11 - Bijlage 1b - Rapport archeologisch booronderzoek (24056.001) Zomerweg te Noardburgum
Tekst van het document
RAPPORTAGE archeologisch bureauonderzoek en booronderzoek Zomerweg te Noardburgum, in de gemeente Tietjerksteradeel
Rapport archeologisch bureauonderzoek en booronderzoek Zomerweg te Noardburgum in de gemeente Tietjerksteradeel Opdrachtgever
SAB Arnhem B.V. Postbus 479 6800 AL Arnhem
Rapportnummer
24056.001
Versienummer1
1
Datum
18 december 2023
Opsteller2
De heer drs. J. Holl
Kwaliteitscontrole
De heer drs. A.H. Schutte
1 Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld
door de bevoegde overheid. 2 In onze rapportages en offertes wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Middels ons kwaliteitssysteem worden offertes en rapporten aantoonbaar vrijgegeven.
Econsultancy Archeologisch Rapport
KWALITEITSZORG Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Ook is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteitsen milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn.
Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie. Al onze rapportages worden opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet, NEN en KNA protocollen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. Hierbij wordt opgemerkt dat wetgeving, waaronder wettelijke eisen uit de Erfgoedwet, prevaleert boven de AVG. In het kader van de AVG dient, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, bijlagen met kadastrale uittreksels en namen van opdrachtgevers, door de publicerende instantie, verwijderd dan wel zwart gelakt te worden. RECHTEN © Econsultancy bv, Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld.
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot)
Econsultancy Archeologisch Rapport
INHOUDSOPGAVE ADMINISTRATIEVE GEGEVENS PLANGEBIED SAMENVATTING 1
INLEIDING .................................................................................................................................................. 1
2
BUREAUONDERZOEK ................................................................................................................................. 1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK ..................................................................................................... 15 3.1 3.2 3.3
4
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................................. 1 Methoden ...................................................................................................................................... 1 Afbakening en huidige situatie van het plangebied ....................................................................... 2 Toekomstige situatie ...................................................................................................................... 3 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................................. 4 Archeologische waarden ................................................................................................................ 7 Beschrijving van het historische gebruik ........................................................................................ 9 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ...................................................................... 12 Conclusie bureauonderzoek ......................................................................................................... 14
Doelstelling en onderzoeksvragen ............................................................................................... 15 Methoden .................................................................................................................................... 15 Resultaten .................................................................................................................................... 15
CONCLUSIE EN ADVIES ............................................................................................................................ 17
LITERATUUR BRONNEN KAARTEN BIJLAGEN
TABELLEN Tabel 2.1 Tabel 2.2 Tabel 2.3
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Gespecificeerde archeologische verwachting
KAARTEN Kaart 1. Kaart 2. Kaart 3. Kaart 4. Kaart 5. Kaart 6. Kaart 7. Kaart 8. Kaart 9. Kaart 10. Kaart 11. Kaart 12.
Het plangebied op de topografische kaart (1:25.000) Het plangebied op de kadastrale kaart Het plangebied op een luchtfoto uit 2023 Het plangebied op de Friese Archeologische Monumenten Kaart Extra (FAMKE), kaartlaag steentijd-bronstijd. Het plangebied op de Friese Archeologische Monumenten Kaart Extra (FAMKE), kaartlaag ijzertijdmiddeleeuwen. Het plangebied op de Geomorfologische kaart 1: 50.000 van Nederland Het plangebied op paleogeografische kaarten Het plangebied op het actueel hoogtebestand (AHN3) Het plangebied op de bodemkaart Archeologische waarden en onderzoeken rondom het plangebied Het plangebied op historische kaarten Boorpuntenkaart
BIJLAGEN Bijlage 1. Bijlage 2. Bijlage 3. Bijlage 4. Bijlage 5.
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Onderzoeksmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Boorstaten
ADMINISTRATIEVE GEGEVENS PLANGEBIED Projectcode
24056.001
Opdrachtgever
SAB Arnhem B.V.
