Bijlage 3 - Bijlagen bij concept FPLG 9 mei 2023
Tekst van het document
4. Oplossingsrichtingen en maatregelen N2000
1. Huidige maatregelen Nu wordt er nog gewerkt aan de uitvoering van natuurherstelmaatregelen uit de N2000-beheerplannen. Deze maatregelen zijn veelal interne maatregelen, ook op het vlak van de hydrologie. Deze uitvoering wordt gefinancierd vanuit het Natuurpact. Aanvullend aan de maatregelen uit de beheerplannen worden er in de jaren 2022 tot en met 2025 gewerkt aan extra natuurherstelmaatregelen voor stikstofgevoelige natuur. Deze maatregelen worden gefinancierd door een specifieke doeluitkering van het Rijk aan de provincies. Hiervoor is door de provincie Fryslân een provinciaal uitvoeringsprogramma Natuur. Dit programma behelst extra natuurherstelmaatregelen ten behoeve van de stikstofgevoelige natuur in de N2000- en de NNN-gebieden. Dit programma wordt uitgevoerd in samenwerking met de terreinbeheerders. Los van de bovenstaande maatregelen wordt het reguliere beheer gefinancierd via het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL). De terreinbeherende organisaties houden met deze beheermaatregelen de basis van de natuurkwaliteit op orde. De N2000- en Programma Natuur-maatregelen zijn aanvullend op dit SNL-beheer. Momenteel wordt er gewerkt aan de Natuurdoelanalyses voor de stikstofgevoelige N2000-gebieden. Deze zijn in de bovenstaande paragrafen al beschreven.
Extra natuurherstel- maatregelen, voortvloeiend uit deze NDA’s, zullen meegenomen worden in de nieuwe beheerplannen (interne beheer- en natuurherstelmaatregelen) en in de Gebiedsgerichte Aanpakken, waarbij ook externe maatregelen (stikstofbronmaatregelen en hydrologische maatregelen) uitgewerkt kunnen worden in de komende jaren.
2. Maatregelen in de periode 2024-2025 In deze periode zullen de beheerplannen worden geëvalueerd. Dit zal in de lijn van de NDA’s zijn. Na de evaluaties worden de beheerplannen herschreven. Hierbij kunnen aanvullende beheer- of natuurherstelmaatregelen opgenomen worden, die nodig zijn om alsnog de doelstellingen te halen of de natuurkwaliteit zoveel mogelijk overeind te houden zolang er nog teveel stikstof neerdaalt of de verdroging nog niet verholpen is. Deze aanvullende maatregelen zullen waarschijnlijk niet gefinancierd kunnen worden uit het bestaande budget van het Natuurpact. Dus hier zal aanvullende financiering nodig zijn. In de NDA wordt voor veel N2000-gebieden aangegeven dat verdroging naast de stikstof- depositie een probleem vormt. Nu is in veel gevallen niet duidelijk welke waterhuishoud- kundige maatregelen nodig of mogelijk zijn om de verdroging te verminderen. In de periode zal voor een aantal gebieden een aanvullend hydrologisch onderzoek nodig zijn om de problematiek en de maatregelen concreter te maken. Hiervoor is in deze periode extra onderzoeksbudget nodig.
3. Maatregelen in de periode 2025 -2035 In deze periode zullen de nieuwe beheerplannen met de maatregelen uitgevoerd worden. Ook zullen de NDA’s geactualiseerd worden om te monitoren dat de natuurkwaliteit vooruitgaat naar aanleiding van de maatregelen en plannen. Daarnaast zal de Gebiedsgerichte Aanpak in een aantal deelgebieden, deels rondom de N2000-gebieden uitgewerkt worden. In deze aanpak kan de (lokale) stikstofreductie en hydrologische maatregelen in de overgangsgebieden rondom de N2000-gebieden gerealiseerd worden in afstemming met de andere opgaven (KRW, klimaat, veenweide e.d.). In deze GGA’s kan ook de opgave van Groenblauwe dooradering 4
vormgegeven worden en daarmee bijdragen aan een betere verbinding tussen de natuurgebieden (N2000 en NNN) onderling. Ook hier is extra budget nodig voor het proces rond de GGA’s, stikstofbronmaatregelen, mogelijke extensiveren van het grondgebruik in de overgangsgebieden, hydrologische maatregelen in de omgeving van de natuurgebieden en verbindingen via de Groenblauwe dooradering.
4.4.
Na 2035
Ook in deze periode zullen maatregelen nodig zijn om de natuurkwaliteit overeind te houden. Het beheer en mogelijk nog aanvullende natuurherstelmaatregelen gaan altijd door. Het kan zijn dat er een betere evenwichtssituatie ontstaat, nadat de bronmaatregelen, hydrologische maatregelen en verbindingen via de Groenblauwe dooradering uitgevoerd en effectief gebleken zijn. Het beheer van de N2000-gebieden zal in deze periode via de N2000-beheerplan en het SNL-stelsel. Monitoring van de natuurkwaliteit zal duidelijk moeten maken of de natuurkwaliteit op orde is en de In deze periode zullen de Gebiedsgerichte Aanpakken nog doorlopen en nog afgerond worden. Oom zullen in deze processen monitoren en evalueren mogelijk bijsturing geven aan de opgaven in deze Gebiedsgerichte Aanpakken.
Wat draagt dit bij aan de VHR-doelen? Voor 77% van de VHR-doelen met een opgave voor de provincie Fryslân is er ook een aanwijzing in één of meerdere N2000-gebieden op Fries grondgebied. Van deze doelen met een N2000-aanwijzing gaat het voor 30% over habitattypen, voor 56% om Vogelrichtlijnsoorten en voor 14% om Habitatrichtlijnsoorten. Zoals eerder genoemd heeft elk doel ofwel een behoudsdoelstelling of een uitbreidingsdoelstelling per N2000gebied. Voor de habitattypen wordt hierbij onderscheid gemaakt tussen oppervlakte en kwaliteit en bij de soorten gaat het om de oppervlakte en kwaliteit van het leefgebied. Bij de vogelsoorten wordt hierbij rekening gehouden met de draagkracht van het gebied voor een bepaald aantal individuen of broedparen. Voor de Habitatrichtlijnsoorten is er naast het leefgebied ook een behouds- of uitbreidingsdoelstelling voor de populatie. Bij de regionale verdeling van de doelen, zijn deze behouds- en uitbreidingsdoelstellingen voor zover mogelijk gekwantificeerd. Habitattypen Vanuit de provincie is het doel om de VHR-doelstellingen voor de habitattypen zoveel mogelijk op te lossen binnen N2000-begrenzing, waardoor de grootste opgave voor deze doelen voornamelijk bij de Natura 2000gebieden komt te liggen.
Voor 16% van de voor N2000 aangewezen habitattypen met een provinciale VHRopgave, gaat het om habitattypen die volledig afhankelijk zijn van de natuurlijke dynamiek op de Waddeneilanden en waar met beheer niet veel aan gedaan kan worden. Voor deze doelen zullen de maatregelen ten behoeve van N2000 dus niet zoveel bijdragen. Uit de natuurdoelanalyses is gebleken dat de haalbaarheid van in ieder geval 45% van de aangewezen habitattypen negatief wordt beïnvloed door stikstofdepositie en/of verdroging. Voor zo’n 10% van de aangewezen habitattypen is de mate van invloed van stikstofdepositie en/of verdroging nog niet bekend wegens gebrek aan gegevens of het nog niet klaar zijn van de natuurdoelanalyse. Aanpak van zowel stikstofdepositie als verdroging van de N2000-gebieden, zal dus direct bijdragen aan het creëren van de randvoorwaarden om te kunnen komen tot duurzaam natuurherstel. Voor het merendeel (67%) van deze stikstof- en/of verdrogingsgevoelige aangewezen habitattypen is haalbaarheid van de VHR-doelstellingen in 2030 en 2050 ingeschat als onzeker. De reden hiervoor is dat de snelheid en mate waarin de stikstof- en verdrogingsproblematiek bepalend zal zijn voor het wel of niet kunnen realiseren van deze doelstellingen. De grootte van de bijdrage van deze maatregelen ten behoeve van N2000 zal hier dus ook vanaf hangen. 5
Voor 17% van deze habitattypen wordt de VHR-doelstelling ingeschat als onrealistisch. Voor de blauwgraslanden en de overgangs- en trilvenen heeft dit grotendeels te maken met de stikstof- en verdrogingsproblematiek. Voor deze drukfactoren zijn er op basis van de natuurdoelanalyses sterke aanwijzingen dat de omgevingscondities dusdanig verslechterd zijn dat met maximale inzet behoud van de huidige kwaliteit en/of oppervlakte het hoogst haalbare lijkt. De VHR-opgave lijkt echter te sturen op een (grote) uitbreiding/verbetering van het areaal en de kwaliteit. Voor de grijze duinen zijn er met extra inzet op beheer en stikstofreductie de komende jaren wel grote mogelijkheden voor uitbreiding. De uitbreiding, zoals gekwantificeerd in de VHR-opgave is echter te groot voor het aanwezige landoppervlak in de duingebieden van de eilanden. Hier zal dus in ieder geval een deel van de 30%-opgave tot 2030 gerealiseerd kunnen worden, hoeveel dit is, zal de komende maanden worden uitgezocht. Voor de overige habitattypen in N2000-gebieden wordt er al voldaan aan de VHR-opgave (10%) of is de staat van instandhouding voornamelijk afhankelijk van andere factoren, zoals bijvoorbeeld de waterkwaliteit. Een voorbeeld hiervan is het habitattype meren met krabbenscheer en fonteinkruiden. Dit habitattype staat onder druk door de waterkwaliteit.
