Bijlage 2 - Concept FPLG versie 9 mei 2023
Tekst van het document
Frysk Programma Landelijk Gebied ‘It is mei sizzen net te dwaan’
Versie 2.0 (concept): Datum: 9 mei 2023
Inhoudsopgave 1
Inleiding ........................................................................................................................................... 3
2
Context ............................................................................................................................................ 5
3
Visie en ambitie ............................................................................................................................. 10
4
Strategie en aanpak ....................................................................................................................... 13
5
6
4.1
Fasering ................................................................................................................................. 13
4.2
Ruimte voor vertrouwen ....................................................................................................... 15
4.3
Gebiedsgerichte aanpak ........................................................................................................ 15
4.4
Vergunningverlening en legalisatie van PAS-melders ........................................................... 18
4.5
Kennis- en innovatieagenda .................................................................................................. 19
Hoofddoelen van het FPLG ............................................................................................................ 22 5.1
Natuur.................................................................................................................................... 22
5.2
Klimaat ................................................................................................................................... 37
5.3
Water ..................................................................................................................................... 40
5.4
Sociaal-economische Vitaliteit .............................................................................................. 44
5.5
Landbouw .............................................................................................................................. 47
Instrumenten ................................................................................................................................. 51 6.1
Grond ..................................................................................................................................... 51
6.2
Arkbak.................................................................................................................................... 53
6.3
Ruimtelijke Inpassing............................................................................................................. 53
6.4
Beheer en inrichting .............................................................................................................. 54
7
Monitoring, evaluatie en Bijsturing ............................................................................................... 57
8
Uitvoering ...................................................................................................................................... 59 8.1
Financiën ............................................................................................................................... 59
8.2
Randvoorwaarden ................................................................................................................. 61
8.3
Organisatie ............................................................................................................................ 62
8.4.
Hoe nu verder? ...................................................................................................................... 62
2
1 INLEIDING De toekomst van Fryslân begint niet morgen, maar vandaag. Keuzes die wij maken hebben invloed op de wereld en het Fryslân waarin onze kinderen en kleinkinderen leven. Net zoals de keuzes van onze ouders en grootouders Fryslân hebben gevormd tot de provincie waarop we nu met zijn allen grutsk zijn. Welke taak is er nu eervoller dan te zorgen dat onze pake- en beppe-sizzers ook grutsk kunnen zijn op het Fryslân zijn dat wij nu mede-vormgeven? Er zijn wel verschillen aan te wijzen tussen de wereld van onze oerpakes en -beppes en de wereld waarin wij nu leven. Onze voorouders waren vaak gedwongen om zich aan te passen aan de beperkingen die de natuur hen oplegde. Hoge en wisselende waterpeilen moesten door landbouwers soms voor lief worden genomen, om een voorbeeld te noemen. We bouwden zelfs terpen. Bij gebrek aan vruchtbare mest werd in de Fryske Wâlden bagger, as en vuilnis uit de steden aangekocht ter bemesting van het land. Technische vooruitgang heeft ons geholpen over veel van dit soort natuurlijke beperkingen heen te stappen en heeft ons welvaart gebracht. Toch levert dit wegnemen van beperkingen met behulp van technologie nieuwe problemen op. Wij realiseren ons heden ten dage steeds dat het belangrijk is om een balans te vinden in ons bodem- en watersysteem.
Hoe kunnen wij gezond en duurzaam voedsel produceren op eigen bodem? Hoe kunnen wij tegelijk de biodiversiteit en onze natuur versterken? Hoe zorgen wij dat de boeren en andere gebruikers van het buitengebied – nu en straks – een goede boterham kunnen verdienen? Dit Frysk Programma Landelijk Gebied (FPLG) is bij uitstek een gelegenheid om hier goed over na te denken en lijnen naar de toekomst uit te zetten. Wij zijn trots op ons Friese landschap en gaan met elkaar – Rijk, provincie, waterschap, gemeenten, organisaties en de mensen in onze provincie – het gesprek aan hoe wij de beschreven keuzes gaan maken. We gaan niet alleen praten, we gaan vooral doen. Het Rijk heeft in het zogeheten Transitiefonds Landelijk Gebied ruim 24 miljard voor heel Nederland beschikbaar gesteld om tot uitvoering te komen. Fryslân kan een deel van deze middelen inzetten om doelstellingen te realiseren op het terrein van klimaat, natuur, water, een duurzame landbouw en ook de sociaal-economische vitaliteit van ons landelijk gebied. Twee hoofdlijnen uit dit programma: Focus op uitvoering Allereerst een focus op uitvoering. Provinciale Staten hebben vorig jaar besloten om een inhaalslag te maken in de realisatie van ons Fries Natuur Netwerk. De voorbereiding op dit FPLG heeft geleerd dat op meer onderdelen een nadruk moet worden gelegd op uitvoering.
Beleid is belangrijk, maar het draait uiteindelijk ook om een goede uitvoering. Intensieve gesprekken tijdens onder meer de hackathon landelijk gebied, hebben geleerd dat er veel dossiers zijn waar betrokkenen een gemeenschappelijk belang zien. Het in samenwerking met het Rijk legaliseren van zoveel mogelijk zogeheten PAS-melders in Fryslân en het wegnemen van de knelpunten in de vergunningverlening. De aanpak van de Veenweideproblematiek in het midden van Fryslân. Het tegengaan van de verdroging op met name de zandgronden in het Zuidoosten. Het intensiveren van het beheer van (agrarische) natuur. Het actief inzetten van grond. Een integrale impuls aan innovatie op het boerenbedrijf en
3
behoud van een goede sociaal-economische structuur. En zo zijn er vele elementen waar wij in Fryslân elkaar vinden. Hierbij past nadrukkelijk één kanttekening. Prioriteit bij uitvoering gaat niet vanzelf. Dit vraagt een organisatie en menskracht vanuit diverse organisaties waarbij de focus op uitvoering ligt. En het vraagt om investeren op een moment dat de arbeidsmarkt onder druk staat. Succesvolle uitvoering vraagt ook om de durf om dingen niet te doen en om flexibel te zijn als het anders moet dan vooraf gedacht. Fasering nu, straks en later De tweede rode lijn in dit FPLG is dat wij nadrukkelijk kiezen voor fasering in nu, straks en later. In het ‘nu' – 2024 en 2025 – staat de hierboven beschreven focus op uitvoering centraal. Via een Investeringsagenda werken wij aan intensivering van de bestaande opgaven. Tevens bouwen wij een Kennis- en Innovatieagenda op, om zo zuiver en objectief mogelijk witte vlekken in onze kennis verder in te vullen. Wij gaan met onze inwoners het gesprek aan over deze agenda. Het ‘straks’ beslaat de periode 2026 – 2035. Dit is de periode waarin veel van de doelstellingen die zijn beschreven in het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) worden gerealiseerd. Tijdens de voorbereiding van ons Fries programma is gebleken dat er nog veel onduidelijk is over de doelstellingen en randvoorwaarden.
Daarnaast zullen we keuzes moeten maken over hoe wij ons watersysteem klimaat- en daarmee toekomstbestendig kunnen houden. Dit betekent ook een betaalbaar systeem waarmee we de verschillende gebruiksfuncties duurzaam blijven bedienen. Belangrijke onderwerpen, waarbij wij niet over één nacht ijs gaan. Wij hechten in Fryslân aan een betrouwbare en consistente overheid. Dat is dan ook de reden dat wij niet nu al besluiten nemen over doelstellingen uit het nationale programma en over een klimaatbestendige inrichting, maar in 2025. En als laatste het ‘later’, de periode na 2035. Dat lijkt soms ver weg, maar dat is het niet. Voor een gemiddeld boerenbedrijf is het nu al van belang – in het kader van de financiering van bijvoorbeeld een nieuwe stal of gesprekken over de opvolging van het bedrijf – om perspectief te hebben over ‘later’. Dit geldt uiteraard net zo goed voor de energiesector, de drinkwatervoorziening, de woningbouw en andere sectoren. Wij zijn in dit Friese programma transparant over het beleid en de verordeningen vanuit Brussel en Den Haag over deze lange termijn, voor zover we dit kunnen overzien en weten. Transparant zijn over later, in overleg over straks en oppakken waar we het nu al over eens zijn. Zoals onze grootouders al zeiden: ‘It is mei sizzen net te dwaan’. Ofwel, als vertaling in onze eerste Rijkstaal: ‘geen woorden, maar daden’.
