CConstaterende datTytsjerksteradiel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Concept FPLG versie 9 mei 2023

RAAD IEPEN POADIUM (RAADZAAL) 15 juni 2023, gemeente TytsjerksteradielBij agendapunt: Concept Frysk Programma Landelijk Gebied (FPLG) (procedureel)25.599 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Uit de leefbaarheidsmonitor (FSP, 2021) blijkt dat 54% van de Friezen de aanwezigheid van voorzieningen zoals supermarkt, basisschool of huisarts belangrijk vindt om aangenaam te kunnen wonen in een dorp of wijk. Voor inwoners van Fryslân is de afstand tot voorzieningen groter dan landelijk; met name tot ziekenhuizen, bioscopen en treinstations. Friezen leggen meer kilometers af dan landelijk en verplaatsen zich vooral per auto. In de afgelopen decennia is het aantal voorzieningen gedaald en de mobiliteit toegenomen (FSP, 2021). Dit betekent dat voorzieningen op een wat grotere afstand toch bereikbaar zijn. Vooral voor plattelandsbewoners is de auto daarbij een belangrijk vervoersmiddel. Niet iedereen kan echter over een auto beschikken, vanwege gezondheid of financiële middelen. De gevolgen worden voornamelijk gevoeld door inwoners met verminderde mobiliteit en inwoners met een krappe portemonnee. Maar ook steeds meer kinderen en jongeren moeten verder reizen naar hun school dan voorheen.

44

Tegelijkertijd daalt aantal vrijwilligers in Fryslân, terwijl dit juist de groep is die een belangrijk bijdrage levert aan de sociale samenhang en voorzieningen (FSP, 2021). Veel Mienskips initiatieven worden opgestart door vrijwilligers en ook aan verenigingen en kerken leveren zij een belangrijke bijdrage. Hierbij speelt vergrijzing een rol. Jongeren zijn minder bereid tot een vrijwillige bijdrage aan hun leefomgeving. Experts waarschuwen tevens voor een zelfversterkend effect van leefbaarheid (Sociaal-economisch expertpanel FPLG, april 2023). Als mensen zich minder ‘thuis’ voelen in hun leefomgeving, zijn zij minder bereid om zich hiervoor in te zetten. Hierdoor neemt de leefbaarheid af en dat heeft weer gevolgen voor de bereidheid van mensen om zich in te zetten. De Friese economie staat vanwege de dalende beroepsbevolking de komende jaren voor een grote opgave. Naar verwachting zal de beroepsbevolking met zo’n 20% afnemen (Sociaaleconomisch expertpanel FPLG, april 2023). Het aantal ouderen neemt toe en het aantal jongeren daalt. Uit de leefbaarheidsmonitor (FSP, 2021) blijkt dit in plattelandsgebieden in grotere mate het geval is. Zo trekken jongeren vaker weg om dat ze op het platteland moeilijker aan een huis kunnen komen.

Een afname van de beroepsbevolking betekent dat met minder mensen, meer geld verdiend zal moeten worden om het gemiddelde welvaartsniveau in stand te houden. Naar verwachting zal de economische impact van het FPLG voornamelijk voelbaar zijn in het agrofoodcluster. Hiermee bedoelen we de agrarische- en voedselindustrie en de bedrijven die van deze sector afhankelijk zijn, zoals stalinrichters, installatiebedrijven en verpakkingsbedrijven. Uit onderzoek van de WUR (2022) blijkt dat het agrofoodcluster in Noord-Nederland voor 15% van de economische toegevoegde waarde in de Friese economie verantwoordelijk is en voor 14% van de werkgelegenheid. Hetzelfde onderzoek toont aan dat deze cijfers voor Fryslân hoger liggen. Cijfers van het Innovatiepact Fryslân (IPF) (2023) geven voor Fryslân 20% economische toegevoegde waarde en 17% werkgelegenheid aan. Binnen de agrarische sector is sinds 2000 in zowel in Fryslân (-41%) als in heel Nederland (-46%) het aantal landbouwbedrijven sterker is afgenomen dan de oppervlakte landbouwgrond. Dit betekent dat een aanzienlijke schaalvergroting heeft plaatsgevonden van minimaal 15% (WUR, 2022). Sociaal-economische aanpak FPLG Het maken van een sociaal-economische impactanalyse waarin de impact van maatregelen op provinciaal-, gebieds- of zelfs bedrijfsniveau berekend kan worden, is op dit moment niet mogelijk.

Zo zijn nog niet alle doelen en maatregelen duidelijk en is onbekend wat de gevolgen zijn van een combinatie van maatregelen in het landelijk gebied. Ook zijn we nog in afwachting van het Landbouwakkoord, waarin afspraken worden gemaakt die het verdienvermogen van de hele sector kunnen bepalen. De komende maanden zal met experts en stakeholders verder gewerkt worden aan een zo breed mogelijke inventarisatie van de verwachte sociaal-economische effecten van het FPLG. De resultaten daarvan zullen wij delen in de verschillende gebieden in onze provincie. Daarnaast werken we aan een meet- en monitoringsmethode om de komende jaren de ontwikkelingen in de sociaaleconomische vitaliteit zo goed mogelijk te kunnen volgen. Ook het Interprovinciaal Overleg ontwikkelt een methode om in de gebieden in gesprek te gaan over de sociaaleconomische effecten. Wij combineren de maatregelen voor natuur, water en klimaat met maatregelen die de sociaaleconomische kracht van het landelijk gebied versterken. Onderdeel van dit FPLG is een voorstel voor een fonds waarbij jaarlijks € 50 miljoen beschikbaar komt dat bij de gebiedsprocessen ingezet wordt. Onze schatting is dat gedurende tien jaar € 50 miljoen euro per jaar nodig is voor de investeringen in onze gebiedsprocessen.

Voor de vier verschillende gebieden – Wadden, klei, zand en veenweide – is daarom € 10 miljoen beschikbaar als jaarlijkse investering. Daarnaast rekenen we op € 10 miljoen voor algemene, provincie-brede investeringen die bijdragen aan de sociaal-economische vitaliteit van het landelijk gebied.

45

Samen met de mensen in de gebieden willen we werken aan de sociaal-economische ‘plus’ die bij dat gebied past. Daarbij gaat het om maatwerk dat we met gebieden willen ontwikkelen. We koppelen het budget zo veel mogelijk aan de gebiedsprocessen en zoeken combinaties met Regiodeals en andere economische- en leefbaarheidsprogramma’s. De uitgaven vanuit het fonds Brede Welvaart worden gekoppeld aan de uitkomsten van de eerder genoemde sociaal-economische analyse. We kijken ook naar nieuwe vormen van samenwerking en gezamenlijk waarde creëren tussen – regionale – sectoren die dat nu nog minder doen dan mogelijk. Denk daarbij aan samenwerking tussen landbouw en industrie en/of detailhandel, recreatie en natuur, enzovoorts. Wat gaan we doen? - we brengen, met experts en in de gebieden, verder in kaart wat de sociaal-economische gevolgen van het FPLG zijn - we ontwikkelen een meet- en monitoringmethode - we vragen rijksmiddelen aan voor een fonds voor brede welvaart met een omvang van € 500 miljoen - we ontwikkelen een methode voor het bepalen van de gewenste brede welvaart op gebiedsniveau - we brengen in kaart welke investeringen in het verhogen van de brede welvaart structureel moeten worden.

