Beantwoording technische vragen TAM omgevingsplan aansluitplicht
Tekst van het document
1
Fractie CU
2
CU
Technische vragen agendapunt 5i TAM omgevingsplan H22b aansluitplicht warmtenet en verplichtingen installaties (commissie Wonen, werken en Veiligheid d.d. 19 november 2025) Vraag Antwoord Onderbouwing en handhaving van de De meet- en rekenmethoden en handhaving is niet anders dan normaal. Hier geluidnormen – In het omgevingsplan wordt kan aangesloten worden bij de meet- en rekenmethoden zoals omschreven in de voor installaties een strikte geluidnorm van Omgevingsregeling. In de ontwerpfase kan middels berekeningen aangetoond worden of voldaan kan 35 dB(A) voorgesteld, waarmee wordt worden aan de gestelde normen. Voor eenvoudige individuele installaties kan afgeweken van de landelijke standaard van 40 dB(A). Deze norm heeft te maken met het hiervoor de rekentool ‘WPAC-geluid v2020_0’ gebruikt worden welke in opdracht continu functioneren van installaties en het van het ministerie BZK is ontwikkeld. Voor collectieve installaties of meer ingewikkelde situaties kan de meet-en rekenmethode worden gevolgd worden cf. tonale karakter van warmtepompen. Hoe is de voorschriften zoals vastgelegd in bijlage IVh uit de Omgevingsregeling. deze specifieke waarde van 35 dB(A) Handhaving kan gebruik maken van voorgenoemden meet- en rekenmethoden.
onderbouwd? Welke meetmethoden en handhavingstrajecten zijn voorzien om ervoor Dit wordt verder omschreven in bijlage IVh voor collectieve installaties (meet- en te zorgen dat zowel individuele als collectieve rekenmethode geluid industrie) en bijlage XVII (bepaling geluid installaties installaties (inclusief tussen- en warmte- en koudeopwekking) voor individuele installaties. afnamestations) aan deze norm voldoen? De geluidbronnen van de collectieve installaties en tussenstations worden (grotendeels) binnen opgesteld in technische ruimten. Ook hier kan middels bovengenoemde normen aangetoond worden dat voldaan wordt aan de geluidnormen. Norm voor netcongestie en monitoring van installaties – Om netcongestie te beperken, legt artikel 3.3 een maximale verhouding op tussen elektrisch inputvermogen en thermisch outputvermogen: bij een afgiftetemperatuur van 40 °C mag maximaal 0,3 kW elektrisch per 1 kW thermisch worden verbruikt. Kan het college toelichten hoe deze verhouding tot stand is gekomen, hoe deze norm praktisch wordt gecontroleerd en of er uitzonderingen of alternatieve rekenmethoden worden toegestaan voor bepaalde technieken?
Additionele context van dit criterium Urk bevindt zich in de rode zone van de capaciteitskaart van Netbeheer Nederland. Om te voorkomen dat het elektriciteitsnet op Urk verder wordt belast door individuele warmte-installaties, is dit criterium opgesteld. Hierdoor worden warmte-installaties uitgesloten die een grotere impact hebben op de netsituatie in Urk dan het warmtenet. Hoe is deze verhouding tot stand gekomen? De verhouding is bepaald op basis van een berekening met forfaitaire kengetallen uit de NTA8800. Het benodigde vermogen voor warmtelevering varieert met de buitentemperatuur. Het piekvermogen is vereist bij een buitentemperatuur van -10 °C. Tijdens de pieksituatie wordt er relatief veel debiet door het warmtenet verpompt, waardoor het distributieverlies percentage tijdens het piekbedrijf laag is in verhouding tot de warmte die geleverd wordt.
Onderstaand wordt de benodigde elektrische energie berekend om 100 kW warmte aan de klant te leveren. In deze berekening wordt uitgegaan van 10% distributieverlies (10 kW). Parameter Distributie secundair Warmtepomp Distributie primair Bronpomp warmte Totaal
Kengetal 0.002 kWe/ KWth 0.204 kWe/ KWth 0.005 kWe/ KWth 0.043 kWe/ KWth
Bron NTA8800, tabel P.11 NTA8800, tabel P.5 NTA8800, tabel P.11 NTA8800, tabel P.9
Elektrische input 0.2 kWe (0,002*100) 22.4 kWe (0.204*110) 0.6 kWe (0.005*110) 4.7 kWe (0.043*110) 28.0 kWe
Zoals in bovenstaande tabel te zien is, is er tijdens de piekvermogensvraag van het warmtenet 28,0 kWe benodigd per 100 kWₜₕ geleverde warmte (0.28 kWe / kWth). Ten gunste van het individuele systeem is deze verhouding afgerond naar 0.3 kWe / kWth. Hoe wordt de norm praktisch gecontroleerd? Het maximaal vermogen van de warmtepomp dient te worden vastgesteld volgens bijlage Q van de NTA 8800 (versie 2024). De COP bij vollast moet worden berekend met formule Q.31 van dezelfde norm, waarbij wordt uitgegaan van de verdampertemperatuur die voorkomt bij de laagste buitentemperatuur volgens een NEN 5060-jaar, en van een in- en uitgaande condensortemperatuur van respectievelijk 35 °C en 40 °C. Op basis van de onder deze condities bepaalde COP wordt het elektrisch aansluitvermogen vastgesteld volgens de verhouding 1/COP.
