Bijlage 1 - Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL). docx.pdf
Tekst van het document
Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2. Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. Artikel 3.10.8 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1. Het is verboden een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door dan wel deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. 2. Dit verbod is niet van toepassing: a. op de weg; b. op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid; c. op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. 3. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
Artikel 3.10.9 Overlast van fiets of bromfiets Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.
23
4
Beheer en onderhoud
Afdeling 4.1: Groen Artikel 4.1.1 Kabel en/of leidingwerkzaamheden in de nabijheid van bomen 1. Bij kabel en/of leidingwerkzaamheden in de nabijheid van bomen wordt de minimale graafafstand tot stabiliteitskluit conform de actuele versie van het Handboek Bomen van het Norminstituut Bomen in acht genomen; 2. De schade aan bomen wordt achteraf vastgesteld op basis van de meest actuele richtlijnen van de NVTB (Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen). De aansprakelijkheidsstelling voor de schade vindt plaats conform het civiele aansprakelijkheidsrecht. Het totale schadebedrag wordt opgebouwd uit de getaxeerde schade inclusief taxatiekosten, beredderingskosten en overige bijkomende kosten zoals voor verhalen van schade. Afdeling 4.2: Ondergrondse infrastructuren Artikel 4.2.1 Instemmingsvereiste werkzaamheden ondergrondse infrastructuren 1. Het is verboden werkzaamheden te verrichten zonder of in afwijking van een door het college genomen instemmingsbesluit. 2. Voor het verrichten van spoedeisende werkzaamheden of werkzaamheden van niet ingrijpende aard is geen instemmingsbesluit, als bedoeld in het eerste lid, noodzakelijk, maar kan worden volstaan met een melding vooraf aan het college. De raad is bevoegd om redenen van veiligheid delen van het grondgebied aan te wijzen waarvoor het voorgaande niet van toepassing is. 3.
De werkzaamheden dienen binnen een jaar na de datum waarop het instemmingsbesluit onherroepelijk is geworden te zijn voltooid. 4. Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op werkzaamheden van de gemeente. 5. Behoudens in geval van spoedeisende werkzaamheden is bij extreme weersomstandigheden en/of evenementen het college bevoegd een breekverbod in te stellen. De vaststelling dat er sprake is van extreme weersomstandigheden is een bevoegdheid van het college. De termijn zoals bedoeld in het derde lid wordt automatisch verlengd met de periode van het breekverbod. Uiterlijk een dag voor beëindiging van het breekverbod, zal het college de betrokken uitvoerende partij(en) hierover informeren. Artikel 4.2.2 Aanvragen en melden 1. Voor het uitvoeren van de werkzaamheden dient een instemmingsbesluit, als bedoeld in artikel 4.2.1, eerste lid, bij het college te worden aangevraagd. De aanvraag tot instemming van voorgenomen werkzaamheden ten behoeve van een openbaar elektronisch communicatienetwerk geldt als melding als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onderdeel a van de Telecommunicatiewet. 2. In verband met de voorgenomen werkzaamheden kan vooroverleg plaatsvinden met het college teneinde de aanvraag, als bedoeld in het eerste lid, voor te bereiden. 3.
Als de werkzaamheden ook betrekking hebben op openbare gronden van een andere gedoogplichtige dan de gemeente en/of als er tevens een aanvraag voor een vergunning al dan niet bij een ander bestuursorgaan op grond van een andere wet is ingediend, dan stelt de aanvrager het college hiervan op de hoogte. 4. Werkzaamheden van niet ingrijpende aard dienen minimaal twee werkdagen voorafgaand aan de start van de werkzaamheden gemeld te worden bij het college. 5. Spoedeisende werkzaamheden dienen voorafgaand aan de start van de werkzaamheden gemeld te worden bij de burgemeester of bij een daartoe door hem gemachtigd ambtenaar. Als een melding vooraf niet mogelijk is, moet de melding uiterlijk binnen een werkdag na de start van de uitvoering gemotiveerd worden gedaan.
24
Artikel 4.2.3 Gegevensverstrekking 1. Voor het aanvragen van een instemmingsbesluit, als bedoeld in artikel 4.2.1, eerste lid, dient gebruik te worden gemaakt van de daartoe door het college vastgestelde (digitale) formulieren of registratiesysteem. 2. Bij een aanvraag voor een instemmingsbesluit, als bedoeld in artikel 4.2.2, eerste lid, dienen in ieder geval de volgende gegevens te worden verstrekt: a. naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de netbeheerder; b. als het een aanvraag betreft voor het verrichten van werkzaamheden voor of namens een netbeheerder de naam-, adres- en woonplaatsgegeven van de gemachtigde en een schriftelijke machtiging bij de eerste aanvraag van enig kalenderjaar; c. een opgave van het aantal, de soort, de aard en het beoogde gebruik van de kabels en/of leidingen; d. vereiste vergunning(en), ontheffing(en) of toestemming(en) op grond van overige wetgeving, alsmede informatie over de afstemming met andere gedoogplichtigen; e. een digitale GBKN tekening (DWG- of PDF-formaat) met legenda en eenduidige en volledige maatvoering (RD-coördinaten) met daarop aangegeven: 1°. een opgave van het gewenste tracé; 2°. een opgave van de tijdelijke en permanente voorzieningen. f.
g. h. i. 3.
a. b.
c. d. e.
overtuigende gegevens en inzicht omtrent de uitvoerbaarheid van de voorgenomen werkzaamheden binnen de beschikbare ruimte, waaruit ook blijkt dat de bereikbaarheid van de overige kabels en/of leidingen blijft gewaarborgd; de tracélengte en de lengte en breedte van de te graven sleuf, alsmede de aard van de sleufbedekking; de voorgenomen datum van aanvang en beëindiging van de werkzaamheden; een opgave van het aantal kabels en/of leidingen dat direct in gebruik wordt genomen en het aantal kabels en/of leidingen dat niet direct in gebruik wordt genomen. Voor een melding, als bedoeld in artikel 4.2.1, tweede lid, dient gebruik te worden gemaakt van de daartoe door het college vastgestelde (digitale) formulieren of registratiesysteem. De volgende gegevens dienen daarbij in ieder geval te worden verstrekt: naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de netbeheerder; als het een aanvraag betreft voor het verrichten van werkzaamheden voor of namens een netbeheerder de naam-, adres- en woonplaatsgegeven van de gemachtigde en een schriftelijke machtiging bij de eerste aanvraag van enig kalenderjaar; de uitvoerende partij, het adres van de graaflocatie(s), inclusief een situatieschets; de lengte en breedte van de sleuf of montagegat(en), alsmede de aard van de sleufbedekking die wordt opengebroken; de daadwerkelijke startdatum van de werkzaamheden.
