie betreft drie waarden. 1. Allereerst democratische waarde. Kinderen maken kennis met de gemeenteraad. Ze leren dat politiek niet iets is van “daar in het gemeentehuis”, maar iets dat gaat over hun eigen straat, school, sportveld en leefomgeving. 2. Daarnaast maatschappelijke waarde. We laten zien dat wij onze jeugd niet alleen zien als groep waar zorgen over bestaan, maar als groep met ideeën, creativiteit en betrokkenheid. 3. En ten derde preventieve waarde. Jongerenparticipatie draagt bij aan verbinding, vertrouwen en eigenaarschap. Daarom dienen wij straks de motie over de kindermotiemarkt in, collega Hans Crebas zal het dictum voorlezen.
Verzoekt het college: • • • •
Samen met de griffie het organiseren van een kindermotiemarkt te onderzoeken; Met een voorstel terug te komen naar de raad; Bij het opstellen van een eventueel voorstel de plaatselijke basisscholen te betrekken; Daarbij inzichtelijk te maken welke organisatorische en eventuele financiële consequenties verbonden zijn aan de verschillende uitvoeringsmogelijkheden;
Voorzitter, 2. Dan ons tweede hoofdthema: starters en betaalbaar wonen. De Kadernota benoemt het heel duidelijk: Urk groeit. Die groei is geen abstract cijfer. Dat zijn gezinnen. Dat zijn kinderen die volwassen worden en hier willen blijven wonen. Het coalitieakkoord noemt betaalbaar wonen expliciet als bestuurlijke prioriteit voor deze bestuursperiode. Dat is terecht, want veel jongeren willen hun toekomst op Urk opbouwen. Dat is begrijpelijk. Maar dan moet er wel perspectief zijn. Voorzitter, wonen is voor onze fractie niet alleen een ruimtelijk vraagstuk. Het is ook een sociaal vraagstuk. Het coalitieakkoord verbindt wonen nadrukkelijk aan leefbaarheid, sociale samenhang en identiteit. Wonen gaat daarom niet alleen over stenen, maar ook 5
over gemeenschapskracht. Als jongeren geen plek kunnen vinden op Urk, raakt dat de gemeenschap. Daarom is het goed dat de Kadernota binnen het programma Wonen aandacht heeft voor starters en betaalbaar bouwen, maar dat is slechts één kant van het verhaal. De andere kant is ervoor zorgen dat betaalbare starterswoningen ook daadwerkelijk terechtkomen bij de doelgroep waarvoor zij bedoeld zijn. En daar ziet onze fractie aanleiding om nog eens kritisch naar te kijken. Wanneer betaalbare starterswoningen via verloting worden toegewezen, moet de procedure eerlijk, transparant en doelgericht zijn. Als de criteria te ruim zijn, kan het gebeuren dat mensen deelnemen die eigenlijk niet behoren tot de doelgroep waarvoor deze woningen bedoeld zijn. Een betaalbare starterswoning is geen gewone marktkoopwoning. Het is een schaars product dat met een duidelijk maatschappelijk doel wordt gerealiseerd: starters een betere kans geven op de woningmarkt. Onze motie vraagt daarom niet om direct nieuwe regels vast te stellen, maar om te onderzoeken hoe toekomstige verlotingen beter kunnen worden gericht op de doelgroep waarvoor deze woningen bedoeld zijn. Daarbij vragen wij het college in ieder geval te onderzoeken of het bezit van een koopwoning op het moment van inschrijving als deelnamevoorwaarde kan worden uitgesloten.
Want wanneer woningen specifiek voor starters worden gerealiseerd, is het logisch om te bezien of de toewijzingscriteria daar voldoende bij aansluiten. Als wij als gemeente zeggen dat wij bouwen voor starters, dan moeten starters dat ook merken. Daarom dienen wij straks ook deze motie in. Mijn collega Jurie van de Berg zal het dictum aan u meegeven: Roept het college op: •
•
•
Te onderzoeken op welke wijze toekomstige verlotingen van betaalbare starterswoningen beter kunnen worden gericht op de doelgroep waarvoor deze woningen bedoeld zijn; Daarbij in ieder geval te onderzoeken of als deelnamevoorwaarde kan worden opgenomen dat een deelnemer op het moment van inschrijving geen woning in eigendom heeft; De raad te informeren over de uitkomsten van dit onderzoek en, indien wenselijk, met een voorstel terug te komen voor aanpassing van toekomstige verkoop- en verlotingsprocedures voor betaalbare starterswoningen.