46

5.5

LANDBOUW

Niet alles is maakbaar. Wel kunnen wij in Fryslân invloed uitoefenen op onze toekomst, zowel in sociaaleconomisch opzicht als op de leefomgeving. Wij zetten met dit FPLG stappen om de boer in onze provincie te ondersteunen om te komen tot een volhoudbare bedrijfsvoering. Volhoudbaar door natuurinclusief te werken, grondstoffen en mineralen zoveel mogelijk circulair te benutten en met een goed inkomen voor de boer te kunnen boeren. We verwachten dat iedere boer hier stappen in gaat zetten. Doelen Fryslân streeft naar een duurzame landbouw die natuurinclusief, grondgebonden en circulair is, bijdraagt aan het herstel van biodiversiteit, maatschappelijk draagvlak heeft en niet in de laatste plaats economisch renderend is. Er zijn verschillende perspectieven voor de boer in Fryslân en verschillende routes om daar te komen. Het maken van keuzes over de toekomst en het traject daar naartoe noemen wij het ‘transitiepad’. Het streven van het FPLG is om voor het realiseren van de doelen zoveel mogelijk aan te sluiten bij de ondernemingskracht van de Friese landbouwsector. Hoe bedrijven er in de toekomst uit gaan zien, kan beter zoveel mogelijk worden overgelaten aan het vakmanschap binnen de sector. We sturen dus op doelen, niet op middelen. Als deel van het landelijke Landbouwakkoord wordt geprobeerd om een aantal transitiepaden uit te lijnen.

Het gaat daarbij om agrarische bedrijven met een ecologisch en economisch duurzaam toekomstperspectief. De uitwerking daarvan is nog niet af. Wij zien in Fryslân op hoofdlijnen vijf transitiepaden voor het toekomstig landbouwbedrijf. 1. Hoogproductieve landbouw (gericht op volume) 2. Meerwaardige landbouw (gericht op kwaliteit, bijvoorbeeld biologisch) 3. Blauw/groene diensten (gericht op alternatieve teelten en landbouwproducten) 4. Verbreden (gericht op niet-landbouwgerelateerde producten) 5. Afbouwen Wij herkennen bovenstaande transitiepaden als wij kijken naar de ontwikkeling van het boerenbedrijf in onze provincie. Ook combinaties van de paden zijn mogelijk. De kansrijkheid van de verschillende transitiepaden hangt onder meer samen met de ontwikkeling van de consumentenvraag, eventuele beloningssystemen en de kenmerken van gebieden. De agrarische sector in Fryslân is divers en zal dat ook blijven. Sommige doelen van het FPLG zijn te groot om door de Friese overheden alleen gerealiseerd te kunnen worden. Landelijke en Europese beleidsinspanningen en middelen zijn essentieel. Zo streeft Europa naar 25% biologische landbouw en zet de minister van Landbouw erop in dat Nederland koploper kringlooplandbouw wordt in 2030.

Ten slotte zijn wij natuurlijk in afwachting van het Landbouwakkoord, dat naar verwachting van groot belang zal zijn voor het perspectief voor de landbouw in Fryslân. Huidige situatie De boer in Fryslân is een onlosmakelijk onderdeel van de leefomgeving. Zoals hierboven al aangegeven is de landbouw van strategisch belang voor Fryslân, als producent van duurzaam voedsel en grondstoffen, als economische motor van een vitaal platteland en als kundig beheerder van het landelijk gebied. De biologische landbouw heeft daarin als Europees erkend keurmerk een bijzonder positie verworven en draagt actief bij aan beeld en imago van Fryslân, als de landbouwprovincie van Nederland. 47

In Noordelijk verband wordt op dit moment verkend, hoe een natuurinclusieve kringlooplandbouw tot uitwerking kan komen. Dit kan op verschillende schaalniveaus. Ook zien wij innovaties op het gebied van humane fecaliën en hoe deze ook weer in de kringloop worden opgenomen. Naast dit spoor kan ook het spoor van verspilling en GFT afval, bijdragen aan een gesloten mineralen kringloop. Op deze manier kan de noodzaak van kunstmest verder worden afgebouwd en wordt een de mineralenkringloop volledig gesloten. Op bedrijfsniveau zijn verschillende knoppen om aan te draaien om tot een gesloten kringloop te komen. Verliezen van ammoniak en CO2 zijn nu hoog. Er zijn zowel in het management als in stallen, mogelijkheden om deze verliezen af te vangen en in te zetten voor het verduurzamen van de sector. Te denken valt aan groene kunstmest of het vastleggen van CO2 in bijvoorbeeld Agroforestry. Instrumenten, subsidies en programma’s die beschikbaar zijn, zijn onder meer de Investeringsregeling Reductie Stikstofemissie Noord Nederland (‘Laaghangend Fruit’), het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW), de Regiodeals en uiteraard de verschillende regelingen die onder het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid vallen, zoals het agrarisch natuurbeheer.

Verder stellen wij kennis en expertise beschikbaar, onder meer via de Dairy Campus, SPNA, het kenniscentrum Bodem, het kenniscentrum Verzilting, het Living Lab Fryslân, de Landbouwadviespool (LAP), de Feriening Biologyske Boeren Fryslân, praktijknetwerken zoals www.netwerkpraktijkbedrijven.nl en bemest op z’n best en kennisinstellingen. Wij maken ons hard voor een sturing op doelen voor hoofdlijnen. Op dit moment zijn er flink wat regels en verordeningen die – vaak gestapeld – bij een agrarisch bedrijf terecht komen. Inmiddels is deze stapel van voorschriften zo groot en complex dat weinigen het geheel, dat een agrarisch bedrijf aangaat, nog kan overzien. In de praktijk leidt dit steeds vaker tot knellende en onwerkbare situaties, ondanks de goede bedoeling van de verschillende regelingen. Met als gevolg een afname van het draagvlak, vermindering van handelingsperspectief en verhoging van de benodigde handhavingscapaciteit. Een goed werkende doelsturing kan individuele middelenvoorschriften op den duur overbodig maken. Aanpak op hoofdlijnen Wij willen met het Frysk Programma Landelijk Gebied de keuzes zoveel mogelijk bij de boeren zelf laten, maar ze daarbij wel ondersteunen. Deels kan dit met bestaande instrumenten en maatregelen. Waar die nog ontoereikend zijn, worden nieuwe ingezet.

