Bijlage 1 - Aanvulling paragraaf 4.7 van de toelichting
Tekst van het document
Bijlage 1: bij bestemmingsplan Kloosterlaan 12a (tussen de nummers 12 en 14) te Burgum (wijziging bestemming van agrarisch naar wonen)
Toelichting paragraaf 4.7 Ecologie (Ontwerpversie) Vleermuizen:
De groenstructuren langs de zuid- en oostzijde van het plangebied worden door vleermuizen mogelijk gebruikt als vliegroute en foerageergebied. Op voorwaarde dat er geen bomen worden gekapt en tijdens de werkzaamheden en na ingebruikname van de woning lichtuitstraling naar deze groenstroken voorkomen wordt, is een nader onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming niet aan de orde.
Hieraan wordt voor de volledigheid in de toelichting bij de vaststelling nog het volgende toegevoegd: Op basis van het ecologisch onderzoek is niet uitgesloten (maar ook niet aangetoond) dat de landschapselementen in dit bestemmingsplan worden gebruikt door foeragerende vleermuizen. De provincie geeft daarom in overweging om via planvoorschriften de lichtuitstraling te beperken. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling dan wel een ontheffing op grond van het soortenbeschermingsregime in de Wnb nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet kan vaststellen indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid heeft moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:135) en of het noodzakelijk is om hiervoor voorschriften op te nemen. In het ecologisch onderzoek van Mulder Ecologie staat dat ten oosten en zuiden van het plangebied een potentiële vliegroute van vleermuizen kan lopen.
Als de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten kunnen hebben op deze vliegroute, bijvoorbeeld door lichtuitstraling richting de bomen, raadt het rapport aan om aan de hand van nader onderzoek vast te stellen of de bomen daadwerkelijk als vliegroute worden gebruikt. Als dergelijke negatieve effecten op voorhand kunnen worden voorkomen, is nader onderzoek volgens het rapport niet nodig. Langs de boomsingel oostelijk en zuidelijk van het plangebied kan een potentiële vliegroute van vleermuizen zijn. Het is van belang dat de vleermuizen niet gehinderd worden door lichtuitstraling van de nieuwe woning. Omdat het woonperceel (en het bouwvlak voor het hoofdgebouw) westelijk op het perceel zijn geprojecteerd (aan de Kloosterlaan) komt de woning ver van de oostelijke boomsingel en is de lichtuitstraling naar een mogelijke vliegroute oostelijk daarmee minimaal en kan hinder voor de vleermuizen worden uitgesloten. Verder zal de woning redelijk centraal op de kavel komen waarbij de garage en de entree van de woning (de functies waar mogelijk buitenverlichting wordt toegepast) aan de noordzijde komen en wordt in de zuidelijke gevel van de woning terughoudend met raampartijen omgegaan. Hiermee is ook de lichtuitstraling naar de mogelijke zuidelijke vliegroute minimaal en kan ook hier hinder voor vleermuizen worden beperkt.
Verder geldt dat de zuidelijke bomen via een kapvergunningstelsel en de oostelijke bomen via een “vergunning uitvoeren van een werk” zijn beschermd en dat natuurwaarden een afwegingsgrond vormen. Met deze aanvulling in de toelichting is door de planwetgever afdoende rekening gehouden met een mogelijke vliegroutes van vleermuizen. Dit is voldoende om de betrokken natuurbelangen in dit planstadium toereikend te beschermen en staat het soortenbeschermingsregime in de Wnb niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg. De verantwoordelijkheid om te onderzoeken of voor verdere werkzaamheden alsnog
een vrijstelling of ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig is, ligt in eerste instantie bij de partij die deze werkzaamheden initieert.