Laten we samen aan de slag gaan!
4
2 CONTEXT Dit plan komt niet uit het niets. Het kent een voorgeschiedenis, doelstellingen, een maakproces en juridische aspecten die al vele jaren spelen. In dit hoofdstuk vertellen wij wat de belangrijkste elementen van de context van het Frysk Programma Landelijk Gebied zijn. Eén element willen wij daarbij eruit lichten; de tijdspanne. De tijd die wij hadden om dit programma op te leveren was buitengewoon kort. Op 10 juni 2022 werden de hoofdlijnen bekend van de eerdergenoemde handreiking voor het NPLG, gevolgd door de eerste brieven over het NPLG in november. Op 1 juli dit jaar moet het – integrale en ingrijpende – plan bij het Rijk worden ingeleverd. Ons uitgangspunt is te allen tijde geweest dat dit strakke tijdschema niet ten koste mag gaan van de kwaliteit van ons plan en het uitgangspunt om het samen met de betrokkenen in onze provincie op te stellen. Wij kunnen inmiddels constateren dat het intensieve proces van co-creatie in korte tijd – pressure cooking – veel waardevolle inzichten heeft opgeleverd die terug te lezen zijn in het plan. 1. Maakproces van dit plan Dit programma is van groot belang. Het gaat om de toekomst van ons platteland. Zoals aangegeven hebben wij er daarom bewust voor gekozen om samen met deskundigen en betrokkenen in onze provincie het plan op te stellen.
Daarnaast zijn vanuit een deskstudie veel notities, visies en studies gebruikt waar op verscheidene manieren inwoners, grondgebruikers en andere betrokkenen al in een eerdere fase input hebben geleverd. Denk aan bijvoorbeeld de Omgevingsvisie, studies over het toekomstig waterbeheer, natuur en veenweide. Ook is er spontaan veel informatie toegezonden vanuit belangengroepen en organisaties die een plek heeft gevonden in het programma. Tientallen overleggen zijn in verschillende samenstellingen gevoerd om te komen tot dit Frysk Programma Landelijk Gebied. Hieronder treft u een opsomming van de belangrijkste overleggen aan. Dialoogsessies: sinds het ontstaan van de stikstofcrisis in 2019 zijn we in gesprek geweest over stikstof met vertegenwoordigers van vooral landbouw, natuur en overheden. Vanaf het ontstaan van het NPLG is dit overleg verbreed met de onderwerpen klimaat, natuur en water en is er aantal keer gesproken over inhoud en voortgang van het FPLG. Webinars: sinds eind 2022 hebben we een aantal webinars georganiseerd over het proces en de belangrijke inhoudelijke vraagstukken om te komen tot een gebiedsprogramma. Hieraan hebben bestuurders van overheden en vertegenwoordigers van landbouw en natuur een bijdrage geleverd.
Overleg gemeenten FPLG: sinds begin 2023 is er een portefeuillehouders overleg FPLG en een tweewekelijkse klankbordgroep met ambtelijke vertegenwoordigers van de Friese gemeenten. Hackathon landelijk gebied: van 21 tot en met 24 maart hebben we met 20 vertegenwoordigers van de mienskip, met het zwaartepunt bij landbouw en natuur, en 15 inhoudelijk betrokken medewerkers van de diverse overheden gewerkt aan het FPLG. Hierbij is gesproken over overeenkomsten, verschillen, witte vlekken en boodschappen aan de politiek. Na deze werkweek is met vier meelezers van landbouw en natuur vier weken gewerkt aan het schrijven van het concept gebiedsprogramma dat nu voor u ligt. Naast de bovengenoemde vormen van gesprek en samenwerking zijn op verzoek tientallen presentaties, zowel fysiek als online, gegeven aan lokale werkgroepen, betrokkenen bij gebiedsprocessen, gemeenten en anderen. Denk daarbij aan overleggen als de Provinciale Commissie
5
Landelijk Gebied en het portefeuillehouders overleg Bodem en Water. Alle input die tijdens deze overleggen is verzameld, heeft een rol gespeeld bij het opstellen van dit programma. Voor alle geïnteresseerde Friezen, ten slotte, zijn het afgelopen jaar meerdere digitale nieuwsbrieven uitgebracht over de stand van zaken rondom het FPLG en stikstof. 2. Handreiking NPLG In de handreiking van het Nationaal Programma Landelijk Gebied is aangegeven waar ieder provinciaal gebiedsplan aan moet voldoen. Onderstaand de belangrijkste doelen en uitgangspunten op een rij.
Figuur 1: Samenvattend overzicht regionale doelen Rijk-NPLG
6
Handreiking gebiedsprogramma’s en ontwikkeldocument NPLG Provincies zijn als gebiedsregisseur binnen het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) eindverantwoordelijk voor het opstellen van gebiedsprogramma’s. In deze gebiedsprogramma's – en dus in dit Frysk Programma Landelijk Gebied – wordt aangegeven hoe de provincies voldoen aan een aantal kerndoelen: herstel biodiversiteit, verbeteren leefomgeving, verbeteren waterkwaliteit en het beperken van klimaatuitstoot. In hoofdstuk 5 komen wij hier uitgebreid op terug. Provincies hebben de plicht om op 1 juli 2023 te voldoen aan tijdige oplevering van gegevens conform de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn). Dit maakt onderdeel uit van het gebiedsprogramma, waardoor er sprake is van één werkproces en één product. De handreiking geeft provincies de minimale vereisten – voor inhoud en aanpak – waaraan de gebiedsprogramma’s dienen te voldoen. De handreiking vormt dan ook de inhoudelijke basis voor de toetsing van dit FPLG door het Rijk. Na een positieve beoordeling of een gedeeltelijk positieve beoordeling door het Rijk kan een provincie een rijksbijdrage aanvragen voor de maatregelpakketten. Het gebiedsprogramma als geheel is een programma onder de Omgevingswet. Het dient daarom een omschrijving te bevatten van doelen en middelen én een verantwoording over de wijze van participatie.
De handreiking schrijft een aantal vereisten voor waaraan de gebiedsprogramma’s minimaal moeten voldoen. Deze vereisten zijn op het gebied van reikwijdte, de indeling van het programma, indeling in deelgebieden, schakel met vervolgbesluitvorming, sociaal-economische impactanalyse, monitoring, participatie, samenhang, uitwerking van doelen en structurerende keuzes en externe toetsing. In dit FPLG en de bijbehorende bijlagen is, voor zover op dit moment mogelijk, invulling gegeven aan deze minimale vereisten. Onderdeel van de minimale vereisten zijn de doelstellingen waar het gebiedsprogramma invulling aan moet geven. Dit zijn de doelen op het gebied van natuur, water en klimaat. Dit gebiedsprogramma geeft, voor zover de kaders duidelijk zijn, invulling aan deze doelen voor Fryslân. Daarnaast geven we invulling aan een voor ons belangrijk vierde doel, de sociaal-economische vitaliteit van het landelijk gebied. In het Ontwikkeldocument NPLG is een aantal structurerende keuzes benoemd. Deze bevatten ordenende principes die richting geven aan de ruimtelijke inrichting. Het gesprek over hoe er invulling kan worden gegeven aan deze structurerende keuzes is nog niet volledig afgerond en ook het detailniveau van deze keuzes verschilt. Deze vragen nog om verdere concretisering en worden later, bij nadere besluitvorming in 2025, in dit gebiedsprogramma meegenomen.