Toponiem
Zomerweg
Plaats
Noardburgum
Gemeente
Tietjerksteradeel
Provincie
Fryslân
Kadastrale gegevens
gemeente Bergum, sectie I, nummer 1814
Omvang plangebied
circa 1,0 ha
Kaartblad
6 D (1:25.000)
Centrumcoördinaten (X/Y)
X: 196.360 / Y: 581.250
Archeoregio NOaA
1: Drents zandgebied
Bevoegde overheid
Gemeente Tytsjerksteradiel Raadhuisweg 7 9251 GH Burgum
Uitvoeringsperiode
December 2023
Uitvoerders
Econsultancy, De heer drs. J. Holl (Senior KNA Prospector)
Onderzoeksmelding ARCHIS3
5486911100
Beheer en plaats documentatie
Econsultancy en op termijn het provinciaal depot
T: 14 0511 E: gemeente@t-diel.nl
SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van SAB Arnhem B.V. een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied aan de Zomerweg in Noardburgum, gemeente Tietjerksteradeel. De initiatiefnemer heeft het plan de bestemming van het plangebied te wijzigen naar bos. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst het vigerend bestemmingsplan worden herzien. Als onderdeel van de bestemmingsplanprocedure moet een ruimtelijke onderbouwing worden opgesteld. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht en wat het effect is van eventuele ingrepen op deze archeologische waarden. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992), de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006) en de Erfgoedwet (2016). Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Het inventariserend veldonderzoek, (IVO-overig, verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen.
Het veldonderzoek heeft tevens tot doel vast te stellen wat de bodemopbouw is binnen het plangebied, of er archeologische resten aanwezig zijn, in welke mate de resultaten overeenstemmen met de verwachtingen en, als er binnen het plangebied een vindplaats aanwezig is, wat dan de gevolgen zijn van de voorgenomen bodemingrepen voor de vindplaats. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Het plangebied is gelegen binnen een gebied met grondmorenewelvingen afgedekt met een dunne laag Oud Dekzand. Op basis van AHN-beelden ligt het plangebied op een relatief hoog gedeelte van de grondmorene. Hoewel de pingoruïnes in de directe omgeving van het plangebied een gunstigere locatie voor jachtkampjes in het Paleo- en Mesolithicum gevormd zullen hebben, kunnen deze ook op de grondmorenewelvingen voorkomen. Vandaar dat voor deze perioden een middelhoge verwachting geldt. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie. Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor. Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en een goede afwatering van belang. De lemige bodem in het plangebied vormde vermoedelijk een vruchtbare bodem, hoewel de keileem in de ondergrond mogelijk een verstorende laag vormde die van negatieve invloed was op de afwatering.
Op basis van de lemige bodem hiervan geldt een middelhoge verwachting voor resten uit het Neolithicum en de Bronstijd In de periode Laat Neolithicum – Midden Bronstijd begon het gebied te vernatten en in de Midden Bronstijd lag het plangebied in een uitgestrekt veengebied. In de periode hierna, tot in de Late Middeleeuwen, lag het plangebied in een veengebied. Hierin heersten weinig gunstige bewoningsomstandigheden. Aangezien het plangebied buiten de invloedssfeer van de zee of rivieren lag, is naar verwachting geen kleilaag op het veen afgezet, die tot verbeterde bewoningsomstandigheden zou hebben geleid. Vandaar dat een lage verwachting geldt voor de periode IJzertijd – Vroege Middeleeuwen.
24056.001 versie 1
Vanaf de Late Middeleeuwen is het veengebied ontgonnen. In de omgeving van het plangebied fungeerde de Zomerweg als ontginningsas. In de hogere delen lagen de akkers en de lagere delen werden gebruikt als weiland en heidegrond. Het plangebied in ieder geval tot in de eerste helft van de 19e eeuw nog in een heidegebied. Halverwege de 19e eeuw werd het heidegebied ontgonnen en raakte het plangebied in gebruik als bouwland en later als weiland. Op basis van de ligging in heidegebied tot in de 19 e eeuw en omdat het niet direct langs een doorgaande weg lag, geldt een lage verwachting voor de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Resultaten inventariserend veldonderzoek Tijdens het onderzoek is een omgewerkte bovenlaag van 50 à 60 cm aangetroffen, bestaande uit sterk siltig, humeus zand. Hieronder bevindt zich in de meeste boringen keizand en keileem, in enkele boringen afgedekt door een laag fluvioperiglaciale afzettingen. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen en de bodem is verstoord tot in de C-horizont. De archeologische verwachting kan op basis van het booronderzoek worden bijgesteld naar laag voor alle archeologische perioden. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven. Bovenstaand advies is van Econsultancy.
