241104 - Overzicht vragen en antwoorden TD programmabegroting 2025-2028
Tekst van het document
1 Overzicht vragen en antwoorden gemeenteraad TD programmabegroting 2025-2028
Inhoudsopgave Inhoudsopgave .....................................................................................................1 Algemeen .............................................................................................................2 In vogelvlucht; Ontwikkelingen in beleid ...................................................................3 Programma 4 - Onderwijs .....................................................................................10 Programma 6 - Sociaal domein ..............................................................................11 3.2.2 Paragraaf Weerstandsvermogen ....................................................................13 3.2.3 Paragraaf Onderhoud kapitaalgoederen ..........................................................14 4. Financiële begroting .........................................................................................15
2
Algemeen CDA 1.
Graag een uitleg in het IP over de reserveringen en HR-taken in en voor de BVO-ICT. Die staan her en der in deze begroting en het is nu erg onoverzichtelijk waar wat is belegd en waarvoor wat wordt begroot of gereserveerd. Bijv. 1,8 fte voor PIOFACH op blz. 16 en op blz. 22 1,9 fte? Antwoord: In het IP geven we via een presentatie een nadere uitleg.
2.
Veel grote investeringen nog niet op geld gezet. Hoe realistisch is deze nu sluitende begroting? En hoe maken we de rijksoverheid duidelijk dat als we deze investeringen wel op geld zetten we zwaar negatief gaan? (ook blz. 40 Financieel perspectief). Antwoord: Het klopt dat in deze begroting een aantal verwachte investeringen in bijvoorbeeld MFC’s , scholen en verduurzaming van het maatschappelijk vastgoed nog niet op geld zijn gezet. Voor een groot deel, omdat hiervoor op dit moment de plannen nog onvoldoende ontwikkeld zijn en nog niet vertaald konden worden in realistische te verwachten bedragen. Hier ligt een uitdaging voor de Kadernota 2026-2029, waarbij samen met de raad zal worden gekeken welke keuzes voor de toekomst moeten worden gemaakt en welke impact dit heeft op het financieel perspectief. Wat wel duidelijk wordt uit deze begroting is dat het ravijnjaar wel degelijk zichtbaar is in de ontwikkeling van het begrotingssaldo. Van een fors overschot in 2025 duiken we in 2026 in de min en zijn de saldi voor 2027 en 2028 gering positief.
3.
Wij begrijpen dat veel onderwerpen in meerdere programma’s voorbijkomen. Toch is het verwarrend als over hetzelfde onderwerp op verschillende plekken verschillende teksten worden gebruikt. Bijv. een korte tekst over het IHP bij Onderwijs en een uitgebreidere tekst over MFC’s, die voornamelijk over scholen gaat, bij Sociaal Domein. Antwoord: We begrijpen de vraag. We nemen dit mee voor de opzet van begroting 2026-2028 om meer consistent met de toelichting op de diverse onderwerpen in de verschillende onderdelen van de begroting te werken.
3 In vogelvlucht; Ontwikkelingen in beleid CDA 1.
Blz. 14: Wat is een soortenmanagementplan bij de warmtetransitie? Antwoord: Het isoleren van woningen en het plaatsen van zonnepanelen heeft een nadelig effect op beschermde diersoorten, zoals de huismus, de gierzwaluw en verschillende vleermuissoorten. Deze dieren broeden vaak onder dakpannen of verblijven in de spouw van een woning. Door dakisolatie van buitenaf, het plaatsen van zonnepanelen en spouwmuurisolatie gaan verblijfplaatsen verloren en is er een risico dat bijvoorbeeld vleermuizen sterven in de spouw. Officieel zou iedereen die een spouwmuur wil isoleren of zonnepanelen wil plaatsen hier ontheffing voor moeten aanvragen. Met het ecologisch onderzoek dat hiervoor nodig is, lopen de kosten daarvoor in de duizenden euro’s per woning. Dat is niet een houdbare situatie. Om die reden wordt landelijk de aanpak van de soortenmanagementplannen (SMP) uitgerold. Hiermee kan er gebiedsgericht onderzoek worden gedaan naar beschermde diersoorten en de instandhouding daarvan. Het college heeft besloten een SMP voor de gemeente op te laten stellen; de aanbesteding hiertoe loopt inmiddels. Op basis van een SMP kan de provincie, onder voorwaarden, een collectieve vergunning verlenen voor het gehele gemeentelijk grondgebied voor (vrijwel) alle woningen. Het opstellen van een SMP duurt circa 2 jaar.
Zodra dit traject gestart wordt, kan de provincie onder voorwaarden voor de overbruggingsperiode een tijdelijke ontheffing verlenen.
