CConstaterende datTytsjerksteradiel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Bijlagen bij concept FPLG 9 mei 2023

RAAD IEPEN POADIUM (RAADZAAL) 15 juni 2023, gemeente TytsjerksteradielBij agendapunt: Concept Frysk Programma Landelijk Gebied (FPLG) (procedureel)38.573 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Bijlagen Frysk Programma Landelijk Gebied ‘It is mei sizzen net te dwaan’

Versie: 2.0. Datum: 9 mei 2023

Voorwoord In dit document treft u de bijlagen aan van het Frysk Programma Landelijk Gebied. Wij hebben ervoor gekozen om het hoofddocument van het FPLG compact op hoofdlijnen neer te zetten. Maar zoals u leest, is er nog veel essentiële informatie beschikbaar die belangrijk is om het hoofdocument goed te kunnen duidden. Vandaar deze bijlagen. De status van de bijlagen is geen andere dan die het woord als doet vermoeden. Het is een bijlage en hoort daarmee niet tot het FPLG zelf. Als daar ooit onduidelijkheid over is; de tekst van het hoofddocument is leidend. Maar in praktische zin zijn de bijlagen geschreven als verlengstuk van het FPLG om de lezer zo goed mogelijk ten dienste te zijn. De bijlage over de kostenraming van het FPLG is niet volledig opgenomen in deze bijlage. De reden daarvoor is dat het onderdeel grond vertrouwelijke informatie bevat. Alle andere onderdelen zijn wel terug te lezen in de bijlage. De voorliggende bijlagen zijn nog niet compleet. In de ontwerpversie worden er nog drie bijlagen toegevoegd, te weten: • • •

een verkenning van het Gebiedsgericht Werken in het kader van het FPLG een overzicht van de maatregelpakketten die worden ingediend bij het Rijk op 1 juli een samenvatting van de Natuurdoelanalyses.

De Natuurdoelanalyses en maatregelpakketten worden ook integraal op 1 juli aangeboden aan het Rijk.

2

Inhoudsopgave Voorwoord Bijlage 1: Samenvatting handreiking Gebiedsprogramma's Bijlage 2: Samenvatting Ontwikkeldocument Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG). Bijlage 3: Samenvatting Kamerbrief Water en Bodem sturend (WaBoS) Bijlage 4: Opbrengst Hackathon FPLG Bijlage 5: Water- en bodemsysteem Fryslân Bijlage 6: Fryslân Klimaatbestendig 2050+ Bijlage 7: Aanpak Natuur en Biodiversiteit Bijlage 7a: Aanpak Natura 2000 Bijlage 7b: Natuurnetwerk - Aanpak Grip op Kwaliteit Bijlage 7c: Plan van Aanpak actualisatie Friese deel NNN Bijlage 7d: Plan van aanpak Meer borging kwaliteit Friese deel NNN Bijlage 7e: Financiële consequenties realisatie strategie Grip op kwaliteit Bijlage 7f: Aanpak ganzen in Fryslân - Samenvatting Bijlage 7g: Weidevogels in FPLG Bijlage 8: Mogelijkheden voor doelsturing met Kritische Prestatie Indicatoren (KPI’s) Bijlage 9: Aanpak Stikstof - Van Uitvoeringsprogramma Stikstof (UPS) naar FPLG Bijlage 10: Reductie van Methaanuitstoot vanuit de Landbouwsector Bijlage 11: Uitwerking per deelgebied (Veen, Zand, Klei, Wadden) Bijlage 11a: Gebieds-overstijgende samenhang Bijlage 11b: Veengebied Bijlage 11c: Zandgebied Bijlage 11d: Kleigebied Bijlage 11e: Waddengebied Bijlage 12: Ontwerpende benadering Bijlage 13: Toelichting op Globale Kostenraming FPLG) Bijlage 14: Regelingen overzicht Regelgeving Bindt rechtstreeks Afdwingbaar Nadere regelingen Consequenties

decentrale overheid Algemeen 3

Europese verordeningen en richtlijnen Lidstaten Soms via gerechtelijke procedure door burgers (indien sprake is van directe werking) Beleidsregels moeten in overeenstemming zijn met verordeningen

Bijlage 1: Samenvatting handreiking Gebiedsprogramma's Aanleiding De handreiking biedt voldoende operationele invulling om te komen tot provinciale gebiedsprogramma’s NPLG voor 1 juli 2023. De handreiking vormt daarmee de inhoudelijke basis voor de toetsing van de gebiedsprogramma’s van 1 juli 2023. Aan waterschappen, gemeenten en andere gebiedspartijen – zoals agrarische ondernemers en maatschappelijke stakeholders – biedt de handreiking inzicht. De handreiking is een operationele aanvulling op het Ontwikkeldocument NPLG, dat de stand van zaken rond de uitwerking van de doelen, de structurerende keuzes en aanpak weergeeft. De handreiking gebiedsprogramma’s is in maart 2023 geactualiseerd en door het kabinet vrijgegeven om te gebruiken bij de verdere ontwikkeling van de gebiedsprogramma’s Doel gebiedsprogramma Het gebiedsprogramma geeft op hoofdlijnen een passende, gebiedsgerichte uitwerking per provincie van de indicatieve regionale doelen van het NPLG (zie startnotitie en het Ontwikkeldocument NPLG). De uitwerking bevat een eerste programmering van maatregelpakketten, die voldoende inzicht geeft in hoe deze doelen behaald worden. De regionale doelen zijn nog indicatief. Het interbestuurlijk proces tussen oktober 2022 en juli 2023 kan leiden tot aanpassingen van deze doelen, met in achtneming van de geldende internationale verplichtingen.

De doelen worden vastgelegd in het NPLG. Status en vaststelling Het gebiedsprogramma als geheel is te zien als een programma onder de Omgevingswet. Het dient daarom een omschrijving te bevatten van doelen en middelen én een verantwoording over de wijze van participatie. Gedeputeerde Staten (GS) kunnen het gebiedsprogramma vaststellen via de reguliere voorbereidingsprocedure, tenzij voor een planMER wordt gekozen. Het betrekken door GS van Provinciale Staten is gewenst en zal in de praktijk veelal voor de hand liggen. Een programma is zelfbindend, wat betekent dat er zo nodig een nadere uitwerking in staat voor doorwerking naar andere partijen. Adaptief en iteratief programmeren Een gebiedsprogramma bestaat uit meerdere onderdelen. Onderdelen kunnen een positieve beoordeling krijgen, terwijl andere onderdelen nog uitgewerkt moeten worden. Na een positieve beoordeling of een gedeeltelijk positieve beoordeling kan een provincie een rijksbijdrage aanvragen voor de maatregelpakketten, onder meer uit het Transitiefonds. De gebiedsprogramma’s moeten in juli 2023 in ieder geval aan de vereisten voldoen. Onderdelen die nog niet zo ver zijn, komen aan bod in de volgende versies van het gebiedsprogramma.

Wel moet de eerste toetsbare versie van het gebiedsprogramma voor deze onderdelen op globaal niveau al inzicht geven in hoe het totale doelbereik voor een provincie/gebied, binnen gestelde termijnen en indicatieve budgetten (volgens NPLG), gerealiseerd gaat worden. Dit is een 4

voorwaarde voor het krijgen van rijksbijdragen. De ontwikkeling van gebiedsprogramma’s is een adaptief proces, met aanpassing aan veranderende contexten, inbreng en ontwikkeling van nieuwe kennis en voortdurend leren en optimaliseren van proces en inhoud. Door dit iteratieve karakter is een lerende aanpak essentieel. Bij het opstellen van het gebiedsprogramma verdient systematisch leren door het actief ophalen van nieuwe inzichten en ervaringen – uit het veld en uit onderzoek, reflectie, evaluatie en aanpassing – veel aandacht. Terwijl de gebiedsprogramma’s worden opgesteld komt de dynamiek van een mogelijk Landbouwakkoord daar nog bij. Ook komt er kennis en informatie vanuit het Rijk én vanuit provincies tijdens het proces. En generiek beleid blijft in doorontwikkeling met consequenties voor het doelbereik van NPLG. Dit vraagt een interactief en adaptief ontwerpproces met een aantal consolidatiemomenten. Dit is maar deels te overzien. Toch zijn hierover eerste afspraken richting de gebiedsprogramma’s van 1 juli 2023 te maken.