Er is, op grond van de gebruikte onderzoeksmethode, geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven. Over de aan- of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Tietjerksteradeel), die vervolgens het advies over neemt of niet. Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Tietjerksteradeel wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, volgens artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het is verder raadzaam om ook de gemeente Tietjerksteradeel op de hoogte te stellen.
24056.001 versie 1
1
INLEIDING
Econsultancy heeft in opdracht van SAB Arnhem B.V. een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied aan de Zomerweg in Noardburgum, gemeente Tietjerksteradeel. De initiatiefnemer heeft het plan de bestemming van het plangebied te wijzigen naar bos. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst het vigerend bestemmingsplan worden herzien. Als onderdeel van de bestemmingsplanprocedure moet een ruimtelijke onderbouwing worden opgesteld. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht en wat het effect is van eventuele ingrepen op deze archeologische waarden. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992), de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006) en de Erfgoedwet (2016). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in december 2023 door drs. J. Holl (Senior KNA Prospector). Het rapport is gecontroleerd door drs. A.H. Schutte (Senior KNA Archeoloog).
2
BUREAUONDERZOEK
2.1 Doelstelling en onderzoeksvragen Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld.
2.2 Methoden Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 19‑02‑2018) en volgens de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 19‑02‑2018, protocol 4002), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda.
24056.001 versie 1
1 / 17
Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven volgens specificatie LS06.3 Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht: • • • • •
afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).
Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • • • • • • • • • • • •
het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; een recente topografische kaart; recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3); provinciale cultuurhistorische kaarten; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Tietjerksteradeel; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging.
2.3 Afbakening en huidige situatie van het plangebied Afbakening plan- en onderzoeksgebied Het plangebied is het gebied waarbinnen de ruimtelijke ontwikkeling plaats vindt. Het onderzoeksgebied is het gebied waarbinnen voor het bureauonderzoek relevante informatie wordt verzameld. Dit is het gebied in een straal van circa 500 m rondom het plangebied. Het plangebied ligt nabij de Zomerweg in het buitengebied ten zuiden van Noardburgum, in de gemeente Tietjerksteradeel en is kadastraal bekend als gemeente Bergum, sectie I, nummer 1814. Het plangebied heeft een oppervlak van circa 1,0 ha. Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 6 D, (schaal 1:25.000)
3 SIKB.
24056.001 versie 1
2 / 17
zijn de centrumcoördinaten van het plangebied X: 196.360 en Y: 581.250. De ligging van het plangebied is weergegeven in kaart 1 en 2. Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Het plangebied is momenteel in gebruik als grasland (zie kaart 3). De eigenaar/gebruiker is bij Econsultancy onbekend. De omliggende percelen zijn in gebruik als grasland en bos (ten noorden). Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures.
Op de Friese Archeologische Monumenten Kaart Extra (FAMKE; zie kaart 4 en 5), kaartlaag IJzertijd – Middeleeuwen, ligt het plangebied binnen de zone karterend onderzoek 3 (Middeleeuwen). In deze zones dient bij ingrepen groter dan 5.000 m2 een historisch en karterend booronderzoek uitgevoerd te worden. Op de kaartlaag Steentijd-Bronstijd ligt het plangebied binnen een zone waar proefsleuvenonderzoek nodig is bij ingrepen groter dan 2,5 ha. Het plangebied valt nog binnen deze vrijstellingsgrens. Milieuhygiënische situatie Om te bepalen of de milieuhygiënische situatie in het plangebied een risico vormt voor de uitvoering van archeologisch veldonderzoek, is het Bodemloket geraadpleegd.4 Binnen het plangebied zijn, voor zover bekend, geen bodemonderzoeken uitgevoerd. Er zijn dus geen gegevens bekend over de milieuhygiënische staat van het plangebied.
