4 - Vastgesteld - regels - bijlage 3 Landschaps- en natuurwaardenkaart
Tekst van het document
LANDSCHAPPELIJKE INPASSING
a w
gemeente
Eastermar
-
En
tytsjerksteradiel
Project noord van
Boskkamp
Opgesteld door Tytsjerksteradiel
Gemeente
(geanonimiseerd)
Datum 4 oktober
Versie 1.0
ge
2023
„
fn
b
Inleiding – Aanleiding
-
Doelstelling
Voor een ruimtelijke ontwikkeling ten noorden van Boskkamp Eastermar wordt een wijziging van het Bestemmingsplan opgesteld. De toekomstige ontwikkeling heeft invloed op de landschappelijke kwaliteit van de omgeving. En op de bij dat landschap horende natuurwaarden, cultuurhistorische
waarden en menselijke beleving van het landschap. Het huidige bestemmingsplan stelt dat voor het verlenen van vergunningen […]
afbreuk mag worden gedaan aan de landschappelijke of natuurwaarden van de gronden, of aan de rust en de openheid van voor weidevogels geschikte gebieden. geen
Om de landschappelijke waarden te beschermen is dit Landschappelijk Inpassingsplan opgesteld.
Dit inpassingsplan: Maakt duidelijk op welke wijze veranderingen het landschap worden ingepast, rekening houdend met onder meer de volgende aspecten: - de
historisch gegroeide landschapstructuur;
- de
landschappelijke waarden die kenmerkend zijn voor het landschapstype, waarbinnen het plan is gesitueerd; - de
beoogde inrichting van bebouwing en de infrastructurele ontsluiting.
Dit inpassingsplan is een onlosmakelijk onderdeel van het bestemmingsplan. Het bestaat uit een toelichting (dit document) en een verbeelding (bijlage 1).
3
Afbeelding 1: Ligging van de locatie, direct ten noorden van Eastermar. Rondom het plangebied zijn de boomsingels van de ‘Wâlden’, coulisselandschappen zichtbaar. Ten westen van Eastermar is het veengebied zichtbaar – hier ontbreken de singelstructuren en is het landschap open.
Landschappelijke waarden
en
visie
De locatie is gelegen in het Nationaal landschap De Fryske Wâlden / De Friese Wouden en vormt een relatief besloten, intact agrarisch coulisselandschap. In de regio is de overgang van de 0-meter (NAP-)lijn een kenmerkende grens tussen open en besloten gebied. ‘Noord van Boskkamp’ ligt op een zandkop in het gebied en besloten in het coulisselandschap met dykswâlen. Het plangebied ligt op circa 1,2 à 1,5 m +NAP.
Kenmerkend voor de buurt zijn gesloten landschapskamers van (oude) dykswâlen met daarop eikenbeplanting als typerende soort. De dykswâlen blijven in stand dankzij een een onderhoud en beheermethodiek die uitgaat van langjarige kapcycli (circa 25 tot 80 à soms 120 jaar). Het gemeentelijk en provinciaal beleid richt zich op het zoveel mogelijk in stand houden van de bestaande landschappelijke kwaliteiten. Indien dat in het plan onvoldoende of niet mogelijk is, dient het effect van het plan op de omgeving zoveel mogelijk gemitigeerd te worden in de omgeving. Dit gebeurt door het inbrengen van Voor coulisselandschappen komt dit neer op. Het plangebied betreft de nieuwe overgang van het dorp naar het agrarisch gebied. Een natuurlijke aansluiting van de ontwikkeling op het landschap is daarom van belang. Hiervoor zien wij als maatregel: -
-
Het in stand houden van de bestaande dykswâl op de westelijke grens van
het plangebied; Het aanbrengen van nieuw landschapselement, type dykswâl, langs de noordgrens van het plangebied. De grenzen van het plangebied worden hiermee verzacht. De visuele beleving, natuur- en landschapswaarden van het buitengebied vervloeien hierdoor met het bebouwde gebied.
5
Landschapselementen
–
bovenaanzicht
In bijlage 1 is de positie van aan te brengen en te behouden landschapselementen
zichtbaar. Aan het plan wordt één landschapselement toegevoegd, die de effecten van het plan op het landschap moeten dempen. Verder wordt één bestaand element
planologisch beschermd.
Landschapselementen
–
toelichting
Landschapselement 1 is bestaand en hoeft qua vegetatie en structuur niet gewijzigd te worden. Voor het langjarig behoud dient deze dykswâl overeen te komen met dykswâlen in de nabijheid van het plangebied. De algemene eisen voor een dykswâl zijn weergegeven in bijlage 2. Deze dykswâl dient inbestemd te worden op de planverbeelding en krijgt dezelfde planologische bescherming als de inbestemde dykswâlen/houtwallen in het plan ‘Eastermar – it Heechsân 2019’ (artikel 32 uit dat plan).
Landschapselement 2 dient aangebracht en in stand te worden gehouden. Qua vegetatie en structuur dient aangesloten te worden bij de algemene eisen voor een dykswâl zoals weergegeven in bijlage 2.