2.
Blz 15: Wat houdt de taakmutatie Openbare bibliotheken van €100.000 in? Antwoord: In de septembercirculaire is voor onze gemeente voor 2025 en 2026 tweemaal € 100.000 beschikbaar gekomen voor openbare bibliotheken. In de periode 2023-2024 konden gemeenten een specifieke uitkering ontvangen voor het versterken van het lokale bibliotheekstelsel. Daarna zal een wettelijke zorgplicht voor gemeenten worden ingevoerd ten aanzien van de openbare bibliotheek. Voor het uitvoeren van deze taak zullen gemeenten een structurele bijdrage via het gemeentefonds ontvangen. In de periode tussen de specifieke uitkering en de invoering van de wettelijke zorgplicht ontvangen de gemeenten een decentralisatieuitkering, om zich op de periode van de zorgplicht te kunnen voorbereiden. Hiervoor is in 2025 en 2026 in totaal een bedrag van € 59,3 miljoen beschikbaar. Dit bedrag wordt over alle gemeenten verdeeld op basis van een bedrag van € 2,95 per inwoner. Voor kleinere gemeenten waar het bedrag per inwoner leidt tot een bedrag lager dan € 100.000 wordt de uitkering aangevuld tot € 100.000.
3.
Blz 17. Wordt het kopen van de scholen in Hurdegaryp ook overwogen? Antwoord: In eerste instantie is besloten de huidige huurperioden niet te verlengen. De huurperiode van Eastermar loopt tot en met oktober 2027. In Hurdegaryp loopt deze tot en met 22 maart 2030. Het voorbereidingskrediet dat nu wordt gevraagd heeft betrekking op de school in Eastermar. Afhankelijk van de gesprekken met de verhuurder, is aankoop van de voorziening in Hurdegaryp een optie.
4
VVD 1.
Ik lees op p.6 over twee pijlers voor de nieuwe organisatie. Dit lijken echter twee redelijk naar binnen gerichte pijlers? Jeroen Gebben heeft het voortdurend over de twee pijlers “dienstverlening” en “participatie” (naar buiten gericht)? Hoe zit dit? Antwoord: De ontwikkelagenda is opgesteld als overkoepelend document, om richting te geven aan onze medewerkers en aan de organisatieontwikkeling in de komende twee jaar, passend bij het realiseren van onze koers ‘Dit binne wy’. De ontwikkelagenda kent twee pijlers: • Medewerkers, leidinggevenden en cultuur • Toekomstbestendige organisatie Per pijler beschrijven we welke thema’s en activiteiten we in de verdere ontwikkeling van onze organisatie gaan oppakken. Hierover hebben wij op 27 september een presentatie gegeven aan een deel van uw Raad. De ontwikkelagenda is daarmee een kapstok voor onze organisatieontwikkeling. Dienstverlening en participatie zijn prioritaire thema’s voor hoe het als gemeente goed willen doen voor onze inwoners, bedrijven en organisaties. Deze thema’s maken daarom nadrukkelijk onderdeel uit van de ontwikkelagenda en staan hierin prominent opgenomen (zie onderaan). Voor beide thema’s loopt een specifiek traject (dienstverleningsvisie en doorvertaling, participatie leerscenario) waarover besluitvorming in uw Raad plaatsvindt en heeft plaatsgevonden en die we als organisatie verder oppakken en uitwerken.
Tot slot: ook op andere thema’s binnen de ontwikkelagenda leggen we de nadruk op de externe oriëntatie en het richten naar buiten, bijvoorbeeld ‘werken in netwerken’ en ‘erop uit’. In de ontwikkelagenda staan participatie en dienstverlening als volgt omschreven: Participatie (overheid en burger) We willen vanuit een visie op participatie investeren in meer burger- en overheidsparticipatie. Lokale burgerinitiatieven, het verenigingsleven, dorpsbelangen, scholen, zorginstellingen, corporaties, andere overheden en het bedrijfsleven maken onmiskenbaar deel uit van het publieke domein. Naar aanleiding van de besluitvorming over de startnotitie participatie (september 2024) gaan we vanaf 2025 aan de slag met visie ontwikkeling en vertaling daarvan naar de praktijk, waarbij we bewust kiezen voor een leerscenario. Daarnaast stellen we een participatieverordening op en vast. Dienstverlening: borgen continueren en ontwikkelen dienstverlening • Vanuit de kennis over onze inwoners en ondernemers (o.a. door datagedreven werken), werken we samen aan de ontwikkeling van onze dienstverlening voor alle inwoners en ondernemers. In 2024 wordt een dienstverleningsvisie vastgesteld door de Raad. Deze zal vanaf 2025 verder uitgewerkt tot dienstverleningsplan, waarbij o.a.
