Bijlage 1 - Onderbouwing Omgevingsvergunning 'Sumar - Susterwei 10'
Tekst van het document
omgevingsvergunning
Sumar - Susterwei 10 Tytsjerksteradiel
DATUM IMRO IDN
17-02-2026 NL.IMRO.0737.20250943001-0001
PROJECT PROJECTLEIDER
Sumar - Susterwei 10 S. Latuputty
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
I. Paulusma 20250943001
AUTEUR STATUS
L. Daalman ontwerp
Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing
5
Hoofdstuk 1
Inleiding
6
1.1
Aanleiding
6
1.2
Ligging projectgebied
6
1.3
Leeswijzer
7
Beschrijving van het project en zijn omgeving
8
2.1
Huidige situatie
8
2.2
Toekomstige situatie
11
2.3
Beschrijving strijdigheid
12
Procedure en adviesrecht
13
3.1
Procedure
13
3.2
Bindend advies gemeenteraad
13
3.3
Bestuurlijk vooroverleg
13
Hoofdstuk 4
Participatie
15
Hoofdstuk 5
Beleidskader
16
5.1
Rijksbeleid
16
5.2
Regionaal beleid
16
5.3
Provinciaal beleid
18
5.4
Waterschapsbeleid
21
5.5
Gemeentelijk beleid
22
5.6
Conclusie
24
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu
25
6.1
Algemeen
25
6.2
Mer-beoordeling
27
6.3
Geluid door activiteiten
28
6.4
Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen
29
6.5
Bodemkwaliteit
31
6.6
Gezondheid
32
6.7
Spuitzones vanwege gewasbeschermingsmiddelen
33
6.8
Ecologie: gebiedsbescherming
34
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 6
3/81
Hoofdstuk 7
Economische uitvoerbaarheid
36
Hoofdstuk 8
Belangenafweging en conclusie
37
Bijlagen Bijlage 1
4/81
39 Bodemonderzoek
41
Ruimtelijke onderbouwing
5/81
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
De initiatiefnemer is voornemens het perceel aan de Susterwei 10 te Sumar, waarop voorheen een garagebedrijf was gevestigd, te gebruiken als regulier woonperceel. Op het perceel staan een bestaande bedrijfswoning en een bedrijfsgebouw. De bedrijfsactiviteiten zijn beëindigd en het perceel wordt feitelijk al uitsluitend bewoond. Met de voorgenomen ontwikkeling blijft de bestaande bebouwing volledig behouden; er vinden geen sloop- of bouwactiviteiten plaats. Het plan wijkt af van het omgevingsplan gemeente Tytsjerksteradiel. Voor de locatie geldt de bestemming 'Bedrijf', waar uitsluitend een bedrijfswoning is toegestaan en regulier wonen niet is toegestaan. Om het gebruik van het perceel als regulier woonperceel mogelijk te maken wordt een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) aangevraagd, nadat door de gemeente positief is gereageerd op het hiervoor ingediende principeverzoek. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 wordt de aanvraag beoordeeld aan de hand van het criterium evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Daarbij wordt getoetst of de ontwikkeling in overeenstemming is met de relevante instructieregels van het Rijk en de provincie, en of sprake is van een goede fysieke leefomgeving. De voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet in deze motivering.
1.2
Ligging projectgebied
Het projectgebied ligt aan de westelijke rand van het dorp Sumar, in de gemeente Tytsjerksteradiel. Het perceel maakt deel uit van een karakteristiek dorpslint bestaande uit vrijstaande woningen met erven aan de Susterwei en de aansluitende Master de Jongwei. Aan de west- en oostzijde van het projectgebied bevinden zich woonpercelen. Aan de zuidzijde grenst het perceel aan de openbare weg, de Susterwei. Aan de overzijde van deze weg liggen eveneens woonpercelen, waardoor het projectgebied feitelijk wordt omsloten door woonbestemmingen. De locatie is kadastraal bekend als gemeente Tytsjerksteradiel, sectie K, perceelnummer 329. Figuur 1.1 geeft de ligging van het projectgebied in de omgeving weer. In paragraaf 2.1 wordt nader ingegaan op de huidige situatie van het projectgebied.
6/81
Figuur 1.1 Globale ligging van het projectgebied en de kadastrale aanduiding (bron: Kadaster, 2025)
1.3
Leeswijzer
Deze ruimtelijke onderbouwing is opgesteld ten behoeve van de omgevingsvergunning voor de functiewijziging van het perceel Susterwei 10 naar een regulier woonperceel. Hoofdstuk 2 beschrijft de huidige en toekomstige situatie, inclusief het initiatief en de strijdigheid met het omgevingsplan. Hoofdstuk 3 gaat in op de ruimtelijke procedure en bestuurlijke afstemming, waarna hoofdstuk 4 in gaat op de participatie. Hoofdstuk 5 behandelt het relevante beleidskader en de van toepassing zijnde regelgeving. Hoofdstuk 6 toetst het initiatief aan de relevante aspecten van de fysieke leefomgeving. Hoofdstuk 7 gaat in op de financiële uitvoerbaarheid van het project. Tot slot beoordeelt Hoofdstuk 8 of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).
7/81
Hoofdstuk 2 2.1
Beschrijving van het project en zijn omgeving
Huidige situatie
2.1.1 Feitelijke situatie De projectlocatie betreft het perceel aan de Susterwei 10 in Sumar, gelegen aan de westzijde van het dorp. Op het perceel staan een vrijstaande woning van één bouwlaag met kap, een bijgebouw en een voormalig bedrijfsgebouw. Dit bedrijfsgebouw heeft voorheen dienstgedaan als garagebedrijf. De bestaande woning heeft een oppervlakte van 68 m2, het bijgebouw 22 m2 en het voormalige bedrijfsgebouw 292 m2. Het perceel heeft een overwegend verhard en ingericht erf met rondom erfafscheidingen en beplanting aan de perceelranden. Het perceel wordt ontsloten via de Susterwei. Deze weg sluit in oostelijke richting aan op de Hearrewei, een erftoegangsweg die onderdeel uitmaakt van de lokale ontsluitingsstructuur binnen Sumar. Via de Hearrewei wordt aansluiting verkregen op de N356, een gebiedsontsluitingsweg die een regionale verbinding vormt. De N356 sluit vervolgens aan op de N31, een autoweg van regionale betekenis die Drachten, Leeuwarden en Harlingen met elkaar verbindt. Hiermee is het perceel goed ontsloten binnen zowel het lokale als het regionale wegennet. Figuur 2.1 toont de huidige situatie vanaf straatniveau en figuur 2.2 geeft het projectgebied van bovenaf weer.
Figuur 2.1 Huidige situatie (bron: Google Street View, 2025)
8/81
Figuur 2.2 Luchtfoto projectgebied (Beeldmateriaal NL, 2025) 2.1.2 Huidige planologische regeling Per 1 januari 2024 is van rechtswege het omgevingsplan van kracht geworden. De regels voor het projectgebied zijn opgenomen in de volgende onderdelen (artikel 22.1 Omgevingswet): de besluiten genoemd in artikel 4.6, eerste lid van de Invoeringswet Omgevingswet, waaronder: a. een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening b. de volgende verordeningen: een regel als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet; een verordening als bedoeld in artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij; een verordening als bedoeld in artikel 10.32a van de Wet milieubeheer en een besluit tot aanwijzing van een gebied op grond van die verordening; de kaarten, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet, en de besluiten, bedoeld in artikel 3.5, derde lid, van die wet; de Bruidsschat. Hierna wordt kort ingegaan op deze onderdelen uit het omgevingsplan die van belang zijn voor het voorliggende initiatief. Bestemmingsplan Buitengebied 2013 Het projectgebied valt volgens het omgevingsplan Tytsjerksteradiel binnen het bestemmingsplan Buitengebied 2013 dat is vastgesteld op 27 juni 2013.
