CConstaterende datTytsjerksteradiel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Bijlagen bij concept FPLG 9 mei 2023

RAAD IEPEN POADIUM (RAADZAAL) 15 juni 2023, gemeente TytsjerksteradielBij agendapunt: Concept Frysk Programma Landelijk Gebied (FPLG) (procedureel)38.573 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

Als elders met een lagere milieuefficiëntie (emissie per eenheid product) wordt geproduceerd [dan in Nederland of Fryslân], kan dit per saldo juist leiden tot hogere emissies (PBL, 2021) – een mogelijk onwelkom gevolg van het FPLG/NPLG. In relatie tot extensivering als manier om broeikasgasemissies te reduceren, is het verder relevant dat uit onderzoek van Kringloopwijzer-gegevens is gebleken dat de 10% bedrijven met de laagste broeikasgasemissie per kilogram meetmelk gemiddeld een hogere melkproductie per koe had, en een hogere intensiteit per hectare. Grote zuivelverwerkers en certificatieschema On the Way to Planet Proof sturen, net als de Kringloopwijzer, op emissies per kg melk. In de onderliggende rekenmethodiek veroorzaakt gebruik van meer land (per kg melk, equivalent met extensivering) over het algemeen meer broeikasgasemissies. Daardoor gaat vanuit dergelijke KPI’s feitelijk een sturing uit in de richting van intensivering. Beleidsstukken van de landelijke overheid in het kader van het NPLG gaan uit van emissies per hectare. Om doelsturing in dit kader effectief te laten zijn lijkt derhalve eerst een harmonisatiestap vereist. Dit is een belangrijk punt voor de kennis- en innovatie agenda die in dit FPLG wordt opgesteld, maar ook voor landelijke discussie en onderzoek.

3

Tiktak, A., Boezeman, D., Van den Born, G.J. en Van Hinsberg, A. Quickscan van twee Beleidspakketten voor het vervolg van de Structurele Aanpak Stikstof. PBL Planbureau voor de Leefomgeving Den Haag, 2021 PBL-publicatienummer: 4694

1

Monomestvergisting. Groen gas is een belangrijke bouwsteen in een duurzaam en robuust energie, grondstoffen en landbouwsysteem. De productie en inzet van groen gas helpt in het bereiken van de klimaatdoelen op het gebied van CO2-, methaan- en stikstofreductie en helpt ons om onafhankelijk te worden van aardgasimport. Het kabinet benadrukt de reductie van methaan en stikstof die middels groen gas gerealiseerd kunnen worden in de landbouw, in de brief van minister Jetten van 4 juli '22, over de bijmengverplichting groen gas. Deze bijmengverplichting houdt een ambitie in om per 2030 jaarlijks minstens twee miljard kubieke meter groen gas te produceren in Nederland; dit is bijna een vertienvoudiging van het huidige productievolume. Door vraag- en aanboddynamiek zal een prijs voor groen gas ontstaan die voldoende hoog is om in meer gevallen een sluitend en interessant verdienmodel te krijgen (brief bijmengverplichting d.d. 4 juli). Wanneer uitsluitend gebruik gemaakt wordt van de op dit moment in Fryslân beschikbare mest kan daar maximaal 122 MNm³ groen gas uit gewonnen worden; voldoende om aan 26% van de warmtevraag van de gebouwde omgeving in 2030 te voldoen4. Indien huishoudens in 2030 gebruik maken van hybride warmtepompen halveert het gasverbruik en kan dit percentage nog verdubbelen.

Dit is met name van belang voor oudere woningen en sociale woningbouw niet gemakkelijk of alleen tegen zeer hoge kosten aardgasvrij is te maken. De Nationale Methaanstrategie meldt verder dat de productie van groen gas het meest duidelijke voorbeeld is van sector-overstijgende synergie tussen reductie van methaan en die van andere broeikasgassen. De winning van groen gas uit mestvergisting zorgt namelijk voor een reductie van methaanuitstoot in de landbouw en voor een reductie van CO2 uitstoot in de andere sectoren doordat het fossiel gas vervangt als brandstof. Deze synergie wordt versterkt als groen gasproductie wordt gecombineerd met stalinnovaties en CO2 opslag (CCS). Bij monomestvergisting is het, voor het rendement van de installatie, zaak om de mest zo snel mogelijk van de vloer in de vergister te krijgen ("uurverse mest"), dit is een extra drijfveer om de vloer goed schoon te houden en draagt daarnaast bij aan het verminderen van de ammoniakemissies. De productie van groen gas is één van de weinige emissie-reducerende maatregelen die direct bijdraagt aan het verdienmodel van de boer en daarmee helpt om nieuw perspectief te creëren. Er is dan ook een sterk toenemende interesse vanuit de landbouwsector in deze techniek. Het ligt voor de hand liggen om met het FPLG aan te sluiten bij deze energie van onderop, ook vanuit duurzaamheidsperspectief. E.e.a.