ontwikkeling kan plaatsvinden op het gebied van servicenormen, bereikbaarheidsbeleid, kanaalstrategie omnichannel, burgerpanel, toegankelijke websites, begrijpelijke communicatie, OPEN Burgerzaken. Onderwerpen en prioritering worden bepaald bij opstellen van het dienstverleningsplan + Uitvoeringsprogramma. • Om ook in de toekomst de dienstverlening kwantitatief en kwalitatief te kunnen blijven verlenen, werken we toe naar een herkenbare bundeling van kennis en capaciteiten binnen het team Dienstverlening op het gebied van klantcontact: Informatie en Advies Centrum. Op deze manier kunnen we beter zorgdragen dat de dienstverlening voorop blijft staan, de wachttijden niet te lang oplopen en de kennis op de specialisaties blijft bestaan.
5
2.
Ik lees op p.12 over de brug in Eastermar. Opnieuw geen renovatie, maar pas na het vaarseizoen 2025. Waardoor ontstond deze vertraging in de voorbereiding van het werk? Welke wethouder was verantwoordelijk in dit dossier sinds 2021? Antwoord: Zie LIST 24-330-A d.d. 3 oktober: Informerend raadsvoorstel ontwikkelingen brug Eastermar
3.
Ik lees op p.12/13 over het aanstellen van een structurele adviseur voor de fysieke leefomgeving, ondanks het stoppen van het NPLG. Nu krijgt de gemeente hier nog middelen voor, maar dit stopt? Tot wanneer kunnen we deze functie nog bekostigen vanuit deze rijksmiddelen? En nog belangrijker: wat zijn de concrete doelen voor deze (nieuwe) adviesfunctie? Wanneer dient de adviseur deze behaald te hebben? Graag SMART formuleren i.p.v. een vage functieomschrijving vol jargon. Antwoord: Het betreft hier de eerder in de begroting van 2024-2027 aangekondigde capaciteit van 0,5 FTE, die was bedoeld om optimaal in te zetten en aan te sluiten op de uitvoering van het FPLG en het overleg met de overige Friese overheden en partners. Deze 0,5 FTE is ook opgenomen in ons inrichtingsplan voor de nieuwe ambtelijke organisatie onder de naam FPLG. De naamgeving van de functie/taken is in de tekst aangepast, omdat we nog niet precies weten hoe het vervolg van het FPLG eruit komt te zien en de integrale advisering op het landelijk gebied breder is dan alleen FPLG. De provincie en Friese gemeenten hebben uitgesproken door te willen werken aan een gezamenlijke, integrale en gebiedsgerichte aanpak. Dat is ook noodzakelijk.
De vele vraagstukken in en doelstellingen voor het landelijk gebied (landbouw, water, natuur, klimaat, wonen, energie, sociaal-economisch perspectief etc.) kunnen niet meer los van elkaar worden gezien. De gemeente als eerste overheid voor de mienskip is hier als vanzelfsprekend nadrukkelijk bij betrokken, bijvoorbeeld mbt kaderstelling van keuzes in het landelijk gebied, aansluiting op beleidsprocessen als de vernieuwing van de provinciale omgevingsvisie en andere samenhangende beleidsstukken, faciliteren van gebiedsprocessen en het zorgen voor verbinding en samenspraak. De strategisch adviseur draagt onder andere zorg voor een goede integrale aansluiting op de Friese en landelijke aanpak voor het landelijk gebied, zowel ambtelijk, bestuurlijk als voor de mienskip van Tytsjerksteradiel. Speelt in op de actualiteit, onderzoekt kansen, levert een brede bijdrage aan de doorontwikkeling van onze omgevingsvisie en bevordert de samenhang van ons omgevingsbeleid. Binnen de overige functies is geen ruimte om deze integrale taken op te pakken. De uitbreiding is structureel, omdat de opgaven, doelen en afwegingen in de fysieke leefomgeving ook voor de gemeenten steeds complexer en urgenter worden. Dit staat los van de verkregen rijksmiddelen. Uiteraard wordt vanuit de provincie en de gemeente bij het Rijk aangedrongen op duidelijkheid en aanvulling van de middelen.
4.
Ik lees op p.13 over het project Omtinken foar Elkenien? Klopt het dat dit project op jaarbasis € 175.000 kost? Sinds september 2021 loopt dit project. Wat zijn in 3 jaar tijd de resultaten? Zijn de doelstellingen behaald? Graag even in verhouding plaatsen t.o.v. de gehele groep ontvangers van een uitkering (en specifiek ‘de klassieke doelgroep.’) Antwoord: Na de succesvolle evaluatie van dit project is het door de raad omgezet naar een structurele aanpak. Het gaat om de doelgroep die niet direct kan re-integreren. Desgewenst kunnen wij op een later moment over de resultaten hiervan rapporteren. Dat is op deze korte termijn niet mogelijk.