Artikel 4.2.4 Voorschriften bij instemmingsbesluit 1. Het college kan in het instemmingsbesluit voorschriften opnemen in het belang van: a. veiligheid, waaronder mede verstaan wordt de verkeersveiligheid; b. het voorkomen of beperken van overlast, waaronder mede verstaan wordt het afstemmen met andere werkzaamheden, een goede doorstroming van het verkeer en de bescherming van groenvoorzieningen, bomen en beplantingen en van het uiterlijke aanzien van de omgeving; c. de bereikbaarheid van gronden of gebouwen, waaronder mede verstaan wordt het veilig en doelmatig gebruik, beheer, en onderhoud van openbare gronden en gebouwen en het belang van evenementen; d. de ondergrondse ordening, waaronder mede verstaan wordt het beschermen van reeds in de grond aanwezige werken en eventuele in de grond aanwezige objecten zoals archeologische vondsten. 2. De voorschriften, zoals genoemd in het eerste lid, kunnen slechts betrekking hebben op: a. het tijdstip, de plaats en wijze van uitvoering van werkzaamheden; b. het bevorderen van medegebruik van voorzieningen die door derden of de gemeente Urk tegen marktconforme kosten ter beschikking worden gesteld; c. afstemming met betrekking tot overige in de grond aanwezige werken.
25
3. De belanghebbenden ter plaatse van de uit te voeren werkzaamheden dienen schriftelijk te worden geïnformeerd over aanvang, duur, aard en plaats van de werkzaamheden. 4. Het is verplicht na het einde van de werkzaamheden de grond, eventuele verhardingen en beplanting terug te brengen in de oude staat, tenzij het college vooraf heeft aangegeven hier (gedeeltelijk) zelf zorg voor te willen dragen. Artikel 4.2.5 (Mede)gebruik van voorzieningen 1. Op verzoek van het college wordt bij de werkzaamheden zoveel mogelijk (mede)gebruik gemaakt van bestaande, hetzij door overige netbeheerders dan wel door of in opdracht van het college aangelegde, voorzieningen indien dit technisch en economisch haalbaar is en medegebruik geen belemmering vormt voor de veiligheid, toegankelijkheid en leveringszekerheid. 2. In het vooroverleg als bedoeld in artikel 4.2.2, tweede lid, wordt mede bepaald of en, zo ja, langs welke delen van het tracé gebruik kan worden gemaakt van bestaande voorzieningen als bedoeld in het eerste lid. Artikel 4.2.6 Termijnen 1. Een beslissing op een aanvraag voor een instemmingsbesluit wordt genomen uiterlijk acht weken na de dag van ontvangst van de aanvraag. 2.
Indien een beschikking niet binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn kan worden gegeven, deelt het college dit aan de aanvrager mede en noemen daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. 3. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing. Overige bepalingen Artikel 4.2.7 Het nemen van maatregelen en nadeelcompensatie 1. Het college is bevoegd een netbeheerder, die schade lijdt of zal lijden als gevolg van een instemmingsbesluit als bedoeld in artikel 4.2.1, eerste lid, of als gevolg van de rechtmatige uitoefening door het college van haar publiekrechtelijke bevoegdheid of taak, op verzoek een vergoeding toe, wanneer de schade uitstijgt boven het normale maatschappelijke risico en het hem in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft. 2. Eventuele nadeelcompensatie in verband met het bepaalde in het eerste lid wordt verleend op basis van de publiekrechtelijke regeling ‘Nadeelcompensatieregels kabels en leidingen Urk’. Artikel 4.2.8 Overleg 1. Het college organiseert periodiek een overleg, waarvoor in elk geval de bij de gemeente Urk bekende netbeheerders en andere betrokken partijen of belanghebbenden worden uitgenodigd. 2.
In dit overleg worden de plannen van de gemeente Urk en van de diverse netbeheerders en andere betrokken partijen of belanghebbenden besproken en eventueel afgestemd in het kader van de bepalingen van deze verordening. Artikel 4.2.9 Niet-openbare kabels en/of leidingen 1. Bij werkzaamheden aan niet-openbare kabels en/of leidingen is het bepaalde in deze verordening van overeenkomstige toepassing. Het betreft kabels en/of leidingen, dan wel het netwerk waartoe deze behoren, die niet gebruikt worden om openbare, zijnde voor het publiek beschikbare, diensten aan te bieden. 2. Het eerste lid van dit artikel in deze verordening houdt geen gedoogplicht in voor de gemeente Urk met betrekking tot niet-openbare kabels en/of leidingen. Artikel 4.2.10 Informatieplicht 1. De netbeheerder stelt het college onverwijld en schriftelijk in kennis van het in of uit gebruik nemen van een kabel en/of leiding dan wel dat een kabel en/of leiding niet langer ten dienste staat van een netwerk in of op
26
openbare gronden. Het college kan hiervoor een overzicht van alle (niet) in gebruik zijnde kabels en/of leidingen verlangen. 2. De netbeheerder stelt het college in kennis van het feit dat het eigendom, de exploitatie of het beheer van de kabel of leiding verandert. Handhavings- en toezichtbepalingen Artikel 4.2.11 Toezicht en handhaving 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van het college aangewezen personen. 2. Indien het college vaststelt dat de verplichtingen van deze verordening niet zijn nagekomen, kan het college besluiten handhavend op te treden dan wel legalisatie achteraf van de ontstane situatie verlangen met inachtneming van de bepalingen zoals vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht. Indien blijkt dat de uitgevoerde werkzaamheden zijn gemeld maar dat hiervoor een instemmingsbesluit is vereist, is dit artikel van overeenkomstige toepassing. 3. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid en hun overige wettelijke bevoegdheden is het college bevoegd het instemmingsbesluit in te trekken, dan wel de werkzaamheden stil te leggen indien er wordt gewerkt: a. zonder instemmingsbesluit of zonder melding; b. in afwijking van de voorschriften van het instemmingsbesluit; c. in afwijking van de nadere regels; d. in strijd met het geldende breekverbod.