wordt nader toegelicht in een (nog te schrijven) bijlage. Bedrijfsvoering. Het rantsoen dat een dier krijgt, beïnvloedt de emissies van het dier. Het stikstofbeleid stuurt vooral op minder eiwit in het rantsoen om zo stikstofexcretie, ammoniakemissie en nitraatuitspoeling te verminderen. Aangezien sturen op minder stikstofemissie via het rantsoen juist kan leiden tot meer methaanemissie is de uitdaging om deze twee doelen zoveel mogelijk tegelijk te realiseren. Uiteraard dienen hierbij dierwelzijn en –gezondheid in acht te worden genomen. Verder kunnen rassenkeuze en fokkerij bijdragen aan het verlagen van de methaanemissies. Zo wordt van bijvoorbeeld Jersey-koeien vaak gezegd dat ze een lagere methaan- en stikstofemissie hebben per kg melk. In het WUR-onderzoeksprogramma "Fokken tegen methaan" wordt gekeken of het mogelijk is om door een gericht fokprogramma de methaanuitstoot per koe te reduceren. Resultaten geven aan dat een reductie van de methaanemissies per kg melk van circa 1% per jaar te realiseren is, oplopend tot een 29% lagere methaanemissie in 2050. Emissiebeperking in de mestopslag en vervolgens bij mestaanwending staat aan het einde van een integrale aanpak op boerderijniveau. Een van de beste manieren om emissies uit de mestopslag te reduceren is het vergisten van de mest in een monomestvergister.

Methaan wordt dan niet alleen afgevangen, maar ook nog eens gebruikt ter vervanging van fossiele energie, en reduceert zo op twee manieren de emissie van broeigasgasemissies.

4

Ruud Paap & Dirk Kuiken | Groene moleculen | Groen Gas en haar bijdrage aan de Friese Energietransitie. New Energy Coalition, 25.03.2021

2

Bijlage 11: Uitwerking per deelgebied (Veen, Zand, Klei, Wadden) In de volgende bijlagen is een uitwerking per deelgebied gemaakt. Van elk deelgebied is een korte schets gegeven en vervolgens een kort overzicht van de opgaven per deelgebied. De eerste bijlage schetst kort de gebiedsoverstijgende samenhang.

Bijlage 11a: Gebieds-overstijgende samenhang Watersysteem De bodemdaling in het veenweidegebied heeft consequenties op systeemniveau voor heel Fryslân. Het lage veengebied ligt tussen de hogere zandgronden in het (zuid)oosten van onze provincie en de hoger liggende kleigronden in het westen en het noorden. Dit lage midden van Fryslân wordt steeds lager door de bodemdaling en dit heeft gevolgen voor het regionale grondwatersysteem. Door deze lagere ligging zal de grondwaterstroming vanuit het zandgebied en het kleigebied naar het lage midden toenemen. Dit heeft een verdrogend effect op het zandgebied en op langere termijn zal het diepere zoute grondwater uit het noorden steeds meer landinwaarts trekken. VHR en natuurdoelen Voor de natuurdoelen heeft de opgave om de stikstofdepositie te verminderen een gebiedsoverstijgend karakter. Hoe meer de stokstofuitstoot generiek, dus in de hele provincie, kan worden verminderd, hoe minder er gebiedsspecifiek hoeft te gebeuren. Landschap Elk (deel)gebied heeft zijn eigen landschappelijke kwaliteiten. Deze zorgen voor verscheidenheid en aantrekkingskracht voor mensen om in Fryslân te wonen, werken en recreëren. Landschappelijke kwaliteit zien we als een kernwaarde om te koesteren. ‘Grutsk op’ e Romte’, de provinciale visie op landschap en cultuurhistorie, biedt kaders om hier in de gebiedsprocessen op een zorgvuldige wijze mee om te gaan.