Het zal hier voornamelijk gaan om tijdelijke stimulansen die boeren gelegenheid geven om zich aan te passen aan veranderende doelen en omstandigheden. Wij gaan volop door met de uitvoering van de Friese Landbouwagenda 2021-2030. Waarmee wij de komende jaren blijven werken aan thema's die ook voor het FPLG van belang zijn, of in dit programma wellicht nog minder goed zijn uitgewerkt. Dit in samenwerking met de praktijk en kennisinstellingen. Het sluiten van grondstoffen- en mineralenkringlopen is hiervan een voorbeeld als ook de begeleiding van boeren die willen omschakelen naar een biologische bedrijfsvoering. Ook met betrekking tot de andere actiepunten van de Landbouwagenda wordt kruisbestuiving gecoördineerd met het FPLG, te weten: • • • • •

Maximale toegevoegde waarde voor lokale of biologische ketens Efficiënt en duurzaam voor de wereldmarkt Nieuwe vormen en waardecreatie van agrarische diensten en producten Versterken agrarisch ondernemerschap Productiewaarden versterken door en uitwisselen van (praktijk) kennis & innovatie 48

•

Waarde toekenning vanuit gebiedswaarden, biodiversiteit en grondgebondenheid

Wij sluiten daarmee aan op agrarische toekomstbeeld van Noord-Nederland ‘Topvoedsel uit een rijk landschap’. Deze ontwikkelingen passen bij de beleidsbrief uit 2017, met als titel ‘Naar een duurzame landbouw, in Fryslân’ en de startnotitie van de Friese Landbouwagenda. Cruciaal voor de bereidheid tot verandering is het bieden van perspectief. We willen daarom agrariërs zoveel mogelijk helderheid bieden over mogelijkheden om ook in de toekomst een goede boterham te verdienen en te kunnen investeren. De beschikbaarheid van voldoende en hoogwaardige landbouwgrond in samenhang met de mogelijkheden om die grond efficiënt te kunnen exploiteren is daarbij een sleutel. In het volgende hoofdstuk komen wij daarop terug. Daarnaast nemen wij het initiatief om te komen tot een Fries Beheerfonds en het Fries Innovatiefonds voor de Landbouw. Twee fondsen waarmee wij in de periode tot 2036 – de looptijd van het Transitiefonds – de landbouw in onze provincie bijstaan om de stappen te zetten naar een duurzame toekomst. Wij vragen hiervoor middelen uit het Transitiefonds. Met het Fries beheerfonds zetten we in op doelsturing. Uit het fonds kan structureel geput worden voor het belonen van een duurzame bedrijfsvoering , via het werken met Kritische Prestatie Indicatoren (KPI's). Zo wordt sturen op doelen mogelijk en wordt een beroep gedaan op het vakmanschap en ondernemerschap van de boer.

Er zijn inmiddels drie sets KPI’s beschikbaar: twee vanuit de Biodiversiteitsmonitoren Melkveehouderij en Akkerbouw en één vanuit het landelijke kringlooplandbouw-traject (de zogeheten KPI-K’s). Het ministerie van LNV werkt met een aantal provincies en de Wageningen Universiteit aan een nieuwe landelijke KPI-set die de standaard moet worden voor publieke en private beloningssystemen. In het algemeen is er sprake van indicatoren op het gebied van onder andere voedingsstoffen, klimaat, circulariteit, water, bodem en biodiversiteit. Een uitgebreide toelichting wordt gegeven in Bijlage 8: mogelijkheden voor doelsturing met Kritische Prestatie Indicatoren (KPI's). Vanaf 2024 gaan we stapsgewijs het werken met en belonen van doelen starten. Binnen de KPI-systematiek zal gewerkt worden met drempel- en streefwaarden. De drempelwaarde is het wettelijk minimum. Pas wanneer een boer op een bepaalde KPI beter scoort dan de drempelwaarde, kan voor die prestatie een beloning toegekend worden. Aan het halen van de ambitieuzere streefwaarden wordt een hogere beloning verbonden. Beloningen zijn waarderingen zoals geld, korting op de pachtprijs, extra grond en ontheffingen. De drempel- en streefwaarden zullen worden vertaald naar de Friese situatie. Ook komen wij tot de aanvraag bij het Rijk voor de instelling van het Fries Innovatiefonds voor de landbouw.

Hiermee willen wij sprongsgewijze ontwikkelingen, die nodig zijn voor een succesvolle transitie, financieren. Met de komst van het Nationaal Programma Landelijk Gebied worden er steeds veranderende eisen gesteld aan boerenbedrijven. In sommige gevallen kunnen die hieraan niet langer voldoen door relatief kleine wijzigingen in de bedrijfsvoering. Soms zullen grotere investeringen nodig zijn om te zorgen dat landbouwbedrijven in Fryslân – vaak relatief kleine gezinsbedrijven – door veranderingen niet buitenspel worden gezet. Hierbij valt te denken aan het moderniseren van stallen, aan het realiseren van duurzame innovaties om methaan- en stikstofemissies terug te dringen, of aan het realiseren van voldoende verdienvermogen. Het Fries Innovatiefonds voor de landbouw is bedoeld om ‘hoger hangend’ fruit, dat wil zeggen meer kapitaalintensieve investeringen die nodig zijn voor de transitie, te ondersteunen. De bijbehorende 49

subsidieregeling zal vergelijkbaar zijn met die van de Investeringsregeling Reductie Stikstofemissie Noord Nederland (‘Laaghangend Fruit’), die voornamelijk kleine investeringen en verandering in de bedrijfsvoering ondersteunt. De te subsidiëren maatregelen zullen mede-afhankelijk zijn van nog vast te stellen landelijk en provinciaal beleid. Wat gaan we doen? -

-

Wij komen met een Innovatiefonds Landbouw voor verdere innovatie en vernieuwing van landbouwbedrijven. Hiervoor vragen we bij het Transitiefonds € 50 miljoen aan voor tien jaar. Om het werken met Kritische Prestatie Indicatoren te ondersteunen wordt het Fries Beheerfonds in het leven geroepen. Daarvoor vragen wij € 386 miljoen aan bij het Transitiefonds voor de periode tot 2035. Daarnaast gaan wij door met de uitvoering van de Friese Landbouwagenda 2021-2030.

50

6 INSTRUMENTEN Voor het realiseren van de doelstellingen van het FPLG zijn instrumenten nodig. Het is zonneklaar dat de beschikbaarheid van grond één van de belangrijkste instrumenten is om in de gebieden succesvol doelen te kunnen realiseren. Grond is schaars in onze provincie en wij zien dat de druk op grond steeds groter wordt. Het is voor zowel natuurontwikkeling als een vitale landbouw essentieel dat wij heldere spelregels hebben hoe wij – de grondeigenaren en de overheid – in onze regio omgaan met grond. In het kader van het FPLG zetten wij belangrijke stappen naar een meer actief grondbeleid. Daarnaast is een zogenaamde instrumentenkoffer ontwikkeld, die helpt om scherp te krijgen op welk niveau wij maatregelen en instrumenten inzetten. En wij komen met concrete voorstellen voor het intensiveren van het beheer en de inrichting van onze (agrarische) natuur. In dit hoofdstuk gaan we daar dieper op in en komen we het concrete voorstellen.

6.1

GROND

Grond speelt een cruciale rol in de diverse provinciale gebiedsopgaven. Grond is uniek en plaatsgebonden, aankoopkansen doen zich soms weinig voor. Tot dusver is de overheid – Rijk, provincie, het waterschap en de gemeente – terughoudend in de actieve aankoop van grond, terwijl dit bijvoorbeeld rond de invulling van woonlocaties of infrastructuur veel meer gebruikelijk is. Aankopen van grond is nu – en ook straks – niet een doelstelling in zichzelf. Wel gaan we veel actiever de schaarse grond inzetten voor de doelstellingen van het FPLG. Analyse van de taakstellingen van het FPLG wijst uit dat er in de nabije toekomst als gevolg van extensiveringsopgaves meer landbouwgrond nodig is om een gelijke productie te realiseren. Wij zien dat nu al bijvoorbeeld door het afschaffen van de ontheffing van het uitrijden van te veel mest (‘derogatie') en dat zal sterker worden bij de veelheid van doelstellingen die in dit plan worden beschreven. De eerste ervaring van de integrale doelstellingen van gebiedsontwikkeling in Aldeboarn de Deelen, laat zien dat er een nieuwe dynamiek loskomt, namelijk die van ruilverkaveling. Het verhogen van het waterpeil, samen met het realiseren van andere doelstellingen, wordt gecombineerd met ruilverkaveling van verscheidene landbouwpercelen in nauw overleg met de boeren. Dit komt de landbouw ten goede en borgt de nieuwe doelstellingen rondom duurzaamheid.