In verschillende N2000-gebieden wordt er al volop ingezet op het verbeteren van dit habitattype om ook het verlandingsproces in de moerasgebieden weer op gang te brengen. Voortzetting van deze maatregelen in combinatie met een verbetering van de waterkwaliteit (KRW) zal naar verwachting in ieder geval een deel van het gat tot 30%-opgave tot 2030 kunnen dichten. Hoeveel dit precies is, moet nog worden uitgezocht.
Vogelrichtlijnsoorten Van alle Vogelrichtlijnsoorten met een VHR-opgave voor de provincie Fryslân is er voor 10% geen aanwijzing voor N2000-gebieden in Friesland. Van deze 10% wordt voor 80% van de soorten al aan de doelstelling voldaan In de verschillende N2000-gebieden behorende bij de provincie Friesland zijn ook vogelsoorten voor bescherming aangewezen onder de Vogelrichtlijn. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen broedvogels, die broeden in het gebied en niet-broedvogels, die er voornamelijk overwinteren. De aangewezen broedvogels maken vaak ook gebruik van één of meerdere (stikstofgevoelige) habitattypen die aanwezig zijn in het gebied. De maatregelen ten behoeve van deze habitattypen, welke grotendeels zullen bestaan uit de reductie van stikstofdepositie, verbeteren hydrologie en waterkwaliteit (KRW), zullen dus ook bijdragen aan het verbeteren van de grootte en de kwaliteit van het leefgebied. De mate van verbetering/uitbreiding van het leefgebied van deze soorten en daarmee dus ook de draagkracht van het gebied voor de soorten is afhankelijk van de snelheid waarmee de maatregelen worden uitgevoerd en de effectiviteit van de desbetreffende maatregelen.
Daarom kan er op dit moment nog niet kwantitatief worden aangegeven in welke mate de generieke maatregelen ten behoeve van N2000 zullen bijdragen aan de 30% overbrugging van het gat naar een gunstige staat van instandhouding.
6
Bijlage 7b: Natuurnetwerk - Aanpak Grip op Kwaliteit Meer grip op de kwaliteit van het Friese deel van het Natuurnetwerk
1. Aanleiding en doel Het Friese Natuurnetwerk (het Friese deel van de NNN) is de ruggengraat van de natuur en biodiversiteit in Fryslân. Hier leeft een groot deel van de Friese soortenrijkdom en zijn bijvoorbeeld ook de bronpopulaties van veel zeldzame en bedreigde soorten te vinden. De realisatie van het Natuurnetwerk is onderdeel van het Natuurpact (2013), waarin afspraken gemaakt zijn over de ambities en financiering van het Nederlands natuurbeleid voor de periode tot 2027. De afgelopen jaren heeft de Provincie vooral ingezet op de hectare-ontwikkeling van het Provinciale Natuurnetwerk. De bestaande SNL-instrumenten zijn met name voor dit doel ingezet. Aandacht voor de kwaliteit van het bestaande natuurnetwerk werd vooral ingevuld met de jaarlijkse Natuurkwaliteitsdag. In navolging daarvan stellen we in voorliggende aanpak enkele aanpassingen op de bestaande werkwijze voor. Met de aanpak ‘Grip op kwaliteit’ gaat de Provincie meer aandacht geven aan de kwaliteit van het Natuurnetwerk en actiever werken aan de realisatie van de afgesproken natuurambities, door de daarvoor beschikbare instrumenten beter te benutten. Daarmee wordt de bijdrage van het Friese deel van de NNN aan een toekomstbestendig landelijk gebied beter benut. In 2020 verscheen de 2e rapportage van de Lerende Evaluatie van het Natuurpact van PBL en WUR.
Provincies liggen niet op schema om het Natuurnetwerk op tijd af te ronden in 2027. Afronding is belangrijk omdat maatregelen voor natuurherstel vaak pas genomen kunnen worden als alle grond beschikbaar is. Recent is de herziene planning realisatie NNN in Fryslân aan GS voorgelegd. Bovendien is extra natuurherstel vereist om de stikstofcrisis op te lossen. Ook concludeerden PBL en WUR vanuit de internationale context dat de kwaliteit van de natuur niet op orde is om de doelstellingen voor beschermde habitats en soorten in 2030 te halen. De internationale natuurdoelstellingen vragen dus een grotere inspanning van Nederland. Dit alles onderschrijft het belang van de aanpassingsvoorstellen in deze aanpak, waarmee de Provincie zijn grip op de kwaliteit van het Friese deel van het Natuurnetwerk NNN versterkt.
2. Huidige werkwijze 2.1 Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL) De uitvoering van het Natuurpact is geregeld via het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL). Het SNL bestaat uit de volgende onderdelen: ▪
▪ ▪ ▪ ▪
De subsidieverordening Natuur- en landschapsbeheer (SvNL), de subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap (SKNL) en het Openstellingsbesluit (juridische kader), allen met een Friese uitwerking (SrNL 2019); Het Provinciale ‘Natuurbeheerplan’ (kader, natuurdoelen), jaarlijks geactualiseerd; De landelijke ‘Index Natuur en landschap’ (gemeenschappelijke ‘natuurtaal’); Het landelijke ‘Programma van Eisen voor Certificering’ (PvE: kwaliteitseisen uitvoering natuurbeheer), in 2022 vernieuwd; De landelijke ‘Werkwijze monitoring en beoordeling natuurnetwerk-Natura 2000/PAS’ (uniforme aanpak voor het monitoren van de natuur en beoordeling van de natuurkwaliteit), onderwerp van gesprek in de IPO-werkgroep PN-monitoring.
1
2.2 Het Friese deel van de NNN; grenzen, doelen en ambities Het Friese deel van de NNN bestaat uit een planologisch onderdeel dat de begrenzing van het Friese deel van de NNN vastlegt en een inhoudelijke invulling daarvan via het Natuurbeheerplan (NBP), op basis van beheeren ambitietypen. De kaart met de begrenzing is in 2014 door Provinciale Staten vastgesteld in de ‘Verordening Romte’. Alle wijzigingen (ook kleine) moeten op de planologische kaart worden doorgevoerd wat alleen kan via een GSbesluit. Beheer- en ambitietypen worden in het Natuurbeheerplan jaarlijks geactualiseerd en ook vastgesteld door Gedeputeerde Staten. Op grond van het natuurbeheerplan wordt de Subsidieregeling Natuur en Landschap (2019) toegepast en worden subsidiebeschikkingen afgegeven. De laatste versie van de kaart is opgenomen in de Provinciale Omgevingsverordening die recent door PS is vastgesteld en naar verwachting in 2023 van kracht wordt. Hierop zijn ook de (kleine) grensmutaties, die sinds 2014 waren verzameld, doorgevoerd. 2.3 Lumpsumbeschikking, uitvoeringsovereenkomst en gesprekken In Fryslân zijn 6 gecertificeerde beheerders, namelijk It Fryske Gea, Staatsbosbeheer-Fryslân, Natuurmonumenten-Fryslân, Bosgroep NO-Nederland, Natuur Collectief Friesland (NCF) en Collectief Noardlike Fryske Wâlden (NFW). Deze organisaties beschikken over een lumpsum beschikking.