Voor de gebiedsprogramma's: • •

• • •

De gebiedsprogramma’s worden opgesteld op basis van het Ontwikkeldocument NPLG (november 2022) en de in maart 2023 geactualiseerde handreiking voor de gebiedsprogramma’s. Voor de uitwerking van de VHR-strategie – provincies en Rijk werken op het moment van verschijnen van deze handreiking nog aan nadere concretisering van deze doelen – en de uitkomsten van het Landbouwakkoord wordt voor de toetsbare versie van 1 juli 2023 aan provincies gevraagd om deze voor zover mogelijk mee te nemen. Na toetsing van de gebiedsprogramma’s volgt bijstelling. Deze bijstellingsronde biedt de mogelijkheid om de uitkomsten van het Landbouwakkoord en de VHR-strategie nader uit te werken. De vastgestelde gebiedsprogramma’s vormen de basis voor de aanvraag voor bijdragen vanuit het Transitiefonds (en mogelijk andere financieringsbronnen). Na vaststelling volgt doorontwikkeling op onderdelen in de volgende versie van het gebiedsprogramma. Deze doorontwikkeling is voorzien voor 2024.

Voor het NPLG: Het Ontwikkeldocument NPLG (november 2022) vormt de basis voor de ontwikkeling van het NPLG. • Er wordt feedback opgehaald vanuit de gebiedsprocessen. Ook het Landbouwakkoord levert inzichten op. Deze feedback en inzichten worden gewogen en landen daarna in het voorontwerp NPLG, voorzien voor juli 2023. • Het voorontwerp NPLG (gereed in juli 2023) geeft een actueel beeld van doelen en keuzes, en is de basis voor het instellen van het Transitiefonds en het toekennen van rijksbijdragen. Daarbij geldt dat de gebiedsprogramma’s niet beoordeeld worden op inzichten die na maart 2023 pas openbaar zijn (VHR-strategie en Landbouwakkoord). • Na juli 2023 kunnen de uitkomsten van de beoordeling van de gebiedsprogramma’s en uitkomsten van de planMER aanleiding zijn voor bijstelling van het voorontwerp richting ontwerpprogramma NPLG. • Zienswijze en parlementaire behandeling kunnen zorgen voor bijstelling van het NPLG zoals vastgesteld door de minister voor Natuur en Stikstof in overeenstemming met de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en de minister van Infrastructuur en Waterstaat.

Minimale vereisten gebiedsprogramma's: 1. Reikwijdte Het gebiedsprogramma omvat het gehele landelijk gebied, gedefinieerd als de contramal van het stedelijk gebied. Het begrip stedelijk gebied is vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving. De mate waarin maatregelen in het landelijk gebied noodzakelijk zijn, zal sterk variëren per gebied. 2. Indeling van het programma Het gebiedsprogramma bevat een algemeen deel, een gebiedsgericht deel en een deel dat gaat over 5

financiën, risico’s en randvoorwaarden. Het gebiedsprogramma geeft inzicht in de voorstellen voor uitvoering van maatregelpakketten om zo de doelen te kunnen realiseren. Provincies moeten in het gebiedsprogramma op 1 juli 2023 in ieder geval twee maatregelpakketten aandragen. In de bijlage bij een gebiedsprogramma zijn minimaal 2 concrete maatregelpakketten uitgewerkt. 3. Deelgebieden Per provincie wordt één gebiedsprogramma opgesteld: een Provinciaal Programma Landelijk Gebied (PPLG). Het PPLG bevat een ruimtelijke verdeling van de opgaven en maatregelen die concreet zijn uitgewerkt in deelgebieden. Het is aan de provincie om deze indeling in deelgebieden te maken. Voor de indeling van deelgebieden kan gebruik gemaakt worden van de natuurlijke kenmerken en culturele identiteit van gebieden en van voorkomende landschapstypen, zoals beekdalen en veenweidegebieden. Ook de Natura 2000-gebieden, organisaties van nationale parken en lopende gebiedsprocessen – zoals regionale veenweidestrategieën en Kaderrichtlijn Water (KRW)-deelstroomgebieden – worden betrokken bij de vormgeving van de keuzes rond de gebiedsindeling. 4. Schakel met vervolgbesluitvorming Het gebiedsprogramma vormt de schakel tussen de NPLG-doelen aan de ene kant en vervolgbesluitvorming (bestuursrechtelijk, privaatrechtelijk en feitelijke handelingen) aan de andere kant.

In het gebiedsprogramma wordt daarom aangegeven welke vervolgstappen er concreet nodig zijn om daadwerkelijk tot uitvoering te kunnen komen, welke partijen daarbij betrokken zijn (onder meer waterschappen en gemeenten) en welke planning daarbij hoort. Dat kan gaan om een doorontwikkeling van het gebiedsprogramma, maar de kern ligt bij de uitwerking van de vervolgbesluitvorming daarna. De provincies borgen de vervolgstappen zowel qua uitvoering als qua werking in hun gebiedsprogramma. 5. Sociaaleconomische impactanalyse De gebiedsprogramma’s van 1 juli 2023 bevatten een sociaaleconomische impactanalyse. Ook hier geldt een iteratieve aanpak: provincies kunnen de effecten gaandeweg scherper inzichtelijk maken, bijvoorbeeld via een participatietraject dat een provincie kiest. Met verdere concretisering van het gebiedsprogramma na 1 juli 2023 wordt ook de sociaaleconomische impactanalyse verder ingevuld. 6. Monitoring De provincies zijn met de gebiedspartijen verantwoordelijk voor het verzamelen en beschikbaar stellen van de gegevens die nodig zijn om de voortgang, resultaten en effecten (doelbereik en neveneffecten) van de maatregelen van het gebiedsprogramma te kunnen volgen en bij te sturen.

Daarbij wordt in eerste instantie uitgegaan van de huidige verantwoordelijkheden in de bestaande monitoringsstelsels voor a) stikstof (Wsn), b) de KRW, c) de Monitor Klimaatbeleid + KEV, en de d) natuur (Natuurpact en Uitvoeringsprogramma Natuur, inclusief de actualisatie en uitbreiding van natuurmonitoring die in opdracht van Programma Natuur is ontwikkeld). Zo wordt optelbaarheid en vergelijkbaarheid geborgd. In het gebiedsprogramma wordt een (beknopte) beschrijving gegeven van de beleidstheorie en de geplande monitorings- en evaluatieactiviteiten – mede gebaseerd op de huidige monitoringsstelsels – met relatie tot het NPLG. Om provincies hierin te ondersteunen wordt door het Rijk, in samenspraak met de provincies, een handboek monitoring opgesteld dat ook handvatten biedt voor de informatievoorziening voor de maatregelmonitoring in het Meerjarenprogramma Transitie Landelijk Gebied, in de vorm van een jaarlijks te actualiseren programmaboek. 7. Participatie In het gebiedsprogramma wordt verantwoording afgelegd over de wijze waarop de participatie rond de totstandkoming van het gebiedsprogramma – formeel of informeel – is ingericht, de manier waarop gebiedspartijen zijn betrokken én wat met de opbrengsten van de participatie is gedaan. 8. Samenhang In het gebiedsprogramma wordt bij het maken van keuzes en de selectie van maatregelen in samenhang naar 6

de relevante opgaven in het gebied gekeken. De handreiking bevat visualisaties van hoe samenhang er op gebiedsniveau kan uitzien, uitgewerkt naar landschapstype. 9. Uitwerking van doelen en structurerende keuzes voor het gebiedsprogramma van juli 2023 en verder Zie hoofdstuk Doelen 10. Externe toetsing en ex-ante evaluatie concept-gebiedsprogramma’s De provincies vragen bij de Ecologische Autoriteit (EA) een toets aan voor hun gebiedsprogramma (zie hoofdstuk 5 van het Ontwikkeldocument NPLG). Ook externe kennisinstellingen (benoemd in het Ontwikkeldocument NPLG) evalueren het gebiedsprogramma op doelbereik. De EA voert een toets uit op de ecologische onderbouwing van de gebiedsprogramma’s en de daarin voorgestelde maatregelen en globale keuzes. Paragraaf 4.2 gaat verder in op de gevraagde onderbouwing. Er is op dit moment geen specifiek aanleverformat voor de toets van de EA.

Doelen Het NPLG richt zich op het toekomstbestendig ontwikkelen van het landelijk gebied, mede met het oog op het voldoen aan internationale verplichtingen op het terrein van: 1. Natuur, met als onderliggende opgave de reductie van stikstof 2. Water 3. Klimaat (broeikasgassen)

7

Het Rijk heeft per provincie de algemene en regionale opgaven inzichtelijk gemaakt binnen het NPLG. Onderstaande tabel geeft een samenvatting hiervan:

Tabel 1: Samenvattend overzicht regionale doelen Rijk-NPLG

Concrete doelstellingen Natuurdoelen: •

Natuurherstel Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) (2030) -

In 2030 moet 30% van de VHR-opgave worden gerealiseerd.