Afdeling 4.3: Aansluitvoorwaarden riolering De vergunning Artikel 4.3.1 Vergunningplicht 1. Het is verboden zonder een daartoe verleende aansluitvergunning een aansluiting van een particulier riool op het openbaar riool tot stand te brengen of te wijzigen. 2. Burgemeester en wethouders verlenen een aansluitvergunning alleen voor het tot stand brengen en in stand houden van een aansluiting tussen het particulier riool en de perceelaansluiting a. voor de afvoer van afvalwater inclusief hemelwater indien ter plaatse een gemengd stelsel aanwezig is; b. voor de afvoer van afvalwater zonder hemelwater naar het daarvoor bedoelde buizenstelsel, indien ter plaatse een gescheiden stelsel aanwezig is; c. voor de afvoer van hemelwater naar het daarvoor bedoelde buizenstelsel, indien ter plaatse een gescheiden stelsel aanwezig is; d. voor de afvoer van afvalwater zonder hemelwater indien ter plaatse riolering onder over- en/of onderdruk aanwezig is. e. voor de afvoer van grondwater indien ter plaatse een drainagestelsel of een gemengd stelsel aanwezig is. 3. Indien meer dan één aansluiting van een particulier riool op het openbaar riool tot stand dient te worden gebracht, alsmede wanneer meer dan één aansluiting dient te worden gewijzigd, is het eerste lid voor iedere aansluiting of wijziging afzonderlijk van toepassing.
Of: Indien de rechthebbende voor de aansluiting van meer dan één particuliere afvoerleiding op het openbaar riool een aansluitvergunning aanvraagt, wordt voor deze aanvragen tezamen één vergunning verleend, waarin alle aansluitingen afzonderlijk worden vermeld. 4. In de vergunning kunnen voorschriften worden opgenomen met betrekking tot: a. het tot stand brengen van de aansluiting; b. het onderhoud, de renovatie en de vervanging van de aansluitleiding; c. sloopwerkzaamheden op het perceel van de rechthebbende; d. de periode waarvoor de vergunning wordt verleend indien de aansluiting is bedoeld voor de afvoer van bronneringswater indien het een tijdelijke aansluiting betreft.
27
5. Indien de rechthebbende binnen een jaar na verlening van de aansluitvergunning geen verzoek heeft gedaan de aansluiting of wijziging van de aansluiting waarop die aansluitingvergunning betrekking heeft, uit te voeren, kunnen burgemeester en wethouders de aansluitvergunning intrekken.
Artikel 4.3.2 De vergunningaanvraag 1. De aanvraag van een aansluitvergunning wordt schriftelijk met behulp van een daartoe bestemd formulier, bij burgemeester en wethouders ingediend door de rechthebbende van het aan te sluiten perceel. 2. Bij de aanvraag van een aansluitvergunning dienen de volgende gegevens door de rechthebbende te worden verstrekt: a. de naam en het adres van de rechthebbende; b. de dagtekening; c. de aanduiding dat het een verzoek om een aansluitvergunning betreft; d. de ligging van het aan te sluiten perceel: -1. aan de hand van straat en huisnummer of, indien nog geen huisnummer is toegekend, aan de hand van het kadastraal nummer van het betreffende perceel, en -2. aangegeven op een situatieschets 1:500 of grotere schaal; e. voor zover het lozing van bedrijfsafvalwater betreft, de aard en de hoeveelheid van de af te voeren vloeistoffen, waarbij dient te worden aangegeven of niet verontreinigd water, zoals regen- of koelwater, en/of verontreinigd water, zoals huishoudelijk of industrieel afvalwater, zal worden afgevoerd; f. voor zover het enkel lozing van huishoudelijk afvalwater betreft, of er daarnaast hemelwater zal worden afgevoerd; g. van het aan te sluiten of te wijzigen particulier riool ten minste de volgende gegevens: -1. het leidingverloop en de dimensionering; -2. de hoogteligging en het materiaal ter plaatse van het aansluitpunt; -3.
een duidelijk verschil in kleur of symbolen tussen de droogweer en hemelwaterafvoerleidingen; -4. de wijze waarop de functies van de verschillende leidingen van het particulier riool ter plaatse van het aansluitpunt zullen worden gemarkeerd. 3. Indien de gegevens bedoeld in het tweede lid, reeds zijn vastgelegd in de voor het perceel afgegeven bouwvergunning of een vergunning op grond van de Wet milieubeheer, kan bij de aanvraag van een aansluitvergunning voor dit perceel worden volstaan met het overleggen van een kopie van de gegevens uit deze vergunning. 4. De aanvraag van een aansluitvergunning wordt slechts in behandeling genomen nadat bij de aanvraag alle in het tweede lid vermelde gegevens zijn verstrekt. Bij het ontbreken van gegevens wordt de rechthebbende daarover geïnformeerd en in de gelegenheid gesteld deze gegevens binnen vier weken na kennisgeving daarvan alsnog aan te vullen.
Artikel 4.3.3 Weigering van de aansluitvergunning 1. Een aansluitvergunning kan slechts worden geweigerd indien aansluiting van het particulier riool op het openbaar riool of wijziging van die aansluiting vanwege technische, juridische of milieuhygiënische redenen bezwaarlijk is. 2. Aansluiting van het particulier riool op het openbaar riool of wijziging van die aansluiting is in ieder geval bezwaarlijk indien: a. de hoogteligging van het aansluitpunt (binnenonderkant buis) lager ligt dan de bovenzijde van het openbaar riool, vermeerderd met 200 mm plus de benodigde hoogte voor het afschot van de aansluitleiding; b. de bovenzijde van een lozingtoestel lager is gelegen dan 150 mm boven de kruin van de straat, tenzij via een pompinstallatie voorzien van terugslagkiep wordt aangesloten; c. de gevraagde aansluiting een samengevoegde voorziening betreft, terwijl een gescheiden openbaar riool aanwezig is; d. de gevraagde aansluiting een lozing voor afvalwater en/of bronneringswater betreft, waarvoor krachtens de geldende milieuwetgeving een vergunning benodigd is, maar niet is verleend, of niet aan de geldende algemene regels is voldaan; e. het openbaar riool ter plaatse van de aansluitleiding niet over voldoende capaciteit beschikt om de 28
hoeveelheid te lozen vloeistoffen te kunnen afvoeren; f. het lozing van niet verontreinigd drainagewater betreft; g. de gevraagde aansluiting een afvoerleiding voor niet verontreinigd bronneringswater betreft, die zonder bezwaar op het oppervlaktewater kan worden aangesloten of middels retourbemaling kan worden afgevoerd; h. een bouwvergunning of een vergunning op grond van de Wet milieubeheer voor het aan te sluiten perceel is geweigerd. 3. Een weigering van een aansluitvergunning is met redenen omkleed, waarbij burgemeester en wethouders de nadere eisen aangeven waaraan het particulier riool dient te voldoen om voor vergunningverlening in aanmerking te komen.