6 5.
Ik lees op p.17 hoe het college uitvoering wil geven aan de motie Bloeizone. Een activatiebijeenkomst georganiseerd door een externe partij dat €25.000 moet kosten. Mijn verwachting is dat hier vooral de “usual green suspects” op afkomen. Denk bijvoorbeeld aan de leden van de energiecooperaties uit onze dorpen, de Warren Natuurlijk Groen en dit soort partijen. Hoe voorkomt het college dit? En belangrijker: welke doelen moeten er met de activitatiebijeenkomst precies worden bereikt? En wanneer wordt dit gemeten? Graag SMART formuleren. Antwoord: De motie ‘Bloeizone Tytsjerksteradiel’ verzoekt het college meer ambitie te tonen rond het thema Bloeizone. Het bedrag dat hiervoor wordt gevraagd is niet alleen bedoeld voor het organiseren van een activatiebijeenkomst, maar ook om in het vervolg handen en voeten te geven aan het thema. Hoe we dit gaan doen wordt verder uitgewerkt in een voorstel. Vervolgvragen: a) Hoeveel geld gaat de bijeenkomst kosten? Antwoord: We weten op dit moment nog niet hoeveel geld de bijeenkomst gaat kosten. b) Wordt de raad ook betrokken bij het uitwerken van dit voorstel? Antwoord: Het college zal de motie uitvoeren en de Raad zal in kennis worden gesteld van de uitwerking.
6.
Ik lees op p.20 dat de afvalstoffenheffing fors wordt verhoogd. Toelichting vond ik op p.98. De verhoging zit zowel bij het personeel (CAO) en ook bij “de kosten voor het verwerken van verschillende afvalstromen zullen in 2025 aanzienlijk stijgen.” Hierbij staat geen verdere verklaring? Hoe kan dit? Zijn er geen prestatie/prijsafspraken met OMRIN voor een langere periode? Nu worden we min of meer ‘verrast’ door zo’n forse stijging. Antwoord: De verwerkingskosten van de meeste verschillende afvalstromen zijn afhankelijk van marktprijzen (vraag en aanbod) en worden over het algemeen niet vastgelegd in meerjarige contracten. Marktprijzen fluctueren over het jaar/jaren heen erg en de waarde van grondstoffen is van invloed van de situatie op wereldniveau. Geen enkele verwerker gaat een lange overeenkomst aan vanwege het grote financiële risico die ze daarmee lopen. Hoogstens wordt er voor een afvalstroom voor één of twee jaar prijsafspraken gemaakt, echter is er dan vaak altijd een voorwaarde opgenomen dat met een goede reden een tussentijdse prijsverhoging mogelijk is. De meerkosten voor het verwerken van verschillende afvalstromen geldt voor alle (Friese) gemeenten op dit moment.
7.
Ik lees op p.25 over de CentrumVisie Burgum. In 2022 een visie, in 2025 actieplannen naar de raad. Uitvoering in 2026? 2027? Waarom duurt dit allemaal zo lang? In het centrum van Burgum staan veel panden leeg, het wordt steeds onaantrekkelijker... Het lijkt alsof het college hier geen prioriteit van maakt? Klopt dit? Kan het college ook versnellen? Een impuls voor het centrum kan wellicht ook een stimulans tégen de leegstand zijn. Is het tij nog te keren? Antwoord: Bij het vaststellen van de Centrumvisie op 15 september 2022 zijn er door de raad de volgende prioriteiten benoemd. Verbeteren van de Schoolstraat, Passaazje en Markt (actielijn 5 & 6 uit de visie)
7 1) -
Planologisch veiligstellen van de winkelfuncties in het kernwinkelgebied (actielijn Verbeteren van de parkeerstructuur in het centrum (actielijn 6 & 7)
Bij het vaststellen van de Centrumvisie is aangegeven dat de actielijnen verder worden uitgewerkt. De concrete uitwerkingen zullen met de kostenraming later opnieuw aan de raad worden voorgelegd. Op 20 april 2023 heeft de raad een voorbereidingsbesluit genomen voor het wijzigen van een aantal regels in het centrumgebied ten behoeve van een nieuw bestemmings/omgevingsplan. Hierop lag de prioriteit. Dit traject loopt. We zijn kort voor de zomerperiode 2024 gestart met het opstellen van de plannen voor de Schoolstraat, Passaazje en de Markt. Hiervoor is een externe projectleider aangetrokken. Ook het verbeteren van de parkeerstructuur wordt daarbij meegenomen. Dit traject loopt. De planning is dat dit voorjaar de uitgewerkte plannen met een investeringsbegroting aan de raad worden voorgelegd. Dan kan bij de begrotingsvergadering 2026 de raad een besluit nemen om hiervoor het krediet beschikbaar te stellen en kan de uitvoering van startgaan in 2026. Sneller dan dit is zowel vanuit het perspectief van beschikbare capaciteit als ook procedureel technisch niet realistisch. In het lopende traject is ook aandacht voor leegstand. Hiervoor wordt op dit moment een nieuwe leegstandscommissie in het leven geroepen. 8.