In uitvoeringsovereenkomsten (UVO's) zijn nadere (bindende) afspraken over de gesubsidieerde activiteiten vastgelegd, welke worden uitgevoerd op basis van de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer provincie Fryslân 2019. De beschikking en de bijbehorende uitvoeringsovereenkomsten hebben een looptijd van 6 jaar. Tijdens de voortgangsgesprekken met de afzonderlijke beheerders wordt de algemene gang van zaken besproken; wel of niet opengestelde beheertypen en toeslagen, wijzigingen in beheertypen, afwijkingen in het beheer en andere aandachtpunten. Tussentijdse wijzigingen in beheertypen worden wel doorgevoerd in het Natuurbeheerplan Fryslân, maar worden tot nu toe pas met ingang van de nieuwe lumpsumbeschikking van kracht. Vanaf 2023 willen we ook voor wijzigingen in beheertypen de mogelijkheid bieden om de beschikkingen aan te passen. Ook het jaarlijkse beheerdersoverleg en het tweejaarlijkse monitoringoverleg is onderdeel van de uitvoeringsovereenkomsten en vindt plaats met alle gecertificeerde beheerders samen. En daarnaast is er nog het ‘Goede gesprek’, dat in Fryslân de laatste jaren is ingevuld met de jaarlijkse Natuurkwaliteitsdag.
2.4 Kwaliteitssystemen gecertificeerde beheerders Bij het opstellen van de SNL was één van de uitgangspunten dat de kwaliteit van het beheer van (agrarisch) natuur en landschap mede afhankelijk is van de deskundigheid, professionaliteit, toewijding en inzet van de beheerders. Daarnaast was één van de doelen voor het SNL het verminderen van administratieve lasten en controledruk bij provincies en beheerders, zodat de beschikbare middelen zoveel mogelijk kunnen worden ingezet voor natuurbehoud en -ontwikkeling. Daarom heeft het SNL als uitgangspunt vertrouwen in de beheerder door borging van de kwaliteit in de bedrijfsvoering van de beheerder. Om zorg te dragen voor de borging van de natuurkwaliteit en de maatschappelijke legitimiteit van subsidies voor natuurbeheer bevat het SNL-stelsel een drietal instrumenten: 1. Certificering 2. Monitoring/ beoordeling natuurkwaliteit 3. ‘Goede gesprek’ tussen provincie en beheerder over de natuurkwaliteit Samen geven deze instrumenten invulling aan het werken vanuit vertrouwen in de beheerder. Om voor SNL subsidie in aanmerking te komen moet een beheerder gecertificeerd zijn. Met de SNL certificering toetsen we of een beheerder voldoende professioneel handelt in de uitvoering van het natuurbeheer. Provincies hebben hiervoor een toetsingskader ontwikkeld: het Programma van Eisen (PvE).
In dit PvE is vastgelegd aan welke eisen een subsidieontvanger moet voldoen om voor certificering in aanmerking te 2
komen. Het PvE richt zich op de borging van de kwaliteit in de bedrijfsvoering van de natuurbeheerders. Het SNL certificaat is dus een vorm van procescertificering. De provincies hebben de Stichting Certificering SNL opgericht en gemandateerd om de certificering van de (agrarische) natuurbeheerders te verzorgen. Gecertificeerde beheerders beschrijven in een kwaliteitshandboek op welke wijze hij voldoet aan de eisen voor certificering, en welke administratieve systemen en processen hiervoor zijn ingericht. De Stichting controleert of de handboeken voldoen aan het PvE en voert hier regelmatig audits op uit, waarbij ze toetst of de werkwijze voor beheer, organisatie en administratie zoals beschreven in het kwaliteitshandboek in de praktijk daadwerkelijk wordt uitgevoerd. De kwaliteitssystemen van gecertificeerde beheerders, zoals beschreven in hun kwaliteitshandboeken, bestaan uit een Plan – Do – Check – Act cyclus; ➢ Plan: Doelen en beheer worden door de beheerder (per (cluster van) gebied(en)) vastgelegd in een beheerstrategie c.q. beheerplan of beheervisie. De doelen zijn afgestemd op die in het natuurbeheerplan en er is een duidelijke koppeling tussen uitgevoerd beheer en doel. ➢ Do: Het natuurbeheer wordt uitgevoerd door – of onder regie van beheerders, door bijvoorbeeld pachters of loonbedrijven.
De meeste beheerders hebben een database waarin de afgesproken werkzaamheden zijn vastgelegd. Ook wordt er vaak gewerkt met werkplannen en beheerkaarten. ➢ Check: Bij het onderdeel ‘check’ onderscheiden we de SNL-monitoring, de beheermonitoring en de beoordelingen door de beheerders en de Provincie. De SNL-monitoring wordt uitgevoerd volgens de ‘werkwijze monitoring en beoordeling NNN-N2000/PAS’. ➢ Act: Met Interne kwaliteitsbeoordelingen (IKB's) plannen en evalueren gecertificeerde beheerders het beheer van hun natuurterreinen. Met de uitkomsten wordt het beheer geoptimaliseerd. Soms wordt er gekozen voor een ander beheertype, wat moet worden afgestemd met de Provincie en wordt vastgelegd in het natuurbeheerplan. 2.5 Monitoren, analyseren en beoordelen door Provincie Voor beheerders die de monitoringvergoeding niet ontvangen voert de Provincie de SNL-monitoring flora, fauna, structuur uit. Daarnaast is de Provincie overal verantwoordelijk voor de monitoring van standplaatsfactoren en ruimtelijke condities. Ook voert de Provincie beoordelingen (BO’s) uit, op grond van de SNL-monitoringresultaten die in de NDFF zijn te vinden en de RNN-tool. De beoordelingen vinden plaats per beoordelingsgebied en Fryslân is ingedeeld in 30 beoordelingsgebieden. Standplaatsfactoren (één van de onderdelen van een BO) worden berekend m.b.v.
het programma Iteratio, op grond van actuele vegetatiekaarten. De Provinciale BO’s worden uitgevoerd door het team monitoring (in overleg met het team Natuurkwaliteit). De resultaten beperken zich tot kaartanalyses per onderwerp waarbij een nadere toelichting en duiding incidenteel (op verzoek) wordt toegevoegd door het team ecologen. Informatie van andere teams wordt niet standaard betrokken bij de BO’s. De beoordelingen gaan over het actuele beheertype en de kwaliteit daarvan en niet over ambities.
3
3. Aanpassingsvoorstellen Uit hoofdstuk 2 volgen twee belangrijke aanpassingsvoorstellen. Beide zijn hieronder kort beschreven en in een apart plan van aanpak verder uitgewerkt: • •
Het Friese deel van de NNN is toe aan een actieve actualisatieronde. Er zijn aanpassingsvoorstellen voor de kwaliteitsborging van het Friese deel van de NNN door de Provincie.
3.1 Actualisatie Friese deel van de NNN (bijlage 1) Wijzigingen die sinds 2014 zijn doorgevoerd op het Friese deel van de NNN-kaart zijn vooral incidenteel/ toevalligerwijs verzameld en niet actief opgehaald. Het gaat om wijzigingen die voldoen aan de criteria die in 2014 in de verordening Romte zijn vastgelegd voor schrappen en/of toevoegen van hectares uit het Friese deel van de NNN die door Gedeputeerde Staten mogen worden vastgesteld. Een eerdere quick scan maakte duidelijk dat er waarschijnlijk meer aanpassingen mogelijk zijn. Aanpassingen die ervoor zorgen dat de beschikbare hectares voor de natuur zo goed / effectief mogelijk worden ingevuld (met het beste resultaat), de begrenzing en de doelen kloppen met de actuele situatie en de ambities realistisch en haalbaar zijn en zo goed mogelijk bijdragen aan de opgaven die er zijn voor het landelijke gebied (stikstof, water, klimaat en biodiversiteit). Een breed gedragen ambitiekaart is een belangrijke bouwsteen voor toekomstige ontwikkelingen in het landelijk gebied. Het rijk heeft bepaald dat daarvoor bodem en water leidend dienen te zijn. Niet altijd is daar bij het inkleuren van de huidige ambitiekaart voldoende rekening mee gehouden.