Naast het Ontwikkeldocument NPLG is ook een aantal structurerende keuzes meegegeven in de kamerbrief over de rol van Water en Bodem bij de ruimtelijke ontwikkeling. Veel van deze structurerende keuzes, voor zover relevant voor Fryslân, zijn onderdeel van dit gebiedsprogramma. Over een aantal van deze keuzes bestaat nog discussie of onduidelijkheid. Deze worden in de komende periode daarom nader uitgewerkt, onderbouwd met onderzoek of we vragen het Rijk om een concretisering. Met onze keuze voor de fasering van ‘nu, straks en later’ van de doelstellingen voldoen wij in formele zin niet aan de vereisten van de handreiking van het NPLG en de daarbij behorende structurerende keuzes. Immers, daarin wordt gevraagd om al in 2030 onze natuur- en klimaatdoelstellingen te realiseren. In het vervolg van dit programma kunt u lezen hoe en waarom wij tot deze keuze zijn gekomen. In de bijlagen zijn een uitgebreidere samenvatting van de Handreiking gebiedsprogramma’s (bijlage 1) en het Ontwikkeldocument NPLG (bijlage 2) gegeven. 7
3. Bestuurlijke en maatschappelijke context Onderdeel van het coalitieakkoord van het vierde kabinet Rutte is de realisatie van de klimaatdoelstellingen. De regering heeft een aanpak ontwikkeld die zich richt op de klimaat- en energietransitie – met het klimaatfonds – en op de doelstellingen van het landelijk gebied. Voor dit laatste is een Transitiefonds in het leven geroepen van ruim € 24 miljard. Het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) was geboren, met een belangrijke rol voor de provincies. Daarnaast is er ook een belangrijke en veranderende maatschappelijke en politieke context. Het is een roerige tijd geweest, waarbij onder meer boeren zich hebben laten horen. De leefbaarheid van het platteland staat hoog op de agenda – denk aan de investeringen bij onze buurprovincie Groningen – en de uitslag van de recente verkiezingen van Provinciale Staten in heel het land. De steeds urgentere problematiek van het terugbrengen van de stikstofuitstoot en -depositie is een belangrijk onderdeel van het NPLG. De Raad van State heeft geoordeeld dat de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) strijdig was met de Europese natuurregelgeving. Er kon geen garantie worden gegeven dat negatieve effecten op de natuur uit zouden blijven. Al snel werd duidelijk dat deze uitspraak verstrekkende gevolgen heeft.
Ontwikkelingen en bouwactiviteiten, waaronder de landbouw, die tot extra stikstofdepositie op stikstofgevoelige natuurgebieden kunnen leiden, kwamen door deze rechterlijke uitspraak ‘op slot’ te zitten. Het Nationaal Programma Landelijk Gebied is een programma onder de Nationale Omgevingsvisie Extra (NOVEX), een Rijksprogramma gericht op versterking en concretisering van de uitvoering van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Ten behoeve van dat programma heeft de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening aan de provincies verzocht om keuzes voor te stellen met betrekking tot het omgaan met de schaarse ruimte in ons land. Denk daarbij aan thema’s als energieopwekking, klimaatadaptatie, toekomst van de landbouw, herstel biodiversiteit, circulaire economie en woningbouw. Eind dit jaar maken alle provincies bestuurlijke afspraken met het Rijk over de ruimtelijke inpassing van de opgaven en wat er nodig is voor de uitvoering daarvan; het ruimtelijk arrangement. Het ruimtelijk arrangement vormt op nationaal niveau een tussenstap naar de aanscherping van de NOVI. De in NOVEX-verband gemaakte of benoemde keuzes worden vertaald in onze Provinciale Omgevingsvisie. Het FPLG is een van de bouwstenen voor de Omgevingsvisie. Immers, naast het landelijk gebied zijn er ook ruimtelijke keuzes te maken die invloed hebben op het bebouwd gebied, onze infrastructuur en netwerken.
Dit is voor ons een belangrijke reden om eerst de kaders van de Omgevingsvisie vast te stellen, voordat wij aan Provinciale Staten in 2025 verdere besluiten voorleggen over de water-, natuur- en klimaatdoelstellingen. Onder de paraplu van de NOVEX is tevens het Rijksprogramma Water en Bodem sturend opgesteld. In de kamerbrief die hierover in november 2022 is verschenen wordt het belang van het water- en bodemsysteem in de ruimtelijke ordening benadrukt. De uitgangspunten van het programma vormen daarmee een belangrijke basis voor de ruimtelijke keuzes die in NOVEX-verband gemaakt moeten worden. Ook in Fryslân bereiden wij ons voor op de toekomst van ons watersysteem. Met de ‘Blauwe Drager’ zijn wij in de regio in gesprek gegaan over thema’s als verzilting, vernatting, verdroging en waterberging. Dit heeft geresulteerd in de ontwerp visie ‘Fryslân Klimaatbestendig 2050+’. Verder is voor alle opgaven van belang dat – zowel in dit FPLG als in de NOVEX – de ruimtelijke kwaliteit van onze besluiten goed worden geborgd. Naast de gebruikswaarde en de toekomstwaarde gaat de belevingswaarde van het Friese landschap ons allen aan. In de te maken keuzes is het van belang de Friese landschappen herkenbaar houden en de kwaliteiten ervan benutten om goede 8
ontwerpen te maken. Wij gaan daarbij uit van een werkwijze die voortbouwt op de waarden van het Friese landschap. Dit betekent niet dat we alles willen behouden, maar wel dat we bewust omgaan met landschappelijke kwaliteiten en zo nodig nieuwe kwaliteiten toevoegen. Daarom gaan wij uit van de principes van de Friese Omgevingsvisie: - omgevingskwaliteiten als ontwerpbasis - Friese landschapstypen en hun ontstaansgeschiedenis blijven herkenbaar - behoud en ontwikkeling van het Friese erfgoed, zowel boven als onder de grond en zowel bebouwd als onbebouwd. 4.
Juridische context
Een belangrijk uitgangspunt is om niet alleen te kijken naar de inhoudelijke urgentie van de opgaven die voorliggen, maar ook naar de juridische hardheid en houdbaarheid van de diverse taakstellingen. Het NPLG is deels gebaseerd op wet- en regelgeving. De belangrijkste zijn: het Klimaatakkoord van Parijs, de Europese- en Nederlandse Klimaatwet, de Kaderrichtlijn Water (KRW), het 7e Actieprogramma Nitraatrichtlijn, de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR), de Wet Natuurbescherming en de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering. De doelen in het NPLG hebben niet allemaal dezelfde status. Sommige liggen vast, met jaartallen en percentages, in Nederlandse of Europese wetgeving. Van andere doelen is het voornemen ze op te nemen in wetgeving, terwijl weer andere doelen ruim omschreven zijn en dus voor verschillende interpretaties vatbaar. Verder zijn een belangrijk onderdeel van dit FPLG de zogeheten Natuurdoelanalyses (NDA’s). In deze onderzoeken komt naar voren hoe het staat met onze natuur. Deze NDA’s zijn bepalend voor de maatregelen die de provincies moeten nemen als overheid om te komen tot herstel van de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. In hoofdstuk over de doelen van ons programma komen wij daarop terug. Er zijn twee redenen waarom wij een juridische analyse van de opgaven die op ons afkomen, van belang vinden. Allereerst helpt het ons om prioriteiten te stellen.
Als het niet realiseren van een doelstelling betekent dat er niet meer gebouwd kan worden, geeft dat een duidelijke urgentie aan. Ten tweede is een juridische analyse belangrijk om aan Provinciale Staten transparant aan te geven wat het palet aan keuzemogelijkheden is, naast de inhoudelijke ambities die eenieder heeft. In bijlage 17 wordt een eerste overzicht op hoofdlijnen gegeven van de belangrijkste wetten in het domein van klimaat, water en natuur. Nadrukkelijk wordt hierbij vermeld dat dit een scan op hoofdlijnen is, zonder dat hier direct conclusies aan verbonden kunnen worden. In het hoofdstuk over de doelen van dit FPLG gaan we wat verder in op de juridische aspecten per thema.