-

Maatregelen treffen dat voor ten minste 30% van in een ongunstige staat van instandhouding verkerende VHR-soorten en habitattypen een landelijk gunstige staat van instandhouding wordt bereikt. 8

•

•

Stikstofopgave (2030) -

2030: 74% areaal met stikstof gevoelige habitat binnen N2000 onder de KDW. (doel 2025: 50%)

-

Twee ijkmomenten in 2025 en 2028.

-

Water en bodem sturend is het uitgangspunt NPLG. De kenmerken van het water- en bodemsysteem zijn medebepalend waar stikstof het beste kan worden gereduceerd. Zo kan de stikstofopgave zoveel mogelijk gekoppeld worden aan de andere opgaven.

Bossenstrategie (2030) -

•

•

De achteruitgang van alle VHR-soorten en -habitattypen stoppen, zowel binnen als buiten beschermde gebieden.

37.400 hectare nieuw bos realiseren 14.000 hectare bos met productiefunctie een natuurfunctie te geven In de gebiedsprogramma’s verankeren waar deze bossen moeten komen, welke bostypen dat zijn en waar verdere revitaliserings-maatregelen worden genomen. Koppeling met de VHR-opgave: 10.000 hectare bos van kwalificerende habitattypes + 6.500 hectare natuur worden omgevormd naar kwalificerend boshabitat.

Natuurnetwerk Nederland (NNN) (2027) -

Resterende opgave areaal per provincie voor NNN, optellend tot 40.571 ha.

-

(3.963 ha voor Fryslân).

Hydrologische condities Natura 2000 (2027) -

Hydrologische condities voor Natura 2000-gebieden via systeemherstel op orde brengen. (grondwaterconditie, link met KRW-doel (2027))

Waterdoelen: •

Kaderrichtlijn Water (KRW) (2027)

o

o

-

Concentraties nutriënten (P en N) in grond- en oppervlaktewater voldoen aan wettelijke normen.

-

Concentraties gewasbeschermingsmiddelen in grond- en oppervlaktewater voldoen aan wettelijke normen.

-

Grondwaterlichamen voldoen aan de norm voor goede kwantitatieve toestand.

Nutriënten: -

Aanscherping mestbeleid (generiek)

-

Afbouw derogatie richting 2026 (generiek)

-

Grootschalig herstel beekdalen op zandgronden (gebiedsgericht)

-

Bufferzones 100-250 meter om nutriënten-belasting onder kritisch niveau brengen (gebiedsgericht)

Chemische stoffen -

Emissies van gewasbeschermingsmiddelen naar de leefomgeving door land- en tuinbouwbedrijven terugdringen tot nagenoeg nul op 1 januari 2030 (generiek)

9

o

Inrichting van oppervlaktewater -

o

•

Op uitspoeling gevoelige gronden teelten voorkomen waar veel gewasbeschermingsmiddelen bij worden gebruikt

De bij de stroomgebiedsbeheersplan horende fiches met daarin vastgelegd een opgave per oppervlaktewaterlichaam vormen integraal onderdeel van de NPLG-opgave per gebied.

Herstel van grondwatervoorraden -

In 15 waterlichamen zijn specifieke gebieden waar de interactie tussen grondwater en terrestrische natuur ontoereikend is. In 1 waterlichaam liggen gebieden waar de interactie tussen grond- en oppervlaktewater ontoereikend is.

-

Betere voorbereiding op langdurige droogte (robuust systeem), grondwater moet in natte perioden voldoende worden aangevuld, vooral op de hogere zandgronden van belang.

Klimaatadaptatie (2050) -

De fysieke leefomgeving in Nederland (beleid, inrichting en beheer) moet worden aangepast aan het veranderende klimaat (Nationale Adaptiestrategie (NAS) en Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie (DPRA))

Klimaatdoelen (broeikasgassen) (2030): •

Nationale klimaatdoelstelling: 55% emissiereductie in 2030

•

Emissiereductie broeikasgassen veenweiden (2030), als onderdeel nationale opgave broeikasgassen landgebruik optellend tot 1 Mton CO2 eq.

•

Landelijke emissiereductieopgave boeikasgassen veehouderij en akkerbouw van 5 Mton CO2 eq. (nog te verdelen per provincie)

•

Global Methane Pledge: methaanemissiereductie van 3,82 Mton CO2 eq.

•

Landelijke koolstofvastlegging in bomen/bos/natuur van 0,4-0,8 Mton CO2 eq, in landbouwbodems van 0,5 Mton CO2 eq. (bossenstrategie en nationaal programma landbouwbodems)

•

Restemissiedoelen voor 2030:

•

•

-

Gebouwde omgeving: 11,2 - 10 Mton (opgave 7,2 Mton3).

-

Mobiliteit: 24,9 - 23,7 Mton (opgave 3,3 – 3,5 Mton).

-

Industrie: 35,3 - 34,4 Mton (opgave 5 - 5,9 Mton).

-

Elektriciteit: 20,5 - 6,1 Mton (opgave 0,5 – 2 Mton).

-

Landbouw: 18,9 Mton (opgave 6,7 Mton).

-

Landgebruik: 2,7 – 1,8 Mton (opgave 0,8 – 1,7 Mton).

Landbouw -

Indicatief restemissiedoel veehouderij (inclusief mestaanwending in de akkerbouw) max 14,1 Mton CO2

-

Voor de gezamenlijke gebiedsprogramma’s betekent dit een landelijke reductieopgave van 5,0 Mton CO2

Landgebruik -

Indicatief restemissiedoel landgebruik is 1,8 tot 2,7 Mton CO2 10

-

Voor de gezamenlijke gebiedsprogramma’s betekent dit een landelijke reductieopgave van 0,8 tot 1,7 Mton CO2

-

Maatregelen: ▪

Koolstofvastlegging landbouwbodems (Nationaal Programma Landbouwbodems, 0,5 Mton)

▪

Vermindering broeikasgassen uit veenweiden (Nationaal Programma Veenweide, 1,0 Mton)

▪

Koolstofvastlegging in Bomen, Bossen en Natuur (BBN 0,4 – 0,8 Mton)

Groenblauwe dooradering (2050): •

Groenblauwe dooradering is ondersteunend aan de andere doelen van het NPLG

•

In 2050 bestaat 10% van het gehele landelijk gebied uit groenblauwe dooradering, waarvan 50% in 2030 is gerealiseerd.

Prioritering van doelen •

De doelen die rechtstreeks voortkomen uit internationale verplichtingen hebben de hoogste prioriteit.

•

Stikstofreductiedoelen en de instandhoudingsdoelstellingen van Natura-2000 gebieden zijn een zeer hoge prioriteit.

•

KRW doelen (2027) moeten op tijd worden bereikt anders volgen er zwaarwegende consequenties voor de economische activiteiten

•

Klimaatdoelen (2030) zijn urgente internationale verplichtingen

•

Stikstof- en natuurherstel in Natura2000 gebieden is een verplichting vanuit de WSN (Wet Stikstof en Natuurverbetering)

•

Grootschalig beekherstel heeft een zeer hoge urgentie vanwege toezegging in het addendum op het 7e NAP (Nitraatrichtlijn) en de KRW-doelen

De onderstaande figuur geeft een overzicht van de doelen in de tijd:

11

Figuur 1:Tijdlijn opgaven NPLG per thema

12

Bijlage 2: Samenvatting Ontwikkeldocument Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG). Het ontwikkeldocument (november 2022) is een aanvulling op de startnotitie NPLG (juni 2022). De belangrijkste doelen van de publicatie van het Ontwikkeldocument NPLG zijn: 1. Nadere (aanzet tot) concretisering van indicatieve doelen en structurerende keuzes uit de startnotitie NPLG, als basis voor de uitwerking van de gebiedsprogramma’s; 2. Beschrijven strategische en operationele kaders verdere uitwerking gebiedsprogramma’s, toetsing en randvoorwaarden zoals financiën en governance Structurerende keuzes De structurerende keuzes bevatten ordenende principes, die richting geven aan de ruimtelijke inrichting. De keuzes gaan in op de wenselijkheid en onwenselijkheid van (nieuwe) activiteiten in het landelijk gebied. Daarmee beschrijft het NPLG de richting voor de ruimtelijke uitwerking van de gebiedsprogramma’s door de provincies. Structurerende keuzes volgen uit de gemaakte beleidskeuzes voor natuur en stikstof, water en bodem sturend en landbouw. De structurerende keuzes zijn te verdelen in 2 categorieën: •

Keuzes met directe doorwerking naar de gebiedsprogramma’s: Keuzes die de ruimte laten voor regionaal maatwerk maar wel een plek moeten krijgen in de gebiedsprogramma’s.