Waar moeten we bijvoorbeeld met het oog op de klimaatverandering meer water gaan vasthouden en heeft dat gevolgen voor de natuur? Op welke plekken in het landschap kunnen meer koolstof vastleggen, met veen, bos of kwelders? En hoe draagt het Friese deel van de NNN optimaal bij aan de biodiversiteitsdoelen? De huidige ambitiekaart wordt vooral geraadpleegd bij de voorbereiding van inrichtingsprojecten. De dienst wil daarom een actieve consultatie langs alle stakeholders uitvoeren, om zoveel mogelijk kansen voor het optimaliseren van de begrenzing, de beheertypen en de ambitietypen van het Friese deel van de NNN te verzamelen. Op grond van vooraf op te stellen werkafspraken (zie bijlage 1) zullen hieruit vervolgens goed onderbouwde keuzes worden gemaakt. De resultaten van de consultatie zullen met het Natuurbeheerplan 2024 aan GS worden voorgelegd, met een voorstel en financiële consequenties, zodat GS hierover een besluit kan nemen. 3.2 Meer borging kwaliteit Friese deel NNN (bijlage 2) In hoofdstuk 2 zijn enkele aandachtpunten naar voren gekomen. Zo is duidelijk geworden dat er op het gebied van monitoring beter kan worden samengewerkt, door planningen beter op elkaar af te stemmen en resultaten standaard met elkaar te delen. Dit geldt zowel voor de samenwerking tussen Provincie en gecertificeerde beheerders, als ook voor de teams van Grien Fryslân onderling.
Ook valt op dat zowel de gecertificeerde beheerders als ook de Provincie grotendeels los van elkaar beoordelingen uitvoeren en de resultaten daarvan niet standaard met elkaar delen. Aanbevolen wordt om elkaar beter op de hoogte te houden van – en te betrekken bij de beoordelingen en de resultaten daarvan actief met elkaar te delen. Binnen het Provinciehuis dient er meer structureel aandacht te worden besteed aan de beoordelingen. Met circa 30 beoordelingsgebieden en een beschikkingslooptijd van zes jaar zouden jaarlijks gemiddeld vijf gebieden moeten worden beoordeeld. Aanbevolen wordt om alle relevante teams (m.n. water, Natura2000, stikstof en ecologen) op de opgave Grien Fryslân bij de BO’s te betrekken. Voor het analyseren en duiden van de resultaten van deze beoordelingen is meer aandacht nodig. Het team ecologen moet daar een structurele rol in krijgen. 4
Tot slot blijkt dat de Friese Natuurkwaliteitsdag niet meer helemaal voldoet aan de bedoeling van het ‘goede gesprek’, zoals die landelijk in IPO-verband zijn afgesproken. Voorgesteld wordt daarom om deze dag een andere invulling te geven, die beter aansluit bij de bedoeling van het ‘goede gesprek’. Idealiter zou - niet lang na het afronden van de IKB (beheerder) en BO (Provincie) - het ‘goede gesprek’ tussen de beheerder en de Provincie moeten plaatsvinden. Dit gesprek zou als resultaat een concrete actiepuntenlijst moeten opleveren, met afspraken over de te realiseren beheertypen, de kwaliteit daarvan, afspraken over de ambities en wat er voor nodig is om deze te realiseren. De afspraken uit de goede gesprekken kunnen bijvoorbeeld als bouwsteen worden gebruikt bij de gebiedsprocessen. Zo krijgen we samen met de beheerders meer grip op de kwaliteit van het Friese deel van de NNN en het realiseren van de afgesproken ambities.
4. Consequenties van de voorgestelde aanpassingen De consequenties van de in hoofdstuk 3 voorgestelde aanpassingen hebben betrekking op financiering, capaciteit en resultaat. 4.1 Financiëel De financiering van het natuurbeheer wordt geregeld via de Friese SrNL 2019 op basis van de Standaardkostprijzen voor natuurbeheer (SKP’s), het natuurbeheerplan en het openstellingsbesluit. In het openstellingsbesluit geeft GS aan welke onderdelen van het natuurbeheerplan voor subsidie in aanmerking komen. Op basis hiervan kan de berekening oppervlak x SKP worden gedaan en daarmee het subsidieplafond worden vastgesteld. Landelijk is hierbij afgesproken dat 84% van de totale kosten worden vergoed (eerder was dit 75%). Huidige situatie Op basis van het huidige beleid komen de volgende onderdelen in Fryslân voor subsidie in aanmerking: ▪ ▪
Binnen het Friese deel van de NNN alle N- & L-typen Buiten het Friese deel van de NNN alle N-typen en L02.03 (historische tuin). Voor dit onderdeel geldt een taakstellend budget van €1,32 miljoen per jaar. Op dit moment wordt er op basis van bovenstaande in Fryslân jaarlijks +/- €18 miljoen euro uitgegeven via de SrNL 2019. Hiermee wordt 84% van de kosten voor het beheer, het verrichten van de monitoring en het openstellen van de terreinen voor recreanten vergoed. De huidige programmering is zo ingestoken dat de helft van dit bedrag wordt betaald vanuit de Natuurpactmiddelen afkomstig van het Rijk en de andere helft door provincie Fryslân zelf. De huidige financieringsopzet van het natuurbeheer in Fryslân is te classificeren als een ‘low budget variant’. De mogelijkheden voor beheerders om actief te werken aan de kwaliteitsverbetering van de natuur ontbreken op dit moment. Dit komt niet alleen omdat we maar 84% van de werkelijke kosten financieren. Onder de SNL zijn namelijk ook nog een aantal instrumenten beschikbaar waar we tot op heden geen gebruik van maken. Dit zijn o.a.: ▪ ▪ ▪ ▪
Inzet op overgangsbeheer voor ontwikkeling naar ambitie typen Inzet van de SKNL voor realisatie kwaliteitsimpulsen Openstellen van de toeslag toezicht Openstellen van de vaartoeslag
5
Gewenste situatie Onderzocht moet worden of de bestaande Natuurpact-programmering ruimte biedt om de benodigde kwaliteitsimpuls op te vangen of dat er heroverwegingen moeten worden gemaakt. Zo nodig moeten meer beschikbare SNL-instrumenten worden ingezet en meer middelen worden gereserveerd hiervoor. Verder is het voor de komende periode belangrijk om te zoeken naar de aanknopingspunten binnen de nieuwe programma gelden, zoals het Uitvoeringsprogramma Natuur (2,85 miljard) en NPLG transitiefonds (24,3 miljard) om inzet op kwaliteit te vergroten.
4.2 Capaciteit Het uitvoeren van de voorgestelde wijzigingen kost tijd en energie. Op onderdelen zullen we verder de diepte in moeten dan we dat tot nu toe doen. Dit zal vooral in het begin meer gestructureerde inzet vragen van de bestaande medewerkers van Groen Fryslân. Uiteindelijk verwachten we dat de goede samenwerking ook wat oplevert, zowel qua resultaat als ook in tijdswinst. Het is op dit moment nog moeilijk om aan te geven om hoeveel meer inzet het precies gaat. Hieronder de onderdelen waarop we in ieder geval een vraag voor meer inzet voorzien. Actualisatie Friese deel NNN De actualisatie van het Friese deel van de NNN is een forse klus die door het team natuurbeheer en het team cijfers en kaarten samen zal worden opgepakt. Door te starten met een proefwerksessie met Staatsbosbeheer willen we een beter beeld krijgen van de te verwachten hoeveelheid wijzigingsvoorstellen en de tijd die het kost om deze operationeel te verwerken en door te voeren. We verwachten tenminste een jaar lang een coördinator nodig te hebben die het proces in goede banen leidt en vast aanspreekpunt is voor alle betrokkenen. Borging Kwaliteit Uitgangspunt is dat de voorgestelde aanpassingen grotendeels passen binnen bestaand beleid en afspraken en dus ook binnen de bestaande capaciteit en werkzaamheden zouden moeten kunnen passen.