Artikel 4.3.4 Verlening van de aansluitvergunning 1. Burgemeester en wethouders besluiten binnen 8 weken na ontvangst op de aanvraag. 2. In afwijking van het eerste lid houden burgemeester en wethouders de beslissing omtrent een aanvraag van een aansluitvergunning aan indien er geen reden is de vergunning te weigeren: a. terwijl voor het aan te sluiten perceel nog een aanvraag moet worden gedaan of in behandeling is voor een bouwvergunning krachtens artikel 40 Woningwet. b. terwijl er voor het aan te sluiten perceel nog een aanvraag moet worden gedaan of in behandeling is voor een vergunning krachtens artikel 8.1 Wet milieubeheer. 3. Rechthebbende wordt zo spoedig mogelijk van de aanhouding op de hoogte gesteld. 4. Na verlening van de in lid 2 sub a en b bedoelde vergunningen, nemen burgemeester en wethouders alsnog binnen 8 weken een besluit op de aanvraag. De aansluiting Artikel 4.3.5 De aansluiting 1. De rechthebbende aan wie ingevolge artikelen 4.3.1. tot en met 4.3.4. een aansluitvergunning is verleend kan de gemeente verzoeken de aansluiting of wijziging van de aansluiting waarop die vergunning betrekking heeft uit te voeren. Of: de rechthebbende aan wie ingevolge artikelen 4.3.1. tot en met 4.3.4.
een aansluitvergunning is verleend, kan de gemeente verzoeken de perceelaansluitleiding aan te leggen, die nodig is voor het realiseren van de aansluiting of de wijziging daarvan, waarop de aansluitvergunning betrekking heeft. De rechthebbende dient een daartoe strekkend schriftelijk verzoek in te dienen bij de burgemeester en wethouders. 2. Bij het verzoek tot aansluiting dienen in ieder geval de volgende gegevens door de rechthebbende te worden vermeld: a. de naam en het woonadres van de rechthebbende; b. het nummer van de aansluitvergunning; c. de door rechthebbende gewenste datum van uitvoering. Het verzoek tot aansluiting wordt slechts in behandeling genomen indien deze gegevens volledig zijn vermeld. 3. Indien de kosten van de aanleg van de aansluiting reeds zijn voldaan uit hoofde van een eerder door de rechthebbende met de gemeente gesloten overeenkomst, dient de rechthebbende dit naast de in het tweede lid bedoelde gegevens bij het verzoek tot aansluiting te vermelden. 4. Zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen 4 weken na de ontvangst van het verzoek stellen burgemeester en wethouders zoveel mogelijk in overleg met rechthebbende een termijn vast voor uitvoering van de aansluiting. Bij vaststelling van het tijdstip van uitvoering wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met het door de rechthebbende gewenste tijdstip.
De afspraak zal schriftelijk door de gemeente aan de rechthebbende worden bevestigd. Artikel 4.3.6 Kosten van de aansluiting 1. Burgemeester en wethouders stellen de kosten van de aanleg van de perceelaansluitleiding vast, aan de hand van de bij deze verordening vastgestelde tarievenlijst. 2. In afwijking van lid 1, kunnen burgemeester en wethouders na overleg met de rechthebbende in de aansluitvergunning vastleggen dat de rechthebbende zelf de aansluiting uitvoert. De rechthebbende onttrekt het aansluitpunt na melding aan burgemeester en wethouders dat de aansluiting is uitgevoerd, gedurende drie werkdagen niet aan het zicht.
29
3. De aansluiting van het particulier riool op de perceelaansluitleiding vindt slechts plaats, als het aan te sluiten particulier riool tot aan het aansluitpunt aanwezig is en voldoet aan de daaraan op grond van het Bouwbesluit of de Bouwverordening gemeente Urk te stellen eisen.
Beheer en onderhoud Artikel 4.3.7 Beheer, onderhoud, renovatie en vervanging 1. Het beheer en onderhoud, de renovatie dan wel de vervanging van de perceelaansluitleiding wordt uitgevoerd door of namens de gemeente en voor rekening van de gemeente, tenzij de betreffende werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd ten gevolge van een onjuist gebruik van het particulier riool, in welk geval de kosten voor rekening van de rechthebbende of veroorzaker komen. 2. Onder onjuist gebruik wordt in ieder geval begrepen: a. het via deze aansluiting lozen van stoffen die, vanwege hun aard en samenstelling, verstoppingen in de aansluitleiding of het openbaar riool kunnen veroorzaken; b. het via deze aansluiting lozen van stoffen die, door hun aard of concentratie, de constructie van de aansluitleiding of het openbaar riool kunnen aantasten. 3. De kosten voor het onderhoud van het particulier riool komen voor rekening van de rechthebbende, tenzij vaststaat dat de noodzaak tot onderhoud is veroorzaakt door inspoeling vanuit het openbaar riool. 4. Onder renovatie wordt tevens begrepen het aanpassen van de perceelaansluitleiding ten gevolge van een wijziging van het openbaar riool. 5.
Bij wijziging door de gemeente van de hoogteligging van het aansluitpunt dient de rechthebbende ervoor te zorgen dat het particulier riool hierop kan worden aangesloten op een zodanig wijze dat de afvoer vanuit het perceel ongehinderd kan plaatsvinden.
