CConstaterende datTytsjerksteradiel
Koppel je AI →
Document · PDF

R7-02 - 2023-09-28 Landschapsplan

RAAD IEPEN POADIUM (RAADZAAL) 16 november 2023, gemeente TytsjerksteradielBij agendapunt: Realiseren van een zonnepark Stoppelsoal (inhoudelijk)7.667 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

landscape architecture

Zonnepark Stoppelsoal Burgum landschapsplan incl beplantings- en beheerplan 1

landscape architecture

Zonnepark Stoppelsoal Burgum landschapsplan incl beplantings- en beheerplan Opdrachtgevers Novar (voorheen Solarfields) en Enerzjy Groep Burgum 28 september 2023

2

Inhoud 1 Aanleiding

4

2 Analyse

8

3 Beschrijving Plan Zonnepark

14

4 Detaillering Plan Zonnepark

32

5 Beplantings- en Beheerplan

42

3

Aanleiding

1 4

1. Aanleiding Schone energie We bevinden ons op dit moment in een klimaatcrisis die jaarlijks grotere vormen aanneemt en bedreigend is voor de toekomst van ons en vooral onze kinderen. Deze is grotendeels veroorzaakt door het verbranden van fossiele energiebronnen. Transitie naar schone bronnen is daarmee een zeer urgente opgave. Novar (voorheen Solarfields) neemt hierin haar verantwoorelijkheid door, samen met Enerzjy Groep Burgum, Zonnepark Stoppelsoal Burgum te ontwikkelen. Hiervoor hebben we als Smartland landscape architecture gezamenlijk met deze beide partijen een plan ontwikkeld dat in de voorliggende rapportage wordt toegelicht. Zon in het landschap is één van de kansen voor het produceren van schone duurzame energie, maar dit is nog steeds niet onomstreden, aangezien vele mensen negatief reageren op ieder zonne-initiatief. Mede hierom hebben vele provincies en gemeenten beleid ontwikkeld waarin zonne-energie alleen wordt toegestaan met als randvoorwaarde ‘maatschappelijke meerwaarde’. Om

hieraan invulling te geven achten wij de volgende drie thema’s voor dit zonnepark relevant: Biodiversiteit, Ruimtelijke kwaliteit en Recreatie/ Educatie. Het thema Biodiversiteitkomt met name voortuit de dramatische afname van biodiversiteit in het landelijk gebied door intensivering van de landbouw. Hier tegenover kunnen zonneparken juist een impuls voor biodiversiteit betekenen, aangezien bodems in principe 2530 jaar rust krijgen, bemesting of bestrijdingsmiddelen niet worden toegepast, het beheer heel extensief kan zijn en waterpeilen niet kunstmatig laag hoeven te worden gehouden. Door panelen in zuid-opstelling toe te passen, of anderszins voldoende ruimte tussen de rijen te laten, en specifieke onderbegroeiing toe te passen, kan een passende invulling worden gegeven aan deze kans voor met name de insectenfauna. De onderbegroeiing dient daarbij aan te sluiten op natuurlijke situaties van half-schaduw, zoals die in bosranden of struweelzones worden gevonden. Onderzoeken in Engeland, Duitsland en recent ook in Nederland, tonen

KNMI KLIMAATSIGNAAL’21 ENERGIETRANSITIE ZEER URGENTE OPGAVE

GLOBALE EMISSIES CO2 VAN FOSSIELE OORSPRONG, 1850-1812, IN MILJOENEN TONNEN PER JAAR

5

1. Aanleiding aan dat met de juiste inrichting en het juiste beheer zich hierin grote aantallen en een grote diversiteit aan insecten vestigen. Deze dragen bij aan de basis voor een gezond ecosysteem waar hogere dieren, zoals zangvogels en vleermuizen ook weer door toenemen. Deze laatste groepen zijn ook gebaat bij landschapselementen zoals hagen en houtsingels, die grotendeels uit het agrarische landschap zijn verdwenen. Een zonnepark biedt de mogelijkheid om deze elementen terug te brengen in het landschap. Hiermee komen we bij het tweede

thema, landschappelijke inpassing. Door een goede analyse van de landschapshistorie, kunnen gebiedseigen landschapselementen worden teruggebracht om de visuele impact van het zonnepark voor omwonenden en recreanten te verzachten. Deze landschapselementen zijn tevens een extra leefgebied en concentratie van fauna en biodiversiteit, aangezien ze een bosrand-achtige kwaliteit hebben, wat de meest soortenrijke situaties in ieder landschap zijn. In de aanplant wordt aangesloten bij de lokaal karakteristieke

soortensamenstelling. Hiermee wordt een ecologisch raamwerk gebouwd, dat, inclusief ook interne verbindende structuren als watergangen, hagen of kruidenzones, bestaande fauna of mogelijk ook nieuwe doelsoorten kan huisvesten, in aansluiting op gemeentelijke of provinciale natuurdoelen. Met goed plantmateriaal en vroegtijdige aanplant kan de landschappelijke inpassing bovendien effectief worden mee-ontwikkeld en tijdig haar visuele effect hebben. Doorgaans kunnen afspraken worden gemaakt om deze

elementen na ontmanteling van het zonnepark in het landschap te laten voortbestaan. Hiermee wordt zowel tijdens als na de periode van het zonnepark het landschap verrijkt. De waardering van dit landschap door bewoners en recreanten, het derde thema, kan verder worden versterkt door aanvullende voorzieningen. Agrarisch landschap is doorgaans nauwelijks ontsloten anders dan over bestaande autoen landbouwwegen. Een zonnepark biedt de mogelijkheid aanvullende fiets- en wandelpaden toe te voegen die zorgen voor nieuwe

6

1. Aanleiding

doorsteken door het landschap en een welkome uitbreiding van de wandel- en fietsnetwerken. Daarbij zijn informatiepunten toe te voegen die uitleg geven aan de opwekking van schone energie, maar ook over het landschap en de herstelde biodiversiteit. Dit laatste heeft

daarmee een educatieve waarde, waarop lokale scholen met hun lesprogramma en veldexcursies in kunnen haken. Voor alles is een analyse op verschillende aspecten van het plangebied belangrijk als uitgangspunt.

7

Analyse

2 8

2. Analyse Fysieke analyse Ondergrond, morfologie, bodem Het landschap rond Burgum wordt bepaald door de geologische historie van dit gebied. In de voorlaatste ijstijd was dit gebied bedekt met landijs, dat geleidelijk naar het zuiden is geschoven. Onder het ijs bevond zich zogenaamde ‘grondmorene’, grof gemengd materiaal deels als oorspronkelijke MAAIVELDHOOGTE KAART

rivier- en zeeafzettingen en deels afkomstig van de afgeschuurde gesteenten van Scandinavië, keileem. Het vormde het zogenaamde Drents Friesche plateau, met lichte welvingen, in de geomorfologie ’grondmorenewelvingen’ genoemd. Met subtiele hoogtes waarop zich mensen vestigden en dorpen ontstonden (Burgum, Noordburgum, etc) en subtiele laagtes waarin zich water

verzamelde tot ondiepe meren (Burgummermeer, Koumar). Het plangebied bevindt zich op de rand van het oorspronkelijke noordelijke deel van de Burgummermeer, of Koumar. Maaiveldhoogtes In het plangebied zijn drie maaiveldniveaus aan te wijzen. Het zuidelijk deel als drooggelegd deel van het Burgummermeer het

laagste nivau, met maaiveldhoogtes van ca -0,80m NAP. Het centrale noordelijk deel, de voormalige ’Meenschar’ of gezamenlijk beweide oeverlanden, met maaiveldhoogtes van ca -0,40m NAP. Dit niveau loopt geleidelijk verder op naar het noorden, westen en oosten en naar de zuidwesthoek. Deze zuid- en noordwesthoek zijn echt wat hoger, en horen nog bij de grondmorenewelvingen, met een hoogte van ca

GEOMORFOLOGIE KAART

9

2. Analyse + 0,20m NAP, dus echt de al van oudsher permanent droge oever. Grondwater en waterpeilen In het plangebied bevinden zich twee peilvakken. Een hoger noordelijk peilvak .... met wateropeil ..., en een iets lager zuidelijk peilvak ... met waterpeil .... Dit slaat via een klein gemaaltje uit op de Friesche boezem, dat strak op een peil -0,52mNAP wordt gehandhaafd.