Het gaat immers in de basis om het optimaliseren van de samenwerking en kennisuitwisseling tussen de teams op opgave Grien Fryslân én tussen de Provincie en de beheerders. Op onderdelen verwachten we zo nu en dan de diepte verder in te moeten gaan dan in de huidige situatie gebeurt. Dit gebeurt echter wel gestructureerd, volgens een vooraf af te spreken planning en regelmatig afstemmingsoverleg. Met name de teams monitoring, ecologen, N2000, stikstof en water zullen naar verwachting met enige regelmaat meer tijd moeten investeren in de kwaliteitsbeoordelingen en analyses voor het Friese deel van de NNN. Na enkele maanden evalueren we samen met de betrokken teams of onze inschatting juist is geweest. De uitvoering van de ‘Goede gesprekken’ is ondergebracht bij het team natuurbeheer. Verwacht wordt dat – door de efficiëncy die door het LEAN-traject Natuurpact wordt gerealiseerd in de uitvoering van het subsidieproces - dit binnen bestaande capaciteit kan worden gerealiseerd. Aandachtpunt tot slot is of de opgave Groen Fryslân op dit moment alle benodigde kennis in huis heeft om de aanpassingen goed te kunnen toepassen. Misschien is het nodig hier extra in te investeren. Ook dit zullen we gaandeweg ervaren en meenemen in voornoemde evaluatie.
4.3 Resultaat Met de voorgestelde wijzigingen krijgt de Provincie meer grip op de kwaliteit van het Natuurnetwerk en worden er betere resultaten geboekt, bijvoorbeeld t.a.v. een basiskwaliteit voor de beheertypen en het actiever realiseren van afgesproken ambities. 6
De voorgestelde wijzigingen zorgen bovendien voor een optimalisatie van de samenwerking (zowel intern als met de gecertificeerde beheerders) en een efficiëntere werkwijze, waarbij optimaal gebruik wordt gemaakt van elkaars kennis en informatie.
5. Al doende leren We gaan aan de slag met de actualisatie van het Friese deel van de NNN en het aanpassen van de werkwijze en de resultaten van het ‘Goede gesprek. Om bovenstaande adviezen uit te testen en te beoordelen of de Provincie op deze manier inderdaad meer grip kan krijgen op de kwaliteit van het Friese Natuurnetwerk, stellen we voor om naast de proef-werksessie voor de actualisatie van het Friese deel van de NNN samen met Staatsbosbeheer, ook nog twee pilots uit te voeren. Het gaat om een pilot van Natuurcollectief Friesland (NCF) die wil proberen de kwaliteit van de natuurgraslanden die door haar deelnemers worden beheerd systematisch te verbeteren (5.1). En een pilot die is bedacht tijdens de Natuurkwaliteitsdag 2022, waarbij Provincie en beheerders samen willen proberen de natuurpotenties van het gebied Beekdal Linde beter in beeld te brengen en vervolgens ook te benutten (5.2). 5.1 Pilot kwaliteitsverbetering (weidevogel)graslanden 2023-2027 Aanleiding In 2021 is Part-Ner in Friesland gestart met het project ‘Tweede spoor SNL certificering’. Aanleiding van dit project waren de vragen die door PS aan GS (en inmiddels ook in de Tweede Kamer) gesteld werden over de kwaliteit van het natuurbeheer en het gebrek aan controles.
Doel Doel van dit project is om de kwaliteit van het beheer en het natuurresultaat van de graslanden in beheer bij deelnemers van Part-Ner te verbeteren. Tijdens fase 1 is een Module Graslanden ontwikkeld die als aanvulling kan worden gezien op de Index SNL en het Programma van Eisen. De werkwijze in deze module is uitgetest bij twee deelnemers van Natuurcollectief Fryslân (NCF). Hier is een nulmeting uitgevoerd en zijn beheeradviezen vastgelegd in een werkplan. De komende jaren worden zij gevolgd en dienen als referentie voor volgende deelnemers. In mei 2022 is gestart met de module Weidevogels in een weidevogelgebied van NCF. Deze pilot betreft een vervolgaanbod in Friesland voor graslanden en weidevogelgebieden. Onderzoeksgebieden Friesland Binnen Natuurcollectief Friesland zijn veertien deelnemers die graslanden in hun SNL beschikking hebben (totaal ca. 185 hectare). Twee van de grootste deelnemers hebben al meegedaan tijdens de eerste fase van het project. Doel van het vervolgaanbod is om nu ook op de graslanden van de andere deelnemers een nulmeting uit te voeren en de resultaten daarvan te vertalen naar beheermaatregelen volgens de Module Graslanden. Binnen NCF zijn zes deelnemers met weidevogelgrasland. In polder Soarremoarre (114 hectare, drie deelnemers) is in 2022 gestart met een pilot voor de Module Weidevogelgrasland.
In 2022 zijn de nulmetingen uitgevoerd op basis waarvan nu werkplannen worden opgesteld met de deelnemers. Met een werkplan, een logboek en kaart leggen alle deelnemer jaarlijks verantwoording af aan Part-Ner, zes jaar lang. In 2027 wordt een evaluatie uitgevoerd en samen met de Provincie besloten hoe verder te gaan. Dit kan per deelnemer verschillen.
7
5.2 Optimalisatie natuurdoelrealisatie Beekdal Linde Aanleiding Op 24 maart 2022 werd de jaarlijkse Natuurkwaliteitsdag gehouden in Wolvega, over het beoordelingsgebied beekdal Linde. Tijdens de dag werd er gediscussieerd over de uitkomsten van de RNN-analyse. Er waren vragen over de kwaliteit en compleetheid van de in de NDFF beschikbare gegevens. Gemiddeld kwamen de verschillende beoordelingen uit op een kwaliteit “matig”. Het bleek echter erg lastig om aan de hand daarvan conclusies te trekken over bijvoorbeeld terreincondities of beheer. Vroeg de Provincie zich vooral af of overal wel het optimale beheer werd uitgevoerd, de beheerders wezen vooral op terreincondities zoals verdroging en de aanwezigheid van overstroming en/of grondwaterinvloed. Ook werd gediscussieerd over de vraag of de gekozen beheertypen wel voldoende aansluiten op potenties en ambities. Zo blijkt er nog weinig terecht te komen van de ambitie om nog 172 hectare vochtig hooiland te willen realiseren. Kortom: in een notendop alle vragen en doelen van “Grip op Kwaliteit”, specifiek voor één beoordelingsgebied. Een ideaal gebied voor een pilot! Doel van de pilot De in ‘Grip op Kwaliteit’ voorgestelde werkwijze verder ontwikkelen en uittesten, zowel het gebiedsgericht evalueren van de beheertypen- en ambitiekaart als ook voor kwaliteitsverhoging en realisatie van ambities.
Onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied betreft de beoordelingsgebieden boven- en benedenloop beekdal Lende: grofweg van Drents Friese Wold tot Rottige Meenthe en van waterscheiding tot waterscheiding (op de toppen van de flanken). De begrenzing is niet in beton gegoten! De vraag wat logisch is in deze is legitiem. Met welke randvoorwaarden dient rekening te worden gehouden bij de afbakening van het beoordelingsgebied? Begeleidingsgroep en opdracht Afgesproken is om een begeleidingsgroep in te stellen met vertegenwoordigers van alle relevante actoren en deze te vragen: 1. 2. 3. 4.
5.
Alle beschikbare informatie aan te leveren/ te (laten) verzamelen Deze te (laten) analyseren en beoordelen op compleetheid, juistheid én bruikbaarheid voor een Lesa* (zowel inhoudelijk als qua begrenzing) Zo nodig nog aanvullende informatie te (laten) verzamelen Aan de hand daarvan de bestaande beheertypen- en ambitiekaart beoordelen op haalbaarheid en wenselijkheid en voorstellen te doen voor; a. Inrichtingsmaatregelen die bijdragen aan het verbeteren van de terreincondities en standplaatsfactoren die horen bij het beheertype en/of ambitietype b. Beheeroptimalisatie om de kwaliteit van beheertypen te verhogen en/of actiever toe te werken naar de ambitie c. Andere, beter passende beheertypen (zowel inhoud als begrenzing) d. Andere, beter passende ambitietypen (zowel inhoud als begrenzing) Als begeleidingsgroep daarover samen keuzes te maken en vervolgafspraken te maken
*Lesa = Landschapsecologische systeemanalyse
8
Bijlage 7c: Plan van Aanpak actualisatie Friese deel NNN - Onderdeel van de overkoepelende aanpak ‘Grip op Kwaliteit’ Aanleiding Het Friese Natuurnetwerk (het Friese deel van de NNN) is de ruggengraat van de natuur en biodiversiteit in Fryslân. Hier leeft een groot deel van de Friese soortenrijkdom en zijn bijvoorbeeld ook de bronpopulaties van zeldzame en bedreigde soorten te vinden. Het Friese deel van de NNN bestaat uit een planologisch onderdeel dat de begrenzing van het Friese deel van de NNN vastlegt en een inhoudelijke invulling via het Natuurbeheerplan (NBP) op basis van beheer- en ambitie typen. De kaart met de begrenzing is in 2014 door Provinciale Staten vastgesteld in de ‘Verordening Romte’. Alle wijzigingen (ook kleine) moeten op de planologische kaart worden doorgevoerd wat alleen kan via een GSbesluit. Beheer- en ambitietypen worden in het Natuurbeheerplan jaarlijks geactualiseerd en vastgesteld door Gedeputeerde Staten. Op grond van het Natuurbeheerplan wordt de Subsidieregeling Natuur en Landschap (2019) toegepast en worden subsidiebeschikkingen afgegeven. De laatste versie van de kaart is opgenomen in de Provinciale Omgevingsverordening die naar verwachting per 1/1/2023 van kracht wordt. Daarop zijn ook de kleine grensmutaties die sinds 2014 waren verzameld verwerkt.