•

Keuzes die meekoppelen in het opstellen van de gebiedsprogramma’s:

Figuur 2: Wat zijn structurerende keuzes

13

Keuzes directe doorwerking Overgangsgebieden

Bufferstroken langs beekdalen op hoge zandgronden Peilopzet veenweide

Inpassing areaal agrarische natuur/landschapsgrond/ nieuwe natuur Ruimte voor waterberging

Waterbeschikbaarheid verzilte gebieden Invulling 10% groenblauwe dooradering Bescherming landbouwgrond

Meekoppelende keuzes Volksgezondheid Dierziekten en zoönose Geurhinder Fijnstof

Toelichting Gebied rondom stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden waar functies en activiteiten een bijdrage moeten leveren aan natuurherstel Voor waterkwaliteit ruime bufferstroken in beekdalen op zandgronden realiseren, tevens bijdragend aan infiltratie grondwater. Vernatting van veenweidegebieden om CO₂ emissie en bodemdaling te beperken (toe bewegen naar een grondwaterstand van 20 –40 cm beneden maaiveld) Richting voor de wijze waarop deze nieuwe arealen ingepast kunnen worden en welke eigenschappen van het gebied daarbij in ogenschouw moeten worden genomen Langs waterkeringen en rivierbedden, en langs grote wateren vanwege peilfluctuaties. Betere ruimtelijke inrichting en voor het vaststellen van grenzen aan het gebruik van grond- en oppervlaktewater. Voldoende ruimte piekopvang Acceptatie van tijdelijke toename regionale verzilting en aanpassing van het landgebruik hierop. Uitleg over inpassingsmogelijkheden van landschapselementen die bijdragen aan het realiseren van 10% groenblauwe dooradering Beschermen van bruikbare landbouwgrond moet in de gebiedsprocessen nadrukkelijk aandacht krijgen om vruchtbare landbouwgrond te behouden voor de landbouw en voldoende grond beschikbaar te houden voor de extensiveringsopgave en agrarisch natuur- en landschapsbeheer.

Toelichting Gebiedsgerichte aanpak mag zeker niet leiden tot een toename van het risico op volksgezondheidsproblemen Beperken van risicofactoren voor de verspreiding van dierziekten en zoönose Verminderen van geurhinder rond veehouderijen Voorkomen dat nieuwe overschrijdingen van de fijnstofconcentratie ontstaan

14

Gebiedsprogramma’s en routekaart Het doel van de provinciale gebiedsprogramma’s is om ze gezamenlijk, programmatisch, cyclisch en adaptief uit te werken. Niet alles kan en hoeft in juli 2023 al compleet te zijn uitgewerkt. Deels kan dat de jaren daarna gebeuren. In de Handreiking (bijlage 1) staan de minimale vereisten beschreven die in juli 2023 in de gebiedsprogramma’s moeten zijn opgenomen en wat daarin de aanvullende wensen zijn. De belangrijkste momenten in de tijd zijn opgenomen in de routekaart. Remkes geeft het belang mooi weer: ‘de optelsom van gebiedsprocessen leidt tot landelijke doelrealisatie op het gebied van natuur (inclusief stikstof), water en bodem, klimaat, ruimte en de hieruit volgende landbouwtransitie.’ De toetsing en de koppeling met het Transitiefonds Landelijk Gebied en Natuur en de uitvoering zijn op hoofdlijnen beschreven.

Figuur: Routekaart NPLG over 4 sporen (ontwikkeldocument)

15

Toetsing De gebiedsprogramma’s worden op verschillende momenten getoetst: het tussentijdse ijkmoment, de ecologische toets, de doorrekening op doelbereik, de integrale beoordeling van het Rijk (inclusief de sociaaleconomische toets) en de planMER. Als het Rijk het gebiedsprogramma, mede op basis van (verwerking van) deze toetsen, positief heeft beoordeeld, kan een aanvraag voor een rijksbijdrage uit onder meer het Transitiefonds Landelijk Gebied en Natuur worden gedaan voor uitvoering van maatregelen. Daarvoor zijn spelregels opgesteld. Ook over de samenwerking en bestuurlijke afstemming zijn afspraken opgenomen. Draagvlak is cruciaal om de doelen te kunnen halen. De aanpak van het gebiedsprogramma zal niet meteen perfect zijn, en kan alleen geperfectioneerd worden door eerst praktijkervaring op te doen. Een transitie verloopt niet lineair of voorspelbaar en vergt aanpassingsvermogen van iedereen. Daarom is het belangrijk om ruimte te creëren via voldoende mandaat voor het gebied (provincies, waterschappen, gemeenten en gebiedspartners) om van start te gaan en vervolgens te blijven verbeteren aan de hand van voortschrijdend inzicht.

Financiële middelen De voorziene maatregelen in de gebiedsprogramma’s vragen over een langere periode de beschikbaarheid van aanzienlijke bedragen. Vooral met de veranderingen in de functie van grond is veel geld gemoeid. Bij elke grotere investering in het fysieke domein moet de samenhang tussen de verschillende opgaven in een gebied het vertrekpunt zijn. Dit vereist financiële zekerheid ter ondersteuning van langjarig, voorspelbaar en coherent beleid. Met het oog daarop stelt het kabinet incidenteel tot en met 2035 cumulatief € 24,3 miljard beschikbaar. Deze paragraaf geeft voor zover nu al mogelijk op hoofdlijnen duidelijkheid over de wijze waarop dit geld ingezet gaat worden. Het Transitiefonds Landelijk Gebied en Natuur heeft tot doel landbouw- en natuurmaatregelen te financieren met het oog op de opgaven voor natuur, water (kwantiteit en kwaliteit) en klimaat én de verduurzaming van de landbouw die noodzakelijkerwijs met die opgaven samenhangt. Bij dit laatste moet vooral ook gedacht worden aan de omslag die ondernemers in het gebied moeten maken, en hoe de overheid dit faciliteert. Het beheer van het fonds ligt bij de Minister voor Natuur en Stikstof. Die laat de vormgeving van het fonds en bijbehorende fondsbegroting nader uitwerken.

Hoofdlijnen zijn dat middelen – aanvullend op bestaande middelen – doelmatig en doeltreffend worden ingezet, en beschikbaar zijn voor de maatregelen vastgesteld in de gebiedsprogramma’s en voor generieke maatregelen. De fondsbeheerder heeft de taak om te beoordelen of maatregelen die worden voorgesteld, gefinancierd kunnen worden uit het fonds. De fondsbeheerder beoordeelt of maatregelen uitvoerbaar, doeltreffend en doelmatig zijn.

16

Uitvoering: Versnellingsvoorstellen Vooruitlopend op de gebiedsprogramma’s is er in het voorjaar van 2022 een uitvraag gedaan bij provincies, waterschappen en terrein beherende organisatie naar voorstellen die in 2022 en 2023 al uitgevoerd kunnen worden vooruitlopend op de gebiedsprogramma’s. De versnellingsvoorstellen moeten bijdragen aan de doelen in de integrale gebiedsgerichte aanpak: natuur (inclusief stikstof), water en klimaat. Er zijn in totaal 90 voorstellen ingediend. Van de 90 voorstellen zijn 45 voorstellen gehonoreerd waarvoor 504 miljoen euro door het Rijk is vrijgemaakt. Hiermee kan in 2022 en 2023 een versnelling worden gegeven aan: • vrijwillig uitkopen van ondernemers • investeren in innovatieve oplossingen die bijdragen aan de doelen van de integrale aanpak • uitvoeren van natuurmaatregelen • uitvoeren van maatregelen voor de KRW • investeren in meetnetwerken en onderzoek, en faciliteren van de kennisdeling op het gebied van verdienmodellen. Voor het einde van het jaar worden de financiële middelen, via een specifieke uitkering, beschikbaar gesteld aan de provincies. Daarnaast wordt een opdracht verleend aan Staatsbosbeheer voor hun inzet in de versnellingsvoorstellen. De financiering van de extra eigen inzet van provincies, waterschappen en gemeenten is een belangrijk aandachtspunt voor het Rijk en de koepels.

Dit geldt ook voor de inzet van intensief betrokken maatschappelijke organisaties.