Artikel 4.3.8 Calamiteiten 1. Bij een verstopping of een andere storing in het particulier riool onderzoekt de rechthebbende of het een verstopping of een storing betreft in het particulier riool of in de perceelaansluitleiding. 2. Indien na het in lid 1 bedoelde onderzoek wordt vermoed dat sprake is van een verstopping of storing in de perceelaansluitleiding of van een verstopping of storing als gevolg van inspoeling vanuit het openbaar riool, neemt de rechthebbende of de gebruiker contact op met de gemeente voor het verrichten van de noodzakelijke werkzaamheden. 3. Indien na het in lid 1 bedoelde onderzoek blijkt dat er sprake is van een verstopping of storing in het particulier riool dient de rechthebbende deze verstopping of storing zelf te verhelpen. 4. Bij het door de gemeente verrichten van de in lid 2 bedoelde werkzaamheden dient de rechthebbende of gebruiker, voordat met de werkzaamheden wordt gestart, tevoren schriftelijk akkoord te gaan met de voorwaarde dat de kosten van de werkzaamheden aan hem in rekening worden gebracht, indien blijkt dat deze kosten voor zijn rekening zijn. Verwijdering aansluiting, sloop Artikel 4.3.9 Zorgplicht 1.
Bij sloopwerkzaamheden of andere werkzaamheden op een op het openbaar riool aangesloten perceel, moeten door de rechthebbende zodanige voorzieningen aan het particulier riool worden getroffen dat (bijvoorbeeld) verzanding van het openbare riool en de perceelaansluitleiding wordt voorkomen. 2. Indien de rechthebbende bij sloopwerkzaamheden niet voldoet aan de in het eerste lid omschreven zorgplicht, heeft de gemeente de bevoegdheid de aansluiting op het openbaar riool af te sluiten en de hieraan verbonden kosten te verhalen op de rechthebbende. 3. Indien het gebruik van een aansluitleiding definitief wordt beëindigd is de rechthebbende verplicht de gemeente hiervan in kennis te stellen. 4. Indien het gebruik van een aansluitleiding definitief wordt beëindigd, wordt de op de aansluitleiding betrekking hebbende vergunning ingetrokken, waarna het particulier riool op kosten van de rechthebbende door de gemeente wordt verwijderd.
30
Overgangs- en slotbepalingen Artikel 4.3.10 Hardheidsclausule Burgemeester en Wethouders kunnen van de bepalingen in deze verordening afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Artikel 4.3.11 Overgangsrecht 1. De aanvragen tot aansluiting of wijziging van een aansluiting die voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening zijn ingediend vallen onder de bepalingen van deze verordening. 2. Op aansluitingen die op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening krachtens de tot dan geldende wetgeving en voorschriften tot stand zijn gebracht, zijn de bepalingen van afdeling 4.3 van deze verordening rechtstreeks van toepassing. 3. Bij strijd van deze verordening met bepalingen in overeenkomsten gesloten tussen de gemeente en de rechthebbende, prevaleert het bepaalde in deze overeenkomsten.
31
5
Procesregels
Algemene bepalingen Artikel 5.1.1 Verhouding tot de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 1. Wanneer volgens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet het college maar een ander bestuursorgaan het bevoegd gezag is voor het nemen van een besluit, wordt voor ‘het college’ gelezen ‘het bevoegd gezag volgens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht’. Artikel 5.1.2 Beslistermijn 1. Het bevoegd bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste zes weken verlengen. 3. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 3.8.1. Artikel 5.1.3 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
Artikel 5.1.4 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden. Artikel 5.1.5. Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn; e. indien de houder dit verzoekt. Artikel 5.1.6 Termijnen 1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2.
De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd indien het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.
32
Artikel 5.1.7 Weigeringsgronden 1. De vergunning of ontheffing kan door het daartoe bevoegde gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu. 2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder van 3 weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Artikel 5.1.8 Uitzonderingen positieve fictieve beslissing bij niet tijdig beslissen Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de volgende artikelen in deze verordening: a. Artikel 3.4.1
Vergunning voor het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg;
Bepalingen ten aanzien van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Urk Artikel 5.1.9. Taak en werkzaamheden Commissie Ruimtelijke Kwaliteit 1. De commissie heeft als taak de raad en het college te adviseren bij de uitoefening van hun taken en bevoegdheden op grond van de wet met het oog op het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit en al hetgeen daarmee verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn. Daaronder wordt in elk geval begrepen het geven van voorlichting over de doelstelling van een goede omgevingskwaliteit en over de werkzaamheden van de commissie. 2. Ter uitvoering van haar taak: a. adviseert de commissie op verzoek van het college over een aanvraag om of een ontwerpbesluit voor een omgevingsvergunning voor: • een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument; • een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een voorbeschermd gemeentelijk monument of een gemeentelijk monument; • een omgevingsplanactiviteit in geval de commissie in het omgevingsplan als adviseur is aangewezen; • een andere activiteit in geval het college een advies nodig acht met het oog op het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit; b.
adviseert de commissie op verzoek van het college over het door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aanwijzen van een onroerende zaak als rijksmonument ingevolge artikel 3.1, eerste lid, van de Erfgoedwet of over het aan een locatie geven van de functie-aanduiding gemeentelijk monument op grond van artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet; c. adviseert de commissie op verzoek van het college of uit eigen beweging over het ontwikkelen van beleid inclusief omgevingsvisie, omgevingsplan en maatwerkregels voor de omgevingskwaliteit; d. adviseert de commissie op verzoek van het college in een geval van een verkenning als bedoeld in artikel 5.48, tweede lid, van de Omgevingswet en in andere gevallen waarin het college een advies nodig acht in verband met een verkenning van een mogelijk bestaande of toekomstige opgave in de fysieke leefomgeving; e. informeert en begeleidt de commissie op verzoek van het college, planindieners en ontwerpers gedurende het ontwerpproces; f. voert de commissie op verzoek van het college vooroverleg met planindieners over een in te dienen aanvraag van een omgevingsvergunning; g. adviseert de commissie op verzoek van het college over het stellen van maatwerkvoorschriften in verband met het uiterlijk van bouwwerken, de zorg voor cultureel erfgoed en andere zaken die de omgevingskwaliteit betreffen. h.