Waarom dit voorstel Wijzigingen (begrenzing en inhoud) die sinds 2014 zijn doorgevoerd op de Friese NNN-kaart zijn vooral incidenteel/ toevalligerwijs verzameld en niet actief opgehaald. Het gaat om wijzigingen die voldoen aan de criteria die in 2014 in de verordening Romte zijn vastgelegd voor schrappen en/of toevoegen van hectares NNN die door Gedeputeerde Staten mogen worden vastgesteld, te weten t.b.v. een kleinschalige ontwikkeling en mits; •
de aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden en de samenhang van het Friese deel van de NNN beperkt is; • de ontwikkeling per saldo gepaard gaat met een versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Friese deel van de NNN, of een vergroting van de oppervlakte van het Friese deel van de NNN; • de oppervlakte van het PNN ten minste gelijk blijft Een eerdere quick scan maakte duidelijk dat er waarschijnlijk meer kansen zijn. Optimalisatie van de begrenzing kan ervoor zorgen dat de beschikbare hectares voor de natuur zo goed en effectief mogelijk worden ingevuld (met het beste resultaat), de begrenzing klopt met de actuele situatie en overeen komt met ander beleid, zoals de Natura2000-aanwijzingsbesluiten. Speciale aandacht behoeven de voormalige Beheergebieden EHS, die bij het overzetten naar de Friese NNN nog niet altijd goed zijn ingevuld. De beheertypenkaart komt niet altijd meer overeen met de werkelijkheid en met ontwikkelingen die hebben plaatsgevonden. Externe omstandigheden of beheerkeuzes leiden er soms bijvoorbeeld toe dat een gebied zich anders ontwikkelt dan verwacht. Vermesting en verdroging kunnen in moeras- en heidegebieden bijvoorbeeld leiden tot versnelde successie naar bos. Weersomstandigheden (veel regen) maken soms dat het gewenste beheer niet kan worden uitgevoerd.
De uitvoering van inrichtingsmaatregelen kan soms leiden tot een langdurige overgangssituatie die meer beheerinspanning vraagt. Wij willen in goed overleg met alle stakeholders bepalen welke aanpassingen in natuurbeheertypen redelijkerwijs nodig/ gewenst zijn. De noodzaak om de ambitiekaart te controleren en te verbeteren is misschien nog wel groter. Een breed gedragen ambitiekaart zal een belangrijke bouwsteen zijn voor de toekomstige ontwikkelingen in het landelijk gebied. De ambitietypen dienen realistisch en haalbaar te zijn en liefst ook zo goed mogelijk bij te dragen aan de opgaven die er zijn voor het landelijke gebied (stikstof, water, klimaat en biodiversiteit). Het rijk heeft bepaald dat daarvoor (aldus het coalitieakkoord en de startnota NPLG) bodem en water leidend dienen te zijn. 1
Niet altijd is daar bij het inkleuren van de huidige ambitiekaart voldoende rekening mee gehouden; waar moeten we bijvoorbeeld met het oog op de klimaatverandering meer water gaan vasthouden en heeft dat gevolgen voor de natuur? Waar zijn kansen voor grondwater afhankelijke natuur te vinden? Op welke plekken in het landschap kunnen we meer koolstof vastleggen, met veen, bos of kwelders? En hoe draagt het Friese deel van de NNN optimaal bij aan de doelen van het herstelprogramma biodiversiteit? Dat soort vragen komen daarbij te pas. Natuurlijk moet er ook rekening worden gehouden met de Europese doelen zoals die zijn vastgelegd in de Vogel- en Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn water en opgenomen in de Natura2000-aanwijzingsbesluiten. Met deze actie willen we o.a. maximale realisatie van de Europese doelstellingen bereiken. Daarnaast moet de ambitiekaart ander Provinciaal beleid zo goed mogelijk bedienen, denk aan de Weidevogelnota en Bossenstrategie. De huidige ambitiekaart wordt vooral geraadpleegd bij de inrichting van nieuwe natuur. In het reguliere beheer van bestaande natuur is er minder aandacht voor. Voor de beheerders is er op dit moment ook geen aanleiding/ mogelijkheid om actief op ambitietypen in te zetten binnen bestaande natuur.
Met de overkoepelende aanpak ‘grip op kwaliteit’ wil de Provincie samen met de gecertificeerde beheerders gerichter gaan werken aan het realiseren van de afgesproken ambities, ook binnen de bestaande natuur. Juist daarom is het zo belangrijk dat deze ambitiekaart breed gedragen wordt. Het voorstel De dienst wil het komende jaar een actieve consultatie uitvoeren, om zoveel mogelijk verbetermogelijkheden voor het Friese deel van de NNN te verzamelen. Dit willen we doen aan de hand van enkele vooraf op te stellen werkafspraken (zie laatste pagina van dit pva). Hiervoor zullen we namens GS een brief uit doen. Uit de verzamelde verbetermogelijkheden zullen keuzes worden gemaakt die leiden tot een nieuwe, geactualiseerde - NNN-kaart, - beheertypenkaart en - ambitiekaart. Deze kaarten zullen in september 2023 ter goedkeuring aan GS worden voorgelegd, als onderdeel van de vaststellingsprocedure van het Natuurbeheerplan. Na deze actualisatieslag zal dit voortaan jaarlijks de werkwijze zijn. Doelen Doelen van de voorgestelde actie zijn dat: • • • •
de begrenzing van het Friese deel van de NNN actueel, herkenbaar, logisch en voor de natuur effectief wordt; de begrenzing van het Friese deel van de NNN aansluit bij andere planologische beleidsstukken zoals de Natura2000-aanwijzingsbesluiten en gemeentelijke plannen; de binnen het Friese deel van de NNN te realiseren natuurbeheertypen herkenbaar, realistisch en haalbaar zijn; afgesproken natuurambities realistisch, herkenbaar en haalbaar zijn en zo goed mogelijk bijdragen aan andere doelen en opgaven voor het landelijke gebied.
Samenhang met andere ontwikkelingen Dit voorstel maakt deel uit van de aanpak ‘grip op kwaliteit’, waarmee de Provincie meer aandacht aan de kwaliteit van het Natuurnetwerk wil geven én samen met beheerders actiever wil gaan werken aan de realisatie van de afgesproken natuurambities. Daarmee wordt meer recht gedaan aan het Friese deel van de NNN als belangrijk onderdeel van een toekomstbestendig landelijk gebied. Voorgestelde werkwijze Input voor de actualisatie willen we actief gaan ophalen met behulp van een consultatieronde langs alle zes gecertificeerde beheerders, Wetterskip, Natuer mei de Mienskip, Gebiedscommissies, gemeenten, agrarische collectieven en andere agrarische organisaties. 2
Verder zal de actualisatie, als onderdeel van ‘Grip op kwaliteit’ ook worden aangekondigd en toegelicht in de volgende overleggen: VFG, NmdM, Beheerdersoverleg, Grien oerlis, PCLG e.a. relevante platformen. Binnen de Provincie zullen projectleiders van gebiedsprocessen worden geïnformeerd en uitgenodigd om mee te helpen. Binnenkort gaan we alle genoemde stakeholders namens GS schriftelijk informeren over de actualisatieslag en de voorgenomen aanpak en hen uitnodigen om ons te helpen. Gevraagd wordt om samen met ons kritisch te controleren - en waar mogelijk voorstellen te doen voor optimalisatie van: • •
de huidige begrenzing van het Friese deel van de NNN; de huidige natuurbeheertypen, op grond waarvan een eigenaar / beheerder beheersubsidie kan aanvragen; • de voorgenomen natuurambities, waar we samen met de terreineigenaren en beheerders actiever op willen gaan sturen . Hiervoor gaan we samen met het team ‘cijfers en kaarten’ en praktische werkwijze ontwikkelen. Daarbij is het van belang dat er bij de Provincie een centrale contactpersoon (‘coördinator’) wordt aangewezen die fungeert als aanspreekpunt en helpdesk voor de stakeholders en de resultaten terugkoppelt met de GIS-afdeling. Stakeholders die mee willen helpen krijgen een GIS-bestand of analoge kaarten toegestuurd waarin ze wijzigingsvoorstellen kunnen aangeven. De voorstellen moeten voldoen aan één of meer van de vooraf meegegeven werkafspraken, bestaande uit uitgangspunten, technische fouten en overige keuzecriteria (zie hieronder) en dienen zo goed mogelijk te worden onderbouwd door de indiener. Vooraf maken we zo goed mogelijk duidelijk hoe afwegingen zullen worden gemaakt. Zo mogelijk worden er per stakeholder nog gerichte suggesties of vragen van onze kant meegegeven. Om de werkwijze te testen en een beeld te krijgen van de omvang van de wijzigingsvoorstellen en de consequenties daarvan voor de benodigde verwerkingscapaciteit, starten we met een proef werksessie met Staatsbosbeheer.