Een uitsnede van het bestemmingsplan voor de locatie is weergegeven in figuur 2.3. Op basis van dit bestemmingsplan heeft het projectgebied de bestemming 'Bedrijf - 2'. Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd voor lichte bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 1 en 2, aangevuld met enkele specifieke vormen van bedrijvigheid waarvoor afzonderlijke aanduidingen zijn opgenomen. Ter plaatse
9/81
van de aanduiding is één bedrijfswoning toegestaan. Voor het projectgebied geldt tevens de bestemming 'Waarde - Landschap (Woudenlandschap)'. Deze gronden zijn mede bestemd voor het behoud en herstel van cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden van het woudenlandschap.
Figuur 2.3: Uitsnede bestemmingsplan Buitengebied 2013 (Ruimtelijke plannen, 2025) Bruidsschat Op grond van artikel 22.1 sub c van de Omgevingswet maken de regels als bedoeld in artikel 22.2 Omgevingswet ook deel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Het gaat hier om de zogenoemde Bruidsschat. Daarbij gaat het om een set regels die voorheen op rijksniveau werden gesteld. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet en gedurende de overgangsfase hebben gemeenten de tijd om deze regels op te nemen in het omgevingsplan. Om te voorkomen dat bepaalde onderwerpen bij inwerkingtreding van de Omgevingswet nog niet geregeld zijn, zijn deze regels onderdeel van de Bruidsschat en dus onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De gemeente Tytsjerksteradiel heeft deze bruidsschat in beheer. De regels uit de Bruidsschat zijn onderdeel van hoofdstuk 22 van het omgevingsplan Tytsjerksteradiel. Voor dit project is er geen sprake van een specifieke strijdigheid met de Bruidsschat. Er hoeft door middel van de omgevingsvergunning niet worden afgeweken van de Bruidsschat. Erfgoedverordening Regels uit de erfgoed- of monumentenverordening die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving, moeten in 2031 opgenomen zijn in het omgevingsplan. Voor onroerend cultureel erfgoed mag de erfgoedverordening dan alleen nog andere regels omvatten. Bijvoorbeeld een subsidieregeling.
Op grond van de Erfgoedwet blijft de erfgoedverordening wel gelden voor de bescherming van roerend cultureel erfgoed (cultuurgoederen) en immaterieel cultureel erfgoed. Een beperkt deel van de erfgoedverordening blijft op grond van het
10/81
overgangsrecht van de Omgevingswet deel uit van het tijdelijk deel van het gemeentelijk omgevingsplan. Het gaat hierbij voornamelijk om de regels over archeologie. In dit geval kent de gemeente Tytsjerksteradiel de 'Erfgoedverordening 2014 Tytsjerksteradiel'. Deze verordening regelt onder meer de aanwijzing en bescherming van gemeentelijke monumenten en kent een koppeling met ruimtelijke plannen wat betreft cultuurhistorische waarden. Voor de voorgenomen ontwikkeling is nadere toetsing aan deze verordening niet aan de orde, omdat geen bodemroerende werkzaamheden plaatsvinden en de bestaande bebouwing ongewijzigd blijft. Geurverordening De geurverordening maakt automatisch onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. De gemeente Tytsjerksteradiel heeft deze verordening niet. Dit houdt in dat de normen vanuit de Bruidsschat en het Bkl van toepassing zijn. Voor de ontwikkeling aan de Susterwei 10 worden geen geur veroorzakende activiteiten mogelijk gemaakt en zijn er geen activiteiten die geur veroorzaken in de omgeving. Een verdere toetsing van het aspect geur is daarom niet noodzakelijk. Verordening afvoer hemel- en grondwater De verordening afvoer hemel- en grondwater maakt automatisch onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. In dit geval kent de gemeente Tytsjerksteradiel deze specifieke verordening niet.
Wel is er in het kader van een evenwichtige toelichting van functies aan locaties rekening gehouden met het milieuaspect water in deze motivering. Er vinden echter geen fysieke ingrepen plaats, waardoor er geen waterschapsbelang aanwezig is. Paragraaf 5.4 gaat hier nader in. Bodemkwaliteitskaart Een deel van de Nota Bodembeheer van de gemeente is opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Onderdeel hiervan is de bodemfunctieklassekaart. De bodemfunctieklasse beschrijft de kwaliteit die past bij het gewenste gebruik van de bodem. Er wordt veelal uitgegaan van de indeling in drie klassen van de bodem die de verschillende bodemfuncties omvatten: landbouw/natuur, wonen en industrie. Het ambtsgebied van de gemeente Tytsjerksteradiel is op grond van de Nota bodembeheer van de gemeente Tytsjerksteradiel ingedeeld in bodemfunctieklassen. Het projectgebied heeft hierin de functieklasse 'Landbouw/Natuur'. Paragraaf 6.5 gaat nader in op het aspect bodemkwaliteit.
2.2
Toekomstige situatie
2.2.1 Ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling betreft de functiewijziging van het perceel Susterwei 10 naar een regulier woonperceel. De bestaande situatie blijft daarbij ongewijzigd: zowel de woning als het voormalige bedrijfsgebouw worden behouden. Het bedrijfsgebouw, dat voorheen in gebruik was als garagebedrijf, wordt niet langer bedrijfsmatig gebruikt en zal dienen als bijgebouw bij de woning. Er worden geen bouwkundige wijzigingen, uitbreidingen of sloopwerkzaamheden uitgevoerd. De bestaande erfinrichting, waaronder de oprit en parkeerruimte, blijft
11/81
gehandhaafd. 2.2.2 Inpassing project in de omgeving Het projectgebied ligt binnen een aaneengesloten woonlint langs de Susterwei en de Master de Jongwei. De directe omgeving bestaat vrijwel volledig uit reguliere woonpercelen, met vrijstaande woningen en erven die samen een kleinschalig en karakteristiek dorpsbeeld vormen. Het voormalige garagebedrijf vormde hierin een afwijkende functie, ondanks de beperkte schaal van de bebouwing. Door de functiewijziging naar een regulier woonperceel sluit het gebruik van het perceel beter aan bij de omgeving. De woonfunctie is in lijn met de omliggende percelen en past daarmee logisch in de bestaande structuur van het lint. Omdat de bestaande woning en het achterliggende bedrijfsgebouw behouden blijven en geen bouwkundige wijzigingen plaatsvinden, blijft het ruimtelijke beeld ongewijzigd. De schaal, massa en kapvorm van de woning passen bij de omliggende woningen en de bestaande rooilijn blijft gehandhaafd. Het voormalige garagebedrijf wijkt hier van af, maar is gesitueerd aan de achterzijde van het perceel en heeft daarmee een ondergeschikte positie in het straatbeeld. Hierdoor doet deze bebouwing weinig afbreuk aan het bestaande ruimtelijke beeld. Het voormalige bedrijfsgebouw blijft achterop het perceel gesitueerd en heeft, net als in de huidige situatie, een ondergeschikte positie in het straatbeeld.
De erfontsluiting via de Susterwei blijft ongewijzigd en is vergelijkbaar met de ontsluitingen van de naastgelegen woonerven. Het gebouw wordt als bijgebouw bij de woning toegestaan. Daarmee wordt de bestaande bebouwingssituatie planologisch vastgelegd, zonder dat aanvullende uitbreidingsmogelijkheden worden geboden. Het bebouwd oppervlak blijft daarmee begrensd en het ruimtelijke karakter van het erf en het woonlint blijft gewaarborgd.
Met de omzetting naar een woonperceel sluit het gebruik van de locatie beter aan bij het omgevingsbeeld en wordt het woonkarakter van het lint versterkt. De functiewijziging draagt bij aan een eenduidiger ruimtelijk beeld, doordat een afwijkende bedrijfsfunctie wordt vervangen door een woonfunctie die past binnen de bestaande structuur van het lint in Sumar.