adviseert de commissie op verzoek van het college over het geven van beschikkingen op grond van regels in verordeningen op grond van artikel 149 van de Gemeentewet die een eis ten aanzien van de
33
omgevingskwaliteit bevatten, te weten regels over reclame in de openbare ruimte, voorwerpen op of aan de weg/openbare ruimte enz. Artikel 5.1.10 Verplichte advisering Het college wint advies van de commissie in omtrent een te nemen beslissing als bedoeld in artikel 5.1.10, tweede lid, onder a, onderdelen 1 ,̊ 2 ̊ en 3 ̊, en onder b. Artikel 5.1.11 Samenstelling 1. De commissie bestaat uit maximaal 6 leden, de voorzitter daaronder begrepen. 2. De leden worden benoemd op persoonlijke titel op grond van de professionele deskundigheid die nodig is voor de advisering, alsmede op grond van maatschappelijke kennis en ervaring. 3. In afwijking van het tweede lid kunnen maximaal 4 burgerleden worden benoemd. Zij worden benoemd op persoonlijke titel op grond van maatschappelijke kennis en ervaring. 4. De commissie telt gelet op artikel 17.9, eerste lid, van de Omgevingswet enkele leden deskundig op het gebied van de monumentenzorg. 5. De disciplines die de leden in gezamenlijkheid vertegenwoordigen zijn: cultuurhistorie, bouw- en architectuur(historie), restauratiearchitectuur, stedenbouw, architectuur en archeologische monumentenzorg, duurzaamheid, maatschappelijke zorg en landschap. 6. De leden zijn niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur. Artikel 5.1.12 Benoeming 1.
De leden en de plaatsvervangers kunnen voor een termijn van minimaal 2 en ten hoogste 4 jaar worden benoemd. 2. Herbenoeming van leden kan eenmaal voor 2 jaar plaatsvinden. In bijzondere gevallen wanneer de omstandigheden daartoe aanleiding geven kan deze termijn tot 4 jaar worden verlengd. 3. Afgetreden leden zijn 2 jaar na hun aftreden weer benoembaar. 4. De voorzitter wordt in functie benoemd. 5. De leden worden op eigen aanvraag ontslagen. Zij kunnen voorts door het college worden geschorst en door de raad worden ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden. Artikel 5.1.13 Ondersteuning van de commissie 1. De commissie heeft een ambtelijk secretaris. 2. De secretaris is voor zijn werkzaamheden voor de commissie uitsluitend verantwoording schuldig aan de commissie. 3. De secretaris kan worden ondersteund door andere ambtelijke medewerkers, die voor hun werkzaamheden voor de commissie uitsluitend verantwoording schuldig zijn aan de secretaris. 4. De secretaris noch de medewerkers zijn lid van de commissie. Artikel 5.1.14 Adviestermijn 1. Het college kan aangeven binnen welke termijn een advies wordt verwacht. 2. In geval het college geen termijn heeft gesteld brengt de commissie advies uit binnen een termijn van vier weken. Artikel 5.1.15 Beraadslaging en standpuntbepaling 1.
De vergaderingen waarin een of meer adviezen over aanvragen om omgevingsvergunning door of namens de commissie worden vastgesteld zijn openbaar. De agenda voor de vergadering van de commissie wordt tijdig op een geschikte wijze bekendgemaakt. Indien het college – al dan niet op verzoek van de aanvrager – een verzoek doet tot niet-openbare behandeling, dan dient het college daaraan klemmende redenen op grond van artikel 5.1 van de Wet open overheid ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen.
34
2. De aanvrager van de omgevingsvergunning of zijn gemachtigde heeft de mogelijkheid tot toelichting van de aanvraag ten overstaan van de commissie. Tijdens de beraadslagingen is er geen spreekrecht. 3. Over de uit te brengen adviezen wordt niet besloten dan in aanwezigheid van ten minste 3 leden. 4. Over een advies over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument wordt niet besloten dan in aanwezigheid van ten minste twee leden met deskundigheid op het gebied van de monumentenzorg. 5. Leden die als opdrachtgever, ontwerper of anderszins betrokken zijn bij de uitvoering van een activiteit waarvoor een aanvraag is gedaan waarover de commissie adviseert, onthouden zich van medewerking aan het desbetreffende advies en zijn tijdens de behandeling van en de besluitvorming over het advies niet in de vergadering aanwezig. 6. De geheimhoudingsplicht als bedoeld in artikel 2:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de commissie en de daarvoor werkzame personen.
Artikel 5.1.16 Afdoening onder verantwoordelijkheid van de commissie De commissie kan onverminderd het bepaalde in artikel 17.9, eerste lid, van de Omgevingswet de advisering over een aanvraag om een omgevingsvergunning of over de voorbereiding van een andere beschikking onder verantwoordelijkheid van de commissie overlaten aan een of meer daartoe aangewezen leden, of een subcommissie. Artikel 5.1.17 Adviseurs 1. De commissie kan zich voor het inwinnen van inlichtingen wenden tot daartoe door het college aangewezen ambtenaren. 2. De commissie kan zich doen bijstaan door het college aangewezen andere personen, voor zover dat voor de vervulling van haar taak nodig is. 3. De in het eerste en tweede lid bedoelde personen kunnen op uitnodiging van de commissie als adviseur deelnemen aan de beraadslagingen. Artikel 5.1.18 Verwerking van het advies 1. Het college kan eenmaal per activiteit een second opinion inwinnen bij een gemeentelijke adviescommissie van een andere gemeente/organisatie. Zij stellen de commissie van het voornemen tot het plaatsen van die opdracht op de hoogte. 2. In geval het college een beschikking geeft in afwijking van het door de commissie uitgebrachte advies verzenden zij een afschrift van die beschikking aan de commissie. Artikel 5.1.19 Reglement van orde 1.
De commissie stelt haar werkwijze binnen de kaders van deze verordening nader vast in een reglement van orde. 2. In het reglement van orde komt ten minste aan de orde: a. de werkwijze bij de advisering zoals genoemd in artikel 5.1.10, tweede lid, onder b, respectievelijk onder c; b. de inrichting van het vooroverleg zoals genoemd in artikel 5.1.10, tweede lid, onder f; c. de wijze waarop de agenda openbaar wordt gemaakt en belanghebbenden worden uitgenodigd; d. het vereiste quorum voor een besluitvormende vergadering, de vergaderorde en orde van de beraadslaging, waarbij er een onderscheid wordt aangebracht tussen de toelichtende fase waarin het spreekrecht wordt uitgeoefend en de beraadslagingen; e. de notulering en dossiervorming; f. de wijze waarop de adviezen openbaar worden gemaakt; g. de instelling van subcommissies; h. de werkwijze bij afdoening onder verantwoordelijkheid van de commissie als bedoeld in artikel 5.1.16; i. de selectie en voordracht van kandidaat-leden. 3. Het college draagt zorg voor bekendmaking van het door de commissie vastgestelde reglement van orde in het gemeenteblad.