Daarnaast is hier de grondwaterstroming relevant. Vanaf de hogere delen van de welvingen stroomt ijzerrijk grondwater af naar de laagtes. Dit is hier goed zichtbaar in het roestkleurige water in de sloten langs het terrein. Ook in de vegetatie komt dit tot uiting, met waterviolier en holpijp als kwelindicatoren.

Bodemtypen De grondwaterstroming, in samenspel met het relief, heeft geleid tot verschillende bodemtypen. Vanaf de schrale zandige podzolbodems op de hogere delen van het landschap, aflopend naar steeds voedselrijkere beekeerdgronden in de randen en het laagste zuidelijke deel van het zonnepark, tot moerige (=organische) zand- en veenbodems in het centraal noordelijke deel.

BODEM KAART

Landschap Het landschap rond Burgum werd gekenmerkt door graslanden met veel elzensingels in de lagere delen, en op de hogere delen van het landschap ’dykswallen’ (grondwallen met beplanting als kavelgrens), bredere houtwallen en geriefbosjes (voor gebruikshout en brandhout). Op dit moment is de begroeiing met deze landschapselementen wel afgenomen, maar nog steeds zijn elzensingels of restanten daarvan veel aanwezig in het landschap. Deze locatie is relatief bijzonder, aangezien het de noordelijke hoek en de open oeverzone van het Burgummermeer was, dus oorspronkelijk met minder bomen en meer rietland.

Historische analyse Het plangebied was in 1900 nog een deel van het Burgummermeer en van de ‘Meenschar’, de gezamenlijk beweide oeverlanden rond de Koumar als noordelijk deel daarvan. Deze oeverlandn waren zeer nat door het dynamische waterpeil van de Friesche boezem, die destijds nog sterk varieerde met ruim een meter, van -0,90m NAP in de zomer tot + 0,10 m NAP in de winter. Op dit moment is die Friesche boezem zoals gezegd zeer strak beheerd op jaarrond -0,52 m NAP. In 1910 is het gebied drooggelegd als kleine droogmakerij de Koumarpolder en toegevoegd aan het graslandschap. Daarbij is de oorspronkelijke waaierverkaveling van de Meenschar getransformeerd in een vooral noordzuid gerichte blokverkaveling. De Koumarpolder is als een lager deel herkenbaar met een eigen oost-west gerichte verkaveling met lage kaden. In de jaren ’50 wordt de lokale watergang Stoppelsoal verbreed en bekaad als groot boezemkanaal, als onderdeel van de hoofdvaarroute.

10

2. Analyse In jaren ’70 is hier vervolgens de energiecentrale Burgum aangelegd, inclusief de brede

toegangsweg Koumarwei, en een groot aantal hoogspanningleidingen en bijbehorende masten, die het

landschap een industieel karakter hebben gegeven. Om dit effect te beperken zijn een aantal bosblokken

TOPOGRAFISCHE KAART 1900

TOPOGRAFISCHE KAART 1910

TOPOGRAFISCHE KAART 1950

in een cirkel rond de centrale aangelegd. Vanaf de jaren 90 is een gestage groei van waterrecreatie te zien, met een ontwikkeling van de eerste waterwoningen aan het Stoppelsoal. Deze waterrecreatie breidt zich nog steeds uit. Rond 2010 zijn verschillende voormalige bekade oeverlanden heringericht als natte waterbergingen en natuurzones rond het Burgummermeer. Ook een deel van de Koumarpolder is ontpolderd tot klein meertje, met rietoevers, ten dele aangetakt als buffer voor het boezemsysteem.

TOPOGRAFISCHE KAART 1982

TOPOGRAFISCHE KAART 2000

TOPOGRAFISCHE KAART 2020

Rond 2020 is een zonnepark gerealiseerd op het terrein van de energiecentrale. Bovendien heeft de waterrecreatie zich uitgebreid tot Waterpark Zwartkruis, met permanente waterwoningen aan een interne waterstructuur.

11

2. Analyse Natuuranalyse Het plangebied ligt niet in of direct tegen de natuurstructuur NNN. Wel zijn er een aantal soorten mogelijk voorkomend in het plangebied, of mogelijk door het zonnepark positief te beinvloeden en aan te trekken als nieuwe soorten voor het gebied. Voor de ontwikkeling van het zonnepark is daartoe een natuurscan uitgevoerd door Eelerwoude, in 2 fasen, in 2021 het zuidelijk deel, in 2022 het noordelijk deel. De conclusies zijn weerggeven in de tabellen hiernaast uit beide rapportages. Hieruit volgen de volgende doelsoorten relevant: -

Waterspitsmuis Grote Modderkruiper Heikikker Ringslang Das (mogelijk incidenteel) Ree Insecten (Bijen/Hommels, Zweefvliegen, Libellen, Vlinders)

Deze soorten en hun habitateisen nemen we mee in de planvorming.

12

2. Analyse

Recreatie

PLANGEBIED IN DE LUCHTFOTO 2020

NNN

RECREATIEF NETWERK GROTE SCHAAL

Er bevindt zich rond het plangebied een relatief intensief gebruikt netwerk van een fietspad en enkele wandelpaden. Ten eerste een doorgaand recreatief fietspad vanaf Burgum langs de energiecentrale, via boezemkade Stoppelsoal langs Watervakantiepark Zwartkruis naar het noorden.

BESTAANDE NATUUR

RECREATIE NETWERK LOKALE SCHAAL

Daarnaast enkele wandelpaden als onderdeel van Wandelnetwerk Fryslan met tussen knooppunten 21, 47 en 26 netwerk bestaand uit onverharde paden, deels zandwegen, deels grassporen langs de energiecentrale en de genoemde fietsroute.

13

Beschrijving Plan Zonnepark

3 14

3. Beschrijving Plan Zonnepark Uitgangspunten puntsgewijs - Maximaal 75% effectief gebruik voor zonnepanelen, conform Gedragscode Zon op Land - Totaal ca 35 hectare. Dus ca 25 hectare zon - Zuidopstelling, mede met het oog op biodiversiteit, hoogte max 2,2 m - Mogelijk opnemen van batterijen hoogte max 3,0 m - Er zijn beperkingen onder de hoogspanningslijnen, hier moet

een iets ruimere opstelling van de panelen worden toegepast en ruimte rondom de masten met straal van 20 en 25 meter, afhankelijk van type mast. - Doelsoorten natuur: Waterspitsmuis, Heikikker, Ringslag, Grote Modderkruiper, Das en Ree; Daarnaast als algemene doelgroep: Insecten - Recreatie en Educatie integreren in het planontwerp, aangezien er veel recreanten gebruik maken van het gebied.