9
3 VISIE EN AMBITIE We willen een provincie waar het platteland de drager is van ons leven. Waar boeren lekker en gezond voedsel produceren en daar een goed inkomen aan verdienen. Waar de overheid voorspelbaar stuurt, zodat bewoners weten waar je wel en niet kunt wonen of bouwen en ondernemers duurzaam durven te investeren. Een Fryslân waar dorp, stad en platteland weer naar elkaar toegroeien, omdat het platteland ook de leefomgeving van de inwoners is waar ze zich thuis voelen. Een leefomgeving waar het uitsterven van planten en dieren die duizenden jaren hier voorkwamen is gestopt en omgezet in herstel. En waarin een altijd veranderend landschap in behoeften voorziet en tegelijk herkenbaar blijft. Zodat we zien dat de opgaven van vandaag niet tot vervreemding hoeven te leiden, maar een logische volgende stap zijn op de veranderingen die onze ouders en grootouders hebben ingezet en onze kinderen en kleinkinderen zullen voortzetten. Zoals in de inleiding aangegeven staan de komende jaren een aantal belangrijke besluiten te wachten die essentieel zijn voor de toekomst van onze prachtige provincie. De belangrijkste hiervan zijn de besluiten over het dit FPLG, gevolgd door besluitvorming over de schaarse ruimte in onze Provinciale Omgevingsvisie (2024) en ten slotte de borging van doelstellingen van natuur en klimaat in 2025.
In aanloop naar de besluitvorming over deze grote thema’s hebben wij gekozen voor een integrale benadering. Meer vogels in de wei hangt samen met het waterpeil, de inrichting van ons landschap en de toekomst van de boer. Alles grijpt in elkaar en als we elkaar de ruimte geven het goede gesprek te voeren, is er meer mogelijk dan vooraf gedacht. Wij streven naar een duurzaam Fryslân, waarin ons water en bodemsysteem een belangrijke rol speelt met het oog op het veranderende klimaat. Ook willen wij een sociaal en economisch vitaal platteland. Dit vergt keuzes die lang niet altijd makkelijk zijn. Wij komen daar later in het hoofdstuk ‘Hoofddoelen van het FPLG’ op terug. Zoals eerder aangegeven is er veel onduidelijkheid over de toekomst van het landelijk gebied. In Den Haag is er op het moment van schrijven nog geen landbouwakkoord, is de fasering vanuit de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering nog niet vastgesteld, is het Transitiefonds Landelijk Gebied nog niet vastgesteld door de Tweede Kamer en zijn de natuur- en klimaatdoelen nog niet toebedeeld aan de provincies. Ook in Europa worden er de komende jaren nog belangrijke beslissingen genomen, bijvoorbeeld rondom de nieuwe Verordening inzake natuurherstel. Toch gaan wij door. Het opstellen van een gebiedsprogramma onder de vlag van het NPLG is een verplichting vanuit de Wet Stikstof en Natuurherstel.
Maar belangrijker nog; wij hebben er bewust voor gekozen om – vanuit onze eigen ambitie – een Frysk Programma voor het Landelijk Gebied op te stellen. Het Friese platteland is ons te dierbaar om niets te doen. De toekomst is te belangrijk om uit handen te geven. En wij spelen zo goed mogelijk in op onzekerheid en de ontwikkelingen van de nabije toekomst.
10
Rol overheid Tijdens de vele gesprekken in de voorbereiding op het FPLG, werd ons meegegeven: ‘de opgaven zijn niet alleen een transitie voor de landbouw, het is ook een transitie voor de overheid’. En met die constatering zijn wij het van harte eens. Te vaak is het gebeurd dat de verschillende overheden – Rijk, waterschap, provincie en gemeente – langs elkaar heen werken. Wij moeten kritisch durven zijn op ons eigen functioneren en gebruiken dit programma om transparant te zijn waar dit mogelijk is en samen te werken aan concrete oplossingen. Een aantal uitgangspunten is daarbij voor ons van belang: • het gaat uiteindelijk om de doelen die we willen bereiken • we leggen zoveel mogelijk zeggenschap bij de gebieden, inwoners en bedrijven, zonder onze eigen verantwoordelijkheid daarbij uit de weg te gaan • we staan open voor verandering; niet het jaartal staat centraal maar de resultaten die we op de weg naar een duurzaam Fryslân realiseren. Sociaal-economisch vitaal platteland Wij hebben bewust gekozen om naast de drie kerndoelen van het Nationaal Programma Landelijk Gebied – klimaat, water en natuur – een vierde kerndoel toe te voegen: een sociaal-economisch vitaal platteland. Een eerste analyse leert dat het onverkort doorvoeren van een aantal taakstellingen van het Rijk forse gevolgen heeft voor het platteland. Met name de landbouw staat voor flinke uitdagingen.
De werkgelegenheid en daarmee het voorzieningenniveau van ons platteland hangen nauw samen met de landbouw in onze provincie. Wij doen dan ook nadrukkelijk een aanvraag met ons plan voor het versterken van de sociaal-economische structuur van onze provincie. Het is van belang om een aantrekkelijke provincie te zijn en te blijven - Fryslân is in 2010 uitgeroepen tot de mooiste provincie van Nederland. Daarnaast zijn verschillende sectoren van strategisch belang voor Fryslân, waaronder de landbouwsector. Deze is met name van belang voor Fryslân als producent van gezond en duurzaam voedsel en grondstoffen, als motor van een vitaal platteland en als beheerder van het landelijk gebied. Wij vinden het van beland dat de landbouw een goed verdienmodel heeft, en een langjarig beleidskader op basis waarvan zij durven te investeren. Dat hebben wij als provincie natuurlijk niet in de hand. Wel kunnen wij – door onze aanvraag voor de instelling van een Fries beheerfonds landbouw – veel concreter dan tot dusver landbouwbedrijven ondersteunen die stappen zetten naar een meer duurzame bedrijfsvoering. Wij vinden het van groot belang dat we – consequent en altijd – in Fryslân niet alleen naar vereisten van duurzaamheid in milieukundige zin kijken (‘planet’), maar evenzeer naar de sociale en economische duurzaamheid van de plannen (‘people’ en ‘profit’).
11
Waar werken we naartoe? De toekomst van ons landelijk gebied; we kunnen niet in één keer van de kelder naar de zolder. Dus pakken we het stapsgewijs op en stellen bij waar nodig. In het volgend hoofdstuk geven wij aan hoe de fasering van het ‘nu, straks en later’ er uit ziet. Bij het gesprek over de toekomst nemen wij nadrukkelijk de ruimte om – samen met onze inwoners, boeren en natuurorganisaties – te verkennen welke keuzes er moeten worden gemaakt in onze provincie. Zoals aangegeven wordt 2025 daarbij een belangrijk jaar. Mede op basis van aanvullende kennis die met de Kennis- en innovatieagenda wordt opgebouwd, leggen we in dat jaar onder meer de het volgende aan Provinciale Staten voor: • • • • •
Herijking Veenweideprogramma 2021 – 2030 Vaststellen natuur- en klimaatdoelen 2035 voor Fryslân Voortgang realisatie Kaderrichtlijn Water1 en Fries Natuur Netwerk (2027) Vaststellen aanpak en maatregelen om te komen tot een klimaatbestendige inrichting van Fryslân De gebiedsgerichte aanpak
1
In 2024 rapporteren we over de stand van zaken KRW in lijn met de landelijke planning en de uitkomsten van de landelijke ‘midterm review’ KRW (breder dan de thema’s in het PPLG). In 2025 geven we aanvullend een uodate met betrekking tot de acties die onder de vlag van het FPLG worden uitgevoerd.