Ontwerpend onderzoek kan in de gebiedsgerichte aanpak een belangrijk hulpmiddel vormen om de landschappelijke kwaliteit te bogen. Ontwerpend onderzoek is gericht op het vinden van oplossingen voor zowel stedelijk als landelijk gebied. De onderzoeksvragen richten zich op hoe het stedelijke of het landelijk gebied (het landschap) eruitziet, op welke manier je veranderingen in het landschap kunt vormgeven, hoe landschappelijke processen kunnen verlopen. Het maakt toekomsten voorstelbaar. Het kan vanuit de praktijk laten zien wat er nodig is om opgaven in samenhang te realiseren.

1

Bijlage 11b: Veengebied Het veenweidelandschap van onze provincie heeft een lange geschiedenis van veenafgravingen en inpoldering. Het gebied werd in cultuur gebracht en is nu een gevarieerd landschap van weilanden, meren, sloten en vaarten. Typerend voor het veengebied is veenoxidatie en inklinking, met CO2 uitstoot en bodemdaling als gevolg. Een deel van het gebied is uitgeveend en heeft nu een zandbodem met een moerige bovenlaag. In de hoogtekaart zijn deze uitgeveende veenpolders duidelijk herkenbaar als laaggelegen gebieden. Het grondgebruik in het veengebied is voor 63% agrarisch. Daarna volgt water met 17% en bebouwd gebied met 10%. Bos en natuur beslaan eveneens 10% van het veengebied. Van het agrarisch gebied is 99% in gebruik als grasland en slechts 1% als akkerbouw. Vanuit economische vitaliteit wordt verondersteld dat een gebied ‘vitaler’ is naarmate er meer bedrijven zijn met een zogenaamde standaard verdiencapaciteit (SVC) die groter is dan € 100.000. Het veengebied heeft scoort gelijk als het Friese gemiddelde maar heeft een hoger aandeel (7% meer) grootschalige bedrijven dan Nederland (bron Landbouwanalyse Fryslân 2023).

1

Broeikasgasuitstoot uit veenbodems en bodemdaling Door de ontwatering oxideert het veen en daalt de bodem. Hierbij komt CO2 vrij en dat draagt bij aan de klimaatverandering. Door de veenoxidatie komt landelijk jaarlijks 1,8 Megaton aan CO2 vrij. In het Klimaatakkoord van Parijs zijn afspraken gemaakt om de opwarming van de aarde te beperken tot minder dan twee graden Celsius. Nederland heeft deze afspraken uitgewerkt in het nationale Klimaatakkoord. Hierin zitten ook maatregelen om de CO2-uitstoot van veenweidegebieden te beperken. Ongeveer 3-4 % van de totale CO2 uitstoot komt uit de veenweidegebieden. Veenoxidatie vindt plaats boven de grondwaterstand, waar zuurstof in de bodem komt. Veenoxidatie is een complex proces waarin veel factoren een rol spelen. De mate van veenoxidatie is vooral afhankelijk van de diepte van de grondwaterstand, de dikte van het kleidek en het type veen. Bij droogte (drooglegging voor de landbouw en droge zomers) en hogere temperatuur is er sprake van meer veenoxidatie, en daardoor meer CO2 uitstoot en meer bodemdaling. Door het oxideren van het veen treedt ook bodemdaling op. De Nederlandse veenweidegebieden dalen volgens Van den Akker et al. (2008) 8 tot 10 millimeter per jaar. De ruimtelijke variatie is echter groot: de bodemdaling varieert lokaal van enkele millimeters per jaar tot meer dan 2 centimeter.

Het dalen van de bodem heeft verschillende consequenties. Door de steeds lagere grondwaterpeilen ontstaat schade aan houten paalfunderingen en aan infrastructuur. Doordat de natte natuurgebieden minder zakken komen deze steeds hoger te liggen ten opzichte van het omliggende landschap waardoor de verdroging van deze gebieden toeneemt. Ook de kosten van het waterbeheer nemen steeds meer toe doordat bijvoorbeeld kades langs de Friese boezem relatief hoger en steviger moeten worden om het peilverschil tussen boezem en polderpeil te kunnen keren.