Voorzitter, Betaalbaar wonen vraagt niet alleen om voldoende woningen, maar ook om een leefomgeving die veilig en goed bereikbaar is. Daarom willen wij in dit kader ook kort stilstaan bij de voorgenomen investering in de doorfietsroute Urk-Marknesse.
6
In de Kadernota wordt hiervoor een bedrag van € 500.000 gereserveerd. Tegelijkertijd bevinden we ons in een periode waarin de financiële ruimte beperkt is en het college zelf aangeeft dat scherpe keuzes noodzakelijk zijn. Juist dan vinden wij dat iedere investering zorgvuldig moet kunnen worden onderbouwd. In het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan is afgesproken dat jaarlijks een verkeersveiligheidsrapportage wordt opgesteld. De CDA-fractie heeft eerder gevraagd naar de rapportage over 2025, maar deze nog niet ontvangen. Ook van eerdere jaren hebben wij geen rapportages kunnen terugvinden. Daarom vragen wij het college welke concrete gegevens ten grondslag liggen aan deze investering. Zijn er cijfers beschikbaar over verkeersveiligheid, ongevallen of specifieke knelpunten waaruit blijkt dat deze investering op dit moment noodzakelijk is? Daarnaast horen wij graag welk concreet probleem met deze investering wordt opgelost. Is sprake van een aantoonbaar verkeersveiligheidsprobleem of gaat het vooral om het verder optimaliseren van een situatie die op hoofdlijnen al voldoet aan de geldende richtlijnen? En juist omdat de financiële ruimte beperkt is, vinden wij dat de raad daadwerkelijk iets te kiezen moet hebben.
Is het college daarom bereid de raad eerst een inhoudelijke onderbouwing voor te leggen van de noodzaak, de verwachte effecten en de verschillende uitvoeringsmogelijkheden binnen het beschikbare krediet van € 500.000, zodat de raad een weloverwogen afweging kan maken ten opzichte van andere investeringen die eveneens om financiële ruimte vragen? Kan het college daarbij ook inzichtelijk maken welke keuzes er binnen het beschikbare krediet van € 500.000 nog daadwerkelijk te maken zijn? Ligt het volledige ontwerp al vast of heeft de raad nog ruimte om te kiezen tussen verschillende uitvoeringsvarianten, ambitieniveaus of faseringen? Voorzitter, 3. Dan het derde hoofdthema: de financiën. De financiële situatie van de gemeente Urk vraagt voorzichtigheid. Dat staat buiten kijf. De Kadernota spreekt stevige taal: we varen scherp aan de wind, verder schaven is bijna niet meer mogelijk en het financiële beeld wordt richting 2029 en 2030 negatief. De Kadernota laat zien dat 2027 en 2028 met veel moeite sluitend kunnen worden gemaakt, maar dat er daarna grote tekorten ontstaan. Onze fractie neemt die waarschuwingen serieus. Wij zullen niet doen alsof er niets aan de hand is. De onzekerheden zijn groot. Denk aan de jeugdzorg, de havenkades, het IBOR, de Spuiweg, de ontwikkeling van het gemeentefonds en de grote investeringen die op Urk afkomen.
Maar juist omdat het financieel spannend is, moeten wij zuiver redeneren. 7
Voorzitter, juist in financieel moeilijke tijden is het belangrijk om onderscheid te maken tussen maatregelen die het probleem daadwerkelijk oplossen en maatregelen die het probleem slechts tijdelijk verplaatsen. Een gezonde begroting ontstaat uiteindelijk niet door boekhoudkundige oplossingen, maar door weloverwogen keuzes. Daarom hebben wij nog enkele vragen over de wijze waarop het college het financieel evenwicht wil bereiken. Het verlengen van afschrijvingstermijnen levert op papier financiële ruimte op, maar betekent ook dat activa langer mee moeten gaan. Heeft het college daarbij ook inzichtelijk gemaakt welke extra onderhouds- en vervangingskosten hiermee gepaard gaan? En hoe voorkomt het college dat dergelijke boekhoudkundige maatregelen vooral zorgen voor tijdelijke begrotingsruimte, terwijl de rekening op een later moment alsnog wordt gepresenteerd? In de Kadernota is een opbrengst verhogende maatregel opgenomen: een extra verhoging van de lokale lasten met 2%. Die verhoging is verwerkt als onderdeel van het sluitend krijgen van het financiële beeld. Tegelijkertijd zegt de Kadernota zelf dat er weinig ruimte is voor verdere lastenverhoging voor inwoners. Ook staat erin dat de gemeenteraad eerder heeft aangegeven dat de rekening zo min mogelijk bij inwoners moet worden neergelegd. Inmiddels zijn we echter verder.