2.3
Beschrijving strijdigheid
Het projectgebied aan de Susterwei te Sumar valt binnen het bestemmingsplan 'Buitengebied 2013'. Voor de locatie geldt de bestemming 'Bedrijf - 2'. Binnen deze bestemming is regulier wonen niet toegestaan. Het gebruik van het perceel als regulier woonperceel zonder bedrijfsactiviteiten is daarmee in strijd met het omgevingsplan Tytsjerksteradiel. De ontwikkeling kan mogelijk worden gemaakt door middel van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Voor deze activiteiten is een aanvraag omgevingsvergunning ingediend.
12/81
Hoofdstuk 3 3.1
Procedure en adviesrecht
Procedure
Een BOPA is een activiteit die niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan of niet vergunningsgvrij is. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning voor een BOPA verlenen als de activiteit voldoet aan een ETFAL en er overeenstemming is met de instructieregels van het Rijk en de provincie. Bij de gemeente is het college van burgemeester en wethouders (B&W) het bevoegd gezag bij een aanvraag omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Er kan advies of instemming van een ander bestuursorgaan nodig zijn. Reguliere procedure Voor de aanvraag geldt de reguliere voorbereidingsprocedure. Dit betekent dat het college van burgemeester en wethouders binnen 8 weken dient te beslissen over de aanvraag omgevingsvergunning. Indien een ander bestuursorgaan advies met instemming moet uitbrengen, wordt de termijn verleng met 4 weken. Daarnaast kan de beslistermijn eenmalig met 6 weken worden verlengd.
3.2
Bindend advies gemeenteraad
De gemeenteraad van de gemeente Tytsjerksteradiel heeft in het 'besluit adviesrecht, participatie en delegatie onder de Omgevingswet 2025' vastgesteld voor welke buitenplanse omgevingsplanactiviteiten een verplicht advies van de raad nodig is. Daarbij zijn ook uitzonderingen opgenomen waarbij géén adviesrecht van toepassing is. In het besluit is opgenomen dat voor percelen in het buitengebied een bindend advies van de gemeenteraad vereist is bij het gebruiken van bestaande gebouwen en bouwwerken met aangrenzend erf in strijd met de gebruiksbepalingen van het tijdelijk omgevingsplan. Het initiatief voorziet in het wijzigen van het gebruik van een bestaand gebouw en erf van 'bedrijf' naar 'wonen', wat in strijd is met de vigerende gebruiksbepalingen van het tijdelijk omgevingsplan. Het initiatief valt daarmee onder een van de adviesplichtige categorieën uit het besluit. Een bindend advies van de gemeenteraad is daarom noodzakelijk.
3.3
Bestuurlijk vooroverleg
Afstemming provincie Op grond van de Omgevingswet kan het in specifieke gevallen noodzakelijk zijn om advies te vragen aan gedeputeerde staten van de provincie. Dit adviesrecht is aan de orde wanneer een initiatief raakt aan provinciale belangen die zijn vastgelegd in de Omgevingsverordening of wanneer in wet- en regelgeving expliciet is bepaald dat advies nodig is.
13/81
Voor BOPAs die afwijken van instructieregels in hoofdstuk 2 (ruimtelijk omgevingsbeleid) of hoofdstuk 6 (duurzame energie) van de Omgevingsverordening Fryslân, geldt dat Gedeputeerde Staten in principe advies én instemming kunnen verlangen. Zoals besproken in 5.3.2 is de ontwikkeling aan de Susterwei niet in strijd met instructieregels vanuit de Omgevingsverordening Fryslân. Voor deze BOPA-aanvraag is daarom geen advies of instemming van de Gedeputeerde Staten noodzakelijk. Afstemming overlegpartners Naast dit formele instrumentarium, is onder de Omgevingswet ook informeel vooroverleg over plannen mogelijk. Het vooroverleg voor BOPA's en wijzigingen van het omgevingsplan is in de Omgevingswet juridisch niet geregeld. Het vooroverleg is vormvrij. Door bij ruimtelijke ontwikkelingen in een vroeg stadium met elkaar op te trekken kunnen knelpunten in een vroeg stadium worden gesignaleerd.
14/81
Hoofdstuk 4
Participatie
De Omgevingswet stimuleert participatie bij ruimtelijke ontwikkelingen. In de wet staat dat initiatiefnemers moeten aangeven of er geparticipeerd is en wat de resultaten hiervan zijn (artikel 7.4 van de Omgevingsregeling). Hoe zij dit vormgeven is door de wetgever bewust opengelaten. Dit om ruimte te laten voor vormen van participatie die aansluiten bij de aard van de opgave en bij de eigen visie van gemeenten op participatie. Artikel 7.4 van de Omgevingsregeling omvat geen algemene verplichting tot participatie, met uitzondering van gevallen waarin de gemeenteraad participatie verplicht heeft gesteld. Voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten met bindend adviesrecht van de gemeenteraad geldt dat participatie noodzakelijk is. Volgens het 'besluit adviesrecht, participatie en delegatie onder de Omgevingswet 2025', wat door de gemeenteraad van Tytsjerksteradiel is vastgesteld op 11 juni 2025, valt het initiatief aan de Susterwei onder een van de aangewezen gevallen (zie paragraaf 3.2). Dat betekent dat voor de beoogde ontwikkeling participatie noodzakelijk is. In het kader van de voorgenomen BOPA-aanvraag met betrekking tot de gebruikswijziging van het perceel Sumar Susterwei 10 is door de initiatiefnemer participatie uitgevoerd. De initiatiefnemer is langs de deuren van belanghebbenden geweest om mondeling het voornemen toe te lichten.
Overige personen zijn via de buurt-app op de hoogte gebracht van de plannen. Mondeling (deur-aan-deur) zijn de volgende adressen bezocht: Susterwei 2 t/m 16 (even); Susterwei 1 t/m 5 (oneven); Master de Jongwei 45 en 46. Dit betreffen alle direct omwonenden van Susterwei 10. Via de buurtapp is daarnaast nog een aantal buurtbewoners, die verder van de locatie af wonen, benaderd. Alle benaderde personen hebben aangegeven positief tegenover het voornemen te staan en geen bezwaren te hebben. De initiatiefnemer wordt succes gewenst bij de ruimtelijke procedure. Vanzelfsprekend hebben deze resultaten van de participatie niet geleid tot wijzigingen in het voornemen.
15/81
Hoofdstuk 5 5.1
Beleidskader
Rijksbeleid
5.1.1 Nationale omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. In aansluiting op de NOVI heeft het Rijk samen met provincies, gemeenten en waterschappen 16 NOVEX-gebieden (Nationale Omgevingsvisie Extra) aangewezen. In deze gebieden is sprake van grote ruimtelijke opgaven en een noodzaak tot integrale gebiedsaanpak. 5.1.1.1 Toetsing Het projectgebied aan de Susterwei valt binnen geen van deze NOVEX-gebieden. Daarnaast geldt dat de NOVI van een dusdanige schaal- en abstractieniveau is dat er geen specifieke uitspraken uit volgen die voor deze ontwikkeling relevant zijn. De strekking, de omvang en de aard van de ontwikkeling staan de belangen uit de NOVI niet in de weg. De functiewijziging van de woning aan de Susterwei raakt geen rijksbelangen als opgenomen in de NOVI of de in de NOVEX-gebieden benoemde opgaven.
5.1.2 Instructieregels Rijk De omgevingsvergunning dient te voldoen aan de instructieregels van het besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Hier wordt verder op ingegaan in hoofdstuk 6.