Proces en participatie Het landschappelkijk ontwerp voor het zonnepark is in goede samenwerking met een groot aantal partijen opgesteld: Naast Novar (voorheen Solarfields) en Enerzjy Groep Burgum, Gemeente

Burgum, Friesche Milieu Federatie, Landschapsbeheer Friesland en Wetterskip Fryslan. Ook met omwonenden is regelmatig overleg geweest wat tot planaanpassingen heeft geleid. Dit is nader omschreven in het participatielogboek van de ontwikkelaar.

ZONNE-ENERGIE

NATUUR/BIODIVERSITEIT

ON-ZICHTBAARHEID

RECREATIE

15

16

3. Beschrijving Plan Zonnepark / 3.1 Beschrijving Thema Zonne-energie In het landschapsplan wordt de technische opstelling voor opwekken van energie niet in detail beschreven, aangezien deze separaat door een technisch bureau is ontworpen en uitgewerkt. Het totale gebied is ca 35 hectare. Daarbinnen is ca 25 hectare zon mogelijk. Er is gekozen voor een zuidopstelling, vooral voor het nevendoel biodiversiteit. De bovenrand van de panelen komt op ca 2m, max 2,2m hoogte. In het zuidelijke deel wordt een batterijopslag toegepast, een installatie met een hoogte van ca 2,3m, max 3,0 m. Rond de hoogspanningsmasten is steeds een cirkel vrij gehouden van zonnepanelen, met een straal van 20 of 25 meter, afhankelijk van het type mast. Een logische ontsluitingsstructuur is ingetekend, in het noordelijk deel bestaande uit een aantal orthogonale beheerpaden langs het slotenpatroon, met de hoofdontsluiting op de Koumarwei, in het zuidelijk deel één centrale ontsluiting zuid-noord, met de ingang vanaf de Energiecentrale, aangevuld met een tweede ingang vanaf de Koumarwei om tweezijdige bereikbaarheid van de

batterijopslag voor de brandweer te realiseren. Op verbredingen aan deze ontsluitingsstructuur liggen ook de transformatoren en de eventuele batterijsystemen.

ZONNE-ENERGIE

Voor de veiligheid van mensen en de beveiliging van panelen worden waar nodig hekwerken toegepast zoals aangegeven op de kaart. Hekwerken bij het centrale bosje en aan de oostkant zullen alleen worden geplaatst indien dit verplicht wordt gesteld door de verzekeraar. De hekwerken worden ca 2,00m hoog, max 2,30 m en blijven ca 20 cm vrij van de grond, max 25 cm, tbv fauna (in maat vooral tot aan de das, maar zelfs het ree kan dit passeren, zo is gebleken in onderzoek en blijkt uit wildcamera’s op bestaande zonneparken). De hekwerken krijgen een onopvallende donkere kleur en worden zo mogelijk uit het zicht achter hagen geplaatst. Het hekwerk maakt vanaf centraal aan de Koumarwei een korte inspringing. Deze is bedoeld om een stuw voor het waterschap bereikbaar te maken. in dit plan is gekozen de stuw niet te verplaatsen, alleen het hekwerk aan te passen.

17

18

3. Beschrijving Plan Zonnepark / 3.2 Beschrijving Thema Natuur/Biodiversiteit In het analysehoofdstuk zijn de resultaten van de natuurscan aangegeven. Hieruit volgen concrete doelen als invulling van de ambitie om met dit zonnepark de biodiversiteit te versterken. De doelsoorten zijn hieronder en op de volgende pagina weergegeven. - Waterspitsmuis, - Heikikker, - Ringslag, - Grote Modderkruiper, - Ree en mogelijk Das; - Daarnaast doelgroep Insecten Basis voor het faciliteren van deze doelsoorten is een ruimtelijke structuur en passende vegetaties. Als ruimtelijke groenstructuur realiseren we een structuur van groene randen, interne assen, bosjes en gecombineerde landschapselementen. Waar ruimte te realiseren is zorgen we hiermee voor een complete gradiënt van bomen via struweelzone en zoom van hoge kruiden naar lage vegetatie. Daarbij verbinden de royale groene assen in het gebied, de centrale houtsingel oost-west, en de centrale open groene as noord-zuid, deze groenelementen.

Dit zorgt voor het behoud van de huidige functie van het gebied voor grotere fauna (bv reeen) en voor nieuwe leefmogelijkheden voor anderen (bv voor dassen, maar ook voor de kleinere doelsoorten als waterspitsmuis, heikikker en ringslang, en voor de groep insecten in het algemeen). Alle groenelementen zijn feitelijk onderdeel van een bosrandmilieu, geldt als maximaal biodiverse natuurlijke referentie voor zowel de groene landschapselementen als de ondergroei onder de panelen. Dit betekent dat ook alle diersoorten van deze elementen, met name zangvogels en kleine marterachtigen veel voordeel zullen hebben van de ontwikkeling.

NATUUR/BIODIVERSITEIT

We realiseren in de noordwestelijkeen zuidwestelijke hoeken ’specials’ voor natuur die specifiek gebruik maken van een bijzondere kans in het gebied. In dit geval de kwelstroom vanuit hogere delen van het landschap. Daarnaast wordt in het gehele plan een goede passende ondergroei onder en tussen de panelen gerealiseerd, gebaseerd op schaduw, afgestemd op bodem en water. In de plankaart is aangegeven

19

Ree

Das Insecten BOS

Ringslang Waterspitsmuis

Grote Modderkruiper

MANTEL

ZOOM GRAS/RIETLAND

OEVER

WATER

20

3. Beschrijving Plan Zonnepark / 3.2 Beschrijving Thema Natuur/Biodiversiteit waar we verschillende vegetaties toepassen. Natte kwelvegetaties en rietland in de zuidelijke Koumarpolder, vegetatie gebaseerd op glanshaverhooiland als ondergroei in de Meenscharpolder, soortenrijkere schrale hooilandvegetaties in de drogere zuidwest- en noordwesthoek, en als special een prachtig orchideeënrijk koekoeksbloemhooiland als kwelvegetatie in de zuidwesthoek. In deze zuidwestelijke hoek realiseren we door dempen van een afwateringssloot bovenstrooms

op de kwelstroom, en juist ontgraven van de toplaag in het benedenstroomse gedeelte, een zeldzaam goede mogelijkheid voor een orchideeënhooiland. Op dit moment al geven indicatorsoorten als de waterviolier en holpijp de potenties van deze plek aan. Bovendien realiseren we in de beplanting een verdere vegetatiegradiënt via hooiland, hoge kruiden, struweel, naar elzeneikenbos. In het hoofdstuk Beplantingsplan gaan we verder specifiek op de vegetaties en soortensamenstelling in.

Daarbij voegen we in het zonnepark integraal extra elementen toe voor fauna, bv voor nestelgelegenheid insecten in ’bijenblocks’. Dit element kan in de metalen frames van het zonnepark worden opgenomen en zo een structurele mogelijkheid bieden voor het nestelen van bijen, wat vaak ontbreekt of alleen in bijenhotels wordt gerealiseerd Specifiek is daarnaast aandacht besteed aan faunapasserbaar hekwerk. Dit zal 20cm losgehouden worden van de bodem, zodat dit eenvoudig passeerbaar is voor vrijwel alle soorten. Zelfs

van reeën is bekend dat ze hier gebruik van kunnen maken, getuige Duits onderzoek en ervaringen op bestaande zonneparken door middel van wildcamera’s. Maar voor deze soort voegen we extra passeermogelijkheden toe, centraal in het noordelijke hekwerk, waar deze kruist met de centrale sloot. Deze lokatie maakt de verbinding van de bestaande en nieuw toegevoegde boselementen eenvoudig mogelijk en zorgt zo voor goede continuering van de leefmogelijkheden voor de aanwezige reeënpopulatie.