Op p. 26 lees ik over de prioritering van ruimtelijke ontwikkelingen. Wordt de raad hier ook bij betrokken? Het ‘voorstel wat zal worden gedaan’ bedoelt men daarmee dat dit aan de raad wordt voorgelegd? Antwoord: De raad wordt hierbij betrokken als er een uitzetting van de begroting noodzakelijk is. Indien er geen financiële uitzetting mogelijk is en er een herprioritering noodzakelijk wordt geacht, waarbij er keuzes moeten worden gemaakt die gevolgen hebben voor de tot nu toe verwachtte uitvoering van projecten, zal dit uiteraard aan de raad worden voorgelegd.
9.
Op p. 28 lees ik over het opstarten van een Werkcentrum. Is dit een fysieke locatie? Bestond dit voorheen ook niet bij het UWV, een werkplein? Bestaat dat ook nog? Antwoord: Er is door een bureau in opdracht van Fryslan Werkt een onderzoek gedaan naar het RWC in Fryslan. Daaruit volgt dat er bij het op te richten RWC gedacht wordt aan een viertal fysieke locaties én één centrale digitale toegang. Wel is te overwegen om op locaties per gemeente de mogelijkheid te organiseren van een spreekuur of een gesprek op afspraak. Verder zal bij de ontwikkeling en implementatie rekening worden gehouden met het feit dat de lokale infrastructuur voor re-integratie per gemeente anders is ingericht. Dit kan ook van invloed zijn op de ontwikkeling van het Werkcentrum als één gezamenlijk regionaal loket. Het lijkt ons goed om u hier op een nader moment uitgebreider op te informeren. Het RWC behelst namelijk veel meer. Vervolgvragen: a) Wat gaat dit de gemeente extra kosten? Antwoord: Dat is nog niet bekend. b) Vier fysieke locaties en daarnaast óók nog in de gemeente?
8 Antwoord: Het is begrijpelijk dat niet op ieder gemeente huis/in iedere gemeente continue de volledige dienstverlening van het Werkcentrum kan worden aangeboden. En dat daarom gedacht wordt aan vier locaties. Wel is te overwegen om op locatie per gemeente de mogelijkheid te organiseren van een spreekuur of een gesprek op afspraak. Dit is nog niet definitief, de doorontwikkeling zal in 2025 zijn beslag krijgen waarbij ook rekening wordt gehouden met de bestaande infrastructuur. c) Wat is de achterliggende gedachte? Antwoord: Het kabinet wil de arbeidsmarktdienstverlening structureel wil verbeteren door hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur (zie ook bijlage: “Hervorming arbeidsmarktinfrastructuur” van 29 april 2024) Alle organisaties in de arbeidsmarktinfrastructuur hebben hun eigen dienstverleningspakket, hun eigen werkwijze en vaak een eigen loket. Werkzoekenden en werkenden weten in deze veelheid van loketten de juiste dienstverlening niet altijd te vinden, en werkgevers worden benaderd door verschillende partijen en hebben te maken met een grote diversiteit aan regelingen. De hervorming van de arbeidsmarktdienstverlening is gericht op het versterken van de samenwerking tussen de partijen in de Arbeidsmarktregio en daarmee het verbeteren van de dienstverlening aan inwoners en werkgevers.