5.2
Regionaal beleid
5.2.1 Regionaal Waterprogramma 2022/2027 Het Regionaal Waterprogramma 2022/2027 is op 30 november 2022 vastgesteld door de Provinciale Staten. In dit programma legt de provincie het beleid voor waterbeheer vast voor deze planperiode. Dit beleid is grotendeels continuering van de koers zoals is verwoord in het Vierde Waterhuishoudingsprogramma 2016-2021 en in programma's waarin de provincie samenwerkt met Wetterskip Fryslân, Friese gemeenten en Vitens. De principes die worden gehanteerd zijn: Meervoudig ruimtegebruik; Omgevingskwaliteit als ontwerpbasis; Koppelen en verbinden van opgaven; Gezond en veilig.
16/81
Het hoofddoel is dat de provincie Fryslân in 2050 zoveel mogelijk waterrobuust en klimaatbestendig is ingericht. In het programma zijn lijnen voor klimaatadaptatie, waterveiligheid, voldoende water en waterkwaliteit opgenomen. De uitwerking vindt plaats door de waterschappen. 5.2.1.1 Toetsing Het initiatief betreft uitsluitend een functiewijziging van een bestaand perceel en brengt geen bouw-, sloop- of graafwerkzaamheden met zich mee. De bestaande bebouwing en erfverharding blijven ongewijzigd. Hiermee verandert de waterhuishouding niet en ontstaan er geen effecten op waterveiligheid, waterkwaliteit of waterkwantiteit. De uitgangspunten uit het Regionaal Waterprogramma 20222027 worden niet geraakt door de ontwikkeling. Omdat geen fysieke ingrepen plaatsvinden en geen toename van verharding of afvoer ontstaat, is afstemming met het waterschap niet noodzakelijk. Het initiatief heeft dan ook geen invloed op de doelen van het waterprogramma. 5.2.2 Eerste herijking regionale woondeal 2022-2030 Noordoost Fryslân De eerste herijking van de Regionale Woondeal 20222030 Regio Noordoost Fryslân is op 30 november 2022 vastgesteld door het bestuur van de provincie Fryslân. In deze woondeal hebben het Rijk, de provincie en de regio afspraken gemaakt over de realisatie van in totaal ca. 22.406 nieuw te bouwen woningen in Fryslân in de periode 20222030.
Het streven is dat ongeveer twee derde van deze woningen betaalbaar is, en circa 30% in de sociale huur wordt gerealiseerd. Voor de regio Noordoost Fryslân is een gemeentelijke woonopgave van minimaal 3.346 woningen opgenomen, waarvan de gemeente Tytsjerksteradiel zich inzet voor 854 woningen. De woondeal benadrukt daarnaast randvoorwaarden zoals voldoende plancapaciteit, netcapaciteit, stikstofoplossing en financiële ondersteuning voor woningbouwinitiatieven. Als kader voor ruimtelijke ontwikkelingen betekent dit dat gemeenten en initiatiefnemers bij woningbouw of functiewijzigingen betrokken zijn bij de realisatie van deze regionale doelen. Ontwikkelingen moeten bijdragen aan of in ieder geval niet tegenwerken dat de regionaal afgesproken woningopgave en betaalbaarheidsdoelstellingen worden gerealiseerd. 5.2.2.1 Toetsing Het initiatief aan de Susterwei 10 betreft uitsluitend een functiewijziging van een bestaand bedrijfsperceel naar een regulier woonperceel, zonder dat een nieuwe woning wordt toegevoegd. De toekomstige reguliere woning is nu namelijk al als bedrijfswoning in gebruik. De Regionale Woondeal Noordoost Fryslân richt zich op de realisatie van extra woningen binnen de planperiode en op het waarborgen van voldoende, betaalbare en toekomstbestendige woonruimte. De beoogde functiewijziging staat deze regionale opgave niet in de weg.
De bestaande woning blijft behouden en wordt planologisch gelijkgeschakeld met het omliggende woonlint. Omdat de ontwikkeling geen extra woning toevoegt, heeft deze geen invloed op de kwantitatieve woningbouwopgave of de regionale verdelingsprincipes. Het initiatief past functioneel binnen de bestaande woonomgeving en doet geen afbreuk aan de kwalitatieve doelstellingen van de woondeal.
17/81
5.3
Provinciaal beleid
5.3.1 Omgevingsvisie Fryslân Provinciale Staten van Fryslân hebben op 23 september 2020 de Omgevingsvisie De Romte Diele vastgesteld. Deze visie geeft richting aan de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving tot 2050. Centraal staat de ambitie van een vitaal, veerkrachtig, karakteristiek en gezond Fryslân. Daarbij wordt ingezet op brede welvaart en een goede balans tussen beschermen en benutten van de leefomgeving. Belangrijke thema's in de visie zijn: het versterken van het samenhangende netwerk van steden en dorpen, met ruimte voor wonen, werken en voorzieningen; het zorgvuldig benutten en hergebruiken van bestaande bebouwing en locaties, waarbij nieuwe ontwikkelingen zoveel mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied plaatsvinden; het behoud en versterken van de karakteristieke Friese landschappen en dorpen, met aandacht voor cultuurhistorie en leefbaarheid; het inspelen op maatschappelijke opgaven zoals de energietransitie, klimaatadaptatie en demografische ontwikkelingen. De provincie kiest daarbij voor versterking van bestaande structuren en voor inpassing van nieuwe functies binnen de bestaande ruimtelijke en landschappelijke context. Transformatie van bestaande panden wordt nadrukkelijk gezien als een middel om leegstand tegen te gaan en de vitaliteit van dorpen te behouden.
5.3.1.1 Toetsing De wijziging van het perceel aan de Susterwei 10 van een bedrijfsfunctie naar een reguliere woonfunctie sluit aan bij de uitgangspunten van de Omgevingsvisie Fryslân. De provincie zet in op het zorgvuldig benutten en hergebruiken van bestaande bebouwing, waarbij nieuwe ontwikkelingen bij voorkeur plaatsvinden binnen bestaand bebouwd gebied. Het initiatief voldoet hieraan doordat geen nieuwbouw wordt gerealiseerd en de bestaande bebouwing op een passende wijze wordt hergebruikt voor wonen. Daarnaast draagt het beëindigen van de bedrijfsactiviteiten bij aan het versterken van de leefkwaliteit van dorpen, een belangrijk thema binnen de visie. De woonfunctie sluit beter aan bij het karakteristieke en overwegend woongerichte lint van de Susterwei, waardoor het initiatief past binnen de bestaande ruimtelijke en landschappelijke structuur. Omdat geen uitbreiding plaatsvindt en de ruimtelijke uitstraling ongewijzigd blijft, wordt tevens aangesloten bij het provinciale streven naar het behoud van karakteristieke dorpsstructuren. Maatschappelijke opgaven zoals klimaatadaptatie en energietransitie worden niet geraakt, omdat geen fysieke ingrepen plaatsvinden. Het initiatief is daarmee in overeenstemming met de Omgevingsvisie Fryslân en vormt geen belemmering voor provinciale belangen.