21

22

3. Beschrijving Plan Zonnepark / 3.3 Beschrijving Thema (On)Zichtbaarheid Om de zichtbaarheid van de technische zonnepanelen in het landschap voor bewoners te beperken is het plan ontwikkeld met het oog op het grotendeels onzichtbaar maken daarvan. In de bijgaande kaart staat deze structuur ingetekend. Vanuit verschillende zijden zijn diverse maatregelen genomen. Dit zijn voornamelijk groenelementen. In een laatste overleg met bewoners en de gemeente is overeengekomen dat daarin ook grondwallen worden toegevoegd, dus opgenomen in de genoemde groenelementen. In de kruin van deze wallen worden bovendien schermen van wilgentenen geplaatst. Hiermee zal het zicht op de panelen al direct vanaf de aanleg en ook in de winter afgeschermd zijn. De wilgenschermen verdwijnen automatisch na een aantal jaren, als het groen zich voldoende robuust heeft ontwikkeld.

Het visulele effect van de maatregelen is vanaf de vier zijden, vanuit verschillende standpunten, op de volgende pagina’s schetsmatig in beeld gebracht. Steeds een beeld van de huidige situatie, een beeld met het kale zonnepark en een beeld met de groenelementen. Dit toont bij benadering het uiteindelijke beeld, de laatste aanpassing van de grondwallen en wilgenschermen is niet verwerkt.

(ON)ZICHTBAARHEID

De specifieke details, profielen van alle randen, inclusief grondwallen en wilgenschermen, worden in het volgende hoofdstuk gedetailleerd weergegeven.

23

3. Beschrijving Plan Zonnepark / 3.3 Beschrijving Thema (On)Zichtbaarheid Westzijde

1

2

Vanuit de westzijde Is landschappelijke inpassing beperkt gehouden. Hier is langs de Koumarwei een zware houtwal aanwezig, als onderdeel van de nieuw aangebrachte beplanting rond de energiecentrale. In het zuidelijk deel hiervan, waar we een nieuw recreatiepad realiseren, voegen we wel enkele boselementen toe, en versterken we een relict van een elzensingel. Ook realiseren we vanaf hier een nieuwe houtsingel langs de brede watergang dwars door het

zonnepark. Deze heeft eveneens betekenis als faunaverbinding en om een aantrekkelijk recreatiepad te realiseren, waarover meer in het volgende hoofdstuk.

5 Bestaand beeld met open zicht op energiecentrale

Beeld van zonnepanelen op afstand van 200 meter

3

4

Beeld met haag rond panelen die zichtbaarheid al wegnemen

Beeld met bosjes die ook zicht op energiecentrale wegnemen

Eindbeeld met volledig landschapsensemble met bloemrijk hooiland refererend aan oorspronkelijk landschap 24

3. Beschrijving Plan Zonnepark / 3.3 Beschrijving Thema (On)Zichtbaarheid Noordzijde

1

2

Vanuit de noordzijde doen we veel meer voor de on-zichtbaarheid van de panelen. Ten eerste zijn deze panelen op een afstand van 200 meter van permanente bewoning gehouden. Daarnaast is in de noordwesthoek, vanaf waar nu een vrij zicht op de energiecentrale bestaat, een klein landschapsensemble gerealiseerd. Dit refereert aan het oorspronkelijke noord-Friesche landschap, en bestaat uit enkele bosjes en struwelen, een elzensingel en een bloemrijk hooiland. Langs de overige noordrand is een grondwal

aangebracht van 1 meter hoogte en taluds, en is beplant met een gevarieerde landschapshaag, in totaal ca 5 meter breed en uiteindelijk 3 meter hoog, die de panelen uit het zicht neemt. Door de grondwal, voldoende breedte, en de keuze voor goed plantmateriaal zal deze zone al direct na aanleg vrijwel ondoorzichtig zijn, zelfs in de winter. In de lijn van deze haag is een verspringing aangebracht die in combinatie met de overige groene elementen de historische lengterichting van de verkaveling intact en zichtbaar laat.

5 Bestaand beeld met open zicht op energielandschap

3

Beeld met haag rond panelen die zichtbaarheid al wegnemen

Beeld van zonnepanelen op afstand van 200 meter

4

Beeld met houtsingel die zicht op energiecentrale nog iets verzacht

Eindbeeld met nog steeds zichtbaar, maar iets beter geïntegreerd energielandschap 25

3. Beschrijving Plan Zonnepark / 3.3 Beschrijving Thema (On)Zichtbaarheid Oostzijde

1

2

Vanuit de oostzijde is de afstand van de recreatiewoningen van waterpark Zwartkruis eveneens ca 200m. Bij uitbreiding van dit recreatiepark zal deze afstand kleiner worden, ca 100m. Aan deze zijde is ingezet op realiseren van elzensingels met ondergroei, met in de basis eveneens een 1 meter hoge grondwal. Deze elementen zijn zeer karakteristiek in het Noord-Friesche landschap, visueel zeer dicht en van grote waarde voor biodiversiteit,

insecten, vogels en zoogdieren. Deze elzensingels met grondwal nemen niet alleen het zicht op de panelen weg, ze maskeren ook een deel van het zicht op de energiecentrale en nemen de aandacht weg van de dominante aanwezigheid van alle hoogspanningsmasten en -lijnen.

5 Bestaand beeld met laurierhaag, bosje centrale en open landschap

3

Beeld met ondergroei rond de panelen die zichtbaarheid wegneemt

Beeld van zonnepanelen op afstand van 200 meter

4

Beeld met deel houtsingel die ook zicht op centrale wegneemt

Eindbeeld (excl uitbreiding Zwartkruis) met volledige elzensingel. De grondwal en wilgenscherm zullen de zonnepanelen volledig afschermen 26

3. Beschrijving Plan Zonnepark / 3.3 Beschrijving Thema (On)Zichtbaarheid Zuidzijde

1

2

Vanuit de zuidzijde speelt vooral het beeld vanaf het recreatieve wandelpad en fietspad langs de centrale. Door de zuidopstelling is het beeld op de panelen hier niet erg storend en kan deze met een halfhoge afscherming voldoende verzacht worden. Dit doen we in de vorm van een rietzoom, aansluitend bij de rietlanden en het meertje aan het Stoppelsoal, en bij de natte invulling van de ondergroei in dit lage deel van het

plangebied. Hierbij dient overigens de rietvegetatie op eneige afstand van de panelen te blijven om brandgevaar te voorkomen. Deze vegetatiezoom vormt één geheel met de natte natuur van het integrale landschapselement en het recreatief rust- en informatiepunt aan de Koumarwei, waarover meer in het volgende hoofdstuk. Zo is de cirkel rond.