35
Artikel 5.1.20 Relatie met andere adviseurs Bij het aanstellen van een supervisor, een kwaliteitsteam of een andere adviseur op het gebied van de omgevingskwaliteit, niet zijnde een lid of een adviseur van de commissie draagt het college zorg voor een goede afstemming tussen de werkzaamheden van deze adviseur en de commissie. Artikel 5.1.21 Vergoeding De leden en de adviseurs als bedoeld in artikel 5.1.17, tweede lid, ontvangen een vergoeding op grond van een overeenkomst. Artikel 5.1.22 Jaarverslag 1. De commissie brengt jaarlijks voor 1 april verslag als bedoeld in artikel 17.9, zesde lid, van de Omgevingswet uit van haar werkzaamheden in het voorafgaande kalenderjaar. 2. In het jaarverslag komt ten minste aan de orde: a. de wijze waarop toepassing is gegeven aan de kaders als bedoeld in artikel 17.9, derde lid, van de Omgevingswet; b. de wijze waarop uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen.
36
6
Handhaving
Algemene strafbepalingen Artikel 6.1.1 Algemene sanctiebepaling Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de daarbij op grond van artikel 3.1.4 gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. Bepalingen ten aanzien van toezichthouders Artikel 6.1.2 Toezichthouders Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast: 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aangewezen personen. 2. Onverminderd het eerste lid zijn de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van Strafvordering, eveneens belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften. Artikel 6.1.3. Binnentreden van woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.
37
7
Overgangs- en slotbepalingen
Overgangsbepalingen Artikel 7.1.1 Overgangsrecht 1. Besluiten genomen bij of krachtens de in artikel 7.1.2 genoemde verordeningen worden aangemerkt als omgevingsvergunningen krachtens deze verordening. 2. Aanvragen voor omgevingsvergunningen en ontheffingen op het gebied van de fysieke leefomgeving waarop bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, worden afgehandeld krachtens deze verordening. Aanwijsbesluiten genomen op basis van de Erfgoedverordening worden eveneens aangemerkt als aanwijsbesluiten krachtens deze verordening. 3. Handhavings- en gedoogbesluiten bij of krachtens de in artikel 7.1.2 genoemde verordeningen worden aangemerkt als handhavings- en gedoogbesluiten genomen krachtens deze verordeningen. 4. Aanwijzingsbesluiten van toezichthouders bij of krachtens de in artikel 7.1.2 genoemde verordeningen worden aangemerkt als aanwijsbesluiten van toezichthouders genomen krachtens deze verordening. 5. Beleidsregels op basis van de in artikel 7.1.2. genoemde verordeningen worden aangemerkt als beleidsregels krachtens deze verordening. 6. Op bezwaar- en beroepschriften tegen besluiten genomen bij of krachtens de in artikel 7.1.2 genoemde verordeningen wordt beslist met inachtneming van deze verordening. 7.
Voor leidingen die op de datum van inwerkingtreding van de Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren Urk 2016 aanwezig waren en in gebruik zijn, geldt de schriftelijke toestemming of vergunning op grond waarvan die leidingen zijn gelegd, als een vergunning krachtens deze verordening. Voorschriften die zijn verbonden aan een eerder verleende schriftelijke toestemming of vergunning zijn daarop niet van toepassing.
8. Indien het college van oordeel is dat een schriftelijke toestemming dan wel reeds verleende omgevingsvergunning als bedoeld in het zesde lid niet voldoet aan de voorschriften bij of krachtens deze verordening kan zij de leidingexploitant een termijn stellen waarbinnen hij het college nadere informatie over de leiding dient te verschaffen of een aanvraag voor een omgevingsvergunning moet indienen, bij gebreke waarvan de schriftelijke toestemming bij een door het college te bepalen tijdstip komt te vervallen. Slotbepalingen Artikel 7.1.2 Intrekking verordeningen en vervallen bepalingen In deze verordening zijn bepalingen uit de, middels raadsbesluit 018439460 d.d. 25 mei 2023 navolgende ingetrokken en gewijzigde verordeningen, beleidsregels en nadere regels opgenomen: a. Aanwijzing beschermd dorpsgezicht Urk 2003; b. Afvalstoffenverordening gemeente Urk 2020; c. Algemene plaatselijke verordening gemeente Urk 2018; d. Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren Urk 2016; e. Bouwbesluit 2012; f. Bouwverordening 1992; g. Erfgoedverordening Urk 2017; h. Marktverordening gemeente Urk 2011; i. Paardenverbod strand Urk 2002; j. Vergunningsplicht lichtreclame Urk 2008; k. Verordening Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit Urk 2021; l. Verordening bestrijding distels en onkruid 2002; m. Verordening aansluitvoorwaarden riolering gemeente Urk
38
Artikel 7.1.3 Inwerkingtreding Deze verordening treedt met ingang van de dag na de dag van bekendmaking in werking. Artikel 7.1.4 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening fysieke leefomgeving van de gemeente Urk.
39
Bijlage 1 Begripsbepalingen
Aansluiting Het gedeelte van de kabel en/of leiding dat een netwerk verbindt met een fysiek punt waarop een klant de toegang tot een openbaar netwerk wordt geboden. Aansluitleiding Het particulier riool, het aansluitpunt en de perceelaansluitleiding tezamen. Aansluitpunt -1. bij gemengde en gescheiden rioolstelsels het punt, gelegen op of binnen 0,5 meter afstand van de kadastrale eigendomsgrens van het aan te sluiten perceel, waar het particulier riool op de perceelaansluitleiding wordt aangesloten. -2. bij een drukriool het punt waar het particulier riool wordt aangesloten op de pompput. Als aansluitpunt wordt ook wel het controleputje gebruikt. Afvalwater al het water afkomstig van een perceel, met uitzondering van hemelwater en drainagewater. APV Algemene plaatselijke verordening 2018 van de gemeente Urk. Bebouwde kom Het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994. Bouwwerk Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, met inbegrip van een gedeelte daarvan, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren. Breekverbod Verbod voor het uitvoeren van werkzaamheden.