18/81
5.3.2 Omgevingsverordening Fryslân 2022 De omgevingsverordening van de provincie Fryslân heeft betrekking op de fysieke leefomgeving en activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Deze verordening is op 1 januari 2024 tegelijk met de Omgevingswet in werking getreden. De provinciale omgevingsverordening vormt het juridisch bindend vervolg op de strategische kaders uit de Omgevingsvisie. De verordening is van toepassing op gemeentelijke omgevingsplannen, buitenplanse omgevingsplanactiviteiten en andere besluiten met een ruimtelijke of milieutechnische impact. De omgevingsverordening van de provincie Fryslân is, met oog op de doelen genoemd in artikel 1.3 van de Omgevingswet gericht op: het waarborgen van de veiligheid; het beschermen van de gezondheid; het beschermen van het milieu; het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening; het beschermen van landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten; het behoud van cultureel erfgoed; het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed; de natuurbescherming; het tegengaan van klimaatverandering; een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten; het beheer van infrastructuur; het beheer van watersystemen; het beheer van natuurlijke hulpbronnen; het beheer van
natuurgebieden. 5.3.2.1 Artikel 2.1 Omgevingskwaliteiten als basis 1. In een omgevingsplan wordt aangegeven op welke wijze het plan rekening houdt met de archeologische waarden en de archeologische verwachtingswaarden, waarbij gebruik wordt gemaakt van de Friese archeologische monumentenkaart extra of van een met de provincie afgestemde gemeentelijke verdiepingsslag. 2. In een omgevingsplan dat een regeling bevat voor gronden buiten het bestaand stedelijk gebied bevat wordt gemotiveerd op welke wijze het plan rekening houdt met de landschappelijke- en cultuurhistorische kernkwaliteiten, zoals omschreven in Grutsk op e Romte, en het bevat regels die nodig zijn om deze kernkwaliteiten zo veel mogelijk te behouden en te versterken. 3. Een omgevingsplan dat voorziet in nieuwe functies of uitbreiding van bestaande functies buiten het bestaand stedelijk gebied bevat voor die functies een onderbouwing van de wijze waarop het plan de omgevingskwaliteiten benut als ontwerpbasis, en het borgt het zorgvuldig situeren en inrichten van nieuwe functies of uitbreiding van bestaande functies op basis van de omgevingskwaliteiten. Het initiatief betreft uitsluitend een functiewijziging binnen bestaand stedelijk gebied; de bestaande woning en
19/81
het voormalige bedrijfsgebouw blijven volledig behouden. Hierdoor blijft het bestaande bebouwingsbeeld onveranderd en blijft de ruimtelijke structuur van het woonlint aan de Susterwei volledig in stand. Het plan tast geen landschappelijke of cultuurhistorische kernkwaliteiten aan. De beslotenheid en het kleinschalige karakter die typerend zijn voor dit deel van Sumar blijven behouden. 5.3.2.2 Artikel 2.3 Zuinig en meervoudig ruimtegebruik 1. Een omgevingsplan, dat voorziet in nieuwe functies of uitbreiding van bestaande functies buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat voor die functies een onderbouwing van het principe van zuinig- en meervoudig ruimtegebruik, waaruit tenminste blijkt: a. dat de nieuwe functie voorziet in een behoefte; b. dat het redelijkerwijs niet mogelijk is om gebruik te maken van een bestaand bouwperceel, en c. dat de mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik zijn afgewogen en indien mogelijk worden benut. 2. In het geval in een omgevingsplan een nieuwe stedelijke functie wordt toegedeeld buiten het bestaand stedelijk gebied, moet worden onderbouwd waarom die functie redelijkerwijs niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd. De voorgenomen functiewijziging voorziet niet in nieuw ruimtebeslag en maakt uitsluitend gebruik van de bestaande bebouwing, die op een passende en duurzame wijze wordt hergebruikt.
Daarmee wordt optimaal invulling gegeven aan het provinciale principe van zuinig en meervoudig ruimtegebruik. De behoefte aan de woonfunctie is aanwezig, omdat het perceel feitelijk al als woning in gebruik is en de woonfunctie beter aansluit bij de omgeving. De functiewijziging benut daarmee de beschikbare ruimte efficiënt zonder verdere aantasting van het landschap of open gebied. 5.3.2.3 Artikel 2.6 Bundeling van stedelijke functies In een omgevingsplan mogen op gronden buiten het bestaand stedelijk gebied nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden worden opgenomen voor nieuwe stedelijke functies, indien deze aansluiten op het bestaand stedelijk gebied en wat betreft aard en schaal passen bij de stad of het dorp. De functiewijziging vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied en is deel van het bestaande woonlint langs de Susterwei. De woonfunctie past bij de schaal en aard van Sumar, dat wordt gekenmerkt door kleinschalige dorpsbebouwing en een overwegend woonkarakter. Omdat geen nieuwe functie buiten bestaand stedelijk gebied wordt geïntroduceerd, maar een bestaande bebouwing wordt omgezet naar regulier wonen, draagt het initiatief bij aan de bundeling van stedelijke functies binnen de kern. De ontwikkeling versterkt de eenduidige woonstructuur van het lint en sluit logisch aan op de ruimtelijke opbouw van het dorp.
20/81
5.3.3 Omgevingsprogramma Erf-Goed 2025-2028 Op 12 december 2024 hebben Gedeputeerde Staten van Fryslân het Omgevingsprogramma Erf-Goed 2025-2028 vastgesteld. Dit programma vormt de provinciale uitwerking van het erfgoedbeleid binnen de Omgevingswet en de Erfgoedwet en geeft aanvulling aan de ambities uit de Omgevingsvisie 'De Romte diele' en de structuurvisie 'Grutsk op 'e Romte. Het programma richt zich op drie hoofdonderwerpen: Gebouwd erfgoed: zoals monumenten en karakteristieke stads- en dorpsgezichten; Archeologisch erfgoed: het behouden en benutten van ondergrondse resten.; Cultuurlandschappelijk en groen erfgoed: inclusief landschapselementen zoals houtwallen, singels en karakteristieke verkaveling. Belangrijke uitgangspunten zijn het behouden en beleefbaar maken van erfgoed, het verbinden van erfgoed aan actuele opgaven zoals woningbouw en klimaatadaptatie, en het benutten van erfgoed als ontwerpbasis bij ruimtelijke ontwikkelingen. 5.3.3.1 Toetsing Het perceel aan de Susterwei 10 maakt geen deel uit van een rijks- of gemeentelijk monument en ligt niet binnen een beschermd dorpsgezicht. Wel bevindt het zich binnen een karakteristiek dorpslint met een herkenbare historische structuur. Door de bestaande bebouwing te behouden en deze te herbestemmen van een bedrijfsfunctie naar een woonfunctie, blijft het karakteristieke bebouwingsbeeld volledig in stand.
Hiermee wordt aangesloten bij de programmalijn Gebouwd erfgoed, waarin het behoud en hergebruik van bestaande bebouwing centraal staan. Omdat geen bouwkundige ingrepen plaatsvinden, worden geen archeologische waarden of cultuurhistorische elementen aangetast. De ruimtelijke identiteit van het lint blijft ongewijzigd en de woonfunctie sluit beter aan op de historische en functionele structuur van de Susterwei dan de voormalige bedrijfsfunctie. Daarmee wordt aangesloten bij de provinciale ambitie om erfgoed en ruimtelijke kwaliteit als basis te benutten voor ruimtelijke ontwikkelingen. De ontwikkeling past daarmee binnen het Omgevingsprogramma Erf-Goed 20252028 en vormt vanuit erfgoedbeleid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.
5.4
Waterschapsbeleid
5.4.1 Waterschapsverordening Wetterskip Fryslân 2023 De waterschapsverordening is een algemene verordening van het waterschap waarin vrijwel alle regels over de fysieke leefomgeving van het waterschap zijn opgenomen. Wetterskip Fryslân heeft ervoor gekozen om met de inwerkingtreding van de Omgevingswet beleidsluw over te gaan. Dit houdt in dat de waterschapsverordening qua vorm en opzet volledig voldoet aan de uitgangspunten van de Omgevingswet, terwijl de veranderingen ten opzichte van de oude regels inhoudelijk beperkt zijn.
21/81
5.4.1.1 Toetsing Voorliggend initiatief betreft uitsluitend een functiewijziging, zonder bouw-, sloop- of graafwerkzaamheden. De bestaande bebouwing, verharding en erfinrichting blijven volledig ongewijzigd. Hierdoor verandert de waterhuishouding op het perceel niet en ontstaan geen effecten op waterveiligheid, waterkwaliteit of waterkwantiteit. Omdat geen fysieke ingrepen plaatsvinden die invloed kunnen hebben op oppervlaktewater, waterkeringen of waterafvoer, is er geen waterschapsbelang en zijn geen vergunningen of aanvullende voorwaarden vanuit de Waterschapsverordening Wetterskip Fryslân 2023 aan de orde. De bestaande situatie voldoet aan de geldende regels en blijft in stand.