5 Bestaand beeld met open zicht op energielandschap

Beeld van zonnepanelen in lage Koumarpolder

3

4

Beeld met open zicht en standaard bloemrijke ondervegetatie

Beeld met deels rietafscherming en natte ondervegetatie

Eindbeeld met rietafscherming en natte ondergroei in lage Koumarpolder. 27

28

3. Beschrijving Plan Zonnepark / 3.4 Beschrijving Thema Recreatie/Educatie In de analyse is kort beschreven dat het gebied opvallend veel gebruikt wordt, met name door wandelaars en fietsers vanuit Burgum en de directe omgeving. Als deel van de maatschappelijke meerwaarde van dit zonnepark voegen wij een integraal recreatief rust- en informatiepunt toe, en een extra verbinding in de recreatieve wandelen fietsnetwerken.

RECREATIE

Het zuidwestelijke groengebied heeft een bijzondere positie. Niet alleen is het een voormalige droge kop aan de voormalige oever van het toen nog grote en dynamische

29

3. Beschrijving Plan Zonnepark / 3.4 Beschrijving Thema Recreatie/Educatie Burgummermeer, ook is dit het eerste punt waarop de recreant komend vanuit Burgum het zonnepark kan zien. Hier willen we informatie geven over zowel de duurzame energie-opgave met ons antwoord daarop, de biodiversiteitsopgave en onze bijdrage daaraan, maar ook over het historische landschap en de verandering daarvan. Het kan daarmee ook een educatief punt

worden, waar schoolklassen naartoe trekken om over deze thema’s te leren. In een eerste aanzet hebben we hiervoor een schets gemaakt, later uit te werken; Een stoer element dat de bezoeker veel informatie en bv electriciteit biedt, maar ook enig comfort en een schuilmogelijkheid kan bieden. De exacte invulling van dit punt zal nadrukkelijk in samenspraak met de omwonenden worden uitgewerkt.

Vanuit dit punt het nieuwe fietspad en enkele nieuwe wandelpaden. Via de mooie vegetatiezone en het pad parallel aan de Koumarwei, naar de nieuwe doorsteek door het landschap. Hier ontstaat door de houtsingel en de brede watergang een prachtig nieuw profiel. Via een nieuwe brug, bij voorkeur in dezelfde stijl als het info-element, kan de verbinding met het bestaande pad bij Zwartkruis worden gemaakt.

In de onderstaande doorsnede en in meer detail in het volgende hoofdstuk is dit getoond. Het gehele plan levert daarmee in vogelvlucht het nevenstaande totaalbeeld in op. Hoewel dit beeld nauwelijks door iemand zo zal worden ervaren toont het wel de samenhang van alle voorstellen tot een passende integraal waardevolle invulling van het nieuwe energielandschap.

1

2

Doorsnede A

1

2 30

3. Beschrijving Plan Zonnepark / 3.4 Beschrijving Thema Recreatie/Educatie

31

Detaillering Plan Zonnepark In dit hoofdstuk zijn de hiervoor beschreven voorstellen en het totaalplan nader gedetailleerd uitgewerkt. Dit komt vooral tot uiting in concrete dwarsprofielen van alle randen en relevante interne situaties. Deze uitwerking is tevens gebruikt voor de exacte begrenzing van het maximaal bruikbare oppervlak voor zonnepanelen, wat in een nader technisch ontwerp is uitgewerkt.

4 32

Deze technische invulling is niet het uiteindelijke technische plan. Hiervoor verwijzen we naar het technisch ontwerp.

Zonne panelen Centrale ontsluiting (opgehoogd) Transformatoren Hoogspanningsmasten/ lijnen Bos Houtwal Water Riet Natte kwel vegetatie (waterpeil -1.0 NAP) Hekwerken aan de oostkant en langs het water ten zuiden van het bestaande bosje zullen alleen worden geplaatst indien dit verplicht wordt gesteld door de verzekeraar

Hooiland Vochtig hooiland Fietspad Wandelpad Grondwal

33

4. Detaillering Plan Zonnepark / 4.3 Doorsnede A, B en C

C

DOORSNEDE A

B A

DOORSNEDE B

DOORSNEDE C

34

4. Detaillering Plan Zonnepark / 4.3 Doorsnede D, E en F

D

DOORSNEDE D

E F

DOORSNEDE E

DOORSNEDE F Hekwerken aan de oostkant en langs het water ten zuiden van het bestaande bosje zullen alleen worden geplaatst indien dit verplicht wordt gesteld door de verzekeraar

35

4. Detaillering Plan Zonnepark / 4.3 Doorsnede G, H en I DOORSNEDE G

I H

DOORSNEDE H

DOORSNEDE I

36

G

4. Detaillering Plan Zonnepark / 4.3 Doorsnede J, K en L DOORSNEDE J Hekwerken aan de zuid- en oostkant zullen alleen worden geplaatst indien dit verplicht wordt gesteld door de verzekeraar

DOORSNEDE K

K

DOORSNEDE L

37

L

J

4. Detaillering Plan Zonnepark / 4.3 Doorsnede M, N en O DOORSNEDE M

O N

DOORSNEDE N

DOORSNEDE O

38

M

4. Detaillering Plan Zonnepark / 4.3 Doorsnede P, Q en R DOORSNEDE P

Q

R

DOORSNEDE Q

DOORSNEDE R

39

P

4. Detaillering Plan Zonnepark / 4.3 Doorsnede S en T DOORSNEDE S

S

DOORSNEDE T

40

T

4. Detaillering Plan Zonnepark / 4.3 Doorsnede U Doorsnede U

U

Hekwerken aan de zuid- en oostkant zullen alleen worden geplaatst indien dit verplicht wordt gesteld door de verzekeraar

41

Beplantings- en beheerplan

5 42

5. Beplantings- en beheerplan Beplantingsplan Burgum In het in de voorgaande hoofdstukken beschreven plan is veel aandacht gegeven aan de verschillende groene randelementen en aan de ondergroei tussen en onder de zonnepanelen. Onderstaand het beplantingsplan hiervoor. Hierin beschrijven we achtereenvolgens : - Natte kruidenvegetatie (Koumarpolder) - Zaadmengsel - Droge kruidenvegetatie (Meenscharpolder) - Zaadmengsel - Natte hooilandvegetatie (Recreatieve plek) - Zaadmengsel - Heggen en Hagen - Aanplant - Elzensingels en Bosjes - Aanplant

Algemeen

In de verschillende groene elementen passen we landschaps- en streekeigen beplanting toe. Hierbij zetten we qua kruidenvegetaties in op gebiedseigen zaden vanuit gevestigde zaadbedrijven, (bv de zaadmixen van Cruydthoek of vergelijkbaar) aangevuld met lokaal maaisel vanuit bestaande regionaal aanwezige natuurgebieden. Qua struweel en bomen sluiten we aan bij de aanbevelingen van

Landschapsbeheer Friesland, zoals zij dat in hun Veldgids Landschapselementen hebben beschreven. De onderstaande opsomming beschrijft deze zaadkeuze of beplanting concreet per groenelement.