In de wandelgang noemen wij dit proces de ‘ruilverkaveling 2.0'. Wij vinden het van groot belang dat bij de druk op schaarse ruimte, goede landbouwgrond beschikbaar is en blijft. Ook voor natuurbeheer en -ontwikkeling is een actief grondbeleid noodzaak. Om met elkaar in Fryslân de doelen van het FPLG te realiseren en tegelijk een heldere toekomst te bieden voor ondernemers is het belangrijk is om actief de grond van ‘aanbieders van grond’ beschikbaar te krijgen ten bate van de ‘blijvers'. Soms zal dit prima gaan in onderling overleg. Als dat niet zo is zullen wij in gebiedsprocessen ons maximaal inzetten om grond beschikbaar te krijgen en te houden voor boeren die verder willen in onze provincie. Om het bovenstaande te bereiken komen wij tot de volgende uitgangspunten. 1. Daar waar het om in de realisatie van de doelstellingen van ons programma te voorzien, nodig is kopen we gronden aan. Wij gaan daarvoor in de periode 2024 en 2025 de mogelijkheden voor een actief grondbeleid verruimen. Concreet betekent dit dat wij aan het Rijk voorstellen om ons ingestelde Investeringskrediet Strategische Grondvoorraad te verruimen met € 100 miljoen euro. Daarmee zetten wij in deze periode in op verwerving van het aanbod van aanbieders van grond.

51

Om op een passende schaal aankopen te kunnen doen leggen wij in 2024 een aankoopregeling ter goedkeuring voor aan de Europese Commissie. In 2025 wordt opnieuw gekeken naar de wijze waarop wij ons op de grondmarkt begeven en de hoogte van het noodzakelijk budget grondaankopen. Ook willen wij dan opnieuw kijken hoe de samenwerking met het Rijk verloopt en worden mogelijkheden onderzocht voor een grondfonds samen met andere partijen, zoals (private) financiers. 2. Grondeigenaren kunnen de komende periode te maken krijgen met nieuwe kansen en beperkingen. Zeker als functieverandering in het spel is, is het niet vanzelfsprekend dat grondeigenaren vrijwillig tot verkoop of verkaveling over gaan. We maken gebruik van minnelijke processen – vrijwilligheid – om met elkaar tot een ruil of verkaveling van grond te komen. Mocht dit niet lukken dan bestaat de mogelijkheid om het gebiedsproces te ondersteunen door middel van wettelijke instrumenten zoals de eerdergenoemde WILG. Het is ook mogelijk om meer verplichtend te handelen, bijvoorbeeld via voorkeursrecht (Omgevingswet) of onteigening. ‘Technisch’ gezien biedt onteigening een financieel voordeel voor de verkopend eigenaar. Onteigening geeft de mogelijkheid om boven de marktprijs te vergoeden aan een eigenaar, de ‘volledige schadeloosstelling’.

Zonder onteigeningstitel, of een door de Europese Commissie goedgekeurde regeling, is dit niet mogelijk. Omdat onteigening de basis van ons rechtsgevoel raakt – persoonlijk eigendom – kiezen wij er voor het instrument van onteigening niet in te zetten. In lijn met ons eerdere besluit over de realisatie van het Fries Natuur Netwerk, kan er een moment zijn om te komen tot een heroverweging van dit uitgangspunt. 3. Het huidige grondbeleid van de provincie beperkt de mogelijkheden om – zonder budget en/of zonder gebiedsproces – grond aan te kopen. Om ruimte te bieden voor landbouw en natuur wordt dit najaar een voorstel tot verruiming van de mogelijkheden van het grondbeleid aan Provinciale Staten voorgelegd. De verruiming zal zich richten op mogelijkheid tot voorfinanciering, inzet van de Wet Inrichting Landelijk Gebied (WILG), de duur en de omvang van grondbezit door de provincie en de door de provincie in te zetten instrumenten. Criteria voor grondaankoop die wij recent hebben vastgesteld vormen hiervoor de basis. 4. Ervaring leert dat het aankopen van grond specialistisch werk is en veel tijd neemt. Tegelijk komt een mogelijkheid vaak spontaan op de markt en is snelheid van handelen vereist. Binnen gebiedsprocessen is vaak onvoldoende expertise aanwezig om door te kunnen pakken als het nodig is. Daarom stellen wij een expertteam grond in.

Dit team verbindt kansen en mogelijkheden met elkaar ter ondersteuning van gebiedscommissies. Daarnaast vormen we een provinciale vastgoedorganisatie die op basis van het Investeringskrediet Strategische Grondvoorraad en op basis van een mandaat snel en slagvaardig kan opkopen. 5. Er is momenteel een veelheid aan landelijke en provinciale regelingen die het grondinstrumentarium van Fryslân bepalen. De belangrijkste daarvan zijn: Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap (SKNL), Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderij (LBV+), Maatregelgerichte aanpak Stikstof (MGA), Nationale Grondbank, Flankerend beleid Veenweide, pacht, rood voor rood, de eerdergenoemde WILG, Friese grondbank, Natuer mei de Mienskip, kwalitatieve verplichting, grondtafels en het Aankoop Strategieplan (ASP). In bijlage 6 (Aanpak Grond) kunt u meer lezen over de diverse regelingen. Onze meer actieve inzet op het grondinstrument noodt ons tot een heroriëntatie op de samenhang en effectiviteit hiervan. In het voorjaar van 2024 stellen wij een nadere analyse op, met daarbij voorstellen voor samenhang en een werkwijze ‘wat wanneer’ wordt toegepast. 52

Wat gaan we doen? -

6.2

Wij stellen voor aan het Rijk om ons ingestelde Investeringskrediet Strategische Grondvoorraad te verruimen met € 100 miljoen euro, als onderdeel van het FPLG Dit najaar wordt een voorstel tot verruiming van de mogelijkheden van het grondbeleid aan Provinciale Staten voorgelegd Ter ondersteuning van de gebiedsprocessen wordt een expertteam grond in het leven geroepen In het voorjaar van 2024 stellen wij een nadere analyse op van het ‘wat, wanneer’ van de diverse Rijks- en provinciale grondinstrumenten.

ARKBAK

De instrumentenkoffer – of arkbak zoals we in Fryslân zeggen – voor het landelijk gebied is rijkelijk gevuld. Er zijn drie niveaus te onderscheiden waarop instrumenten kunnen worden toegepast. • Generiek. Dit zijn instrumenten die voor iedereen – iedere boer of natuurbeheerder bijvoorbeeld – beschikbaar zijn. Denk aan regelingen vanuit het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid of vergoedingen voor natuurbeheer. • Gebiedsgericht. Veel instrumenten en financiële regelingen komen beschikbaar als onderdeel van een gebiedsproces. Zo zijn in onze provincie bijvoorbeeld de landbouwcollectieven succesvol in het agrarisch natuurbeheer en komen subsidies voor duurzaamheid vrij als er gebiedsgericht wordt samengewerkt. • Bedrijfsniveau. Het laatste niveau ten slotte zijn de instrumenten die beschikbaar zijn voor een individuele ondernemer. Advies via de Landbouwadviespool of duurzaamheidsubsidies zijn voorbeelden van individuele instrumenten. Het voert te ver om in dit FPLG een totaaloverzicht van instrumenten op te nemen. In bijlage 17 is een samenvatting te vinden van veelgebruikte maatregelen en instrumenten. Wij voorkomen dat we in iedere regio van Fryslân opnieuw het wiel uitvinden met de gebiedsgerichte aanpak en werken toe naar een meer gestructureerde aanpak van het gebiedsgericht werken. De Arkbak wordt door ons als provincie beheerd in nauwe samenspraak met de Landbouwadviespool.