Uitvoering: Spelregels Meerjarenprogramma Transitie Landelijk Gebied Het karakter van het NPLG is iteratief. De realisatie van de transitie landelijk gebied vraagt een meerjarige programmering. In het op te zetten Meerjarenprogramma Transitie Landelijk Gebied komen alle maatregelen samen die invulling geven aan de realisatie van het NPLG. Dit stelt het Rijk, provincies en andere betrokken partijen in staat om samen tot een beheerste realisatie te komen. Het Meerjarenprogramma geeft de voortgang van onder meer (bestuurlijke) afspraken, mijlpalen, besteding van middelen en geprognosticeerde uitgaven weer. Daarmee is het Meerjarenprogramma een belangrijk instrument om de voortgang van de realisatie van maatregelen te monitoren en, zo nodig, bij te sturen om er zeker van te zijn dat doelen binnen gestelde termijnen en indicatieve budgetten gerealiseerd worden. In een jaarlijks te verschijnen Programmaboek, dat meegaat als bijlage bij de begroting van het Transitiefonds Landelijk Gebied en Natuur, legt het kabinet over de meerjarige aanpak verantwoording af aan samenleving en volksvertegenwoordiging.

17

Bijlage 3: Samenvatting Kamerbrief Water en Bodem sturend (WaBoS) Water en Bodem Sturend (Wabos) De Kamerbrief over de rol van Water en Bodem bij ruimtelijke ordening biedt structurerende keuzes en nationale beslissingen voor doorwerking van water- en bodemopgaven bij de ruimtelijke puzzel (NOVEX, Omgevingsvisies, Omgevingsplannen, NPLG). Belangrijk daarbij is dat water en bodem niet een van de puzzelstukjes is waar we in de ruimtelijke planvorming rekening mee gaan houden, maar dat watersysteem en de bodem de tafel vormen waarop de puzzelstukjes gelegd gaan worden (sturend). Structurerende keuzes Het Rijk maakt structurerende keuzes die richting geven voor de komende decennia. Veel keuzes kunnen en moeten we nu al doorvoeren in maatregelen. Door nu keuzes te maken, kunnen we ook aangeven hoe we met lange termijn ontwikkelingen om willen gaan. Zo kunnen overheden, ondernemers en inwoners hier al rekening mee houden. Om water en bodem sturend te laten worden, heeft iedereen een rol en verantwoordelijkheid. De structurerende keuzes hebben deels betrekking op het nationale beleid, maar kunnen ook richting geven aan of doorwerking vinden in programma’s van provincies, gemeenten en waterschappen, gebiedsprocessen, bedrijven en burgers. Voldoende water 1.

Op basis van huidige klimaatscenario, hanteren hoofdwatersysteem met ambitie weerbaar te zijn tegen een droogte, die eens in de 20 jaar voorkomt bij grote groei van economie en bevolking. 2. Omvang van alle grondwateronttrekkingen wordt in beeld gebracht. Hiermee toewerken naar een robuust grondwatersysteem en het beperken van nadelige effecten van grondwateronttrekking om in de toekomst zoveel mogelijk functies te faciliteren. 3. Toewerken naar nieuwe en diverse drinkwaterbronnen. Zorgen voor voldoende drinkwaterbronnen van voldoende kwaliteit. Provincies en drinkwaterbedrijven schalen daarbij op via regionale systemen naar een verbonden landelijk drinkwaternet. 4. Toewerken naar een drinkwatergebruik per hoofd van de bevolking van 100 liter in 2035 (thans 125 liter) en beperken laagwaardig gebruik van drinkwater. Grootverbruikers vragen we het drinkwatergebruik met 20% te reduceren. Schoon en gezond water 5. Maatregelen uitvoeren van Kaderrichtlijn Water (KRW), Stroomgebied-beheerplannen 2022-2027, het 7e Actieprogramma, Nitraatrichtlijn 2022-2026 met bijbehorend addendum, de derogatiebeschikking, de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW) en uitvoeringsprogramma’s zoals voor reducties van medicijnresten en andere chemische stoffen. Provincies geven in samenwerking met waterschappen en andere gebiedspartners aan welke maatregelen waar nodig zijn om de doelen te halen. 6.

Begrenzen van koelwaterlozingen op grote rivieren. Daarmee blijft de temperatuur van rivierwater op een acceptabel niveau.

1

Ruimte voor water 7. Creëren van ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water in onze ruimtelijke inrichting, landgebruik en landbeheer. Vergroten van de veerkracht van hoofdwatersysteem en regionale watersystemen. Wordt uitgewerkt door Rijk, waterschappen, provincies en gemeenten in de gebiedsprogramma’s. 8. Rekening houden met grotere peilfluctuaties en de optie van peilaanpassingen van het IJsselmeer en het Markermeer. Hiermee zoetwatervoorziening vanuit het IJsselmeer en Markermeer borgen in de toekomst. Optie om de huidige zoetwaterbuffer van 20 cm naar 50 cm te vergroten. Daarnaast de waterafvoer naar de Waddenzee vanuit het IJsselmeer veiligstellen. Dit betreft de optie om het winterpeil met 30 cm te laten meestijgen. 9. Geen nieuwe landaanwinning (eilanden) toestaan in het IJsselmeergebied, behalve voor overstroombare natuur en om te voldoen aan de N2000 doelstellingen en KRW. Waterbergend vermogen en zoetwatervoorraad van nationale regenton wordt daarmee gegarandeerd. Partijen houden hier vanaf heden rekening mee en het Barro of de BKL onder de Omgevingswet wordt hierop in 2026 aangescherpt. Bestaande vergevorderde afspraken over uitbreidingsprojecten worden gerespecteerd. De voorwaarden voor buitendijks bouwen op het bestaande land worden aangescherpt. 10. We staan in de uiterwaarden (Beleidslijn grote rivieren) geen nieuwe bebouwing meer toe.

Daardoor rivieren klimaat-robuuster en voorkomen we toenemende schade. Partijen houden hier vanaf heden rekening mee. 11. Actualiseren de huidige reserveringszones rond primaire waterkeringen (dijken en kust). Daarmee reserveren we ruimte voor toekomstige dijk- en kustversterkingen, en maken ze zo blijvend mogelijk. 12. Verzoeken provincies, waterschappen en gemeenten zowel op dijken, als binnendijks, de biodiversiteit te bevorderen. Hiermee zorgen we voor robuuste watersystemen. 13. We reserveren de 5% tot 10% van diepste delen polders voor waterberging. We voorkomen hiermee wateroverlast als gevolg van aanhoudende regenval of piekbuien. Dat betekent dat die delen gevrijwaard blijven van nieuwe bebouwing. 14. Kustuitbreiding niet toegestaan. Voorkomen van onnodige druk op zandvoorraad (cruciaal voor kust m.b.t. zeespiegelstijging). Bodem 15. Versterken regie op de inrichting van de ondergrond. 16. Zo efficiënt mogelijk gebruik van ruimte bij verstedelijking en infrastructuur. 17. Zo min mogelijk bodem afdekken en herstellen waar mogelijk ook in stedelijk/bebouwd gebied; via ladder duurzame verstedelijking 18. Behoud voor de toekomst waardevolle landbouwgronden 19. Tegengaan bodemverstoring door ontgraving en grond hoogwaardig hergebruiken. 20. Herijken aanpak diffuse bodemverontreiniging

2

Bebouwd gebied 21. Risico’s van overstromingen, wateroverlast, bodemdaling en drinkwaterbeschikbaarheid richtinggevend bij de locatiekeuze en inrichting van woningbouw. 22. Benutten locaties waar in de toekomst ruimte nodig is voor waterberging, rivierafvoer en toekomstige dijkversterkingen niet voor bebouwing 23. Maatlat voor een klimaat adaptieve en natuur inclusieve bebouwde omgeving 24. Sturen op zo min mogelijk afdekking van de bodem. Zorgt voor behouden van landbouwgrond, reduceren hittestress en bevorderen we waterinfiltratie. Laagveengebieden 25. Bewegen naar een grondwaterstand van 20 cm tot 40 cm onder maaiveld, afhankelijk van de bodemcompositie, omstandigheden van het watersysteem en de behoeften van het gebied. 26. Minimaliseren de aanvoer van gebiedsvreemd water. Zoveel mogelijk zoetwater beschikbaar houden voor peilopzet en tegengaan verzilting. 27. Duurzaam beheren van landbouwgronden. Onomkeerbare oxidatie van veen voorkomen en waardevolle landbouwgronden behouden (aanvulling op structurerende keuze 18). Verziltende kustgebieden 28. Rijk en waterschappen zetten zich in voor aanvoer van zoetwater, maar garanderen en faciliteren geen nieuwe maatregelen om verziltende gebieden te voorzien van zoetwater van elders. 29.