5.5
Gemeentelijk beleid
5.5.1 Omgevingsvisie Tytsjerksteradiel De Gemeente Tytsjerksteradiel heeft de Omgevingsvisie Tytsjerksteradiel 2021-2040 vastgesteld. Met deze visie sorteert de gemeente voor op de integrale en flexibele werkwijze van de Omgevingswet. De omgevingsvisie beschrijft acht centrale ambities voor de fysieke leefomgeving: 1. Iedere inwoner heeft een passende woonruimte. 2. Iedere inwoner heeft toegang tot werkgelegenheid. 3. De economie is vitaal en toekomstgericht. 4. Inwoners bewegen en ontspannen in een gezonde, veilige en groene omgeving. 5. Er zijn voldoende ontmoetingsplekken en voorzieningen. 6. Mobiliteit is gezond, vlot en veilig. 7. De leefomgeving is aangepast aan het veranderde klimaat en de biodiversiteit is hersteld. 8. Iedere inwoner heeft toegang tot schone energie. 5.5.1.1 Toetsing De beoogde functiewijziging van een bedrijfsperceel naar een regulier woonperceel sluit aan bij meerdere ambities uit de Omgevingsvisie Tytsjerksteradiel. De woonfunctie past binnen ambitie 1, omdat het initiatief bijdraagt aan een passend en toekomstbestendig woonaanbod binnen het bestaande woonlint van Sumar. Door het beëindigen van de bedrijfsactiviteiten verdwijnt een bron van mogelijke verkeers- en milieubelasting, waarmee het initiatief aansluit bij ambitie 4: een gezonde en veilige leefomgeving.
De ontwikkeling betreft uitsluitend een wijziging in het gebruik; de bestaande bebouwing blijft behouden. Daarmee wordt zorgvuldig omgegaan met de fysieke leefomgeving en wordt bijgedragen aan duurzaam en klimaatbestendig ruimtegebruik, zoals beoogd in ambitie 7. Omdat geen nieuwbouw plaatsvindt en de structuur van het dorpslint volledig behouden blijft, past het initiatief binnen de karakteristieken van de kern en ondersteunt het de ambitie om leefbare en vitale dorpen te behouden. De ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met de uitgangspunten van de omgevingsvisie en vormt geen belemmering voor de gemeentelijke doelen.
22/81
5.5.2 Woonvisie 2019 - 2024 In 2019 heeft de raad van Tytsjerksteradiel de Woonvisie 2019-2024 vastgesteld. Deze visie richt zich op toekomstbestendig wonen met nadruk op betaalbaarheid, duurzaamheid en leefbaarheid. De gemeentelijke opgaven en ambities zijn onderverdeeld in vijf speerpunten: Investeren in de bestaande woningvoorraad - gericht op energetische verbetering en levensloopbestendigheid. Zorgvuldige inzet op nieuwbouw - afgestemd op de actuele woningvraag en duurzaamheidsnormen. Voldoende betaalbare en beschikbare sociale huurwoningen - zekerstellen van aanbod en betaalbaarheid. Wonen met zorg - voorzieningen en initiatieven voor langer zelfstandig wonen door zorgbehoevenden. Streven naar leefbare dorpen - vitaliteit door herbestemming, leefbaarheidsprojecten en behoud van voorzieningen. 5.5.2.1 Toetsing De voorgenomen functiewijziging sluit aan bij meerdere speerpunten uit de Woonvisie 2019-2024. Door het perceel te benutten voor regulier wonen in plaats van bedrijfsactiviteiten wordt de bestaande bebouwing duurzaam hergebruikt, wat past bij de gemeentelijke ambitie om de woningvoorraad toekomstbestendig te maken. De woonfunctie sluit bovendien aan bij het overwegend woonkarakter van Sumar en draagt bij aan het behoud van een leefbare dorpskern, in lijn met het speerpunt Streven naar leefbare dorpen.
De beëindiging van de bedrijfsfunctie voorkomt dat op deze locatie in de toekomst opnieuw bedrijfsactiviteiten worden ontplooid, waardoor mogelijke hinder voor omliggende woningen wordt uitgesloten en de kwaliteit van de woonomgeving wordt versterkt. Omdat geen nieuwe woning wordt toegevoegd, raakt het initiatief niet aan de gemeentelijke opgave voor nieuwbouw of sociale woningbouw. De ontwikkeling is daarmee passend binnen de uitgangspunten van de woonvisie en vormt geen belemmering voor de gemeentelijke woningbouwopgave. 5.5.3 Welstandsnota De gemeente Tytsjerksteradiel heeft op 25 juni 2019 de Welstandsnota Digitaal vastgesteld. Met deze nota wil de gemeente het welstandsbeleid zowel eenvoudiger in gebruik als informatiever maken. De welstandsnota legt digitaal vast hoe de gemeente toetst of het uiterlijk van bouwwerken voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Hierbij wordt onder andere gekeken naar massa, maat, schaal, materialen, kleurgebruik, stedenbouwkundige inpassing en landschappelijke samenhang. Binnen de gemeente geldt repressief welstandstoezicht: pas bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor bouwen wordt beoordeeld of een plan in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Het projectgebied aan de Susterwei 10 ligt binnen het welstandsgebied 'Bebouwing BG Besloten Gebieden'.
Deze gebieden worden gekenmerkt door een meer geclusterd bebouwingspatroon, waarbij bebouwing in het buitengebied voornamelijk voorkomt in een ruimtelijk patroon van kleinere linten. In de besloten landschappen op zand zijn perceelsscheidingen in de vorm van boomsingels en houtwallen, landgoederen en kleine tot grotere bospercelen kenmerkend. De bebouwing is over het algemeen bescheiden van aard, veelal kleinschalig en maakt onderdeel uit van een rechtlijnige structuur van wegen en waterlopen.
23/81
5.5.3.1 Toetsing Het initiatief voor Susterwei 10 betreft uitsluitend een functiewijziging van bedrijfsperceel naar woonperceel, zonder bouwkundige ingrepen die het uiterlijk van de bebouwing wijzigen. Daarmee blijft de bestaande massa, schaal en kapvorm behouden, passend bij de kleinschalige en bescheiden bebouwing die typerend is voor het welstandsgebied Bebouwing BG Besloten Gebieden. Omdat geen sprake is van nieuwbouw of uitbreiding, blijft ook het huidige lintkarakter aan de Susterwei gehandhaafd.
5.6
Conclusie
De ontwikkeling past binnen het rijks-, regionaal, provinciaal, waterschaps- en gemeentelijk beleid.