12
4 STRATEGIE EN AANPAK Er is op dit moment een gesprek in ons land over het vertrouwen tussen de overheid en de inwoners. We kunnen dit discours heel groot maken, maar wij houden het liever klein. Wij zetten ons te allen tijde in om in het kader van dit FPLG, en daarbuiten, een betrouwbare en dienende overheid te zijn. In dit gebiedsplan werken wij volgende de lijn van ‘nu, straks en later'. Voor deze aanpak hebben wij gekozen met de partners van de hackathon landelijk gebied. Wij zetten ons ook in om bij het realiseren van de doelstellingen van dit plan vertrouwen te geven aan de inwoners, bedrijven en mensen in de gebieden. Wederzijds vertrouwen; samen realiseren wij concrete resultaten. Dat vertaalt zich op twee manieren: door zoveel mogelijk te werken in gebiedsprocessen op meerdere niveaus en door zoveel mogelijk uit te gaan van doelsturing waar dat kan. Gebiedsgericht werken van onderop vereist duidelijke kaders met voldoende ruimte om dit maatwerk met partijen in het gebied effectief gestalte te geven. Het is aan de provincie om, na consultatie van alle partijen te zorgen dat de koers waar men naar toe werkt duidelijk is.
4.1
FASERING
Zoals aangegeven is van een aantal doelen op dit moment de taakstelling per provincie en de toekenning van middelen nog niet duidelijk. Ook weten we op onderdelen nog onvoldoende en is dus tussentijds bijsturen nodig. Daarom kiezen we voor een gefaseerde aanpak. Door deze aanpak krijgen mensen de tijd om zich aan te passen en houvast over de omstandigheden waaronder zij ondernemen en beslissingen nemen. Daarbij wordt door het Rijk gewerkt met meetbare einddoelen en tussendoelen die zijn afgeleid van het Nationaal Programma Landelijk Gebied en maken daarover heldere afspraken met het Rijk. Hieruit leiden we tussendoelen af een maatregelen die het meeste bijdragen aan doelbereik in de periodes ‘nu’ en ‘later’. In het hoofdstuk over monitoring komen we daarop terug. Nu, 2024 en 2025 Deze eerste twee jaar staan twee elementen centraal: de Investeringsagenda Landelijk Gebied en Kennisagenda. Over beide agenda’s kunt u het nodige lezen in dit programma. Wij kiezen de eerste twee jaar grotendeels voor uitvoering en waar mogelijk intensivering van plannen die we in de afgelopen jaren hebben voorbereid en waar we het in Fryslân met elkaar over eens zijn. In veel gevallen zijn de plannen waarmee we in Fryslân doelen voor klimaat, stikstof en water willen behalen al vergaand voorbereid, met de Mienskip. Deze plannen gaan soms verder dan wat we binnen onze mogelijkheden kunnen realiseren.
Het ontbreekt ons dan bijvoorbeeld aan uitvoeringscapaciteit en middelen om deze plannen daadwerkelijk uit te voeren. Dit betekent bijvoorbeeld ons Veenweideprogramma een impuls geven, net als het agrarisch natuurbeheer. Ook gaan wij door met de aanleg van ons Fries Natuur Netwerk en de uitvoering van de Friese Landbouwagenda 2021-2030. Daarnaast maken we een begin met het in de gebieden uitrollen van de sociaal-economische aanpak. Hier komen wij verder op in dit programma terug. Veel van de activiteiten die wij opstarten in de eerste twee jaar, worden effectief in de periode van het ‘straks’. Gebiedsprocessen kosten tijd en de uitvoeringsorganisatie moet nog vorm krijgen. Daarnaast streven we ernaar om in nauwe samenwerking met het Rijk de zogeheten PAS-melders in Fryslân te legaliseren en de knelpunten bij vergunningverlening met gerichte acties op te lossen. Wij gaan daarbij uit van het vorig jaar door Provinciale Staten vastgestelde Uitvoeringsprogramma Stikstof 13
(UPS). De ontwikkelingen rondom stikstof staan niet stil. Vandaar dat wij vooreerst verder werken vanuit het UPS. In 2024 komen wij met een voorstel voor herijking van het UPS in het kader van de voortgang van het FPLG. Essentie: de indicatieve doelstellingen voor natuur en klimaat worden nog niet bestuurlijk vastgesteld met dit FPLG. Wij schrijven deze doelstellingen in dit FPLG ‘in potlood’ en in 2025 ‘in pen’. Ook keuzes om te komen tot een kilmaatbestendig Fryslân maken we in 2025. De eerdergenoemde Kennis- en Innovatieagenda FPLG is voor ons belangrijk, zodat wij in 2025 zo volledig mogelijk antwoord geven op de kennislacunes die er nu nog zijn. Straks, 2026 – 2035 Voor de Natuur- en klimaatdoelstellingen – de vogel- en habitatrichtlijn, natuur, stikstof en klimaat – richten wij ons op realisatie in 2035. Maatregelen om te komen tot een klimaatbestendige inrichting worden integraal meegenomen in gebiedsprocessen. Analyse vanuit de voorbereiding van dit FPLG leert dat het maatschappelijk, financieel, juridisch en met name organisatorisch niet mogelijk is om al in 2030 de integrale doelstellingen van het NPLG te realiseren. De doelstellingen voor de waterkwaliteit – de Kaderrichtlijn Water – zijn gesteld op 2027. De realisatie van de doelstelling van het Veenweideprogramma blijft ook 2030 als het gaat om de maatregelen voor het dikke veen.
Een specifiek onderdeel van ons natuurbeleid, namelijk de aanleg van het Fries Natuur Netwerk, willen wij ook zoveel mogelijk in 2027 realiseren. In het hoofdstuk ‘Hoofddoelen van het FPLG’ komen we daar verder op terug. Later, 2036 – 2050 Zoals aangegeven in de inleiding is de periode na 2035 dichterbij dan menigeen denkt. In de gesprekken die wij hebben gevoerd tijdens de voorbereiding op dit plan, merken wij dat er onzekerheid is bij betrokkenen over de verschillende toekomstplannen. De meeste doelen die in 2025 op tafel komen kennen een doorontwikkeling richting 2050. Denk daarbij aan de doelen tot herstel van onze soorten en leefgebieden (habitats) vanuit de Vogel- en habitatrichtlijn, het herstel van de natuur en de beperking van uitstoot van broeikasgassen. Voor de periode na 2035 gaat de discussie rondom de houdbaarheid van ons huidige watersysteem een prominentere rol spelen. Het klimaat verandert; de toevoer van water uit de grote rivieren en het IJsselmeer is niet meer vanzelfsprekend en rekening moet worden gehouden met extra ruimte voor wateropvang. Verzilting, bodemdaling en droogte in combinatie met extreme neerslag gaan de komende tien, twintig jaar in toenemende mate ons maatschappelijk debat bepalen.
Dit betekent dat het automatisme van ‘pompen en afvoeren’ niet meer opgaat en dat in Fryslân het gesprek met elkaar moeten worden aangaan over de contouren van een nieuwe balans in ons watersysteem. Dit is geen makkelijke boodschap, maar het is wel belang hierover eerlijk te zijn naar elkaar. Voor het ‘nu’ en ‘straks’ betekent dit dat er meer onderzoek en experimenteren nodig is. Maar in het licht van ‘later’ gaan we ook al stappen zetten, zoals het vasthouden van water voor de waterbeschikbaarheid voor landbouw en natuur, het werken aan maatregelen om verzilting tegen te gaan in de kleischil en het werken aan vitale bodems. Wij zijn – met elkaar – niet alwetend over de toekomst op langere termijn. Uiteindelijk lopen zaken altijd weer anders. Tegelijk weten wij wel dat een aantal ontwikkelingen snel op ons afkomt. Het is onze taak als provincie om altijd transparant te zijn over de (nabije) toekomst.