Alle watergebruikers moeten rekening houden met en zelf maatregelen nemen om beter bestand te zijn tegen periodes van extreme droogte, watertekorten en verzilting. Hoge zandgronden 30. Houden water langer vast en voeren het minder snel af, herstellen daarmee de sponswerking van de bodem en bereiken een robuust grondwatersysteem. 31. Verhogen de grondwaterpeilen met mogelijk 10 cm tot 50 cm. Daardoor wordt op de hoge zandgronden verdroging bestreden. Omdat het hier maatwerk betreft, wordt dit in gebiedsprocessen verder uitgewerkt. 32. Grootschalig herstel van beekdalen op zandgronden voor het verbeteren van de waterkwaliteit. Hiermee doelen waterkwaliteit realiseren (vanuit de KRW en de Nitraatrichtlijn) maar ook andere doelstellingen (zoals natuur, groenblauwe dooradering en waterberging). 33. We beperken de grondwateronttrekkingen rond Natura 2000-gebieden. Daarmee voorkomen we verdroging deze gebieden.

3

Bijlage 4: Opbrengst Hackathon FPLG Common grounds; waar is het merendeel van de groep het over eens? •

Monitoring effecten; Gedurende FPLG-resultaten monitoren en effecten in kaart brengen

•

Er is draagvlak voor maatregelen voor vitale bodem

•

Perspectief voor de boer: langjarige zekerheid. Langdurige zekerheid ook voor inwoners

•

Uitwerking per gebied. Maatwerk na vaststelling van de boer

•

Water vasthouden in de grond. In de zandgronden consensus dat water vasthouden hier nodig is

•

Sturen op doelen en creëer ruimte voor maatregelen

•

Volle kracht vooruit op het Veenweideprogramma

•

Zorg voor de juiste mensen met de juiste competenties en waardering. Focus op uitvoering

•

Van start met dingen waar we het over eens zijn. Aandacht voor lock-ins

•

Transitie landelijk gebied = transitie van de overheid. Overheid moet zich organiseren om zo’n transitie mogelijk te kunnen maken

•

Snel starten met een provinciale grondbank

•

Watermanagement dicht bij de boer (zoetwaterlens en HAKLAM (Hoger Als het Kan, Lager Als het Moet, etc.)

•

Aandacht voor de mogelijkheden van innovatie

•

GBDA, NNN, N2000, BBS, bodem = VHR

•

Drukfactoren op de natuur zijn meer dan ammoniak en stikstof

•

Vee reductie geen doel op zich

•

Bij stapelen expliciet rekening houden met de sociaaleconomische impact

•

Generieke oplossingen op druk op specifieke gebieden te verlagen. Solidariteitsreductie.

•

Doorontwikkeling vezelgewassen

•

Voorlopers/koploperbedrijven moet je niet afstraffen (boodschap ook aan LNV)

•

Natuurkwaliteit en samenhang tussen natuur en landbouw. Buiten hokjes. Natuursystemen niet in hokjes. Symbiose tussen natuur en landbouw.

1

Witte vlekken; wat weten we nog niet? •

De staat van de natuur

•

Wat kan generiek, wat in GGA (gebiedsgerichte aanpak)?

•

Waddeneilanden

•

Economisch effect FPLG

•

Sociale impact FPLG

•

CO2-vastlegging buiten bos

•

Grond overige partijen

•

Duiding effect van de doelen

•

Haalbaarheid van de doelen

•

Overzicht doelen: wat is het doel/achtergrond/juridische status?

•

Landschap

•

Ruimtelijke opgave: NOVEX

•

Claim op de grond en eigendom van grond

Verschillen •

Korte vs. lange termijn: 2030 of 2050. Ambitie vs. realisme

•

Stapelen van opgaven i.r.t. ruimtelijke differentiatie (common ground)

•

‘Labeltjes’ van landbouwgrond

•

Zones rondom beekdalen en overgangszones

Boodschap aan Den Haag en Leeuwarden •

Landbouwakkoord: duidelijkheid nodig

•

Investeren in structureel beheer en inrichting

•

Meer duidelijkheid over methaan

•

Onduidelijkheid over KDW en Aerius

•

Aandacht voor onrealistische natuur

•

Botsende doelen en beleid

•

Vitaliteit platteland

•

Ruimte voor provincie, geen maatregelsturing Rijk

•

Consistent beleid

•

Geen ‘’cherry picking’’ uit het gebiedsprogramma. Sociaaleconomische perspectief hoort hierbij

•

Menselijke maat

•

Betere uitvoering (meer vertrouwen, geen uitvoering die haaks uitwerkt op doelen)

2

Bijlage 5: Water- en bodemsysteem Fryslân Inleiding Autonome ontwikkelingen en klimaatverandering zorgen voor zeespiegelstijging, bodemdaling, verzilting en een toename van extreme weersomstandigheden. Hierdoor neemt de kans op overstromingen, wateroverlast, droogte(schade) en hittestress toe, met grote sociaaleconomische gevolgen. In de ontwerpvisie ‘Fryslân Klimaatbestendig 2050+’ is geanalyseerd en beschreven hoe het water- en bodemsysteem van Fryslân functioneert en wat de hiervoor geschetste ontwikkelingen op de langere termijn kunnen betekenen. Op basis daarvan is ook beschreven dat hiervoor ruimtelijke en ingrijpende keuzes nodig zijn om in de toekomst om te kunnen gaan met extremere weersituaties en dat het water- en bodemsysteem daarbij een sturende rol heeft. Het water- en bodemsysteem is immers de basis waarop we ons land ruimtelijk is ingericht. Naast de klimaatontwikkelingen geeft ook de kwaliteit van ons grond- en oppervlaktewater reden tot zorg. De afgelopen jaren zijn er belangrijke stappen gezet in het verbeteren van de waterkwaliteit en het beschermen van onze grondwatervoorraden. Maar richting de toekomst moeten hier nog wel een paar extra stappen in worden gezet. In de KRW-nota die in 2021 is vastgesteld, zijn de maatregelen opgenomen die in de periode tot en met 2027 nog genomen moeten worden.

In deze bijlage is een analyse gemaakt van het water- en bodemsysteem en de klimaatbestendigheid daarvan en is kort samengevat wat de opgave voor de KRW voor de periode tot en met 2027 betekent.

Analyse water- en bodemsysteem en klimaatbestendigheid 1. Huidige watersysteem Fryslân wordt gekenmerkt door hoge zandgronden, laag liggende veengebieden en de kleigebieden langs het noordelijk kustgebied. Kenmerkend zijn het merengebied, de Friese boezem en de beken. Het Friese watersysteem is een boezempoldersysteem in combinatie met vrij afstromende gebieden, beschermd door primaire keringen langs IJsselmeer en Waddenzee. Het is een kunstmatig systeem, primair gericht op het afvoeren van overtollig water, met een grote afhankelijkheid van aanvoer van IJsselmeerwater in periodes van watertekort. De Friese boezem is belangrijk voor de zoetwaterafvoer en -voorziening, is verbinder van ecologische waarden en belangrijk voor scheepvaart en (water)recreatie. Water en bodem zijn nauw met elkaar verbonden. De bodem is belangrijk voor het reguleren van vocht/water en voedingstoffen, voor producerend vermogen en biodiversiteit en voor het dragen van bebouwing en infrastructuur.

1

Figuur 1, deelgebieden in Fryslân, volgens Fryslân Klimaatbestendig 2050+

Qua hoogteligging wordt de provincie Fryslân wel eens vergeleken met een “soepbord”; in het noordwesten van de provincie liggen de hoog opgeslibde zeekleigebieden. In het zuidoosten de hogere zandgronden. Daartussen ligt het laag gelegen veenweidegebied (het Lage Midden). In het kader van de Grondwaterstudie Fryslân zijn waterbalansen gemaakt voor deze deelgebieden. Daaruit blijkt dat het grondwater van het zandgebied in de richting van het laaggelegen veenweidegebied stroomt. In totaal ontvangt het Friese veenweidegebied bijna 70 miljoen kuub grondwater per jaar. Het grootste deel van dit toestromende grondwater wordt in de huidige situatie via het systeem van oppervlaktewateren en gemalen ongebruikt afgevoerd naar de Waddenzee. Elke druppel die valt en niet kan infiltreren, wordt gemiddeld binnen twee weken via watergangen en gemalen naar de Waddenzee en het IJsselmeer afgevoerd. Het vele aan- en afvoeren werkt op dit moment goed, maar er gaat waardevol zoet water verloren. Het is belangrijk om de samenhang tussen het bodem- en watersysteem en de werking ervan goed te begrijpen. Deze is verbeeld in Figuur 2. In de huidige situatie stroomt zoet grondwater vanaf de zandgronden richting het lage midden van Fryslân: de diepe veenpolders (blauwe pijl) en het veenweidegebied.

Het lage midden trekt als het ware aan het grondwater van de zandgronden en heeft daardoor een verdrogende werking op de zandgronden. Vanaf de kust stroomt onder de zeedijk door zout water richting de lage delen en sloten van het kleigebied (bovenste rode pijl). Het diepe zoute grondwater trekt langzaam steeds verder Fryslân in (onderste rode pijl).