24/81
Hoofdstuk 6 6.1
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu
Algemeen
Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan alleen worden vergund met het oog op een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' (ETFAL). De aard, omvang en locatie van de activiteiten bepalen welke milieu- en omgevingsaspecten onderzocht moeten worden als onderdeel van de onderbouwing bij de omgevingsvergunning. De instructieregels van het Rijk staan in hoofdstuk 5 van het Bkl. Deze gelden voor omgevingsplannen en zijn van overeenkomstige toepassing op de BOPA. Hieronder wordt de toetsing van het project aan het beoordelingskader beschreven. Op de relevante onderdelen van het beoordelingskader wordt uitgebreider ingegaan en is verwezen naar desbetreffende paragraaf. 6.1.1 Afweging instructieregels Bkl Voor de volgende thema's wordt in tabel 6.1 voor de ontwikkeling aangegeven of zij relevant zijn of niet: Tabel 6.1 Instructieregels Bkl Thema Dienstenrichtlijn
Paragraaf Bkl Relevant 5.1a Nee. Het project voorziet niet in (de huisvesting van) diensten anders dan diensten die als beroep of bedrijf aan huis worden uitgevoerd en binnen iedere reguliere woning zijn toegestaan. Omgevingsveiligheid 5.1.2 Nee. Hoewel het initiatief een kwetsbaar gebouw mogelijk maakt, ligt het projectgebied niet binnen een aandachtsgebied. Water 5.1.3 Nee. Er vinden geen fysieke ingrepen plaats in deze ontwikkeling. Er is daarom geen waterschapsbelang. De bestaande situatie blijft behouden en voldoet daarmee aan de eisen van het waterschap. Luchtkwaliteit 5.1.4.1 Nee. De ontwikkeling betreft geen aanleg of wijziging van een autoweg, autosnelweg of tunnel voor het wegverkeer. Ook ligt het projectgebied niet binnen een aangewezen aandachtsgebied. Geluid door activiteiten 5.1.4.2 Ja. Zie 6.3 Geluid door (spoor)wegen en 5.1.4.2a Ja. Zie 6.4 industrieterreinen Geluid rond luchthavens 5.1.4.3 Nee. Het projectgebied ligt niet binnen de geluidscontouren van een luchthaven. Trillingen 5.1.4.4 Nee. Het projectgebied ligt niet in de nabijheid van activiteiten waarbij structureel trillingen vrijkomen en voorziet hier zelf ook niet in. Slagschaduw van 5.1.4.4a Nee. Er is geen sprake van windturbines. windturbines Bodemkwaliteit 5.1.4.5 Ja. Zie 6.5
25/81
Geur
5.1.4.6
Cultureel erfgoed
5.1.5
Landschappelijke kwaliteiten 5.1.5 Kunst, PKB-Waddenzee en Waddengebied Ladder voor duurzame 5.1.5.4 verstedelijking Nationale belangen binnen 5.1.6 5.1.7 de fysieke leefomgeving Aanwijzing 5.1.7a woningbouwcategorieën Toegankelijkheid openbare 5.1.8 ruimte
Nee. Er wordt een geurgevoelig gebouw gerealiseerd, er zijn echter geen geurbelastende activiteiten in de omgeving. Nee. Er vinden geen bodemroerende activiteiten plaats en de bestaande bebouwing blijft ongewijzigd. Er worden geen archeologische of cultuurhistorische waarden aangetast. Nee. Het gebied ligt niet binnen de Waddenzee en het Waddengebied. Nee. De ontwikkeling betreft geen nieuwe stedelijke ontwikkeling in het kader van de ladder. Nee. De ontwikkeling is niet in strijd met nationale belangen. Nee. Voor dit project is het niet nodig om regels te stellen over te realiseren woningbouwcategorieën. Nee. De ontwikkeling voorziet niet in aanpassingen van de openbare ruimte.
Daarnaast zijn er thema's die vanuit het oogpunt van ETFAL relevant zijn om bij de belangenafweging te betrekken. Tabel 6.2 Thema's in het kader van ETFAL Thema Wettelijk kader Gezondheid 5.1.4 Bkl Gezondheid's risico's * vanwege veehouderijen Spuitzones vanwege * gewasbeschermingsmiddelen Mobiliteit en parkeren *
Reden Ja. Zie 6.6. Nee. Het projectgebied is niet gelegen nabij een veehouderij. Ja. Zie 6.7
Natuurbescherming NNN
7.3 Bal
Ecologie: gebiedsbescherming Ecologie: soortenbescherming Ecologie: houtopstanden Welstand
11.1 Bal
Nee. De functiewijziging leidt niet tot extra verkeersbewegingen of een hogere parkeerbehoefte. Nee. Het projectgebied ligt niet binnen het NNN-gebied of in de directe omgeving daarvan. Ja. Zie 6.8.
11.2 Bal
Nee. Er vinden geen sloop-, kap- of dempwerkzaamheden plaats.
11.3 Bal Bruidsschat
Bezonning/ schaduwhinder
*
Windhinder
*
Nee. Er worden geen bomen of beplanting gekapt. Nee. Er vinden geen veranderingen plaats in de bebouwing. De bestaande woning blijft ongewijzigd in gebruik en past binnen het karakter van de omgeving. Nee. Er is geen relevante schaduwhinder of vermindering van bezonning bij omliggende percelen. Nee. Het initiatief betreft geen hoogbouw.
26/81
Lichthinder
Nee. Er worden geen activiteiten of bouwwerken mogelijk gemaakt met enige vorm van lichtuitstraling, anders dan reguliere straat- en erfinrichting. Er vinden geen fysieke aanpassingen plaats, lichthinder gedurende werkzaamheden is daarom ook niet van toepassing. Duurzaamheid en * Nee. De bestaande bebouwing en inrichting blijven ongewijzigd, klimaatadaptatie waardoor geen effecten op verharding, waterhuishouding of energiegebruik optreden. * In het kader van ETFAL in de belangenafwerking betrokken.
6.2
*
Mer-beoordeling
6.2.1 Wettelijk kader In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke activiteiten mer-(beoordelings)plichtig zijn. Activiteiten die zijn genoemd in kolom 1 zijn mer-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de mer-(beoordelings)plicht geldt. Voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een plan, de locatie van een plan en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten. De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W (artikel 16.45, lid 1 van de Omgevingswet). In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen (artikel 11.10 Ob). Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de omgevingsvergunning (artikel 11.11 Ob).
6.2.2 Toetsing De activiteiten vallen niet onder de mer-plichtige of mer-beoordelingsplichtige projecten zoals opgenomen in Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob). Gezien de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling kunnen significant nadelige milieugevolgen uitgesloten worden. 6.2.3 Conclusie De ontwikkeling aan de Susterwei is niet mer-(beoordelings)plichtig. Volgens de toetsing van de omgevingsaspecten in de volgende paragrafen zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van het verlenen van de omgevingsvergunning.
27/81
6.3
Geluid door activiteiten
6.3.1 Wettelijk kader In een Omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en voorziet erin dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is. Dit is het geval als wordt voldaan aan de waarden als aangegeven in tabel 6.3 en 6.4 (uit het Bkl). Tabel 6.3: Standaardwaarden toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw 07.00 - 19.00 uur 19.00 - 23.00 uur LAr, LT als gevolg van activiteiten 50 dB(A) 45 dB(A) LAmax door aandrijfgeluid van 70 dB(A) transportmiddelen LAmax door andere piekgeluiden 65 dB(A) Tabel 6.4: Standaardwaarden toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten 07.00 - 19.00 uur 19.00 - 23.00 uur LAr, LT als gevolg van activiteiten 35 dB(A) 30 dB(A) LAmax door aandrijfgeluid van 55 dB(A) transportmiddelen LAmax door andere piekgeluiden 45 dB(A)
23.00 - 07.00 uur 40 dB(A) 70 dB(A) 65 dB(A)
23.00 - 07.00 uur 25 dB(A) 55 dB(A) 45 dB(A)
De regels zijn van toepassing op geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige terreinen, zoals woningen, scholen en ziekenhuizen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet worden beoordeeld of er sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat en of de activiteit zelf geen onevenredige geluidshinder veroorzaakt in de omgeving. Geluid door hulpdiensten, zoals de brandweer, valt onder het normale gebruik van de openbare weg en is in artikel 5.73 van het Bkl uitgezonderd van bepaalde toetsingskaders vanwege het bijzondere karakter van deze activiteiten. 6.3.2 Toetsing De omgeving van het projectgebied wordt gekenmerkt door een dorps woonmilieu. De directe omgeving bestaat voornamelijk uit woonbebouwing, groenvoorzieningen, agrarische percelen en enkele bedrijven, met de bijbehorende infrastructuur. Het dichtstbijzijnde bedrijf betreft een gaswinningslocatie op circa 285 meter afstand. De beoogde ontwikkeling betreft de functiewijziging van een bestaand bedrijfsperceel naar een regulier woonperceel. De ontwikkeling veroorzaakt geen relevante geluidsemissie, anders dan de gebruikelijke verkeersbewegingen van bewoners en bezoekers die passen binnen het karakter van een woonwijk. Het vervallen van de voormalige bedrijfsfunctie betekent dat in de toekomst geen bedrijfsgerelateerde geluidbronnen meer aanwezig zijn.