14
4.2
RUIMTE VOOR VERTROUWEN
Maatregelpakketten Uiteindelijk gaat het de komende jaren vaak over de maatregelen die genomen worden om allerlei doelstellingen te bereiken. Denk aan stalmaatregelen, weidebeheer en vele andere zaken. Als overheid ondersteunen wij bedrijven, organisaties en inwoners bij de concrete uitvoering. Samen realiseren wij de opgaven in de gebieden. Het geld uit het eerdergenoemde Transitiefonds wordt niet eerder beschikbaar gesteld door Den Haag, dan na aanvraag van een maatregelpakket. De voorwaarden die hiervoor gelden zijn na te lezen in de spelregels landelijk gebied en zijn behoorlijk gedetailleerd. Dit heeft het risico dat er ruimte wordt weggehaald bij de gebiedsprocessen waar het uiteindelijk moet gebeuren. Wij zijn kritisch op deze werkwijze van het Rijk. Wij beseffen echter ook dat dit in deze fase niet te veranderen is en gaan – samen met de betrokkenen in de gebieden – zo slim mogelijk om met de geldende spelregels. Op het moment van schrijven van de conceptversie van dit FPLG – begin mei 2023 – is het nog niet mogelijk om een overzicht te geven van de concrete maatregelpakketten die wij aanvragen voor het ‘nu’ – 2024 en 2025. Daar wordt op dit moment aan gewerkt. In de ontwerpversie van het FPLG van juni wordt een overzicht gegeven van de maatregelpakketten die per 1 juli worden ingediend bij het Rijk.
Kritische prestatie-indicatoren Een ander belangrijk middel om te komen tot de boven beschreven doelsturing is om meer ruimte te geven aan de boerenbedrijven zelf om het roer in handen te nemen om stappen te zetten om te komen tot een andere bedrijfsvoering. Wij willen maximale ruimte geven voor maatwerk per bedrijf en per gebied en daarmee ook een stimulans aan ondernemerschap. We denken dat de methode van Kritische Prestatie-indicatoren (KPI’s) daarbij een belangrijke rol kan spelen. In het volgend hoofdstuk komen we hierop terug.
4.3
GEBIEDSGERICHTE AANPAK
De gebiedsgerichte aanpak is voor Fryslân een sleutel waarmee de doelstellingen uit het programma in belangrijke mate worden gerealiseerd. Onze provincie kent momenteel meer dan vijftig gebiedsprocessen. Gebieden waar wordt samengewerkt tussen de overheden, inwoners en bedrijven en die in de meeste gevallen een groot deel van de opgave van het FPLG raken. Onder de noemer ‘Gebiedsgerichte Aanpak’ werken we uit hoe we dit zo dicht mogelijk bij de uitvoering kunnen organiseren. In dit FPLG staan de uitgangspunten van de gebiedsgerichte aanpak. De concrete nadere aanpak – zoals bijvoorbeeld de governance vragen – gaan wij op korte termijn met betrokken partijen verder uitwerken. De gebieden Aansluitend op onze water- en bodemstructuur is Fryslân te verdelen in vier gebieden: Wadden, klei, veen en zand. Elk van deze gebieden kent zijn eigen fysieke kenmerken, opgaven en sociaaleconomische samenstelling. In bijlage 15 is per deelgebied een uitgebreide uitwerking van de doelen gegeven en wat dat op hoofdlijnen voor dat deelgebied betekent. Deze gebiedsindeling is gebaseerd op het bodem en watersysteem en het landschap. De basis is een hoofdindeling in veen, zand, klei en de wadden. Het kleigebied is vervolgens nog onderverdeeld in Oostergo/Noordelijke kleischil en Westergo/Greidhoeke en het zandgebied kent een onderverdeling in Noordelijke wouden, Zuidelijke wouden en Gaasterland.
15
Figuur 2: Deelgebieden van Fryslân
De aanpak Zoals aangegeven willen wij zoveel mogelijk verantwoordelijkheid – ofwel budget en mandaat – bij de gebieden leggen die aan de slag gaan met de uitvoering. Dit betekent niet dat een gebiedsproces altijd een proces van onderop is. Gebiedsprocessen van het FPLG zijn een combinatie van het realiseren van doelstellingen – ‘top down’ – en gebiedsbelangen – ‘bottom up’. En – laten we daar eerlijk over zijn – dat is best spannend de komende tijd. Wij zetten ons als provincie ervoor in dat de doelstellingen en middelen per gebied zo helder mogelijk zijn. Wij verwachten dat er in 2025 vanuit het Rijk voldoende houvast is over de kwantitatieve doelstellingen, zodat wij helderheid aan de regio kunnen geven. Wij zijn en blijven verantwoordelijk richting het Rijk over de realisatie van de opgaven waar onze regio voor staat. Wij willen maximaal aansluiten bij de initiatieven en energie die er zijn binnen een gebied. Dat betekent dat we zoveel mogelijk samen met het gebied een uitwerking geven aan de realisatie van de doelen. Hierbij komt ook de ruimtelijke puzzel aan bod. Een aanbod is om daarbij te werken vanuit de principes van de Omgevingsvisie: a. Er wordt per gebied gezocht naar win-win mogelijkheden en samengewerkt met andere trajecten die al in een gebied lopen. b.
Om alle doelen in een gebied een plek te geven, wordt een ontwerpproces gestart met belanghebbenden met omgevingskwaliteit als onderlegger. c. Er wordt zuinig omgegaan met de beschikbare ruimte en gezocht naar mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik.
16
Bij de uitvoering van de gebiedsaanpak willen wij zoveel mogelijk werken met een gebiedscommissie waarin de verschillende belangen zijn vertegenwoordigd. Het inrichten van de organisatie is maatwerk en er kunnen dus ook andere keuzes gemaakt worden. Wij zullen als provincie, samen met het Wetterskip en de gemeenten, de gebiedsprocessen zo goed mogelijk ondersteunen. In nauw overleg met elkaar worden keuzes gemaakt over de inzet van maatregelen en instrumenten. Een ontwerpende benadering in de gebieden. In Fryslân is de diversiteit aan landschapstypen en de verspreide ligging van bebouwing een belangrijke kwaliteit. In onze Omgevingsvisie hebben we het herkenbaar houden van het Friese landschap als doel gesteld. Dit betekent niet dat alles zo moet blijven als het is. Door een ontwerpende benadering te hanteren kun je onderzoeken op welke wijze het landschap kan door ontwikkelen op zo’n wijze dat het verhaal van het ontstaan van het landschap helder blijft. In gebiedsgerichte benaderingen zorgt ontwerpend onderzoek ervoor dat de wensen van gebruikers en belanghebbenden meegenomen worden in dit toekomstige landschap. Juist door ideeën, programma’s, wensen een plek te geven in de buitenruimte kun je uitvinden wat de mogelijkheden, beperkingen en verder uit te zoeken vragen zijn.
De onderzoeksvragen richten zich op hoe het landschap eruitziet, op welke manier je veranderingen in het landschap kunt vormgeven, hoe landschappelijke processen kunnen verlopen. Het maakt toekomsten voorstelbaar. Om samen te komen tot inspirerende toekomstvisies in de gebieden en met respect om te gaan met het landschap, wil het FPLG gebruik maken van ontwerpend onderzoek.
Wie doet wat? In de voorbereiding op dit programma heeft een inventarisatie plaatsgevonden hoe op dit moment gewerkt wordt in de gebieden in Fryslân. Deze inventarisatie heeft een grote verscheidenheid aan aanpakken laten zien met een grote dynamiek. Van gebiedscommissie tot gebiedsofferte en alle varianten die er verder te bedenken zijn. De inventarisatie heeft veel waardevol inzicht gegeven. Wij gaan dat gebruiken om de periode direct na vaststelling van het ontwerp FPLG keuzes te maken hoe we de gebiedsgerichte aanpak verder gaan inzetten. Belangrijk onderdeel daarvan is wat wij gaan besluiten op het niveau van de hele provincie, wat er gebeurt op het niveau van de regio – denk aan de Wadden, het zandgebied, het Veenweidegebied en de kleigebieden – en wat er in de gebieden lokaal gebeurt.