6.3

RUIMTELIJKE INPASSING

De maatregelen en ingrepen die binnen dit programma – en vooral straks in de uitvoering – worden geformuleerd, zullen vaak ruimtelijk en planologisch geregeld moeten worden. We gaan daarbij uit van de situatie vanaf 1 januari 2024, als de nieuwe Omgevingswet in werking treedt. Voor sommige voorstellen zal gelden dat de uitvoering past binnen de geldende gemeentelijke omgevingsplannen. Dan is uitvoering in principe toegestaan, of kan regelmatig met een beoordeling door de gemeente worden volstaan. In sommige gevallen zal wel nog een vergunning nodig zijn of moet melding worden gedaan omdat bijvoorbeeld sprake is van een milieubelastende activiteit, een flora- en fauna activiteit of een Natura 2000 activiteit. Voor activiteiten die niet passen binnen de regels van het bestemmingsplan of omgevingsplan, is een planologische procedure nodig. Als het een incidentele afwijking is, kan dat mogelijk gemaakt worden door een afwijking van het omgevingsplan aan te vragen bij de gemeente. De gemeente kan ook het omgevingsplan aanpassen voor het betreffende perceel. Als het een groter gebied beslaat kan de gemeente ook het omgevingsplan aanpassen.

53

Gaat het om maatregelen die gemeentegrenzen overschrijden, of die meerdere gemeenten beslaan, dan kan er in goed overleg met de gemeenten worden gekozen voor het maken van een provinciaal projectbesluit. De inhoudelijke voorbereiding onder de nieuwe Omgevingswet wijkt niet veel af van de huidige situatie. Wel is er een sterkere verplichting tot participatie en voorbereiding. Wij vinden het belangrijk dat we als overheid – Rijk, provincie, waterschap en gemeenten – zoveel mogelijk gelijk optrekken richting belanghebbenden in gebiedsprocessen. De gemeente heeft als eerste overheid een sleutelrol om hier goed invulling aan te geven. De provincie biedt een ondersteunende en adviserende rol aan om de ruimtelijke en landschappelijke inpassing tot stand te brengen. Voor grotere gebiedsopgaven wordt via proces van ontwerpend onderzoek gewerkt. Het planologisch instrumentarium bij gebiedsprocessen gaat verder dan de Omgevingswet. Ook bevoegdheden van het waterschap en de provincie zijn daarbij van belang.

6.4

BEHEER EN INRICHTING

Momenteel worden vele doelstellingen van een duurzaam landelijk gebied gerealiseerd met de verschillende instrumenten die er zijn voor beheer en inrichting van (agrarische) natuurgebieden. Beheer en inrichting klinkt misschien niet heel spannend, maar is voor ons de sleutel om te komen tot concrete stappen naar een duurzaam Fryslân. Wij zien hiervoor drie redenen: 1. Is Fryslân is grote belangstelling voor en deelname aan het agrarisch natuurbeheer (ANLb), wat dan ook resulteert in het grootste areaal en budget van alle provincies. Ook voor de uitrol van Aanvalsplan Grutto is veel belangstelling. 2. De regelingen van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) en het ANLb zijn ingebed in de Europese wet- en regelgeving en kunnen daarom makkelijk worden ingezet zonder tegen juridische obstakels op te lopen. 3. Vanaf 2023 is het Nationaal Strategisch Plan (NSP) leidend bij toekenning van de budgetten van het GLB en wordt het agrarisch natuurbeheer breder ingezet met extra taken op klimaat, water en ook bodem. Bovenstaande elementen zijn voor ons de overweging geweest om in onze aanpak en uitrol van het FPLG prioriteit te leggen bij beheer en inrichting. Wij doen dit tegen de achtergrond van het vervagen van de vaak harde grens die er momenteel nog is tussen natuur enerzijds en landbouw anderzijds. In de toekomst komen natuur en landbouw dichter bij elkaar te liggen.

Boeren krijgen de mogelijkheid om agrarisch natuurbeheer een structureel deel van het inkomen te laten zijn en Terreinbeherende organisaties zien kansen om te experimenteren met natte teelten of begrazingsbeheer met vee. Wij schrijven dit soort ontwikkelingen niet voor, maar zetten ons wel in om structureel – financieel – houvast te geven aan betrokkenen. De regelingen De belangrijkste regelingen die we in Nederland kennen worden – deels – gefinancierd vanuit het GLB. Sinds dit jaar worden de Europese gelden van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid uitgekeerd vanuit het eerdergenoemde Nationaal Strategisch Plan. De kerndoelen van het nieuwe GLB zijn • een slimme, veerkrachtige landbouw • Milieu, biodiversiteit en klimaat • En brede plattelandsontwikkeling. 54

Deze doelen komen overeen met de doelen van het FPLG. Concreet zijn er twee budgetten in de periode 2023 – 2027 die aanvullend aan de reguliere beleidsmiddelen in Fryslân beschikbaar zijn. Dat betreft de ‘Samenwerkingsmaatregel Veenweide en Natura 2000 – € 85 miljoen voor onze provincie – en de niet grondgebonden maatregelen als kennis, investeringen en innovatie voor in totaal € 48 miljoen voor Fryslân. Nationale financiering voor het ANLb is door de provincie gedekt middels het Natuurpact en aanvullend gefinancierd vanuit de Kadernota Fryslân 2023. Het beheer wordt uitgevoerd via de zeven agrarische collectieven in Fryslân, waarvan ruim 1.800 boeren lid zijn. Hiermee is het agrarische natuurbeheer een belangrijk instrument met een groot netwerk van deelnemende boeren in de gebiedsgerichte groenblauwe opgaven in onze provincie. Ten slotte zijn er nog diverse andere regelingen die voortkomen uit de Subsidieregeling Natuur en Landschap (SNL). Twee belangrijke daarvan zijn de SKNL – Subsidieregeling voor Kwaliteit Natuur en Landschap – en de SrNL regeling voor de beheervergoedingen voor de Terreinbeherende organisaties. Beheer en inrichting; nu, straks en later Vanuit de diverse regelingen zijn er vele zogeheten ‘meekoppelkansen’ te realiseren, die voor het FPLG van belang zijn.