2.4 Toekomstige situatie Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. De aanvrager heeft het voornemen de bestemming te wijzigen naar bos. De exacte verstoringsdieptes zijn nog onbekend. De geplande werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord.
4 Bodemloket.
24056.001 versie 1
3 / 17
2.5 Aardwetenschappelijke gegevens Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel 2.1
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied
Type gegevens
Gegevensomschrijving
Geologie5
Formatie van Drente, Gieten Laagpakket: keileem, deels gestuwd en/of meegestuwd met oudere afzettingen
Geomorfologie6
Grondmorenewelvingen (3L11)
Bodem7
Laarpodzolgronden in lemig fijn zand, met keileem of potklei beginnend tussen 40 en 120 cm (cHn23x)
Grondwatertrap
VIo
Landschappelijke ontwikkeling8 Het landschap in het plangebied is voor een groot deel gevormd in de laatste twee ijstijden, het Saalien en Weichselien. Tijdens het Saalien (circa 240.000 tot 130.000 jaar geleden), raakte de noordelijke helft van Nederland met landijs bedekt. Voor de landijsbedekking werd onder periglaciale omstandigheden een fijn zandpakket afgezet onder invloed van verstuiving en smeltwater. Dit zand, gerekend tot de Formatie van Drachten, wordt binnen het plangebied verwacht op circa -2 m NAP (3,5 m -mv).9 Nadat het plangebied met landijs bedekt raakte, werd onder dit landijs een grondmorene afgezet, bestaande uit door het ijs vermalen materiaal, vermengd met grind en stenen (zie kaart 6). Dit pakket behoort tot de Formatie van Drente, Gieten Laagpakket, en wordt ook wel keileem genoemd. De top van dit pakket wordt op -0,25 m NAP verwacht (circa 1,75 m -mv). Tijdens het Weichselien (115.000 tot 11.600 jaar geleden) raakte Nederland niet met landijs bedekt. In het Vroeg- en een deel van het Midden-Weichselien was het vaak koud en vochtig. Door verspoeling werden plaatselijk grove zanden vermengd met grind afgezet, de fluvioperiglaciale zanden (Formatie van Boxtel). Plaatselijk kwamen hierin leemlaagjes voor. Ook trad verspoeling op van het bovenste deel van de keileem, waardoor een minder lemig, grofzand laagje met grind achterbleef, het keizand.
5
Geologische Dienst, 2021.
6 NGR/Wageningen Environmental Research (2019). 7 NGR/Wageningen Environmental Research (2018). 8 De Mulder et al., 2003 / Stichting voor Bodemkartering, 1981. 9 Dinoloket, geologisch ondergrondmodel GeoTOP v1.6.
24056.001 versie 1
4 / 17
In het laatste deel van het Midden Weichselien werden de omstandigheden droger en vonden zandverstuivingen plaats. Hierbij werd een pakket dekzand als een dek over de oudere afzettingen afgezet, het Oude Dekzand (Formatie van Boxtel, Wierden Laagpakket). Tijdens het Laat Weichselien was het klimaat iets milder, waarbij twee iets warmere en vochtere perioden (Bølling en Allerød interstadiaal) afwisselden met koudere perioden (Vroege en Late Dryas). In deze perioden werd Jong Dekzand afgezet. Dit zand is over het algemeen minder lemig en iets grover dan Oud Dekzand. Tijdens het Allerød interstadiaal heeft een zwakke bodemvorming plaatsgevonden, waarbij een bleke horizont met vaak veel houtskool gevormd is, de Laag van Usselo. Tijdens het Weichselien zijn in periodes waarin de bodem tot grote diepte permanent bevroren was en deze alleen in de zomer oppervlakkig ontdooide, grote, diepe, ronde kuilen ontstaan. Door aangroei van ijskernen in de ondergrond werd de bodem omhoog gedrukt en ontstonden ijsheuvels of pingo’s. Nadat de ijskernen weer gesmolten waren, bleven diepe kuilen over, omgeven door een ringwal. Deze worden pingo-ruïnes of dobben genoemd. Veel van deze dobben zijn in het Laat Weichselien en Holoceen met veen dichtgegroeid.