2

Het huidige veenweideprogramma Integrale gebiedsaanpak De kennis van de gebieden zit in de gebieden zelf, net als ideeën over kansen en oplossingen. De aanpak van het veenweideprogramma is daarom van onderop, met organisaties en partijen uit het gebied. Stap voor stap willen we samen toewerken naar een duurzaam perspectief voor het hele veenweidegebied. In zes gebieden is gestart met gebiedsprocessen waarin wordt toegewerkt naar een integraal gebiedsplan dat als basis dient voor de transitie naar een duurzaam gebiedsperspectief. De aanpak in het veenweidegebied heeft integraliteit als uitgangspunt. De gebiedsprocessen richten zich niet alleen op beperken van veenoxidatie maar op alle thema’s van het FPLG. Samen met de partners in de gebieden willen we zoeken naar oplossingen om de diverse doelen op het gebied van klimaat, natuur, water en sociaaleconomische structuur, te realiseren.

Via maatwerk naar hogere grondwaterstanden De meest effectieve ingreep om oxidatie van het veen te beperken is het natter houden van het veen. In de afgelopen decennia is, binnen de toen geldende maatschappelijke context, het waterpeil in de veengebieden in het kader van diverse ruilverkavelingen sterk verlaagd. Door deze sterke ontwatering van het veen is het proces van veenoxidatie versterkt. Het huidige veenweideprogramma 2021-2030, dat in 2021 is vastgesteld, richt zich op het verhogen van de waterpeilen in gebieden met veenpakket dikker dan 80 cm, waarbij gestreefd wordt naar een gemiddelde grondwaterstand van 40 cm beneden maaiveld. We hanteren daarbij het principe van HAKLAM (hoger als het kan, lager als het moet). Door deze ingreep wordt volgens de nu geldende inzichten een vermindering van de CO2 uitstoot van 0,25 Megaton in 2030 gerealiseerd. De nieuwe waterpeilen worden vastgelegd in een peilbesluit. Dit peilbesluit is het sluitstuk van een gebiedsproces. Het verhogen van de waterpeilen in het gebied heeft als gevolg dat de capaciteit voor waterberging kleiner wordt. Dit vergroot de kans op wateroverlast bij extreme neerslag. In de gebiedsplannen worden daarom maatregelen voorgesteld om de capaciteit voor waterberging op orde te houden. Daarbij wordt rekening gehouden met toekomstige klimaatontwikkelingen (meer weersextremen).

3

Perspectief Het verhogen van het waterpeil in de veenweidegebieden is een ingrijpende maatregel die veel impact heeft op de bedrijfsvoering van de agrarische bedrijven in het veenweidegebied. Om levensvatbaar te blijven zal de landbouw in staat moeten worden gesteld zich aan te passen aan de veranderende omstandigheden. Dit vraagt om goed flankerend beleid om dit mogelijk te maken. Afgelopen jaren is daarvoor gewerkt aan een compensatiemodel om de vermogens- en inkomensderving te compenseren. Ook zetten we actief grondbeleid in om de gebiedsprocessen daarmee goed te ondersteunen. Daarnaast wordt samen met belanghebbenden in gebiedsprocessen gezocht naar nieuwe perspectieven voor de landbouw, maar ook naar andere ontwikkelingen die de vitaliteit van de gebieden kunnen behouden of versterken. Om veenoxidatie meer te remmen zijn in de verdere toekomst verdergaande maatregelen nodig. Dit vraagt eerst nog om nader onderzoek en nadere uitwerking wat de mogelijkheden en consequenties hier van zijn.

Onderzoek en innovatie Naast het verhogen van de grondwaterstanden onderzoeken we welke andere maatregelen effectief kunnen worden ingezet om de veenoxidatie te beperken. Een voorbeeld hiervan is ‘Klei in veen’. Door het opbrengen van een laagje klei op het veen vormt zich een kleihumus complex dat zorgt voor minder oxidatie van het veen. Onderzocht wordt hoe en waar dit kan worden toegepast en hoeveel vermindering van CO2 uitstoot dit oplevert. Naast maatregelen om veenoxidatie te verminderen wordt, samen met boeren, onderzocht welke aanvullende verdienmodellen kansrijk zijn om toe te passen. Onderdeel daarvan vormt de proefboerderij in oprichting in het gebied Hegewarren. Deze boerderij moet een proeftuin vormen voor innovaties in de landbouw in veengebieden.