Overigens heeft het ministerie van SZW aangegeven dat de Friese aanpak op koers ligt van de landelijke werkagenda. De samenwerking in de Werkpleinen bestaat nog, maar de naam wordt niet overal in den lande consequent gebruikt. Het regionale Werkcentrum komt daarvoor in de plaats. d) Past dit in onze nieuwe visie qua lage drempels / benaderbaarheid als je dan als werkzoekende uit onze gemeente naar een “loket” in bijv. Drachten wordt doorverwezen? Antwoord: Ja dat past in onze visie. Zie ook hierboven; niet op ieder gemeente huis/in iedere gemeente kan continue de volledige dienstverlening van het Werkcentrum kan worden aangeboden. 2025 is een transitiejaar: de bestaande lokale infrastructuur wordt in 2025 voortgezet. Onze gemeenten (TD en 8K) nemen deel aan Wurkstart het leerwerkloket voor Noordoost Friesland dat werkgevers helpt met vragen over personeel en scholing en advies geeft aan inwoners die zich oriënteren op de arbeidsmarkt of op zoek zijn naar een nieuwe opleiding of baan. Een brede doelgroep van werkzoekenden, werkenden en werkgevers kan straks terecht bij het Werkcentrum voor vragen over werk, volgende loopbaanstappen, (arbeidsmarktgerichte) scholing en personeelsvraagstukken. Gemeenten hebben samen met UWV een bredere verantwoordelijkheid dan alleen ondersteuning van de “eigen” doelgroep. De doorontwikkeling en implementatie zal in 2025 zijn beslag krijgen.
De gemeente bedienen al een groot deel van de brede doelgroep van het te ontwikkelen Werkcentrum; namelijk inwoners die ondersteuning krijgen vanuit de Participatiewet. Voor deze groep is lokale toegang van groot belang. En online dienstverlening is voor een deel van onze doelgroep geen vanzelfsprekende weg. 10.
In de tekst over maatschappelijk vastgoed (p.30) ontbreekt voor mij de integraliteit bij het maatschappelijk vastgoed. Rondom de scholen komt er een nieuw IHP met volgens mij een duidelijk plaatje (langere
9 termijn) richting schoolbesturen van wie “er het eerste aan de beurt is voor renovatie/nieuwbouw.” Klopt het dat dit plaatje voor de langere termijn ontbreekt voor het andere MV zoals dorpshuizen? Voor mijn gevoel komen deze verzoeken ‘ad hoc’ bij de gemeente terecht en voeren we als gemeente weinig regie. Is het niet handiger om voor de (gewenste) dorpshuizen/MFC’s ook een toekomstplaatje te bepalen in de raad? Zodat men weet wanneer men “aan de beurt is?” Of is dit er reeds? Zo ja, wilt u het dan (opnieuw) delen met de raad? Antwoord: Deze vraag sluit aan op de eerder al geuite wens om meer inzicht te krijgen in leefbaarheidsprojecten. Daarop is toegezegd dat de stand van zaken hierover in het eerste kwartaal van 2025 met de raad wordt gedeeld. Analoog aan de wijze waarop dat het afgelopen jaar is gebeurd voor de stand van zaken van de woningbouwplannen. Uitgangspunt daarbij is de voortgang op basis van de agenda’s die per dorp zijn opgehaald (en zijn neergelegd in het rapport Wonen en Leefbaarheid, opgesteld door KAW) en waarover de raad in oktober 2023 een presentatie heeft gehad. De tekst op pagina 30 van de begroting moet in dat verband ook in combinatie gezien worden met de tekst op pagina 26, bij het onderdeel prioritering ruimtelijke ontwikkelingen. Daar gaat het over de benodigde ambtelijke capaciteit.
Om over voldoende slagkracht te beschikken wordt nog in 2024 op een rij gezet welke projecten er vanaf 2025 in ontwikkeling en uitvoering zijn, welke capaciteit daarvoor nodig is en welke andere (leefbaarheids)projecten daar bovenop nog gewenst zijn. Er wordt hieraan een globale extra capaciteitsbehoefte gekoppeld.
10 Programma 4 - Onderwijs CDA 1.
Blz. 62 Invulling ombuiging gebiedsteams: Hier staat dat de resterende bezuiniging wordt gerealiseerd door formatiereductie in de Werkmaatschappij. Hoe moeten we dat zien in 2025? Antwoord: De formatie reductie is meerjarig gerealiseerd. Met andere woorden de invulling heeft zijn plek gekregen in de begroting 2025-2028 van de WM8KTD door middel van het verlagen van de personeelsbudgetten daar. Vervolgens is het aangepaste budget via de begrotingswijzigingen met betrekking tot de ontvlechting van de WM8KTD meegenomen in de begroting 2025-2028 van de gemeente. Daarnaast is op basis van de koersvertaling en de daarbij behorende formatie eveneens rekening gehouden met het schrappen van de genoemde functies op blz. 62 (formatie programmamanager en teamcoach).