Natte kruidenvegetatie

halfschaduw - Zaadmengsel In de laaggelegen Koumarpolder passen we tussen en onder de panelen brede zomen kruidenvegetaties toe, gebaseerd op een ondergroei die zou voorkomen in de natuurlijke bosrandvegetatie op de betreffende bodem. De bodems zijn hier laaggelegen grondmorene, iets rijkere zandige Beekeerdgronden, waarop een in een ongestoorde situatie een elzenbroekbos zou voorkomen. De half-beschaduwde situatie in deze bossen toont grote gelijkenis met het micro-lichtklimaat onder de panelen op dze natte bodem. Ook de centrale sloot met oevers, waar we een natuurvriendelijker oeverprofiel gaan realiseren, doet mee in dit zeer natte vegetatiebeeld. We passen een zaadmengsel toe (en planten

ook enkele planten uit als start van verdere autonome ontwikkeling) met daarin: - Dotterbloem - Speenkruid - Gele lis - Wateraardbei - Grote wederik - Waterviolier - Holpijp - Slanke Sleutelbloem

Droge kruidenvegetatie

halfschaduw - Zaadmengsel In de iets hoger gelegen Meenscharpolder passen we tussen en onder de panelen, en in de centrale groene zone iets minder natte kruidenvegetaties toe, feitelijk mesofyle vegetaties op basis van het huidige agrarische grasland. De bodems zijn hier iets moeriger (organisch rijkere) zandige podzolbodems, met een gradient naar schrale podzolbodems op de hoogste delen. In deze afwisselend bezonde en halfbeschaduwde situatie zijn soortenrijke hooilandvegetaties mogelijk van het glanshaververbond. Vanuit de

verrijkte ondergrond en daarmee mesofyle start, zal zich in de loop der tijd door verschralend beheer een steeds soortenrijker vegetatie ontwikkelen. De soorten die we hier realiseren zijn: Een basis van - Goudhaver - Klavers - Paardebloem - Scherpe boterbloem en - Gele morgenster Hieraan toegevoegd een aantal soorten van de volgende lijst - Groot streepzaad - Glad walstro - Geel walstro - Wilde peen - Grote bevernel - Pastinaak - Beemdooievaarsbek - Gewone berenklauw - Gewone margriet - Knolboterbloem - Knoopkruid Maar ook echte schaduwsoorten zoals Fluitekruid Bosandoorn Hondsdraf Look-zonder-look

43

44

5. Beplantings- en beheerplan

(LANDSCHAPS)HAGEN / HEGGEN

ELZENSINGELS EN DYKSWALLEN

BOSONDERGROEI (IN SCHADUW)

BOSONDERGROEI (IN SCHADUW)

meidoorn

aan heggen toegevoegd: zwarte els

fluitekruid

fluitekruid

sleedoorn

hondsroos

bosandoorn

bosandoorn

hondsroos

vlier en braam

hondsdraf

hondsdraf

kamperfoelie

incidenteel hulst

look-zonder-look

look-zonder-look

DROOG HOOILAND (IN ZON EN

MESOFYL HOOILAND (IN ZON EN

HELOFYTEN-VEGETATIE (IN ZON EN

VOCHTIG HOOILAND-VEGETATIE (IN

SCHADUW)

SCHADUW)

SCHADUW)

ZON EN SCHADUW)

wilde peen

klavers

riet

echte koekoeksbloem

biggenkruid

paardebloem

lisdodde

grote ratelaar

rode klaver

scherpe boterbloem

gele lis

rietorchis

leeuwentand

morgenster

kattenstaart

grote vossestaart

45

5. Beplantings- en beheerplan Natte hooilandvegetatie zon - Zaadmengsel In de meest hooggelegen zuidwesthoek graven we een deel af en realiseren een bijzondere kwelvegetatie, feitelijk een koekoeksbloem- of een ratelaarhooiland. Hierin onder andere de soorten: Echte koekoeksbloem Grote ratelaar Rietorchis Spaanse ruiter Grote vossestaart

Aangevuld met andere karakteristieke hooilandsoorten vanuit hooiland maaisel van elders.

Landschaps- of struweelhagen / Heggen Vooral in de noordelijke randzone passen we hagen of heggen toe. De bodems zijn iets moeriger (organisch rijkere) zandige podzolbodems, op basis waarvan vitale soortenrijke gemengde hagen

Soortentabel Dykswallen en Elzensingels Veldgids Landschapselementen Noardlike Fryske Walden, Landschapsbeheer Friesland (Jan J. de Boer, 2014).

mogelijk zijn. Gestreefd wordt naar bloem en vruchtdragende soorten met grote bijdrage aan fauna. Struweelhagen zijn bijzonder gevarieerde hagen met een

groot aantal soorten die allen op verschillende momenten bloeien, in verschillende kleuren, en in voorjaar en zomer verschillende insecten van voedsel voorzien. In nazomer

46

5. Beplantings- en beheerplan struiken. Het bestaat uit de soorten: meidoorn, sleedoorn, kardinaalsmuts, Gelderse roos, hondsroos, vlier en lijsterbes.

Elzensingels en Dykswallen Naast hagen en heggen realiseren we ook elzensingels en dykswallen, als zeer karakteristieke landschapselementen van de Noordelijke Friesche Wouden. Voor zowel de hagen, heggen, elzensingels en dykswallen sluiten we wat betreft aanleg en wat betreft beheer aan op de zeer uitgebreide beschrijving in de Veldgids Landschapselementen Noardlike Fryske Walden, Landschapsbeheer Friesland (Jan J. de Boer, 2014).

Aanleg Dykswallen en Landschapshagen

Soortentabel Dykswallen en Elzensingels Veldgids Landschapselementen Noardlike Fryske Walden, Landschapsbeheer Friesland (Jan J. de Boer, 2014).

en najaar vormen deze soorten bovendien weer een grote variatie aan bestypen en -kleuren, die in deze periode vooral veel verschillende soorten (zang)vogels van voedsel

voorzien. Een struweelhaag is een lijnvormig landschapselement met een aaneengesloten opgaande begroeiing van inheemse, overwegend doornachtige,

De bovenstaande soorten worden aangeplant in de juiste periode, met het juiste formaat, om binnen enkele jaren een goed afschermende haag of singel te ontwikkelen.

Richtlijnen bij het planten Plant bij voorkeur zo vroeg mogelijk: een boom of struik die in de herfst is geplant, maakt meestal nog voor de winter nieuwe kiemwortels. Hierdoor heeft hij in het voorjaar een flinke voorsprong op de exemplaren die dán nog moeten worden geplant. Omdat het planten vaak gebeurt na het afzetten van een dykswâl, zal dit meestal toch in het voorjaar gebeuren. Ook dan geldt: hoe vroeger hoe beter, maar uiteraard in vorstvrije grond. De bomen en struiken worden geplant op een onderlinge afstand van een meter. Als er in een graszode moet worden geplant, is het het beste om de zode boven het te maken plantgat eerst af te plaggen. Maak een ruim plantgat, waarin de wortels ruimte hebben. Bij het planten wordt de boom of struik op dezelfde diepte geplant waarop hij op de kwekerij heeft gestaan. Werk na het uitgraven van het plantgat de (soms te vaste) grond goed los voordat de te planten boom hiermee wordt aangeaard. Door de boom licht op en neer te schudden voegt de losse grond zich tussen de wortels. De grond rond de