Kennisbasis veenoxidatie, bodemdaling en uitstoot broeikasgassen Ontwatering van veen leidt tot veenoxidatie waarbij CO2 vrijkomt en waardoor de bodem daalt. Door het Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweiden (NOBV) wordt sinds 2019 onderzoek gedaan naar de effecten van verschillende maatregelen om uitstoot van broeikasgassen te voorkomen en naar de bodemprocessen die een rol spelen bij de oxidatie van veen. Duidelijk is dat vernatting van veen leidt tot minder uitstoot van broeikasgassen. Maar om goed antwoord te kunnen geven op de vraag wat dit onder welke omstandigheden precies oplevert vraagt nog om langjariger onderzoek. Op dit moment zijn alleen resultaten beschikbaar over de meetjaren 2019-2020 en 2020-2021

4

Landschappelijke kwaliteit Voor een belangrijk deel het veengebied van Fryslân geldt dat na jarenlang diepe ontwatering het veen geoxideerd is en er zo langzamerhand een ander landschap ontstaat. Dit deel van het veenlandschap verandert naar een zandlandschap. Bovendien een erg laaggelegen landschap waar in de toekomst wellicht ruimte gezocht moet worden voor waterberging. Anders dan de klei- en zandlandschappen zijn de veenlandschappen meer onderhevig geweest aan verandering de laatste eeuwen. Klimaatveranderingen en de sleutelrol die het veenweidegebied heeft in het samenhangende watersysteem van Fryslân zullen de komende decennia ook weer om veranderingen vragen. Ondanks deze toekomstige veranderingen zijn er kenmerken die belangrijk zijn in de herkenbaarheid en leesbaarheid van het gebied. Belangrijke kenmerken die in een ontwerpende benadering benut zouden kunnen worden: 1. Het veenweidegebied met zijn opstrekkende verkaveling, greppelpatronen, lineaire nederzettingen en de openheid, ook deels met de omvangrijke, open watervlaktes in het het merengebied. 2. De veenpolders, met hun samenhang van ontginning, ontwatering, verkaveling, veenderijen, polderdijken, vaarten en bebouwingspatroon. 3. Het watersysteem bepaald door meren en een intensief patroon van binnen- en boezemwateren zoals veenrivieren, (veen)vaarten, dorpsvaarten, opvaarten, ringvaarten en latere kanalen . 4.

Het systeem en patroon van (voormalige) zee-, hem-, ring-, polder- en rivierdijken. 5. De variatie in verschijningsvorm van de benedenlopen in de beekdalen. 6. De verspreid liggende bebouwing. 7. De nederzettingen, gerelateerd aan de ontginningsgeschiedenis van het landschap en met een sterke relatie met het water. Naast gebieden die zich voor transformatie lenen, zijn er nog forse gebieden waar de oorspronkelijke kenmerken van het veenweide en klei-op-veengebied nog gaaf zijn en meer vragen om behoud, versterking en inpassing waarbij de kenmerken van een gebied in stand blijven en nieuwe ontwikkelingen zich daarin voegen. Bestaande cultuurlandschappelijke patronen kunnen bijdragen aan de opgaven uit het NPLG. Voorbeelden zijn waterstructuren en dijkstructuren voor de groen-blauwe dooradering of oud greppelland voor herstel biodiversiteit (weidevogels, kruidenrijk, bodemleven), klimaatadaptatie (greppelinfiltratie) en CO2 reductie (hoge opslag in oud grasland en hoger grondwaterpeil door greppelinfiltratie) zoals aangetoond in onderzoek van A&W. Natura 2000, Vogel- en habitatrichtlijn (VHR) en Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura2000 en VHR In het veenweidegebied liggen een aantal Natura2000 gebieden. 1. Alde Feanen 2. De Deelen 3. Oudegasterbrekken, Fluessen en omgeving 4. Rottige Meenthe en Brandemeer 5. Sneekermeergebied 6.