11 Programma 6 - Sociaal domein CDA 1.
Blz. 75 Bij tariefindexatie wordt gebruik gemaakt van de Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA), voor 2025 4,18%. Is dit een indexcijfer dat door alle partijen wordt gebruikt, zowel uitkerend als ontvangend? En welk cijfer wordt in 2025 gebruikt voor de prijsindexatie? Geldt dat ook voor iedereen? Zoals bijv. voor de SDF op blz. 77? En op blz. 78 wordt voor de NZA een prijsindexatie gemeld conform de OVA? Maar dat is een arbeidskostenindexatie. Heel verwarrend. Antwoord: Bij indexatie voor Jeugd en WMO wordt inderdaad gebruik gemaakt van het OVApercentage. Dit doen wij op advies van de VNG. De VNG zegt hierover het volgende: “Voor de Wmo en de Jeugdwet bestaat er geen apart landelijk indexeringspercentage. Het rijk gebruikt het OVA-percentage om de tarieven in de Zvw en de Wlz te indexeren. Aangezien zorgaanbieders vaak zorg in meerdere zorgdomeinen leveren, is het voor hen van belang dat de tarieven in de verschillende zorgdomeinen zoveel mogelijk op dezelfde manier worden geïndexeerd. Bovendien sluit het percentage waarmee het accres in het gemeentefonds de afgelopen jaren toenam aan bij het OVA-percentage.
In lijn met de hierover opgenomen bepaling in de op 2 december 2022 door de ALV-VNG algemeen verbindend verklaarde Contractstandaarden Jeugd (voor Wmo zijn deze in ontwikkeling) adviseert de VNG de gemeenten daarom voor 2024 de navolgende indexatie aan te houden.” Voor 2025 is dit idem. Concreet: - Is dit een indexcijfer dat door alle partijen wordt gebruikt, zowel uitkerend als ontvangend? Nee, het wordt aangeraden, maar zorgaanbieders zijn hier niet aan gebonden (kostenkant) en de bijdrage vanuit het Rijk is afhankelijk van vele factoren, veel meer dan enkel de accres-ontwikkeling. - En welk cijfer wordt in 2025 gebruikt voor de prijsindexatie? In 2025 is de OVA (voorlopig) vastgesteld op 4,18%. Dit percentage hanteren wij. - Geldt dat ook voor iedereen? Zoals bijv. voor de SDF op blz. 77? Nee, deze index wordt aangeraden, maar het is niet verplicht dit percentage over te nemen. - En op blz. 78 wordt voor de NZA een prijsindexatie gemeld conform de OVA? Maar dat is een arbeidskostenindexatie. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZA) komt met het OVA-percentage. Dit is inderdaad een arbeidskostenindexatie omdat de kosten in het sociaal domein met name personele kosten zijn.
PvdA/GroenLinks 1.
Op pagina 75 staat o.a.:’ De GALA-middelen worden deels ingezet via een nog te publiceren subsidieregeling’. Vraag: Wanneer wordt deze regeling gepubliceerd? Antwoord: Wanneer een regeling voor 2025 gepubliceerd wordt is (nog) niet bekend.
12 2.
Op site van Sociaal Domein Fryslân is het continuïteitsplan; opgesteld voor Jeugdhulp Friesland terug te lezen. Hier staat o.a. op pagina 13 dat tijdens de uitvoer van dit plan nog een onderbouwde steunvraag aan de gemeenten gesteld wordt. Dit zien wij niet terug in de begroting 25. Vraag: Klopt dit? En is al iets bekend over grootte van bedragen per gemeente? Antwoord: We zijn inmiddels al een periode verder met de uitvoering van het continuïteitsplan. Op korte termijn moet de begroting 2025 van JHF worden vastgesteld. Dit is een belangrijk moment om te bepalen of de structurele effecten van de ingezette interventies daadwerkelijk bijdragen aan het oplossen van de problemen bij JHF. Zolang de uitvoering van het plan loopt en er nog geen ‘extra’ financiële vraag is, is er ook geen aanleiding in de begroting rekening te houden met een eventuele onderbouwde steunvraag. De vraag zal dan aan alle 18 Friese gemeenten gesteld en beantwoord moeten worden.
13 3.2.2 Paragraaf Weerstandsvermogen CDA 1.
Blz. 113 Voor de berekening weerstandsvermogen wordt voor het risico IHP met een rentepercentage van 1,5% gerekend. Is dat realistisch? Antwoord: Het percentage van 1,5% is de rekenrente van het moment van inventarisatie. De rekenrente wordt jaarlijks berekend, waarbij rekening wordt gehouden met de verhouding tussen eigen en vreemd vermogen. Zou er partieel worden geleend (één op één) dan zou de rekenrente hoger liggen. Bij de Kadernota 2026-2029 zal een aantal ontwikkelingen nader worden geconcretiseerd en zullen we zorgen voor een realistische raming van de impact op onze begroting.
2.