Agrarisch natuurbeheer wordt bijvoorbeeld niet alleen voor weide- en akkervogels ingezet, maar ook voor de realisatie van de Groenblauwe dooradering en kruidenrijke randen en de bufferstroken die de waterkwaliteit bevorderen en de Friese landschapstypen herkenbaar houden. Investeren in beheer Het is onze ambitie om in het nu – de periode 2024 en 2025 – concrete stappen te zetten in het verbeteren van ons natuurbeheer. Een belangrijk onderdeel daarbij is het toekennen van extra beheerbudget om de provinciale ambitie te realiseren en de wachtlijsten van de collectieven te verminderen. Daarnaast willen wij het beheer ondersteunen met investeringen en extra aanleg van landschapselementen. De investeringen nodig voor het optimaal inrichten van weidevogelgebieden – Aanvalsplan Grutto – en voor aanpassing waterhuishouding, worden waar dat kan gecombineerd met de veenweideaanpak en de klimaatadaptatie. In Fryslân is meer ambitie dan beschikbaar budget. Een tweede stap is gericht op het natuurbeheer binnen de natuurgebieden. Dat betreft het verhogen van de vergoeding die wij – het Rijk en de provincie – geven aan de Terreinbeherende organisaties. Momenteel wordt 84% vergoed en daarmee blijven concrete maatregelen tot natuurverbetering liggen. In het kader van het Maatregelpakket natuur doen wij voorstellen om de beheervergoeding voor de komende zes jaar te verhogen tot 99%.

Daarnaast willen wij de middelen uit het eerdergenoemde Fries Beheerfonds zoveel mogelijk inzetten vanuit de infrastructuur van het agrarisch natuurbeheer in onze provincie. Arealen in de toekomst In het straks – de periode tot 2035 – liggen er nog andere belangrijke ontwikkelingen. Het landschapsbeheer is bij uitstek het instrument waarbij de extra inspanning en nadeelcompensatie van grondgebruikers vergoed kan worden. Een inschatting welk areaal ANLb-beheer in deze gebieden extra nodig is, moet nog gemaakt worden na analyse van de doelopgave van het totale FPLG. Hierbij worden de doelen Aanvalsplan Grutto, de zogeheten VHR-doelen, de groenblauwe dooradering en de maatregelen waterkwaliteit integraal meegewogen. Ook doen wij samen met de agrarische 55

collectieven een verkenning naar de toekomstige oppervlaktes van het areaalbeheer. Tegen de achtergrond hiervan kijken wij met een schuin oog naar de nieuwe Natuurverordening waar momenteel in Brussel over wordt gesproken. Deze ambitie vraagt in veel gevallen een aanpassing van de bedrijfsvoering van het boerenbedrijf. Samen met de collectieven gaan wij in gebiedsprocessen bekijken wat integrale verdienmodellen zijn. Naast beheer gaan we hierbij inzetten op bedrijfsaanpassingen en garantie op langjarige betaling voor groenblauwe diensten. Bij de herijking van het FPLG in 2025 komen wij hier specifiek bij u op terug. Structurele financiering Ten slotte ligt er een belangrijke opgave om de vergoedingen die de landbouw ontvangt voor het natuurbeheer een structureel karakter te geven. Het is nu moeilijk voor boeren om de reguliere bedrijfsvoering om te zetten naar een meer duurzame opzet, omdat de looptijd van de regelingen beperkt is tot zes jaar. Dit is in onze ogen een onnodige belemmering bij de stappen die we willen zetten naar een duurzaam Fryslân. Uiteraard ligt dit buiten onze directe invloed. Maar omdat wij dit element zó belangrijk vinden, nemen wij als kostendrager voor dit programma een extra post op voor financiering van beheer en inrichting voor de periode 2028 – 2035.

Zonder houvast over dit perspectief op middellange termijn ontbreekt er een belangrijk element in Fryslân om gezamenlijk de ontwikkeling van ons platteland vorm te geven. Daarbij willen wij wel benadrukken dat blijft dat het Rijk zich garant stelt voor dekking van de beheerkosten ook na de periode van 2035. Wat gaan we doen? -

In het kader van het FPLG wordt extra beheerbudget aangevraagd om de provinciale ambitie te realiseren en de wachtlijsten van de collectieven te verminderen Wij stellen voor aan het Rijk om de beheervergoeding voor Terreinbeherende organisaties de komende zes jaar te verhogen tot 99% Onderdeel van de integrale financiering van het FPLG is een aanvraag voor financiering van het agrarisch natuurbeheer voor de periode 2028 – 2035.

56

7 MONITORING, EVALUATIE EN BIJSTURING Concrete vooruitgang boeken, zorgen dat ‘doen’ ook tot de goede dingen leidt, is alleen mogelijk als bijgehouden wordt of we de goede kant op gaan en of wat we doen daarbij helpt. En, het allerbelangrijkste, op basis daarvan de steven wenden waar nodig en mogelijk. Monitoring en evaluatie, dus. Analyse in het kader van het FPLG heeft geleerd dat binnen de provincie momenteel 54 monitoringssystemen zijn die op enigerlei wijze een raakvlak hebben met het doelbereik van het FPLG. Ruim de helft daarvan is beschikbaar en heeft valide data. De andere helft is nog in opbouw of wordt niet voldoende voorzien van data. Twee belangrijke onderdelen hiervan zijn het meetnet Stikstof waar wij recent het initiatief toe hebben genomen en de doorontwikkeling van Monitoringsnetwerk Natuur als onderdeel van het Natuurpact. Om daadwerkelijk aan te kunnen tonen of we ‘de goede dingen doen’, zien wij twee verschillende onderdelen van monitoring: het doelbereik en de inspanningen. Monitoring op doelen Het eerste niveau is dat van de uiteindelijke doelen.

Wordt het water schoner, de biodiversiteit groter, leeft het landelijk gebied sociaal-economisch op? De provincies zijn met de gebiedspartijen verantwoordelijk voor het verzamelen en beschikbaar stellen van de gegevens die nodig zijn om de voortgang, resultaten en effecten van de maatregelen van het gebiedsprogramma te kunnen volgen en bij te kunnen sturen. Wij willen hierbij niet alleen kunnen meten welke doelen zijn bereikt, maar ook de tussentijdse voortgang in beeld brengen. Het streven is daarbij zoveel mogelijk aan te sluiten bij monitoring die al gebeurt, zoals voor stikstof door de RIVM, het waterkwaliteitsportaal, de bestaande monitor Klimaatbeleid en de Natuurmonitoring door BIJ12. Zo wordt in alle provincies zoveel mogelijk vergelijkbaar gemonitord, zoals via het systeem ‘VHR Compleet’ en het registratiesysteem SOMERS voor de veenweidegebieden in ons land. Natuurlijk volgen we ook de voortgang van ons sociaaleconomische hoofddoel. Dat doen we via het concept ‘brede welvaart’, dat in principe alle aspecten omvat waar mensen plezier en geluk aan ontlenen. We sluiten hiervoor zoveel mogelijk aan op de Monitor Brede Welvaart van het CBS en de monitoring van brede welvaart door ons eigen Planbureau Fryslân. Aanvullend op deze algemene doelmonitoring gaan we per gebied afspraken maken over doelmonitoring op gebiedsniveau.