Werkafspraken actualisatie NNN Uitgangspunten A. Uitgangspunt is dat de huidige begrenzing van het Friese deel van de NNN de basis blijft en dat het in principe om kleinere mutaties dient te gaan (<25 hectare). B. Mutaties mogen de wezenlijke kenmerken en waarden (geïllustreerd door het ambitietype van de locatie) en de samenhang van het Friese deel van de NNN niet - of slechts beperkt aantasten maar dienen deze liever te versterken. C. Grotere wijzigingsvoorstellen (>25 hectare) dienen zeer goed onderbouwd te worden en leiden per definitie tot versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden, realisatie van de ambitietypen en/of versterking van de samenhang van het Friese deel van de NNN. D. Het Friese deel van de NNN mag in zijn geheel (land + water samen) niet kleiner worden. Herstel fouten E. Kadastrale fouten herstellen (altijd doorvoeren) F. Verschillen met andere planologische beleidsdocumenten zoals gemeentelijke bestemmingsplannen corrigeren, afhankelijk van de werkelijke actuele functie en potenties voor het Friese deel van de NNN. Begrenzing van de NNN is hierin leidend. Formeel horen gemeenten de NNN over te nemen in hun Omgevingsverordening. Alleen bij hoge uitzondering kan een deel uit de NNN worden geschrapt als er geen kans wordt gezien voor herstel en een relevante bijdrage aan de kwaliteit van de NNN. G.
Verschillen met begrenzingen van natuur, Natura2000 en/of Nationale Parken corrigeren (altijd doorvoeren, in het voordeel van de kwaliteit van het Friese deel van de NNN).
3
Overige keuzecriteria H. De kans dat een grondeigenaar nu of in de directe toekomst (tot 2030) mee gaat werken aan de NNN wordt zeer laag ingeschat (overwegen te ruilen met een kansrijker perceel). I. Het perceel kan een belangrijke bijdrage leveren aan het realiseren van natuurpotenties van het omliggende NNN-gebied, bijvoorbeeld doordat het kan bijdragen aan het herstel van de hydrologie, andere systeemherstelmaatregelen of als (alternatieve) verbindingszone (overwegen toe te voegen). J. Maximaal gebruik maken van kansen, door welwillende grondeigenaren de mogelijkheid te bieden om subsidie aan te vragen voor het natuurbeheer (overwegen toe te voegen). K. Wanneer er sprake is van een ‘missende schakel’ in het systeem die logischerwijze opgenomen kan worden in het geheel (overwegen toe te voegen).
4
Bijlage 7d: Plan van aanpak Meer borging kwaliteit Friese deel NNN - Onderdeel van de overkoepelende aanpak ‘Grip op Kwaliteit’Aanleiding In de aanpak ‘Grip op Kwaliteit’ is gesignaleerd dat de bestaande SNL-instrumenten voor de borging van de natuurkwaliteit en de maatschappelijke legitimatie in principe voldoende zijn, te weten: • Certificering van de beheerder • Monitoring en beoordeling natuurkwaliteit • ‘Goede gesprek’ tussen provincie en beheerder over de natuurkwaliteit De uitvoering van de onderdelen ‘Beoordeling’ en het ‘Goede gesprek’ door de Provincie Fryslân kunnen evenwel worden aangepast, zodanig dat ze beter voldoen aan de afgesproken bedoeling en (waarschijnlijk) ook leiden tot betere resultaten. Doelstelling 1. Beter invulling geven aan het onderdeel ‘Beoordeling’ 2. Beter invulling geven aan het onderdeel ‘Goede gesprek’ Beide zullen leiden tot: •
Verbeterde samenwerking met de gecertificeerde beheerders waarbij optimaal gebruik wordt gemaakt van elkaars resultaten, kennis en ervaring; • Verbeterde werkwijze voor de ‘goede gesprekken’ die leiden tot concrete afspraken over het realiseren van doelen en ambities en wat daarvoor nodig is; • Verbeterde samenwerking tussen teams op de opgave Grien Fryslân waarbij beschikbare informatie, kennis en ervaring binnen de opgave Grien Fryslân optimaal wordt benut. Op die manier krijgt de Provincie Fryslân meer grip op de kwaliteit van het Friese natuurnetwerk en worden de afgesproken ambities samen met de gecertificeerde beheerders actiever gerealiseerd. Gebruikte afkortingen ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
PF = Provincie Fryslân SNL = Subsidiestelsel Natuur en Landschap SrNL = Subsidieregeling Natuur en Landschap Fryslân 2019 BO = Kwaliteitsbeoordelingen van de Provincie zoals bedoeld in de SNL IKB = Interne Kwaliteitsbeoordelingen van gecertificeerde beheerders
1
Aanpassingsvoorstellen werkwijze Beoordelingen Uit een analyse van de huidige werkwijze die is uitgevoerd ter voorbereiding van de aanpak ‘Grip op Kwaliteit’ zijn de volgende aandachtspunten naar voren gekomen. Gecertificeerde beheerders hebben een kwaliteitshandboek waarin ze hun werkwijze en processen beschrijven. Deze bestaan vrijwel altijd uit een Plan – Do – Check – Act-cyclus. Plan: Beheerders maken om te beginnen voor hun gebieden beheerstrategieën, -plannen of -visies waarin ze de doelen en potenties van een gebied beschrijven en vertellen hoe ze die met inrichting en beheer trachten te behouden of te ontwikkelen. Tot dusverre doet de PF weinig of niets met deze plannen in haar BO’s. Do: gecertificeerde beheerders voeren het beheer van hun terreinen uit zoals beschreven in de vigerende beheerplannen etc. Soms wordt een deel van het werk uitgevoerd door pachters of door loonbedrijven onder regie en voorwaarden van de gecertificeerde beheerder. In de Provinciale subsidieregeling Natuur en landschap is in artikel 2.9 lid 5 de zogenaamde “novembermelding” opgenomen. Ook in de uitvoeringsovereenkomsten wordt hiernaar verwezen. Met deze meldplicht worden o.a. en vooral afwijkingen op het voor de natuurdoelen noodzakelijke beheer bedoeld. De Provincie ontvangt idd.
van enkele (nog niet alle!) beheerders jaarlijks een overzicht van afwijkingen, wat tot dusverre voor kennisgeving wordt aangenomen. Check: We onderscheiden de SNL-monitoring (door zowel beheerders als ook PF) en de beoordelingen (door zowel de beheerders als ook de PF). Met name bij dit onderdeel valt het op dat zowel Provincie als beheerders hier onderdelen van uit voeren, waarbij er soms (gedeeltelijk) sprake lijkt van overlap, terwijl er niet optimaal gebruik wordt gemaakt van elkaars kennis en producten. Zo worden de planning van monitoring en beoordelingen nog niet optimaal op elkaar afgestemd. Ook worden de resultaten van de monitoring en de beoordelingen nog niet standaard met elkaar gedeeld. Met Interne kwaliteitsbeoordelingen (IKB's) plannen en evalueren gecertificeerde beheerders het beheer van hun natuurterreinen. Daarbij worden de resultaten van de SNL-monitoring en informatie over het uitgevoerde beheer gebruikt, naast gebiedskennis, expert judgement en overige beschikbare informatie. De IKB’s leiden tot actiepunten, die de beheerders doorvoeren in hun beheer- en werkplannen (= Act). Ook de Provincie voert beoordelingen (BO’s) uit, op grond van de SNL-monitoringresultaten die in de NDFF zijn te vinden en de RNN-tool. Standplaatsfactoren worden berekend m.b.v. Iteratio op grond van actuele vegetatiekaarten.