47

5. Beplantings- en beheerplan plant wordt daarna met de voet licht aangedrukt. Behandeling van plantmateriaal Planten worden meestal geleverd met kale wortels, zonder kluit of pot. Ze zijn dan vooral met schraal, zonnig en winderig weer bijzonder gevoelig voor uitdroging. Zorg er voor dat de wortels, wanneer bomen en struiken niet direct kunnen worden geplant, met vochtige aarde of vochtig zand zijn bedekt. Vorst op de blote wortels is meestal dodelijk voor de plant. De planten mogen beslist niet onder water, of met de wortels onder water worden opgeslagen. Ze hebben dan grote kans op zuurstof- gebrek waardoor ze dood kunnen gaan. De wortels worden hooguit even nat gemaakt voordat de bomen of struiken worden geplant. Ook tijdens de plantwerkzaamheden kunnen de planten gemakkelijk uitdrogen. Het beste kan het plantgoed als een bos worden meegenomen in een witte ondoorzichtige plastic zak. In deze zak zijn ze gemakkelijk mee te nemen. De plant wordt pas te voorschijn gehaald als het plantgat

klaar is. Gebruik geen doorzichtige zak, want die gaat in de zon als een broeikas werken, waardoor de planten alsnog kapot kunnen gaan. Bevochtig de wortels licht voor ze in de zak worden gedaan. Als een tweede zak wordt meegenomen voor de bijzondere bomen en voor de struiken, kan men ook hieruit nu en dan materiaal tussen- planten. De kwaliteit van het plantmateriaal is heel belangrijk voor een goed resultaat. Ook de herkomst speelt hierbij een belangrijke rol. Elzensingels Aanplanten en aanvullende beplanting Bij het aanpakken van open en soortenarme elzensingels kan op grote, open stukken in de singel een sortiment van elzen en andere bomen en struiken worden geplant. Hierbij worden tenminste 10% andere soorten dan Zwarte els geplant. Beter is het om een groter percentage van de andere soorten te planten, bijvoorbeeld 20 tot 50%. Zo ontstaat op den duur weer het beeld van de gesloten elzensingel. In een elzensingel met weinig soorten kan worden volstaan met het inplanten van een sortiment

bomen en struiken, zonder nieuwe elzen in te planten. Men kan dan bij een overigens gesloten singel 25 planten per honderd meter singel tussenplaatsen. Bij de soortenkeuze is de lokale soortensamenstelling in de elzensingels van belang. Zo vindt men de Europese vogelkers vooral in noordoostelijk Kollumerland en de Gelderse roos in de buurt van de Surhuizumer Mieden. De Zoete

kers wordt vooral aangetroffen bij Boelenslaan, Surhuisterveen en Opende.

48

5. Beplantings- en beheerplan Beheerplan Zonnepark Stoppelsoal Burgum Beheer ondervegetaties Het beheer van de bloem- en kruidenvegetaties tussen en onder de panelen is gericht op geleidelijke toename van biodiversiteit, via het bevorderen van gevarieerde bloemrijke vegetaties het stimuleren van de insectenfauna. Bij aanleg wordt deze bodem zeer kort gemaaid, licht gescheurd en ingezaaid met de beschreven mengsels, en/of bestrooid met zaadrijk maaisel uit vergelijkbare doelvegetaties. Deze bloemrijke vegetaties worden in de eerste 3 jaar vrij intensief gemaaid, namelijk 2 - 4x / jaar met zo veel mogelijk afvoer van maaisel. Hiermee wordt beoogd de bodem te verschralen waardoor de aanvankelijk dominante grassen meer ruimte laten voor bloemrijke kruiden. Na 3 jaar wordt geëvalueerd hoe de vegetatie zich ontwikkelt, of het beheer leidt tot hogere

soortenrijkdom of juist tot verschraling. Op basis hiervan wordt bepaald of het beheer moet worden aangepast.

deze gaan domineren en mogelijk naar de omgeving toe uitzaaien, dan zal beheer gericht worden op bestrijding van deze soorten.

Vervolgens wordt vanaf het 3e jaar in principe extensief gemaaid, namelijk 1 - 2x / jaar, met zo veel mogelijk afvoer van maaisel. Hiermee wordt gestreefd naar volledige bloei en uitgroei van de plantensoorten, om de insectenfauna de kans te geven hun volledige cyclus, van ei-legging, rups, pop, tot volwassen imago, de kans te geven hier plaats te vinden.

Materieel

Voor het beheer van zonneparken is een assortiment aan maai en opruim-materieel beschikbaar. Deze zal worden gekozen anfhankelijk van de uiteindelijk gekozen constructie van het zonnepark. In de beelden op de volgende pagina zijn verschillende maaiers weergegeven, alsmede een beeld van het resultaat van maaien op 10 cm hoogte.

Note: Daarbij is belangrijk de

maaibalk op circa 10 cm boven maaiveld of te stellen. Tevens is belangrijk het maaisel 2 weken te laten liggen alvorens af te voeren. Ook na 10 en 20 jaar zal eventueel een nadere bijstelling van het beheer plaatsvinden.

Note: in de jaarlijkse monitoring wordt specifiek gelet op eventuele plaagsoorten zoals zuring, akkerdistel, brandnetel, jacobskruiskruid. In het geval

Beheer heggen, hagen, dykswallen en elzensingels Ook dit deel van het beheerplan is vooral een samenvatting van het beheer zoals beschreven in het Beheerplan Dykswallen, Veldhagen en Elzensingels, overgenomen uit Veldgids Landschapselementen Noardlike Fryske Walden, Landschapsbeheer Friesland (Jan J. de Boer, 2014)

Goed beheer

Een goed ontwikkelde elzensingel wordt ook goed beheerd. In het geval van beweiding met vee is er altijd een deugdelijke afrastering aanwezig, die op voldoende afstand van de singel is geplaatst. Bovendien is de afrastering aangepast aan het soort vee dat naast de elzensingel wordt geweid. Er wordt voor gezorgd dat er in de singel geen meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast of via drift terechtkomen. Ook andere, niet in de singel thuishorende materialen, (afval)stoffen en bagger of organische materialen worden uit de elzensingel geweerd. Een elzensingel bestaat vanouds uit een tweetal rijen bomen en struiken, die worden gescheiden door een sloot, een greppel of een wijk. Dit is de cultuurhistorisch gezien meest oorspronkelijke situatie. Deze dubbele rij bomen en struiken heeft ten opzichte van éénzijdige elzensingels aanzienlijke voordelen voor het landschapsbeeld, de natuurwaarden en het waterbeheer. Een tweezijdige elzensingel bestaat uit

49

een sloot, wijk of een greppel die aan twee zijden wordt begrensd door een lijnvormige beplanting. Deze elzensingel vormt in alle gevallen tevens de perceelsgrens en soms de grens van percelen van verschillende eigenaars. De betreffende eigendoms- en perceelsgrens ligt doorgaans in het midden van de door de elzensingel ingesloten sloot.

Activiteiten binnen de beheercyclus

Dykswâlen en elzensingels kennen vanouds een cyclische beheervorm. Het begin van de cyclus leidt via een aantal tussentijdse beheeractiviteiten tot het afzetten van de dykswâl of singel. Het einde van de cyclus na ongeveer 25 jaar is tevens het begin van een nieuwe cyclus.

Grootste maaier: beheer- en tussenpaden

Afstandbestuurde maaier: onder hoge helft panelen

Bosmaaier: laagste deel panelen en bij constructie

Afstelling maaihoogte op 10 cm, ter behoud van rosetten

Cyclisch beheer

Het startpunt van de beheercyclus van de dykswâl is het moment waarop de wâl is afgezet, de greppels een goede staat van onderhoud heb- ben, het wallichaam waar nodig is hersteld, de beplanting compleet is, en de dykswâl goed is afgerasterd. Het startpunt van de beheercyclus van de elzensingel is

50

het moment waarop de singel is afgezet, de sloot onderhouden, de beplanting aangevuld en de singel goed afgerasterd.