Monitoring op inspanningen Als tweede willen we monitoren op het niveau van budget en maatregel. Niet altijd leidt een maatregel tot een bepaald doel en soms worden er hele andere resultaten bereikt. Ook het Rijk verwacht van ons een rapportage over de voortgang van de uitrol van maatregelen en de budgetbesteding. Wij willen deze monitoring zoveel mogelijk koppelen aan het niveau waar het uiteindelijk om gaat; dat van de bedrijven waar de afspraken mee worden gemaakt. Waar mogelijk is er ook een samenhang met de eerdergenoemde Kritische Prestatie Indicatoren. Belangrijk daarbij is dat wij de regeldruk voor de boeren niet willen verhogen en dus maximaal gebruik maken van data en gegevens die wij al hebben, zoals bijvoorbeeld van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Thermometer Om het doelbereik goed in beeld te kunnen brengen is het van belang om voor onze provincie op zoveel mogelijk onderdelen een duidelijke nulmeting te hebben. Op dit moment is er niet een totaaloverzicht waarin inzichtelijk is vanaf welk jaar welke doelstelling geldt en hoe dit wordt gemeten. Een belangrijke vervolgactie van dit programma is om dit in beeld te brengen. Dit wordt gekoppeld aan de Kennis- en innovatieagenda FPLG. 57

Belangrijk element van het monitoren is ook leren en ontwikkelen. Meten is niet alleen een validatieproces, het is ook het gesprek aangaan en elkaar begrijpen. Wij willen dan ook goed luisteren naar de elementen van meten en monitoren die voor de betrokkenen in gebiedsprocessen van belang zijn. Wij nemen het initiatief om van de boeren, de Terreinbeherende organisatie en andere betrokkenen, te horen welke elementen een onderdeel zullen zijn van de Kennis- en innovatieagenda en de monitoring. Bijsturen We volgen de aanbeveling van Remkes om in 2025 en 2028 een tussentijdse stand van zaken op te maken. Zoals aangegeven wordt 2025 daarbij een belangrijk jaar, omdat deze tussenresultaten ook bepalend zijn voor de doelstellingen tot 2035. Wij sluiten met onze monitoringsystematiek aan bij de opzet die momenteel wordt ontwikkeld door de nationale Regieorganisatie Transitie Landelijk Gebied (RTLG). Hiermee wordt geborgd dat alle betrokkenen zowel binnen als buiten onze provincie de beschikking hebben over de juiste en gevalideerde gegevens. De monitoring vanuit RTLG is hét instrument waarmee bestuurlijk kan worden bijgestuurd op voortgang van maatregelen en doelbereik. Uiteraard gebruiken wij deze gegevens ook om de gebiedsprocessen te voorzien van goede stuurinformatie.

58

8 UITVOERING Als een programma de titel ‘it is mei sizzen net te dwaan’ meekrijgt, dan kan een hoofdstuk ‘Uitvoering’ niet ontbreken. Vele elementen van uitvoering zijn in dit programma de revue al gepasseerd. Wij gaan onze gebiedsgerichte aanpak herorganiseren op basis van de uitgangspunten van dit programma. Wij zetten de stap naar een meer actief grondbeleid. En wij maken ons sterk voor het verbeteren van de randvoorwaarden voor beheer en inrichting van het landelijk gebied. Toch zijn we er daarmee nog niet. In dit hoofdstuk komen nog drie andere elementen naar voren die van belang zijn: • Het geld; hoeveel gaat het kosten en wat gaan we ervoor doen • De organisatie; hoe kunnen wij de uitvoering zo goed mogelijk ondersteunen • En ‘hoe nu verder?’

8.1

FINANCIËN

Het Transitiefonds vormt een belangrijke financiële basis voor realisatie van het FPLG. Tegelijk reiken de doelstellingen van het FPLG evenals de tijdhorizon (2050) verder dan het Transitiefonds. Voor realisatie van ons programma worden daarom ook andere financieringsbronnen – van Rijk én regio – aangewend. Denk daarbij aan afspraken rondom de Structurele aanpak stikstof, het Natuurpact, het Programma Natuur en het Klimaatakkoord. Al met al zijn er ingewikkelde rekensommen te maken om aan te tonen dat kosten voor maatregelen voor klimaat, natuur en water aanvullend zijn aan bestaande budgetten. Binnen Fryslân hebben wij inmiddels een eerste inventarisatie gemaakt van de staande budgetten en de aanvullende benodigde financiering vanuit het Transitiefonds. In bijlage 18 kunt u daar meer over lezen. In dit FPLG beperken we ons tot een overzicht van het geld dat wij nodig hebben van het Transitiefonds om tot uitvoering te komen. De uitvoering van dit gebiedsprogramma kost veel geld. Dat blijkt uit het indicatieve budget. Het Rijk verwacht dat Fryslân € 2,5 miljard nodig zal hebben. Hoewel dit een groot budget is, is dit niet voldoende om de doelstellingen in onze provincie te realiseren. Om de doelen te halen moet er veel werk verzet worden en gaan wij flink investeren. Het aankopen en afwaarderen van grond en vastgoed zal naar verwachting het meeste geld kosten.

Omdat wij een grote landbouwsector hebben is er ook veel geld nodig voor innovatie, maatregelen en regelingen voor boeren. Ook de volledige uitvoering van het programma Veenweide is een flinke investering in onze provincie. Kostenraming Wij kiezen ervoor om ons gebiedsprogramma in drie fasen op te delen. Onze financiële onderbouwing is daar ook op ingericht. De totale kostenraming kunt u lezen in de onderstaande tabel. Hierbij bestaat uiteraard een disclaimer dat dit is opgesteld naar de beste kennis van dit moment en dat de daadwerkelijke kosten van uitvoering hoger kunnen uitvallen. Een programma met een looptijd van 12 jaar kan niet zonder een voortdurende bijstelling van de kostenraming. Voor het bepalen van de kosten van grond zijn de rekenmodellen van het Rijk gebruikt, met uitzondering van Veenweide. Bij het bepalen van de grondkosten voor dit programma is uitgegaan van het zogeheten flankerend beleid. Daarnaast hebben wij een eigen inschatting gemaakt van de benodigde overhead voor de uitvoering van het programma. De investeringen vanuit het FPLG worden gefaseerd in de tijd uitgevoerd. Zo zullen wij in de eerste periode – het ‘nu’ – minder investeren dan in de periode erna, omdat veel voorbereiding nog een plek moet krijgen. Het is niet 59

mogelijk om in deze fase de investeringen al in een tijdhorizon te plaatsen. In bijlage 13 treft u een nadere onderbouwing aan van de posten die in onderstaand schema zijn opgenomen. De onderstaande kostenraming is met name van belang om het Rijk houvast te geven over de grootte van de benodigde middelen in onze provincie. Volgens de spelregels Transitiefonds zoals die momenteel voorliggen voor behandeling door de Tweede Kamer, bestaat de mogelijkheid om als provincie te schuiven met de middelen, zolang de doelen vanuit het FPLG worden bereikt. Uiteindelijk zijn de concreet aan te vragen maatregelpakketten leidend daarbij.