2

Figuur 2,De samenhang in het Friese bodem- en watersysteem in een dwarsdoorsnede van noordwest (Waddenkust) naar zuidoost (Hoge zandgronden).

Het veengebied heeft in de huidige situatie dus grote invloed op het hele grondwatersysteem van Fryslân. Maatregelen in het veengebied voor de verdere toekomst spelen een rol om een houdbaar en klimaatbestendig bodem- en waterbeheer te creëren. Het huidige systeem loopt op een gegeven moment tegen grenzen aan. Dat wordt versterkt door de gevolgen van klimaatverandering. We staan richting 2050 en verder voor de hieronder verwoorde uitdagingen. •

Het wordt steeds lastiger om het veengebied in stand te houden voor verschillende functies. Voortzetten van het huidig waterbeheer en de huidige beleidslijnen resulteert uiteindelijk tot het verdwijnen van veen. Dat zorgt voor een toename van kwel vanuit de boezem en vanuit de ondergrond (zoet en zout). Door de bodemdaling nemen de grondwaterstromen vanuit de zandgronden en vanuit het kleigebied toe. Daardoor dalen grondwaterstanden in de zandgronden en (op langere termijn) trekt de diepe zoute grondwaterstroom verder Fryslân in. Door het (op termijn) verdwijnen van het veen en daarmee verder dalen van de bodem wordt het in stand houden van de boezemkanalen en -meren een ingrijpende technische en financiële uitdaging. Er zullen immers steeds hogere en duurdere polderkaden nodig zijn en de meren en kanalen komen hoog boven het maaiveld te liggen;

•

Verdere zeespiegelstijging maakt nieuwe dijkversterkingen voor waterveiligheid noodzakelijk en versterkt de verziltingsdruk;

•

Door een Rijnafvoer die steeds meer afhankelijk is van regenval, is er een afnemende leveringszekerheid van IJsselmeerwater, terwijl de behoefte aan zoet water toe gaat nemen;

•

Waterkwaliteit komt meer onder druk te staan in droge en warmere perioden;

•

De inrichting van het watersysteem is niet bestand tegen extreme droogte of extreme neerslag, de huidige capaciteit is hier niet op ingericht;

•

De bodemvitaliteit (belangrijk voor bodemvruchtbaarheid en biodiversiteit) staat in alle deelgebieden onder druk, en daarmee het vermogen van de bodem om water vast te houden; 3

•

Het behouden van een voldoende grote zoetwaterbel op de Waddeneilanden komt onder druk te staan door zeespiegelstijging;

•

Er zullen zich frequenter perioden van wateroverlast voordoen.

2. Leidende principes Om hoofd te bieden aan de autonome- en klimatologische ontwikkelingen die op ons af komen hebben zijn in Fryslân Klimaatbestendig 2050+ acht leidende principes geformuleerd.

De vraag is hoe we komen tot een systeem dat toekomstbestendig is en weerbaar tegen klimaatverandering. De komende tijd willen we met betrokken werken aan een watersysteem van de toekomst en een duurzaam gebruik van de bodem mede op basis van de hiervoor benoemde leidende principes.

3. Visie per deelgebied Veengebied Het Friese veengebied is het ‘lage midden’ van Fryslân tussen het zandgebied in het oosten en het kleigebied in het noorden en westen. Het veengebied bestaat uit klei-op-veen gebieden, dik- en dunveengebieden en de diepe veenpolders. Het veengebied heeft een sleutelrol in het klimaatbestendige watersysteem. Maatregelen in dit gebied komen zowel ten goede aan het beperken van de ondergrondse kwelstroom van het Drents Plateau als aan het beperken van de zoute kwelstroom vanaf de Waddenzee. Waterhuishoudkundige en bodemverbeteringsmaatregelen in de andere deelgebieden zullen minder resultaat bereiken als niet óók maatregelen in het veengebied worden uitgevoerd. Het veenweideprogramma vormt nu het kader voor de uitvoering in dit gebied. Met de voorgestelde maatregelen wordt de bodemdaling geremd en de uitstoot van CO2 beperkt. Het veenweideprogramma geeft echter ook aan dat de ambitie is om op termijn de bodemdaling en de uitstoot van broeikasgassen 4

nagenoeg te stoppen. De impact hiervan op sociaal economisch en sociaal cultureel gebied is fors. De komende jaren is daarom ook nadere verdieping en onderzoek nodig naar de effecten en consequenties van verdergaande maatregelen in het veenweidegebied. Daartegen over staat dat de impact van doorgaande bodemdaling op de langere termijn ook fors is en afwenteling op de toekomst en aangrenzende gebieden betekent. Dit dilemma vraagt om een zorgvuldige afweging en weloverwogen besluitvorming. Op de korte termijn is er nader onderzoek nodig voor hier keuzes in gemaakt kunnen worden. Naast het beperken van CO2 uitstoot en bodemdaling wordt in het veenweidegebied gewerkt aan oplossingen voor funderingsschade. Er wordt gewerkt aan uitbreiding van een funderingsloket en aan (subsidie)regelingen om bewoners te ondersteunen bij het in beeld brengen van de toestand van de fundering en eventueel verdere financiële ondersteuning. Belangrijk in de aanpak voor het veenweidegebied is de toekomst van de landbouw. Een belangrijke doelstelling in het veenweideprogramma is het werken aan een toekomstbestendige landbouw. Duidelijk is dat deze er anders uitziet dan de huidige. Het veenweideprogramma voorziet in het ondersteunen van boeren naar aangepaste of andere bedrijfsvoering.

Puur veen (dik- en dunveengebied) Midden in de veengebieden van Fryslân liggen puur-veenpakketten direct aan het maalveld (of onder een kleidek van minder dan 40 centimeter). Op sommige plekken betreft dit nog een dik-veenpakket (van ten minste 80 centimeter; ca. 27.000 hectare), op andere plekken ligt een dun-veenpakket (van ca. 40-80 centimeter; ca. 7.500 hectare). De hoogteligging hiervan is gemiddeld 1,0 m onder NAP. Als gevolg van de drooglegging is hier momenteel sprake van een forse bodemdaling door veenoxidatie. In het huidige veenweideprogramma wordt nu in gebiedsprocessen gewerkt aan plannen voor het verhogen van het waterpeil in de gebieden met een dik veenpakket. Op korte termijn wordt deze aanpak voortgezet en waar mogelijk zetten we in op versnelling. Keuzes welke maatregelen op de middellange en langere termijn genomen kunnen worden, worden de komende tijd verder voorbereid. Klei-op-veen Dit betreft een gebied van ca. 8.400 hectare in het westen van het veengebied, waarbij bovenop het veenpakket een kleilaag van 40 cm of meer ligt. Het maaiveld ligt hier gemiddeld 0,75 meter onder NAP. Het gaat hier om een veengebied met relatief geringe bodemdaling. Het gebied kenmerkt zich o.a. door de aanwezigheid van hoogwatercircuits langs de bebouwde delen van het gebied.

Op langere termijn kan de veenoxidatie nagenoeg gestopt worden door op de klei-op-veen gronden de waterpeilen te verhogen tot de onderkant van het kleidek. Daarmee stopt de maaivelddaling en de CO2 uitstoot. De verwachting is dat dit goed inpasbaar is in de agrarische bedrijfsvoering maar dit vraag nog wel nader onderzoek. Combinatie van opgaven zoals verflauwen van taluds ten behoeve van waterberging, in samenhang met bufferstroken volgens 7e NAP vergroten de ruimte voor biodiversiteit en invulling van GBDA. Lage delen van polders kunnen benut worden voor waterberging in natte perioden, om zo het verlies aan berging (door de verhoogde grondwaterstanden) te compenseren. Om dit te bereiken zal op kortere termijn eerst nader onderzoek gedaan worden naar deze maatregel en kunnen experimenten meer inzicht bieden in de effecten, consequenties en mogelijkheden. Met dit inzicht kan een weloverwogen afweging gemaakt worden of deze maatregel wordt ingezet.