Blz. 118 In de tabel staat voor 2024 een Bijdrage ontmoetingscentrum Gytsjerk € 85000. Vorig jaar stond hier voor 2024 nog een bedrag van € 57000. Dorpshuis de Ban bestaat niet meer. Waar is dit bedrag voor en waarom is dit verhoogd? Antwoord: Via de begrotingswijzigingen van december 2023 is het teruggestorte bedrag van € 28.000 wat is overgebleven van de eerste verstrekte tranche gereserveerd voor initiatieven vanuit het dorp in het kader van ontmoeting. Samen met de tweede tranche van € 57.000 maakt dit dat er voor 2024 nog een bedrag gereserveerd is van € 85.000. Historie In 2021 is voor het ontmoetingscentrum Gytsjerk (de Bân) een bedrag van € 43.000 aan de vereniging voor dorpsbelangen uitgekeerd uit de hiervoor gereserveerde middelen. Dit bedrag was bedoeld om in de bibliotheek in Gytsjerk eerst voor een periode van vier jaar een ontmoetingsruimte te realiseren. Vanwege te weinig animo en vrijwilligersinzet, mede door corona, is de Bân ter ziele gegaan. Het overgebleven geld ten bedrage van € 28.000 is in 2023 teruggestort op onze rekening. Doarpsbelang heeft gevraagd of dit overgebleven budget beschikbaar kan blijven voor het dorp. Via deze begrotingswijziging van december 2023 hebben we het bedrag van € 28.000 voorlopig binnen de AR gereserveerd voor initiatieven vanuit het dorp.
Binnen de Algemene Reserve stond voor 2024 tevens voor de tweede tranche nog een bedrag van € 57.000 gereserveerd. Destijds voor een vervolg van het ontmoetingscentrum in de bibliotheek na evaluatie van de eerste vier jaar. Samen vormt dit het bedrag van € 85.000.
14 3.2.3 Paragraaf Onderhoud kapitaalgoederen CDA 1.
Blz 128. De tekst in de onderste alinea, verouderde locaties, komt niet overeen met de constatering van geen achterstallig onderhoud in de tabel op blz. 129. Waarom zijn er geen reserveringen voor de vervanging/renovatie van deze gebouwen opgenomen? Antwoord: Voor de bestaande locaties houden we rekening met vervanging en/of onderhoudskosten. Uitganspunt hierbij is één op één vervanging/onderhoud. De “meerkosten”, die ontstaan door modernisering, verduurzaming, mogelijke andere locatie en eventuele andere eisen ten aanzien van gebruik zijn uiteraard nog niet per gebouw meegenomen in de reserveringen. Via afzonderlijke voorstellen komen we hier bij de raad op terug. Er is uiteraard wel geld opgenomen in de begroting voor vervanging/renovatie van (verouderde) gebouwen. In het Meerjaren Onderhoudsplan (MJOP) van de gemeentelijke gebouwen zijn veel kosten in beeld en die zijn óf verwerkt in de onderhoudsvoorzieningen óf in de lijst van vervangingsinvesteringen (blz 186 regel: Investeringen gebouwenbeheersprogramma). In de kadernota 2024 -2027 is onder het kopje Verduurzamen gemeentelijk vastgoed (fase 1) €2.300.000 gevraagd en opgenomen in de meerjarenbegroting 2024 – 2027 voor meerdere gebouwen, waaronder Sporthal Hege Fiif , Muziekschool en Dorpshuis it Geahus en Gymzaal Garyp. Inmiddels is daar Dumava-susidie voor aangevraagd en toegezegd.
Dumava staat voor Duurzaam Maatschappelijk Vastgoed.
15 4. Financiële begroting CDA 1.
Blz 187 Een aantal onderhoudsvoorzieningen zijn de komende jaren veel lager begroot dan de werkelijke uitgaven 2023, bijvoorbeeld sportgebouwen (2023 €379.000 – 2028 €8000). Waar is dat op gebaseerd? Antwoord: De betreffende tabel geeft het saldo van de voorzieningen weer per ultimo van enig jaar en zegt niets over de hoogte van de werkelijke uitgaven. Om bij de vraag te blijven: sportgebouwen 2023 € 379.000 en 2024 € 78.000 geeft aan dat er in het jaar 2024 € 301.000 meer wordt onttrokken dan er in de voorziening wordt gestort. De verwachting van zowel de storting als de onttrekking is gebaseerd op het Meerjarig Onderhoudsplan (MJOP) en dat is weer gerelateerd aan het beleidsplan onderhoud gebouwen. De stortingen per jaar zijn gelijk aan het tienjarig gemiddelde van de verwachte kosten voor groot onderhoud. De onttrekkingen zijn gelijk aan de verwachte kosten per jaar.