Worden er uitzonderingen of alternatieve rekenmethoden toegestaan voor bepaalde technieken? Elk individueel opwektoestel met een vergelijkbare of lagere impact op het elektriciteitsnetwerk dan het warmtenet wordt in principe toegestaan. Alternatieve rekenmethoden zijn niet toegestaan, omdat een uniforme rekenmethodiek juist zorgt voor een eerlijke vergelijking tussen verschillende opwektoestellen. 3
CU
Meldplicht en administratieve lasten – Voor het gebruik van een installatie moeten initiatiefnemers acht weken vóór ingebruikname een melding doen, inclusief eventueel een akoestisch rapport en berekening conform de NTA 8800. Hoe sluit deze meldplicht aan op bestaande vergunningsprocedures? Krijgen initiatiefnemers voldoende duidelijkheid over de vereiste rapportages en berekeningen, en hoe wordt voorkomen dat deze meldplicht leidt tot onnodige administratieve lasten of vertraging bij de bouwactiviteit?
De meldplicht staat los van de bestaande vergunningprocedures. De meldplicht kan daardoor ook niet tot gevolg hebben dat het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor de ‘bouwactiviteit’ vertraging oploopt. Bij de beoordeling van aanvragen om omgevingsvergunningen voor nieuwe bouwprojecten zal erop worden gewezen dat er een aanvullende meldplicht geldt voor het gebruik van een collectieve of individuele installatie die warmte levert aan een bouwwerk. Dat zal gebeuren, zodat de aanvrager hiermee alvast rekening kan houden in zijn bouwplan. Verder zal bij het verlenen van de omgevingsvergunning op de meldplicht worden gewezen. Het opnemen van een verwijzing in de omgevingsvergunning is ook verplicht op grond van de ‘informatieplicht’ uit artikel 3:19 van de Algemene wet bestuursrecht. De melding zelf zal vaak op een later moment dan de vergunningverlening plaatsvinden. De melding moet uiterlijk acht weken voorafgaand aan het eerste gebruik van een installatie worden gedaan.
4
CU
Afstemming met toekomstige rijksregels (Wgiw en Bgiw) – Uit de AKD-notitie blijkt dat de Wet en het Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie per 1 januari 2026 uniforme landelijke regels over warmtenetten en de aansluitplicht introduceren. Tegelijkertijd mag de raad in het omgevingsplan aanvullende regels stellen, mits die niet op de bijdrage aan
De nieuwe regels in het omgevingsplan leiden niet tot een doorkruising met de toekomstige regels rijksregels uit het Wgiw en Bgiw. Ook na de inwerkingtreding van de Wgiw en de Bgiw, behoudt de raad de bevoegdheid om (aanvullend) regels te stellen in het omgevingsplan over warmtenetten en alternatieve oplossingen. De regels zijn getoetst aan de nieuwste versies van de Wgiw en de Bgiw (d.d. 7 juli 2025). Hierbij geldt dat de landelijke wetgever in de nieuwste versie van de Bgiw de keuze heeft gemaakt om de eerder voorgestelde regels over gelijkwaardigheid (van alternatieven) te schrappen. Dat maakt het nóg
duurzaamheid of klimaatverandering zijn gericht. Kan het college aangeven in hoeverre dit TAM-plan al is afgestemd op de aankomende landelijke regelgeving en welke onderdelen mogelijk opnieuw gewijzigd moeten worden? Zijn de aanvullende regels over geluid, netcongestie en bodeminvloed voldoende toekomstbestendig, of kunnen zij nog aangepast worden wanneer de Wgiw/Bgiw van kracht worden?
belangrijker om als gemeente(raad) invulling te geven aan regels over warmtenetten en alternatieve oplossingen.