17
4.4
VERGUNNINGVERLENING EN LEGALISATIE VAN PAS-MELDERS
Ten tijde van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) konden initiatiefnemers van nieuwe activiteiten met een beperkte stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden onder voorwaarden volstaan met een melding onder de Wet natuurbescherming (Wnb). De Raad van State haalde in 2019 een streep door deze regeling, waardoor de ‘PAS-melders’ in één klap een vergunning probleem hadden dat moeilijk is op te lossen. Ook het probleem van het niet hebben van een dekkende vergunning bij e zogeheten interimmers moet opgelost worden. De korte en lange termijn maatregelen die het FPLG bevat en de acties van het Rijk zijn niet afdoende om de knellende situatie van alle 220 Friese PAS-melders en de interimmers op te lossen. Daarom is geïnventariseerd welke instrumenten en acties wij nu kunnen inzetten. Wij willen in nauwe samenwerking met het Rijk, zo snel als mogelijk – uiterlijk in 2025 – over gaan tot het legaliseren van de PAS-melders. Een groot gedeelte van de 190 voorliggende Friese aanvragen voor een natuurvergunning, kan op dit moment niet worden gehonoreerd, ook vanwege uitspraken van de Raad van State heeft geoordeeld dat onvoldoende vaststaat dat emissiearme stallen echt tot een lagere stikstofemissie zullen leiden.
Hoewel op Rijksniveau enkele trajecten zijn aangekondigd en lopen om de toestemmingverlening weer mogelijk te maken, zijn stikstofreducerende systemen zoals emissiearme stalvloeren op dit moment niet vergunbaar. Verbetering vergunningsystematiek Het streven is om dit jaar een landelijke handreiking gereed te hebben die meer duidelijkheid en zekerheid biedt voor vergunningverlening. Voor de lange termijn wordt er gewerkt aan een nieuwe reguleringssystematiek voor emissies. Handhaving Naast de knelpunten bij vergunningverlening wordt de provincie geconfronteerd met handhavingsen intrekkingsverzoeken van omwonenden en belangengroepen. Na de PAS-uitspraak van de Raad van State hebben Rijk en provincie uiterlijk op 1 juli 2024 de boodschap afgegeven dat de PASmeldingen door de overheid worden gelegaliseerd. Ook is daarbij aangegeven dat provincie en Rijk gezien het zicht op legalisatie niet actief zullen handhaven. Maar de ruimte om van handhaving af te zien wordt beperkt door de in de rechtspraak ontwikkelde beginselplicht tot handhaving. De provincie Overijssel is al door de rechter gedwongen te handhaven en dat dreigt ook in de komende twaalf maanden te gebeuren in Fryslân. Hoe meer en sneller concrete maatregelen ten behoeve van de natuur worden doorgevoerd, hoe groter de kans is dat een besluit om af te zien van handhaving bij de rechter standhoudt.
In dit licht zijn wij op dit moment bezig met onderzoek naar de volgende maatregelen en acties: - Aankoop rechten, zoals stikstof, fosfaat en bedrijven, om PAS melders te legaliseren. Hier zetten wij € 20 miljoen voor in. - Reeds bestaande rechten via de stikstofbank inzetten om Pas melders te legaliseren. - Uitvoeren achterstallige en extra natuur-en herstelmaatregelen. - Uitgifte pachtgronden met beperking op bemesting. - Handhaven realisatietermijn in vergunningen (latente ruimte). - Actief intrekkingsbeleid om willekeurige intrekkingsverzoeken te kunnen afwijzen. - Aanscherpen van beleidsregels met betrekking afromingspercentage en feitelijk gerealiseerde capaciteit. - Actualiseren natuurvergunningen - Het koppelen van beleidsregels aan de vergunningplicht voor intern salderen die mogelijk vanaf januari 2024 wordt ingevoerd - Vergunde rechten inzichtelijk maken voor de gebiedsgerichte aanpak ten behoeve van een actueel beeld van bestaande en mogelijke knelpunten. - Legalisatie van gedeeltelijke PAS-meldingen m.b.v. emissie-reducerende innovaties. 18
4.5
KENNIS- EN INNOVATIEAGENDA
Zoals aangegeven was de tijd voor het voorbereiden van dit FPLG beperkt. Dit betekent dat het maken van analyses van de impact van maatregelen – bijvoorbeeld sociaal-economisch – meer tijd nodig heeft. Ook liet het tijdsbestek het niet toe om met integrale doorrekeningen te komen van de samenhang en koppelkansen tussen de verschillende doelen, maatregelen en regio’s. Bijvoorbeeld: hoe hangt de reductie van het broeikasgas methaan samen met het reduceren van de stikstofuitstoot? Hoe hangen veranderingen in het veenweidegebied samen met de stikstofopgave in Zuidoost Fryslân? Welke bijdrage levert het afschaffen van de ruimere mogelijkheden om mest uit te rijden (‘derogatie’) aan de reductie van de stikstof- en methaanuitstoot uit de landbouw? Met het oog op de impact van het FPLG, is het belangrijk om de vragen die nog leven nader uit te werken. Wij moeten de tijd te nemen voor gedegen onderzoek, doorrekeningen en sociaaleconomische impactanalyses. Op basis van een eerste inventarisatie van zaken die, voorafgaand aan definitieve planvorming, meer onderzoek of doorrekening vereisen, wordt een Kennis- en innovatieagenda opgesteld. In de bijlage leest u een eerste inventarisatie van thema's die hierin terugkomen. De vragen op deze agenda zullen de komende twee jaar gecoördineerd worden opgepakt.
Wij maken maximaal gebruik van de landelijk aanwezig kennis, en doen ook op onderdelen eigen onderzoek. En vooral; wij gebruiken de ervaringen die wij nu al opdoen met innovatie in de bijvoorbeeld de landbouw. Denk aan de Innovatiepolder Hegewarren en de ervaringen met Better Wetter. Deze Kennis- en innovatieagenda betekent overigens niet dat in 2025 op alle vragen klip en klaar een antwoord zal zijn. Maar: naast de leemtes die er zijn in de kennis over doelen en maatregelen is er ook houvast over wat we wel weten. Stil zitten is voor ons geen optie.
Emissies: waar gaat het over...? De verschillende doelen en maatregelen van dit FPLG worden in het volgende hoofdstuk nader toegelicht. In relatie tot de klimaat-, natuur- en waterdoelen staan in het FPLG allerlei technische begrippen tegen rondom emissies. Een korte toelichting is daarom op zijn plaats. Sommige uitstoot ‘verdwijnt’ naar de bodem en het water; minder uitstoot kan dan leiden tot een verbetering van de waterkwaliteit en een meer vitale bodem. Andere soorten uitstoot verdwijnen in de lucht en kunnen klimaat en natuur beïnvloeden, soms na eerst weer te zijn terechtgekomen in de bodem. De opgave van het NPLG met betrekking tot het reduceren van uitstoot richt zich op het beperken van uitstoot van die stoffen die het klimaat, de natuur of de waterkwaliteit beïnvloeden.