Het nieuwe coalitieakkoord Groeien met Karakter spreekt uit dat de lasten voor inwoners, anders dan indexering, stabiel moeten blijven. Daarnaast blijkt uit de meicirculaire dat er positieve financiële effecten zijn in het meerjarenperspectief, waardoor het saldo van 2027 positiever uitvalt dan eerder geraamd. Daarmee komen wij bij de kern van onze motie. Ik noemde al zuiver redeneren: Als de voorgestelde verhoging van 2% in 2027 niet langer noodzakelijk is om de eerste jaarschijf positief af te sluiten, dan moet we dat niet doen. Daarom leggen wij deze motie vandaag aan de raad voor, mijn collega Hans Crebas het dictum zal voorlezen: Verzoekt het college: 1. Bij het opstellen van de begroting het uitgangspunt van het coalitieakkoord 20262030 ‘Groeien met Karakter’ als uitgangspunt te nemen; 2. De voorgenomen structurele verhoging van de lokale lasten met 2% per 2027 niet als uitgangspunt te verwerken in de (meerjaren)begroting 2027.
8
4. Overige bestuurlijke vragen Voorzitter, Tot slot willen wij het college nog enkele inhoudelijke vragen meegeven over een aantal grote dossiers die de komende jaren bepalend zullen zijn voor de ontwikkeling van onze gemeente. Allereerst de havenkades. Het college zet terecht nadrukkelijk in op cofinanciering. Gezien de omvang van deze opgave is dat ook noodzakelijk. Tegelijkertijd zijn wij benieuwd hoe concreet deze inzet inmiddels is geworden. Heeft het college inmiddels een beter beeld van welke subsidieregelingen, fondsen of overheden daadwerkelijk in aanmerking komen om bij te dragen aan de financiering van de havenkades? Op welke partijen richt de lobby zich op dit moment vooral en hoe realistisch acht het college de kans dat deze inspanningen uiteindelijk ook leiden tot substantiële bijdragen? Daarbij speelt ook de actualiteit een rol. Vanuit het Rijk horen wij steeds vaker dat terughoudend wordt omgegaan met nieuwe investeringen en dat de nadruk steeds meer komt te liggen op het onderhouden van bestaande infrastructuur.
Hoe beoordeelt het college in dat licht de kansen op een substantiële Rijksbijdrage voor de havenkades? Waarop baseert het college de verwachting dat het Rijk hierin financieel zal willen participeren? En mocht de gewenste cofinanciering uiteindelijk grotendeels uitblijven, welke scenario's liggen dan op tafel? Wordt gedacht aan fasering van het project, versobering van de uitvoering, aanvullende gemeentelijke middelen of andere oplossingen? En op welk moment wordt de raad actief betrokken bij die afweging? Voorzitter tot slot, Op meerdere dossiers zien we dat plannen die nog maar kortgeleden als noodzakelijk, verantwoord en toekomstbestendig werden gepresenteerd, inmiddels worden getemporiseerd, versoberd of opnieuw worden afgewogen. Wij denken daarbij onder meer aan de gemeentewerf en het Integraal Huisvestingsplan. Dat roept bij onze fractie een bredere vraag op. Hoe reflecteert het college hier zelf op? Zijn de financiële risico's en onzekerheden destijds onvoldoende meegewogen, of zijn de omstandigheden sinds die besluitvorming zó ingrijpend veranderd dat eerdere keuzes niet langer houdbaar zijn? En wat betekent dit voor het vertrouwen van onze samenwerkingspartners? In sommige trajecten is immers jarenlang samen met scholen, instellingen en andere betrokkenen gewerkt aan plannen, in de verwachting dat deze ook daadwerkelijk zouden worden 9
uitgevoerd. Hoe wil het college dat vertrouwen behouden wanneer plannen noodgedwongen worden aangepast of uitgesteld? Voorzitter, ik rond af. Deze Kadernota laat zien dat Urk volop leeft, groeit en ontwikkelt. Maar groei vraagt richting. Groei vraagt karakter. Groei vraagt keuzes. Voor onze fractie betekent dat vandaag drie dingen. • •
•
Wij kiezen voor jeugdbeleid dat begint bij luisteren. Niet over jongeren praten, maar met jongeren. Daarom de kindermotiemarkt. Wij kiezen voor woningbeleid dat eerlijk is voor starters. Als we betaalbare woningen bouwen voor jonge woningzoekenden, dan moeten die ook echt bij hen terechtkomen. En wij kiezen voor financieel beleid dat voorzichtig is, maar ook rechtvaardig. Niet de lasten verhogen als dat voor 2027 niet noodzakelijk is.
Dank u wel.
10