Witte en Zwarte Brekken (hier loopt nog een bezwaarprocedure)

5

Van deze gebieden kennen de Alde Feanen en Rottige Meenthe & Brandemeer een stikstofopgave. Voor de Alde Feanen zijn maatregelen voorzien in het gebied gericht op het behouden van de natuurkwaliteit ondanks de te hoge stikstofdepositie. Het gaat dan met name om aanpassingen in de waterhuishouding. Deze worden uitgevoerd in het kader van de gebiedsontwikkeling Alde Feanen en het LIFE-project Booming Business. Voor Rottige Meente & Brandemeer zijn maatregelen nodig om de natuurkwaliteit te versterken en de stikstofdepositie te verminderen. Beter beheer en verbeteren van de aanvoer van kwalitatief goed oppervlaktewater zijn gewenste maatregelen. Aanpassen van waterpeilen in het aangrenzende gebied om wegzijging uit het moerasgebied te verminderen is een optie maar heeft grote consequenties voor de landbouw. De wegzijging naar de aangrenzende Noordoostpolder is een complicerende factor. VHR Bij leefgebieden van soorten gaat het niet alleen om natuurgebieden. Leefgebieden kunnen ook stedelijke en landbouwgebied zijn of water. Denk bijvoorbeeld aan leefgebied voor weidevogels. Ook inspanningen op het gebied van agrarisch natuurbeheer zijn nodig om de instandhoudingsdoelen van de VHR te kunnen realiseren. Het veenweidegebied is van oudsher een belangrijk leefgebied voor weidevogels. Ondanks de weidevogelaanpak in Fryslân staat de weidevogelstand nog sterk onder druk.

Er worden belangrijke succesjes geboekt maar dit levert structureel nog te weinig op. In het veenweidegebied liggen diverse weidevogel kerngebieden en weidevogel kansgebieden. Met het Aanvalsplan Grutto wordt in enkele gebieden een extra inspanning geleverd om het leefgebied van weidevogels te verbeteren. Bestaande landschapskenmerken kunnen worden ingezet om in het agrarische gebied de biodoversiteit te versterken. Voorbeelden in het veengebied zijn het benutten en versterken van slotenpatronen of het inzetten van greppelland. Zo blijkt uit onderzoek van A&W blijkt de meerwaarde van oud greppelland voor weidevogels, kruidenrijke vegetaties en bodemleven. NNN In het veengebied is er nog een inrichtingsopgave voor het NNN voor de volgende gebieden: •

Alde Feanen (96 ha)

•

Aldegeaster Brekken (5 ha)

•

De Fluezen en Morra (112 ha)

•

Tsjukemar (16 ha)

•

Brandemeer, Rottige Meenthe, Easter Skar (116 ha)

•

Snitser Mar e.o. (118 ha)

•

De Deelen (15 ha)

Naast de inrichtingsopgave moet een deel hiervan ook nog van functie veranderen.

6

Bomen, bossen en natuur en groenblauwe dooradering. Mogelijkheden om in het veengebied bij te dragen aan de opgave van de Bossenstrategie en de groenblauwe dooradering moeten passen bij de aard van het landschap. We willen dit samen met ‘het gebied’ invullen en daarbij gebruik maken van ‘Grutsk op’ e Romte’, de provinciale visie op landschap en cultuurhistorie en de bouwstenen uit ‘Mei it ferline foarút’ van Landschapsbeheer Friesland. Voor het veenweidegebied is vanuit de Friese bomen-en bossenstrategie een ambitie buiten NNN voor bosuitbreiding van 29 hectare. Daarnaast kan de groenblauwe dooradering (Landschapselementen uit de Friese bomen- en bossenstrategie) op de volgende manier worden vormgegeven: • Aanplant en aanleg van nieuwe (natte) groenstructuren om nieuwe landschappelijke identiteit te ontwikkelen in een veranderend landschap. • Verdwenen opstanden waar mogelijk terugbrengen door historische kaarten en collectief geheugen van streekbewoners te raadplegen. • Functionaliteit als ecologische corridor tussen natuurgebieden in de vorm van watergangen met natuurvriendelijke oeverzones of door moerasbossen/rietlanden. • Aanleg van erfbeplanting. • Vergroten van het aantal natuurvriendelijke oevers en poelen. • Dijken, kaden, bermen en andere lijnvormige ruimte of overhoeken benutten voor kruiden- en bloemrijke invulling.

7

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Tytsjerksteradiel&id=e99d314c-7e9b-49eb-8d83-82f127eb70c0