Klimaat De drie belangrijkste broeikasgassen die zorgen voor de opwarming van de aarde zijn koolstofdioxide (CO₂), methaan (CH4) en lachgas (N2O). Alle drie maken ze deel uit van de natuurlijke koolstof- en stikstofcycli op aarde. Planten leggen bijvoorbeeld CO2 uit de atmosfeer vast in koolhydraten, met behulp van zonne-energie. Niet-plantaardige organismen zijn voor hun energievoorziening juist afhankelijk van deze koolhydraten, en zetten deze weer om naar CO2; de perfecte kringloopsamenwerking. Door menselijk toedoen raken de natuurlijke kringlopen echter uit balans; er komen te veel broeikasgassen en stikstof in de atmosfeer. De aarde kan daardoor opwarmen en de natuur 19
verstoord raken. Zo komt CO2 in grote hoeveelheden vrij bij menselijke activiteiten zoals opwekking van energie, mobiliteit en ontbossing, maar ook bij de productie van stikstofkunstmest. Voor CO2uitstoot is in Fryslân het veenweidegebied van belang. Er komen grote hoeveelheden CO2 vrij bij oxidatie van het veen door ontwatering. Dit is een schoolvoorbeeld van ooit door planten vastgelegde koolstof, die nu door niet-plantaardige organismen weer wordt omgezet naar CO2. Vanwege de klimaatopgave ligt er een taakstelling voor onze provincie om deze uitstoot sterk te beperken. Vernatten van veen is daarbij de belangrijkste maatregel; aanvullende maatregelen worden nog onderzocht. Methaan (CH4), is een broeikasgas. Het kan ontstaan uit verschillende natuurlijke processen, maar ook door toedoen van de mens. Van de methaanemissie in Nederland komt twee derde uit de veehouderij. Ook productie en gebruik van fossiele brandstoffen en afvalverwerking zijn belangrijke bronnen. Als broeikasgas zorgt het voor ongeveer 20 procent van het broeikaseffect. Waar koolstofdioxide en lachgas achtereenvolgens duizenden en honderden jaren in de atmosfeer blijven hangen, wordt methaan binnen enkele tientallen jaren afgebroken. Doordat er steeds nieuwe methaan in de atmosfeer komt, is er sprake van een ‘deken’ van methaan rondom de aarde.
Als we de uitstoot kunnen verminderen neemt de hoeveelheid methaan door afbraak snel af en daarmee zou de opwarming van de aarde op korte termijn minder snel gaan. Voor Fryslân specifiek is een dilemma; de gewenste vernatting van het veen leidt ook tot het vrijkomen van methaan. Het opwarmende effect van één kilogram CH4 staat gelijk aan de broeikaswerking van 28 kilogram CO2 over 100 jaar. Lachgas ten slotte is een zeer sterk broeikasgas dat veel bijdraagt aan de opwarming van de aarde. Lachgas komt vrij uit de bodem, onder andere bij de aanwending van kunstmest en dierlijke mest in de landbouw, vanuit de chemische industrie en bij transport en verbranding van fossiele brandstoffen. Het opwarmende effect van één kilogram N2O staat gelijk aan de broeikaswerking van 298 kilogram CO2 over een tijdsspanne van 100 jaar. Stikstof De stikstofuitstoot heeft met name met de natuur te maken. Stikstof slaat vanuit de lucht neer in o.a. stikstofgevoelige natuurgebieden. Dat noemen we depositie. Er zijn twee vormen van stikstofverbindingen relevant: ammoniak (NH3) en stikstofoxide (NOx). Bronnen in Nederland voor ammoniak (NH3) zijn vooral veehouderijen en voor stikstofoxiden (NOx) het gebruik van fossiele energie. In gebieden waar veel stikstof neerslaat, doen planten die goed gedijen onder stikstofrijke omstandigheden het beter dan soorten die beter gedijen in een voedselarm milieu.
De laatste verdwijnen. Stikstofmijdende soorten zullen dan vaak het veld ruimen voor stikstofminnende soorten en dit leidt tot een afnemende biodiversiteit. Ook verzuurt de bodem bij te veel stikstof, waardoor mineralen uitspoelen en omstandigheden voor bepaalde soorten ongunstig worden. Om te kunnen vaststellen of de hoeveelheid stikstof die op een natuurgebied neerslaat daadwerkelijk schade berokkent aan de natuur, wordt de kritische depositiewaarde (KDW) gebruikt. Dit getal geeft voor iedere leefomgeving (habitat) aan bij welke mate van stikstofdepositie niet langer op voorhand kan worden uitgesloten dat er een risico is dat de kwaliteit van het habitattype wordt aangetast. Sinds 1990 is de uitstoot van zowel NH3 als NOx sterk gedaald, al is de daling van de NH3 uitstoot sinds 2012 afgevlakt.
Water en bodem Het waterbeleid heeft als doel: een ecologisch gezond oppervlaktewater en grondwater, kwalitatief goede drinkwaterbronnen en vis die zonder gezondheidsproblemen te eten is door mensen, vogels en andere (zoog)dieren. De Europese Commissie heeft bepaald dat de lidstaten beheersmaatregelen 20
moeten treffen, gericht op: - Het stoppen van emissies (vrijkomen) van de prioritair gevaarlijke stoffen. - Het verminderen van emissies (vrijkomen) van de prioritaire stoffen. Er zijn Europese normen voor ruim 40 stoffen en stofgroepen. Het gaat met name om gewasbeschermingsmiddelen en andere chemische stoffen. De belangrijkste oorzaken voor de matige tot slechte kwaliteit van het Nederlandse oppervlaktewater zijn vermesting met de nutriënten stikstof en fosfor. De meeste nutriënten zijn afkomstig van uit- en afspoeling vanaf landbouwgronden. Een deel van de nutriënten van landbouwgronden komt direct uit toegediende kunstmest of dierlijke mest. Daarnaast is in veel bodems een voorraad stikstof en vooral fosfor aanwezig, deels door de bemesting van afgelopen decennia en deels van nature aanwezig. Het opgeslagen fosfor spoelt gestaag uit naar het oppervlaktewater. Verder draagt in laag-Nederland kwel bij aan de nutriëntbelasting. Andere relevante bronnen voor de belasting van regionale wateren zijn emissies van rioolwater, uit- en afspoeling van natuurgronden en aanvoer vanuit het buitenland via grensoverschrijdende wateren en stikstofdepositie uit de lucht. Door de zuivering van rioolwater zijn de emissies van huishoudelijk afvalwater de afgelopen 30 jaar sterk afgenomen. De uit- en afspoeling vanaf landbouwgronden is nu nationaal de belangrijkste bron van nutriënten.
21
5 HOOFDDOELEN VAN HET FPLG In de handreiking van het Nationaal Programma Landelijk Gebied is aangegeven waar de opgaves liggen voor de provincies. Wij gaan in dit hoofdstuk specifiek in op de verscheidene doelen van ons programma. Dit kan lezen alsof alle doelen keurig in aparte ‘hokjes’ zijn te verdelen, maar dat is zeker niet de boodschap van dit hoofdstuk. Alle doelen hangen met elkaar samen en leiden tot de brede welvaart die voor ons essentieel is. Hogere grondwaterstanden in het zandgebied zijn niet alleen goed tegen droogteschade in de landbouw, maar beperken ook verdroging van natuurgebieden en bieden de kans op herstel van grondwaterstromen. Overstromingsvlaktes in de benedenloop van beekdalen zijn goed voor wateropvang, maar ook belangrijk paai- en opgroeigebied van vis, waarmee de visstand en de visetende dieren zijn geholpen. En een landschap met mooie houtwallen en bloemrijke akkerranden is een visitekaartje voor de bezoekers van onze provincie uit binnen- en buitenland. In dit hoofdstuk gaan we dat – zo goed en kwaad als het gaat – vertalen naar onze eigen provincie. We gaan in op de huidige stand van zaken in Fryslân met betrekking tot het halen van de doelen. Dat doen we door in kleur aan het begin bij ieder doel aan te geven wat de status is.
Blauw: bekend en vastgelegd Oranje: indicatief bekend gemaakt via de startnotitie NPLG Geel: Nationaal doel geactualiseerd of nieuw (indicatief) bekend gemaakt via Kamerbrief NPLG november 2022). Ook schetsen we waar mogelijk wat de juridische ‘hardheid’ van de doelen is en sluiten af met een mogelijke benadering van hoe we die doelen willen realiseren, deels op hoofdlijnen en deels al zeer concreet. Bij de uitwerking van de doelen wordt rekenschap gegeven van de samenhang met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit, landschap en cultuurhistorie.