Landschapselementen
–
instandhouding
De in dit documenten beschreven landschapselementen vervullen een functie. Die functie dient in beginsel oneindig in stand gehouden te worden. De beschreven landschapselementen hebben in de loop van de tijd niet steeds dezelfde verschijningsvorm: nieuwe beplanting moet eerst aanslaan, zich vervolgens ontwikkelen tot een gewenste of natuurlijke eindhoogte. Beheer is soms noodzakelijk om natuurlijk verjonging gaande te houden, of om onveilige situatie te voorkomen. Verder kan er sprake zijn van natuurlijke uitval van bomen of op termijn kunnen ruimtelijke ontwikkelingen en bomen met elkaar in conflict komen. In bijlage 2 zijn een aantal uitgangspunten voor toekomstig beheer en onderhoud
beschreven.
BIJLAGEN 1. 2.
Weergave (bovenaanzicht) landschappelijke inpassing Algemene richtlijnen voor de inrichting en instandhouding van Dykswâlen.
7
Bijlage 1: Weergave landschappelijke inpassingen In deze bijlage is de ligging van (te behouden of) te realiseren inpassingselementen weergegeven.
Bijlage 2: Technische richtlijnen
van
landschapselementen
In deze bijlage zijn de technische eigenschappen van de in het plan beschreven landschapselementen weergeven.
9
Dykswâl Definitie: een door de mens (oorspronkelijk) als perceelsscheiding opgeworpen, langgerekte aarden wal (wallichaam) met een aaneengesloten beplanting, bestaande uit bomen, struiken en een kruidlaag. Een greppel aan weerszijden van maakt hiervan onderdeel uit. Richtlijnen voor cultuurtechnische grondgeschiktheid Nieuwe dykswâlen dienen te worden opgetrokken uit voor de beoogde beplanting geschikte grond. De grond dient voldoende waterdoorlatend en doorwortelbaar te worden aangebracht. Op bestaande dykswâlen wordt in beginsel niets aan het grondlichaam gewijzigd. Natuurlijke verschraling op oude dykswâlen heeft geleid tot een ecologisch waardevolle, typerende flora en fauna. Waar herstel van het grondlichaam van oude dykswâlen toch noodzakelijk is, dient dit te gebeuren met streekeigen grond van een samenstelling en cultuurtechnische kwaliteit die overeenkomt met dat van het overige deel van de te herstellen dykswâl. Dit betreft vaak schraal, vrij humusarm (3% < organisch stof), siltig zand. Richtlijnen voor het beplanten van dykswâlen Nieuw te beplanten dykswâlen dienen als volgt te worden ingeplant. Bosplantsoen 2-jarig, maat 60 - 80 cm / meidoorn 3-jarig bosplantsoen; Afstand in de rij: 0. 75 meter; Sortiment: - 70 % Quercus robur – zomereik; - 10 % Sorbus aucuparia – lijsterbes; - 10 % Crataegus monogyna – meidoorn; - 10 % Sambucus nigra – vlier.
Situatieschets De hoogte van de dykswâl (vanaf omliggend maaiveld) dient 80 à 120 centimeter te bedragen. De breedte van de dykswâl dient (op de kruin) 1 à 2 meter te bedragen. De breedte van de dykswâl dient (in de basis) op maaiveldhoogte circa 2 à 4 meter te bedragen.
Deugdelijke afrastering (indien vee geweid wordt) Aan weerszijden dient een kerende afrastering te worden geplaatst (zie hiervoor bij richtlijnen voor de inrichting van houtsingels). Langs de nieuwe (of versterkte) dykswâl moet een deugdelijke afrastering worden geplaatst om vraat aan de jonge loten te voorkomen. De afrastering dient te worden geplaatst overeenkomstig de bovenstaande schets. De afrastering moet in goede staat worden gehouden en er moet zorg voor worden gedragen, dat ook bij wisselende beweiding de houtopstand niet beschadigd wordt door dieren. Richtlijnen voor de instandhouding en beheer Het eindbeeld voor bedekking (in vooraanzicht) voor een dykswâl is 90%-100% bedekking. Dit dient bereikt te zijn binnen 5 jaar na inrichting (dan is nog niet de eindhoogte bereikt, maar het vooraanzicht kan dan bedekt zijn). Uitval van nieuwe aanplant dient zo spoedig mogelijk (maar uiterlijk binnen 1 jaar) en op een geschikt moment in het plantseizoen te worden ingeboet.
11
Voor de aanplant en verzorging van bomen wordt uitgegaan van een normale vakkundige inspanning. Uitval van beplanting dient zodanig ingeboet te worden dat de landschapselementen hun functie in het landschapsbeeld kunnen vervullen. Houtwallen worden als hakhout beheerd, waarbij de beplanting (uitgezonderd overstaanders, ca. 1 per 25 m¹) eens in de ca. 25 jaar worden afgezet tot op de stobbe. De stobbe loopt op natuurlijke wijze uit. Als de bedekkingsgraad na verloop van tijd niet (meer) gehaald wordt, kan herbeplanting aangewezen worden.