Globale Kostenraming FPLG 2024 – 2035 Frysk Programma Landelijk Gebied

Geraamde kosten

Natuur Beheer nieuwe stijl Restopgave NNN Weidevogels SNL aanvullend Groenblauwe dooradering Bossenstrategie

108.000.000 70.000.000 435.000.000 120.000.000 225.000.000 58.000.000

Water KRW Klimaatadaptatie fonds

16.000.000 120.000.000

Klimaat Uitvoering Veenweideprogramma (incl. aanpak funderingen)

1.902.000.000

Landbouw Fries beheerfonds Doelsturing Fries Innovatiefonds Landbouw

486.000.000 50.000.000

Sociaal Economisch Fonds voor Brede Welvaart

Totaal maatregelen FPLG (concept 1 juli 2023)

500.000.000

4.114.000.000

Uitvoering Gebiedsgerichte Aanpak (10% van Totaal)

Totaal maatregelen en GGA

411.400.000

4.501.400.000 60

8.2

RANDVOORWAARDEN

Het is nog niet duidelijk op welke wijze de provincie geld krijgt voor de eigen uitvoeringsorganisatie. Hiermee bedoelen we de mensen die ingezet worden om het FPLG uit te voeren. Dat zijn niet alleen mensen van de provincie, maar ook van het Wetterskip Fryslân, gemeenten en maatschappelijke organisaties. Veel kosten zijn bovendien vaste lasten. Om het toegekende geld goed en rechtmatig uit te geven moet de provincie een robuuste organisatie opbouwen. Daarin is bedrijfsvoering een groot onderdeel. Ook het inkopen van diensten en juridische adviezen is daar onderdeel van. Zoals wij eerder hebben aangegeven zijn wij kritisch op voorwaarden die het Rijk stelt bij de besteding van het budget Transitiefonds en verwachten wij een grote administratieve last. Dat komt door het verantwoorden van specifieke uitkeringen, de aanvraagprocedures van maatregelpakketten én het toekennen van geld aan gebiedsprocessen en initiatieven. Op dit moment loopt er een zogeheten Artikel-2 onderzoek, waarin wordt gekeken hoe kosten van de provincie, het waterschap en gemeenten kunnen worden vergoed. Op dit moment worden de voorbereidingskosten niet vergoed door het Rijk. Vooruitlopend daarop hebben wij aan Provinciale Staten het voorstel gedaan om € 7 miljoen voor te financieren.

Naast de financiële aspecten, zijn er meer randvoorwaarden die voor ons van belang zijn om te komen tot concrete en succesvolle aanpak van de opgaven van het FPLG. De rol van het Rijk is op veel onderdelen cruciaal. We verwachten dat het Rijk: - overgaat tot het stellen van een norm voor emissiearme bedrijfsvoering of een generieke maatregel met vergelijkbaar effect - met een werkende aanpak komt voor de piekbelasters, grondgebonden maatregelen en een oplossing voor de PAS-melders. - komt tot afspraken met de industrie, het buitenland en andere sectoren over hun bijdrage aan de stikstofreductie. Ook van belang is om met elkaar houvast te krijgen over de ‘hardheid’ van de doelstellingen waar we mee aan de slag gaan. De meeste doelstellingen voor natuur- en klimaat zijn indicatief en de route naar bestuurlijke borging is nog onduidelijk. Het is voor de gebiedsprocessen in onze provincie van groot belang in 2025 helderheid te hebben over de kaders van de doelstellingen. Wij kijken niet alleen naar het Rijk en nemen zeker ook onze verantwoordelijk in het proces van borging. Maar het ‘doorhakken van knopen’ hierover ligt duidelijk in Den Haag. Een laatste element is de afgelopen maanden in toenemende mate duidelijk geworden voor ons. Dat is het inzicht dat effectiviteit van veel maatregelen vaak nog niet helder is.

In dit programma heeft u daar verschillende voorbeelden van kunnen lezen. Voor Fryslân is het essentieel dat wij de ruimte krijgen om binnen ruime kaders in de gebieden aan de slag te gaan met maatregelen. Dit is ruimte die wij nu in de voorwaarden van het Transitiefonds niet terugzien. Samenvattend zijn er vier randvoorwaarden die wij stellen om te komen tot een succesvolle uitvoering van ons programma. 1. Het Rijk is aan zet om te komen tot helder generiek beleid voor de realisatie van belangrijke onderdelen van het Nationaal Programma Landelijk Gebied, inclusief de stikstofmaatregelen. 2. Ook zal het Rijk knopen moeten doorhakken voor het toedelen van taakstellingen aan de provincies. Daar hoort bij dat er voldoende budget is – conform de opgave van dit FPLG – om de doelen ook echt te realiseren.

61

3. Wij vinden het essentieel dat niet alleen de provincie, maar ook het Wetterskip Fryslân, de gemeenten en de maatschappelijke organisaties financieel tegemoet worden gekomen in de extra lastendruk die de transitie van het landelijk gebied met zich meebrengt. 4. Wij willen ruimte om in de gebieden zelf te bepalen hoe en met welke maatregelen we aan de slag gaan. Daarbij willen wij de administratieve lasten zo laag mogelijk houden. Uiterlijk in 2025 rapporteren wij of de verantwoording aan de hand van de spelregels Transitiefonds behapbaar is of niet.

8.3

ORGANISATIE

Momenteel wordt er vanuit de provincie en het Wetterskip volop gewerkt aan de realisatie van doelstellingen van het FPLG; natuur, water, klimaat en sociaal-economische vitaliteit. Op onderdelen, zoals bijvoorbeeld de realisatie van het Fries Natuur Netwerk, is er een inhaalslag gemaakt in realisatie. Tegelijk constateren wij dat de uitvoering op dit moment nog niet op het niveau is om uitvoering te kunnen geven aan de doelstellingen van het FPLG. Capaciteit Rode lijn in het FPLG is ’uitvoering centraal’. Dit betekent dat er aanzienlijk meer capaciteit beschikbaar moet komen voor onderdelen als bijvoorbeeld Grond en Vastgoed, Natuur, Veenweide, Stikstof, Gebiedsgerichte Aanpak, Water en Klimaat. Ook onderdelen die hiermee annex zijn, zoals bijvoorbeeld vergunningverlening en subsidies, hebben aanzienlijke extra capaciteit nodig. Met name de druk op de legalisering van de zogeheten PAS melders – zoals eerder beschreven – vereist een forse extra inzet de komende jaren vanuit de provincie.

8.4.

HOE NU VERDER?

Vanaf nu - 9 mei 2023 – wordt het concept van dit programma vrijgegeven voor een zogeheten ronde van ‘wensen en bedenkingen’. Dit is niet een formele zienswijze – op basis van de Algemene Wet Bestuursrecht – maar een informele ronde om te luisteren naar reacties van direct betrokkenen. Wij vragen een zienswijze aan de publieke partijen – Provinciale Staten, het Algemeen Bestuur van het Wetterskip Fryslân, de gemeenten – en aan direct betrokkenen in de regio’s. Dit laatste doen wij aan de hand van vier Regiogesprekken voor bijvoorbeeld leden van agrarische collectieven en gebiedscommissies. Deze zienswijzen betrekken wij het opstellen van het ontwerp FPLG dat eind juni aan het Rijk wordt aangeboden Tegelijk wordt na het zomerreces het ontwerp FPLG ook in formele zin vrijgegeven voor inspraak. Deze inspraak is vooral bedoeld voor inwoners die zich – door de hoge tijdsdruk van het maakproces – nog niet konden uitspreken over het programma. Maar uiteraard staat het iedereen en alle organisaties vrij om te reageren op het ontwerpprogramma. Deze reacties worden alle meegenomen bij de aanpassingen van het ontwerp FPLG. Vervolgens heeft het Rijk van 1 juli dit jaar tot 1 april 2024 om het FPLG van een reactie te voorzien. Dit gebeurt door het Ministerie van Landbouw en Natuur, het zogeheten Kennisconsortium en de Ecologische Autoriteit.

Deze reacties verwerken wij – samen met de resultaten van de inspraak - tot een definitief FPLG dat naar verwachting in het voorjaar van 2024 ter vaststelling aan Provinciale Staten wordt aangeboden.

62

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Tytsjerksteradiel&id=156af452-0755-4a3b-8b9b-eca0d89dcb27