Hiermee verbetert de geluidssituatie ten opzichte van de eerdere planologische mogelijkheden.
28/81
In de huidige situatie is reeds sprake van een bedrijfswoning, die eveneens als geluidgevoelig gebouw wordt aangemerkt. Omliggende bedrijven moeten in hun bedrijfsvoering nu al rekening houden met deze bestaande geluidgevoelige functie. Daarnaast bevinden zich in de omgeving meerdere woningen die dichter bij de gaswinninglocatie liggen dan de woning op de projectlocatie. Deze woningen zijn daarmee maatgevend voor de beschikbare milieuruimte. De omzetting naar regulier wonen aan de Susterwei 10 leidt dan ook niet tot aanvullende beperkingen voor omliggende bedrijven. Gelet op het ontbreken van nieuwe geluidsbronnen, het beëindigen van de bedrijfsactiviteiten en de ligging van de woning binnen een overwegend woon- en groen milieu, is het aannemelijk dat de geluidsbelasting binnen de aanvaardbare waarden blijft. Er zijn geen aanwijzingen dat de activiteiten leiden tot een overschrijding van de richtlijnen voor geluid ter plaatse van de woning. Er is daarmee sprake van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. 6.3.3 Conclusie Het aspect geluid door activiteiten vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
6.4
Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen
6.4.1 Wettelijk kader Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4.2a instructieregels voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Hierin wordt beschreven dat een omgevingsplan rekening moet houden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op nieuwe geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied en erin voorziet dat het geluid aanvaardbaar is. Het geluid is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden volgens tabel 6.5. Tabel 6.5: Standaardwaarden en grenswaarden geluid per geluidbronsoort Geluidbronsoort Standaardwaarde Lden [dB] Grenswaarde Lden[dB] Provinciale wegen 50 60 Rijkswegen Gemeentewegen 53 0 Waterschapswegen Lokale spoorwegen 55 65 Hoofdspoorwegen Industrieterreinen 50 Lden/40 Lnight 55 Lden/45 Lnigh In een aantal gevallen kan een waarde hoger dan de grenswaarde aanvaardbaar worden geacht: bij vervangende nieuwbouw maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde en het aantal geluidgevoelige gebouwen met meer geluid dan de grenswaarde mag niet wezenlijk toenemen; bij functiewijziging maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde (transformatie); bij zeehavengebonden activiteiten maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde; bij een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen; bij een niet-geluidgevoelige gevel.
29/81
Een overschrijding van de grenswaarden is alleen mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de grenswaarden te voldoen en de overschrijding zoveel mogelijk wordt beperkt. Geluidbeperkende maatregelen worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Verder wordt rekening gehouden met het belang van een geluidluwe gevel. 6.4.2 Toetsing Het projectgebied aan de Susterwei in Sumar ligt in een omgeving zonder spoorwegen of gezoneerde industrieterreinen. De enige relevante geluidsbron betreft het wegverkeer op de Susterwei. Uit de geluidskaart (zie figuur 6.1) blijkt dat de locatie valt binnen de categorie 'goed - redelijk' geluid, waarmee de geluidsbelasting onder de grenswaarden blijft.
Figuur 6.1: Geluidsoverlast (RIVM, 2025) 6.4.3 Conclusie De geluidbelasting door wegverkeer, spoorwegen en industrieterreinen blijft binnen de geldende standaardwaarden uit het Bkl. Er is sprake van een goed akoestisch woon- en leefklimaat, en het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
30/81
6.5
Bodemkwaliteit
6.5.1 Wettelijk kader Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie wordt opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i van het Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89K Bkl, atrikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Een bodemgevoelig gebouw is: een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn; of een woonschip of woonwagen. Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving, waaronder regels over nazorg van de bodem na saneren, regels over graven in de bodem en regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico. Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.
6.5.2 Toetsing Voor het projectgebied aan de Susterwei 10 is op 20 en 28 maart 2023 door Bodemdemonstering een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 1). Doel van het onderzoek was het vaststellen van de milieuhygiënische bodemkwaliteit in vermand met de voorgenomen functiewijziging. Uit het vooronderzoek blijkt dat op de locatie historisch een benzineservicestation met een ondergrondse tank heeft gestaan (circa 6.500 liter), maar deze is circa 25 jaar geleden verwijderd en aangevuld met schoon zand. De locatie is in gebruik geweest voor transportdoeleinden. De locatie wordt desondanks als onverdacht beschouwd, met name omdat bij de provincie geen sprake is van een geregistreerde verontreiniging. Ook is de bodem volgens de Bodematlas geclassificeerd als bodemkwaliteitsklasse Landbouw/Natuur voor zowel boven- als ondergrond. In totaal zijn er vijf boringen en één peilbuis geplaats. Tevens is een aanvullende boring gezet ter plaatse van het voormalige tankeiland, waarbij geen olie-waterreactie is waargenomen. In enkele boringen is puinbijmenging gezien, waardoor aanvullend een asbestonderzoek is uitgevoerd. Hier is geen asbest aangetoond. De geanalyseerde grondmonsters tonen geen verhoogde gehalten voor zware metalen, PAK, PCB of minerale olie; alle waarden blijven onder de achtergrondwaarden.
Daarmee is geen sprake van een verontreiniging die maatregelen of nader onderzoek vereist.
31/81
In het grondwater zijn lichte verhogingen gemeten van barium, koper en een matige verhoging van zink. Deze waarden blijven ruimschoots onder de interventiewaarden, zodat formeel géén sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. De rapportage duidt deze verhogingen aan als regionale achtergrondwaarden of mogelijk beïnvloed door verhoogde troebelheid tijdens bemonstering. Aanvullend onderzoek is conform de wetgeving niet noodzakelijk. 6.5.3 Conclusie Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde woonfunctie. In de grond zijn geen verontreinigingen vastgesteld en in het grondwater komen uitsluitend lichte tot matige, maar niet-interventiewaarde-overschrijdende verhogingen voor. Ook is geen asbest aangetoond. De bodemkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling. Aanvullend bodemonderzoek of sanerende maatregelen zijn niet noodzakelijk.
6.6
Gezondheid
6.6.1 Wettelijk kader Een doel van de Omgevingswet is het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 van dit artikel wordt benadrukt dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening moet worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Naast het beschermen van de gezondheid kunnen ruimtelijke ontwikkelingen ook bijdragen aan het bevorderen ervan. Dit kan bijvoorbeeld door ruimte te creëren voor groen, beweging, ontmoetingsplekken, gezonde mobiliteit en aanpassingen aan het klimaat. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn hierover geen instructieregels opgenomen. Gemeenten hebben de vrijheid om zelf beleid te maken dat gericht is op het bevorderen van gezondheid bij nieuwe ontwikkelingen. 6.6.2 Toetsing De bescherming van de gezondheid wordt beoordeeld aan de hand van diverse omgevingsaspecten, waaronder bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geluidhinder, geurhinder en omgevingsveiligheid. Voorliggend initiatief betreft uitsluitend een functiewijziging; het perceel wordt al bewoond en er vinden geen fysieke ingrepen plaats. De leefomstandigheden blijven daarmee ongewijzigd en het woon- en leefklimaat wordt niet nadelig beïnvloed.