Het valt op dat zowel de beheerder als ook de Provincie grotendeels los van elkaar beoordelingen uitvoeren. De Provincie wordt niet standaard betrokken bij de IKB's en de resultaten van de IKB's worden niet standaard gedeeld met de Provincie. Andersom krijgen de beheerders ook de Provinciale (RNN) beoordelingen (BO’s), die door team monitoring worden gemaakt, niet standaard toegestuurd en gebruiken ze deze niet bij de IKB's. Sommige beheerders werken zelf ook met de RNN-tool. Verder worden de Provinciale BO’s op dit moment grotendeels zelfstandig uitgevoerd door het team monitoring (in overleg met het team Natuurkwaliteit). De resultaten beperken zich tot kaartanalyses per onderwerp, waarbij een nadere toelichting en duiding vaak ontbreekt. Op verzoek wordt incidenteel het team ecologen hiervoor ingeschakeld. Informatie van de teams water, stikstof en Natura2000 wordt niet standaard betrokken bij de BO’s. Het team Natura2000 werkt momenteel bijvoorbeeld aan de Natuurdoelanalyses voor de stikstofgevoelige Natura2000-gebieden. Ook het team water beschikt over veel gegevens, bijvoorbeeld van grondwatermeetnetten. Al deze informatie kan ook voor de BO’s beter gebruikt worden. De beoordelingen gaan over het actuele beheertype en de kwaliteit daarvan. Ambities kunnen minder goed worden beoordeeld omdat daarover geen gegevens beschikbaar zijn.
In de analyse wordt wel beschreven welke ambities nog moeten worden gerealiseerd. 2
Aanpassingsvoorstellen: 1. Zorg voor een centrale opslaglocatie voor alle stukken die te maken hebben met een BO; 2. Stel als PF (jaarlijks) een monitoringplan op en stem dat af met de beheerders (tijdens het monitoringsoverleg). 3. Maak als PF afspraken met de gecertificeerde beheerders over het delen van beschikbare informatie en resultaten (beheerplannen, monitoring en beoordelingen) en gebruik deze bij de BO’s 4. Evalueer samen met de beheerders nut en noodzaak van de ‘novembermelding’. 5. Betrek àlle relevante teams op de opgave Grien Fryslân (monitoring, water & bodem, Natura2000, ecologen e.a.) bij de BO’s: breng ze (jaarlijks) op de hoogte van de planning – stem deze zo nodig beter op elkaar af - en vraag hen beschikbare info tijdig aan te leveren. Beschrijf duidelijk wat je van de verschillende teams verwacht. Nodig hen bovendien uit mee te denken/ te praten/ te schrijven aan de BO's en maak hier goed onderbouwde documenten van. 6. Neem in de BO’s ook iets op over de afgesproken ambities: in hoeverre gaan ontwikkelingen in de goede richting of zijn ambities al gerealiseerd? Wat is er voor nodig om hier een plus op te zetten? 7. Stem als PF de planning van BO’s zo goed mogelijk af op die van de IKB’s van de beheerders, laat ze liefst op elkaar aan sluiten. Probeer als PF zo nu en dan aan te sluiten bij de IKB’s.
Aanpassingen ‘Goede gesprek’ Na het afronden van de IKB en BO moet ook het ‘goede gesprek’ tussen de beheerder en de Provincie liefst zo spoedig mogelijk plaatsvinden. Voor het goede gesprek is met BIJ12 afgesproken dat de volgende onderwerpen worden behandeld: ▪ Resultaten monitoring beheerders ▪ Kwaliteit gebieden NNN op basis van beoordeling monitoring SNL door provincie Het gesprek vindt plaats op verzoek provincie, die voert agenda en verslaglegging. De provincie analyseert de natuurkwaliteit van de beoordelingsgebieden; de beleidsmonitoring. Aangeraden wordt om het goede gesprek te combineren met een veldbezoek. Het gesprek kan zowel met één als ook met meerder beheerders tegelijk plaatsvinden. Als PF vinden we het gewenst dat als resultaat van het goede gesprek samen een duidelijke afsprakenlijst wordt opgesteld. Aanpassingsvoorstellen: 1. Pas de Friese Natuurkwaliteitsdag zodanig aan dat deze voldoet aan de bedoeling van het goede gesprek (zoals recentelijk geëvalueerd en opnieuw vastgelegd). 2. Organiseer dat spoedig na het afronden van BO en IKB het ‘goede gesprek’ tussen PF en beheerder(s) plaatsvindt. 3. Stel samen als resultaat van het ‘goede gesprek’ een actiepuntenlijst* op.
3
De actiepuntenlijst* De actiepuntenlijst, die het resultaat is van het goede gesprek, kan worden onderverdeeld in: • Afspraken over de te realiseren beheertypen en de kwaliteit daarvan • Afspraken over te realiseren ambities (indien anders dan beheertype) Waarbij die afspraken weer kunnen worden onderverdeeld in: • Het optimaliseren van het beheer • Het aanpassen van de inrichting van een terrein • Het oplossen van gebied-overstijgende/ systeemknelpunten • Het aanpassen van het Natuurbeheerplan: beheertype en/of ambitiekaart Overwogen kan worden om met de beheerder(s) een minimumkwaliteit af te spreken voor het te realiseren beheertype met als uitgangspunt dat “slecht” geen optie is (tenzij bij hoge uitzondering). Dit zou ook als algemene afspraak in de Uitvoeringsovereenkomsten kunnen worden vastgelegd. Verder kan de Provincie met de nieuwe werkwijze t.a.v. het goede gesprek actiever sturen op het realiseren van de ambitiekaart. In het geval van daarvoor benodigde inrichtingsmaatregelen of gebied overstijgende knelpunten kan de Provincie bijvoorbeeld een actievere rol spelen, bijvoorbeeld door deze op te nemen in lopende gebiedsprocessen of door samen met de beheerder een SKNL-aanvraag voor te bereiden. Een andere mogelijkheid is om als provincie tijdelijk een (duurder) overgangsbeheer te financieren als dit nodig is om een ambitie te realiseren.
Er zijn al Provincies die dit faciliteren. De afspraken uit de goede gesprekken kunnen verder bijvoorbeeld als bouwsteen worden gebruikt bij de NPLG-gebiedsprocessen. Adviezen en vragen aan het Bedrijfsbureau Beoordeeld moet worden of de bestaande PN-programmering voldoende ruimte biedt om alle voorgestelde ontwikkelingen op te vangen. Komen de onderdelen hectare-ontwikkeling en natuurkwaliteitsontwikkeling beide voldoende uit de verf? Voor het oplossen van gebied overstijgende (systeem)knelpunten en het verbeteren van de ambitiekaart kan het nodig zijn om nader (verdiepend) onderzoek te laten doen (Lesa). Hiervoor dient een jaarlijks onderzoeksbudget beschikbaar te worden gesteld (is nu €25.000 per jaar). Als we kortom actiever willen werken aan ambities en een hogere natuurkwaliteit dan zullen we gebruik moeten gaan maken van meer beschikbare SNL-instrumenten en daar budget bij moeten reserveren. Een andere kans is om geld uit het UPN (Uitvoeringsprogramma Natuur) en NPLG (Nationaal Programma Landelijk Gebied) te labelen voor het optimaliseren van de kwaliteit van het Natuurnetwerk en het realiseren van afgesproken ambities. Alle nieuwe (interne) werk- en procesafspraken dienen te worden vastgelegd in één of meer AO’s (administratieve organisatie).
Geadviseerd wordt tot slot om het plan van aanpak ‘Meer Borging kwaliteit NNN’ toe te voegen aan de Uitvoeringsovereenkomst realisatie Natuur- en landschapsbeheer behorende bij de SrNL subsidiebeschikking voor de gecertificeerde beheerders en de belangrijkste aanbevelingen daaruit over te nemen in deze overeenkomsten.