5

Diepe veenpolders De diepe veenpolders bevinden zich in het oosten van het veengebied, grenzend aan de zandgronden (ca. 29.000 hectare). Nadat het veen voor turfwinning was afgegraven ontstonden hier moerassen, die vervolgens zijn drooggemalen voor landbouwgrond. De diepe veenpolders vormen een laaggelegen gebied (1,5 tot 2,0 m onder NAP) met nog een dunne laag veen of moerige grond op de zand-/ keileembodem. Kenmerkend zijn hoogwatersloten langs bebouwing om de funderingen nat te houden. Door de diepe ligging en het peilbeheer draineert de waterhuishouding van deze gebieden extra toestroom van grondwater uit zowel het zuidoostelijke zandgebied, als van onder de westelijk van de diepe veenpolders gelegen veengronden. De Groote Veenpolder kent een aparte positie vanwege de ligging direct naast de Rottige Meenthe en in relatie tot de wegzijging naar de Noordoost Polder. Op de langere termijn kan door peilverhogingen in de diepe veenpolders tegendruk gegeven worden aan de kwel van zoetwater vanaf de zandgronden en neemt de drainerende werking onder de veengronden in Fryslân sterk af. De leveringszekerheid van het IJsselmeer voor aanvoer van zoetwater in tijden van tekorten neemt als gevolg van klimaatverandering de komende decennia verder af. Klimaatverandering vraagt tegelijkertijd om het realiseren van meer bergingscapaciteit vanwege toename van het winterneerslagoverschot.

De diepe veenpolders kunnen worden gebruikt voor de combinatie van berging van het (winter) neerslagoverschot om daarmee de opslag (voorraad) van gebiedseigen zoetwater te vergroten en risico’s op wateroverlast in andere delen van Fryslân te verminderen. Tevens levert dit (door wegnemen extra drainerende werking en tegendruk) een bijdrage aan vergroten van de zoetwatervoorraad in de ondergrond van de zandgronden in zuidoost Fryslân. Op de kortere termijn is er nader onderzoek nodig naar de mogelijkheden voor het verhogen van peilen en bergen en conserveren van water en naar de effecten en consequenties hiervan. Kleigebied Het Friese zeekleigebied ligt tegen de Waddenzee aan en bestaat uit twee deelgebieden: de Noordelijke kleischil en de Greidhoeke. Een prominente opgave voor het kleigebied is verzilting. Vanuit de Waddenzee stroomt jaarlijks ongeveer 47 miljoen m³ grondwater onder de zeedijk door naar het zeekleigebied van Fryslân. Dit komt omdat de grondwaterstanden binnendijks lager zijn dan het zeenniveau en het lage midden van Fryslân een groot deel van het zoete water van de zandgronden afvangt. Daardoor komt de grondwaterstroming vanaf de zandgronden niet meer tot het kleigebied. Door de peilverlagingen die doorgevoerd zijn in de ruilverkavelingen, is de kwel van zout grondwater richting de sloten toegenomen. Dit leidt tot verzilting van het oppervlaktewater.

Bodemdaling als gevolg van delfstoffenwinning (gas en zout) en de daarop volgende peilverlagingen versterken het verziltingsproces. Daarnaast zorgen de intensieve ontwatering en lage peilen ervoor dat zoet water snel wordt afgevoerd, waardoor de vorming van een zoetwaterlens wordt beperkt. Verzilting is een traag, natuurlijk proces. Het laat zich niet stoppen, hoogstens afremmen. Op de langere termijn zal dit betekenen dat, door de toename van de kwelstroom richting het lage midden en de verwachte zeespiegelstijging, de verzilting in Fryslân zal toenemen. Voor het noordelijk kleigebied, waar veel akkerbouw voorkomt, betekent dit dat steeds meer water nodig is voor de doorspoeling van de watergangen. Verder neemt de zoetwaterlens in de percelen af, waardoor het risico op zoutschade flink toeneemt. Door de steeds grotere zoetwatervraag door de toenemende droogte en de toenemende kans op watertekorten in het IJsselmeer nemen de mogelijkheden om de watergangen door te spoelen af, zeker in droge zomers. De verzilting in de percelen kan alleen worden beperkt door het goed beheren van de percelen door bijvoorbeeld aangepaste drainage of zoetwateropslag. De laagste delen in het kleigebied lopen door de toenemende verzilting steeds meer risico om ongeschikt te worden voor de huidige akkerbouwgewassen.

6

Figuur 3, verdeling van zoet en zout grondwater op ca. 100 m diepte in de jaren 2015, 2100 en 2500 (Bron: Grondwateratlas Fryslân) Door het verhogen van peilen kan op de middellange en langere termijn de toename van zoute kwel worden beperkt. Door tijdig maatregelen te nemen om neerslagoverschotten beter in het gebied vast te houden, liggen er kansen voor behoud van waardevolle landbouwgebieden in het zeekleigebied. Toch zal het proces van verzilting doorgaan en zullen de laaggelegen delen van het gebied steeds meer last krijgen van te zoute omstandigheden. Deze laagtes kunnen dan worden ingezet voor (tijdelijke) opslag van overtollig water De extra ruimte en inzet van lage delen kan ook nodig zijn om bij neerslagextremen schade in de gebieden die nog optimaal zijn voor akkerbouw te voorkomen. Met het oog op de verwachte zeespiegelstijging, bodemdaling, en toenemende extremere weersomstandigheden blijft waterveiligheid ook onze aandacht vragen. In Fryslân streven we het principe van meerlaagsveiligheid1 na. Voor toekomstige versterkingen is dan ook voldoende ruimte nodig. Op de korte termijn kunnen experimenten meer inzicht geven in het omgaan met verzilting, bijvoorbeeld door de experimenteren met hogere peilen, aangepaste drainage en maatregelen om de bodemvitaliteit te versterken. Ook kunnen lopende onderzoeksprogramma’s (o.a.

FRESHEM en Zoet op Zout) meer inzicht bieden waarop een strategie kan worden ontwikkeld voor de (middel)lange termijn. Zandgebied Het zandgebied van Fryslân heeft een oppervlakte van circa 80.000 hectare en ligt boven NAP. De hoogste delen van het zandgebied liggen in de omgeving van Appelscha met een hoogte van ruim 20 meter boven NAP. Het zandgebied kan vooral worden gekenmerkt als infiltratiegebied. Een uitzondering hierop vormen de beekdalen, hier is sprake van kwel. Jaarlijks infiltreert er netto ruim 50 miljoen m³ grondwater naar de diepere ondergrond. Dit grondwater stroomt vervolgens grotendeels richting het lager gelegen Friese veenweidegebied en de diepe veenpolders. Op verschillende plaatsen in het zandgebied is op geringe diepte een slecht doorlatende keileemlaag aanwezig. Vooral gebieden met (ondiepe) keileem kunnen in de herfst/winter behoorlijk nat zijn. Maar in de zomer zakt nagenoeg overal in het zandgebied de grondwaterstand vaak diep weg. Door de lage zomergrondwaterstanden hebben de natuurgebieden last van verdroging. Gaasterland behoort qua karakter bij het zandgebied en kent deels vergelijkbare opgaven als het oostelijke zandgebied. De zandgronden zijn gevoelig voor droogte, om verschillende redenen: •

Zandgronden kunnen niet veel water vasthouden;

•

Het watersysteem is zo ingericht dat water snel wordt afgevoerd, slechts 15 % van het neerslagoverschot (nuttige neerslag) infiltreert;

•

Door intensieve ontwatering en lage peilen worden in de winter grondwaterstanden kunstmatig laag gehouden en is er geen zoetwaterbuffer voor het voorjaar en de zomer;

•

Het opgevoerde water vanuit het IJsselmeer bereikt lang niet alle delen van het zandgebied en heeft maar een beperkte invloed op het grondwater. 7

Op de middellange en langere termijn kan droogte worden voorkomen door water meer vast te houden. Dit kan door de ontwatering te beperken, watergangen minder door hoge zandkoppen te laten doorsnijden en het peilbeheer niet meer af te stemmen op de laagste gebiedsdelen. Op kortere termijn kunnen in een gebiedsgerichte aanpak, in samenhang met het aanpakken van andere drukfactoren, maatregelen worden ontwikkeld om de hydrologische toestand van verdroogde natuurgebieden te verbeteren. Ook is nader onderzoek naar het op langere termijn functioneren van de beeksystemen nodig om daar afgewogen keuzes voor later te kunnen maken. Ook kunnen op de kortere termijn eerste stappen gezet worden om meer water in het zandgebied vast te houden. Op lokale schaal zijn hiervoor al een aantal maatregelen uitgevoerd, bijvoorbeeld verondiepen van watergangen of het verbeteren sponswerking van de bodem. Ook een subsidieregeling om water vast te houden is in voorbereiding. Als zich kansen voordoen om maatregelen te nemen om water te bergen bij piekbuien kunnen deze worden verzilverd. Vooral in een gebiedsgerichte aanpak biedt dit kansen. Een punt van aandacht in het zandgebied zijn de grondwaterontrekkingen. Op korte termijn gaan we na of de meldings- en vergunningenplicht moet worden aangescherpt. De Friese beekdalen In het Friese zandgebied verdienen de beekdalen bijzondere aandacht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Tytsjerksteradiel&id=e99d314c-7e9b-49eb-8d83-82f127eb70c0