Bronneringswater Grondwater, onttrokken ten behoeve van tijdelijke verlaging van de grondwaterstand. College Het college van burgemeester en wethouders. Markt dagplaats De standplaats die per marktdag ter beschikking wordt gesteld aan een vergunninghouder, omdat deze niet als vaste standplaats is toegewezen dan wel ingenomen. Drainagewater Grondwater, ingezameld door een ingegraven doorlatend buizensysteem. Drainagestelsel Gemeentelijk leidingstelsel, bestemd voor de afvoer van overtollig grondwater, met uitzondering van de aansluitleidingen Drukriool Het openbaar riool, voor de afvoer van afvalwater, exclusief hemelwater, waarbij het transport door het riool plaats vindt door middel van met pompinstallaties veroorzaakte druk. Gebouw Gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet.
40
Gedoogplichtige Degene op wie een gedoogplicht rust als bedoeld in artikel 1 van de Belemmeringenwet privaatrecht, artikel 5.2, eerste lid, van de Telecommunicatiewet, een publiekrechtelijke vergunning of een privaatrechtelijke overeenkomst. Gebruiker De perceeleigenaar, de zakelijk gerechtigde van het perceel of de huurder die gebruik maakt van de aansluiting op het openbaar riool. Gemeentelijk erfgoedregister Het gemeentelijk erfgoedregister bevat gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed en de gegevens over door het college van de minister ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet. Gemeentelijk monument Monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister. Gemengd stelsel Het openbaar riool voor de afvoer van afvalwater, inclusief hemelwater. Gescheiden stelsel Het openbaar riool met een buizenstelsel voor de afvoer van hemelwater en een buizenstelsel voor de afvoer van het afvalwater. Geurgevoelig object Gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.
Geurbelasting Waarde van de geurhinder ter plaatse van de dichtstbijzijnde buitenzijde van een geurgevoelig object, berekend met het verspreidingsmodel ‘V-Stacks vergunning’, uitgedrukt in aantallen Europese odour units in een volume-eenheid lucht (ouE/m3), gemeten volgens de NEN-EN 13725:2003 ‘Luchtbepaling van de geurconcentratie door dynamische olfactometrie’, uitgaande van het gebruikelijke 98-percentiel geurconcentratie, inhoudende dat de - met een verspreidingsmodel - berekende geurconcentratie gedurende 98 procent van de tijdseenheid niet wordt overschreden (ouE/m3). Hakhout Een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen. Handelsreclame Iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; Houtopstand Hakhout, een houtwal of een of meer bomen. Incidentele standplaats Een incidentele standplaats heeft een tijdelijk karakter. Een incidentele standplaats kan worden ingenomen door: - Een niet-commerciële instelling zoals een kerkgenootschap of een vereniging; - Winkeliers die een standplaats voor hun winkel willen plaatsen; - Bedrijven die hun diensten willen promoten of aanbieden. Een vergunning voor incidentele standplaatsen wordt voor maximaal 12 dagen per jaar afgegeven.
41
Kabels en/of leidingen Een of meer kabels en/of leidingen die onderdeel zijn van een openbaar (elektronisch communicatie)netwerk, daaronder mede begrepen de daarmee verbonden transformator-, schakel-, verdeel- en onderstations, distributieen/of mutatiepunten, en tevens omvattende lege buizen, ondergrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken, bestemd voor het transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie. Kampeermiddel Een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Markt De door het college ingestelde warenmarkt. Marktmeester De persoon die als zodanig is aangewezen door het college. Marktstandplaats De ruimte die voor de duur van de markt is aangewezen voor het uitoefenen van de markthandel. NEN Een door de Stichting Nederlandse Normalisatie-Instituut uitgegeven norm. Netbeheerder Degene die als natuurlijk persoon handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf dan wel als rechtspersoon acteert als beheerder van een al dan niet openbaar netwerk. Netwerk Samenstel van kabels en leidingen.
Openbaar riool Het gedeelte van de riolering dat bij de gemeente in eigendom en beheer is voor inzameling en transport van afvalwater, hemelwater en drainagewater, met inbegrip van de daartoe behorende rioolgemalen, persleidingen en werken en installaties van overeenkomstige aard, met uitzondering van de aansluitleidingen. Openbare plaats Hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan; Openbaar water Wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; Parkeren Parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990). Particulier riool De binnen de kadastrale eigendomsgrenzen van het aan te sluiten perceel gelegen binnen, buiten of terreinrioolleidingen tot aan het aansluitpunt. Het particulier riool wordt ook ‘de particuliere afvoerleiding” genoemd. Perceelaansluitleiding Het riool en voorzieningen die deel uit maken van dit riool, tussen het openbaar riool en het aansluitpunt, in beheer bij de gemeente.
42
Rechthebbende Degene die over enige zaak of dier de beschikking heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht of daarover enige feitelijke macht uitoefent. In het geval van riolering: -1. De eigenaar of zakelijk gerechtigde van het perceel ten behoeve waarvan de aansluiting op het openbaar riool wordt gerealiseerd en in stand gehouden. -2. De rechtverkrijgende onder algemene of bijzondere titel van de onder 1, bedoelde personen. Seizoenstandplaatsen Een seizoenstandplaats heeft een tijdelijk karakter en kan één of meerdere dagen per week gedurende de periode van 1 april tot 1 oktober worden ingenomen op twee vastgestelde locaties. Standwerken De activiteit waarbij de vergunninghouder publiek om zich heen verzamelt en dat publiek door een aansprekende uiteenzetting probeert over te halen tot de aankoop van een artikel. Standwerkersplaats De standplaats die per marktdag ter beschikking wordt gesteld om te standwerken. Snuffelmarkt (zie APV voor de verwante bepaling) Een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats.
Stads- en dorpsgezichten Groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of meer monumenten bevinden. Tarievenlijst Door de raad bij deze verordening vast te stellen lijst met de aanlegkosten per eenheid van een aansluitleiding. Delegatie aan B&W is mogelijk op grond van art. 156 Gemeentewet. Vaste standplaats Standplaatsen die gedurende één dag of meerdere dagdelen per week gedurende het hele jaar of een deel van het jaar op een vaste locatie worden ingenomen. Als een standplaats meer dan twaalf dagen per jaar wordt ingenomen, wordt deze aangemerkt als vaste standplaats en wordt deze als zodanig aan de voorwaarden in het standplaatsen beleid getoetst. Veehouderij Inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en is bestemd voor het fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren. Voertuigen Voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen.
43
Bijlage 2 Paardenverbod Strand
44