Jaarlijks onderhoud van de afrastering

Het onderhoud aan de afrastering kan het beste in de winter worden uitgevoerd. Het is het gemakkelijkst als de bramen en dergelijke hun jaarlijkse beurt dan al hebben gehad. Overigens is het goed om de afrastering ook tussentijds in het beweidingseizoen enkele keren te inspecteren. Het onderhoud bestaat uit het vervangen van gebroken palen en waar nodig opnieuw schoren, of vervangen van hoekpalen. De draden kunnen daarna opnieuw worden gespannen door het aan- draaien van de draadspanners. Jaarlijks beheer van bramen en ander gewas bij de afrastering Bramen en soms ook andere gewassen kunnen zich in een pas afgezet en opnieuw afgerasterd landschapselement behoorlijk opdringerig gedragen. Om te voorkomen dat de afrastering onder het gewicht van de plantenmassa bezwijkt en om hinder op het

naastgelegen agrarisch cultuurland te voorkomen, moeten vooral bramen jaarlijks worden beheerd. De jonge, kruidachtige en sterk gestekelde scheuten komen altijd vanuit de basis van de plant tevoorschijn, uit knoppen die net onder het aardoppervlak overwinteren. Afhankelijk van de soort Braam gaan deze scheuten al snel over tot een kruipende groeiwijze, of groeien ze juist een flink eind recht of schuin omhoog, om daarna weer in een boog naar de aarde toe te groeien. In onze dykswâlen en elzensingels komen vooral bramen van het laatste type voor. Naarmate de jonge scheuten meer worden ondersteund door bomen, struiken en oude afgestorven bloemstengels die de Braam in voorgaande jaren heeft geproduceerd, vertoont hij een duidelijker opgaande groeiwijze in het onderste deel van de plant. Van deze eigenschap kunnen we handig gebruik maken.

bloemstengels te sparen, wordt de jonge scheut gestimuleerd om eerst zo recht mogelijk omhoog te groeien. Hierdoor buigt de jonge scheut pas boven de afrastering om en zal deze daarom niet met zijn gewicht belasten. Door in de winter deze nieuwe scheut – net achter, en op de hoogte van de afrastering – af te knippen, is het werk met de bramen al klaar. De afgeknipte scheut krijgt in het volgende jaar alleen zijtakjes, waarop de bloemen en vruchten gevormd worden. Nieuwe scheuten vinden weer steun aan en tussen deze oude ingekorte scheuten. Door zo te werken, wordt met weinig inspanning bereikt dat er geen hinder van de bramengroei wordt ondervonden. Een aantal grote voordelen van bramen blijft echter bestaan. Op plaatsen waar een weelderige bramenvegetatie groeit, krijgen ruigtekruiden als Grote brandnetel en Akkerdistel weinig kans om zich tot vitale populaties te ontwikkelen.

De oude afgestorven stengels helpen ons om de minste overlast te ondervinden – en het minste werk te hebben van het beheer van de bramen. Door de oude verhoute

Veel dieren vinden in de bramen nestel- en schuilgelegenheid, en zowel bloemen als vruchten vormen een belangrijke voedselbron. De oude afgestorven stengels van

de Braam bieden onder meer nestgelegenheid aan solitaire bijensoorten en zijn daarom van groot ecologisch belang. Beheer van ruigtekruiden Een aantal kruidachtige planten kan in de eerste jaren na het afzetten erg hoog worden en in de herfst – na het bovengronds afsterven – over de afrastering gaan hangen. Deze planten kan men in herfst of winter het best gewoon terugduwen tot achter de afrastering. Hoe terughoudender hierin wordt ingegrepen, des te eerder zal de groei rustig verlopen. De oude stengels verlenen in het volgende jaar steun aan de nieuwe. Door deze simpele ingreep blijft ook de ecologische waarde van de kruidenzoom intact, bijvoorbeeld doordat overwinterende poppen van vlinders worden gespaard. Distels en brandnetels kunnen in een pas afgezet landschapselement massaal tot ontwikkeling komen. Meestal is er dan voedselrijk organisch materiaal op de wâl of bij de singel terechtgekomen, of is het herstel van het wallichaam uitgevoerd met voedselrijke grond. Ook bij aanleg van nieuwe dykswâlen

51

willen ruigtekruiden in de eerste jaren nog wel eens op de voorgrond treden. Bij een normaal agrarisch beheer zal de Grote brandnetel zich niet in het naastgelegen cultuurland kunnen vestigen. Op de dykswâl zelf zal hij bij een voorspoedige ontwikkeling en een juist beheer al snel door bomen en struiken onderdrukt worden. De Akkerdistel kan zich bij bepaalde vormen van beheer wel in grasland vestigen en krijgt vooral kansen als de naastgelegen grond wordt gebruikt voor de akkerbouw. Door net voor de bloeitijd de koppen te maaien uit de in de elzensingel aanwezige akkerdistels, wordt verspreiding door zaden voorkomen. Voorkómen van de aanwezigheid van akkerdistels is uiteraard nog beter. Dat kan door te zorgen dat de bodem in de singel niet wordt verstoord. Even belangrijk is te voorkomen dat slootbagger, mest, kunstmest of andere voedselrijke stoffen van elders in het landschapselement terechtkomen.

uitgegroeid tot flinke staken. Een deel van de scheuten is inmiddels door onderlinge concurrentie om licht al afgestorven. Van de overblijvende staken zoekt een deel het licht door in de richting van het perceel over te gaan hangen. Enkele kunnen zelfs op den duur op de afrastering gaan hangen.

jonge stammen opnieuw zijn gaan overhangen. Bovendien zijn zijtakken uitgegroeid die over het perceel hangen en de machinale bewerkbaarheid ervan belemmeren. Ook loopt de afrastering gevaar door ver doorbuigende takken, zeker bij een eventuele ijzel- of sneeuwlast in de winter.

De overhangende loten worden bij de eerste grotere ingreep aan de basis van de stobben verwijderd. Als men voorzichtig werkt, kan dit zonder eerst de afrastering los te maken. Alleen de loten of staken worden verwijderd, die duidelijk over het raster hangen. Dat gebeurt door ze aan de basis af te zagen, of eventueel ter hoogte van de afrastering.

De werkzaamheden zijn in principe dezelfde als bij de eerste ingreep van zeven jaar geleden. In dit geval kan – om beschadiging te voorkomen – de afrastering worden losgemaakt. Ook bij deze tweede ingreep geldt: over het raster hangende stammen aan de basis afzagen. Opsnoeien van de overstekende zijtakken alleen aan de perceelzijde en tot maximaal een derde van de hoogte van de bomen.

Eerste grotere ingreep na 7 jaar

Tweede grote ingreep na 14 jaar

De uitgelopen loten uit de afgezette stobben zijn na ongeveer zeven jaar

Na het zagen van de overhangende staken worden de aan de perceelszijde overstekende onderste zijtakken opgesnoeid tot maximaal een derde van de totale hoogte.

Na ongeveer veertien jaar zal een deel van de uitgegroeide

uitgevoerd voor het afzetten, het onder- houd van de greppels of de sloot, het eventueel tussenplanten van nieuwe bomen en struiken, het sparen van de solitairen en het opnieuw afrasteren, kan de nieuwe cyclus weer beginnen.

Eindkap na 25 jaar

Na ongeveer 25 jaar kan een dykswâl of elzensingel opnieuw worden afgezet. Hoe hierbij te werk wordt gegaan is beschreven in AB–3: Afzetten als onderdeel van beheercyclus. Bestaande solitairen worden uiteraard opnieuw gespaard. Start nieuwe cyclus Als alle werkzaamheden zijn

52

landscape architecture

53

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Tytsjerksteradiel&id=d604169a-3439-4c7f-b6ad-0796e5f0bbc5