In de omgeving van het plangebied komen veel van deze dobben voor, onder andere 100 m ten westen10, 250 m ten noorden en 400 m ten zuidwesten van het plangebied. In het Holoceen (vanaf 11.600 jaar geleden) warmde het klimaat langzaam op. Na verloop van tijd vond veenvorming plaats. Op basis van paleogeografische kaarten (kaart 7)11 was rond 3850 v. Chr. (Midden Neolithicum) een veengebied aanwezig in de lagere delen van het landschap, onder andere enkele kilometers ten oosten van het plangebied. In de periode hierna was het veen sterk uitgebreid en rond 1.500 v. Chr. (Midden Bronstijd) lag het plangebied in een uitgestrekt veengebied dat een groot deel van West-Nederland besloeg. In de periode hierna nam de omvang het veengebied als gevolg van overstromingen sterk af, maar het plangebied bleef in een veengebied liggen tot en met de Late Middeleeuwen. In de periode hierna is het veengebied afgegraven en kwam het dekzand weer aan het maaiveld te liggen. DINO Het Dinoloket12 is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland.
Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd. In een bodemkundige boring die middenin het plangebied gezet is, is een 25 cm dikke bouwvoor (A-horizont) bestaande uit sterk lemig zand aangetroffen, met hieronder een zwak lemige, 10 cm dikke B-horizont en een zwak lemige, 15 cm dikke BC-horizont. De leemarme C-horizont bevindt zich op 50 cm -mv. Op 60 cm -mv (-0,9 m NAP) gaat deze over op zandige leem en op 1,15 m -mv op kleiige leem. Op 2,6 m -mv bevindt zich weer zwak lemig zand.13
10 Provincie Fryslân, via het Nationaal Georegister. 11 Vos et al., 2018. 12 Dinoloket. 13 DINO-boring BHR000000177774.
24056.001 versie 1
5 / 17
Op circa 80 m ten noorden van het plangebied is in een geologische boring vanaf het maaiveld matig humeus zand aangetroffen, dat als Formatie van Boxtel, Wierden Laagpakket (dekzand) geïnterpreteerd is. Vanaf 20 cm -mv (1,2 m NAP) is zandige leem aanwezig, geïnterpreteerd als keileem van het Gieten Laagpakket (Formatie van Drente). Op 2,5 m -mv (-1,1 m NAP) bevindt zich zeer fijn zand, geïnterpreteerd als Formatie van Drachten.14 Op 170 m ten zuiden van het plangebied is een vergelijkbare bodemopbouw aangetroffen. Op 40 cm -mv (1,1 m NAP) gaat het matig humeuze dekzand over in keileem en op 3,1 m -mv (-1,6 ) bevindt zich zeer fijn zand van de Formatie van Drachten.15 Samenvattend wordt binnen het plangebied een dunne laag dekzand verwacht, met waarschijnlijk nog een intacte podzolbodem. Rond 50 cm -mv bevindt zich keileem, dat op 2,5 à 3,0 m -mv overgaat in zeer fijn zand van de Formatie van Drachten. Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied binnen een gebied met grondmorenewelvingen (zie kaart 6). De grondmorene-afzettingen hebben geen vlak oppervlak, maar bestaan uit een aaneenschakeling van welvingen, waar flauwe hellingen naast lagere delen voorkomen.
Grondmorenewelvingen met code 3L11 hebben een hoogte van 0,5 tot 1,5 m en een helling van 0,25 tot 1°.16 Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Het Actueel Hoogtebestand Nederland17 vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Uitgaande van het AHN ligt met maaiveld in het plangebied op gemiddeld 1,5 m NAP (zie kaart 8). In het westen loopt het plangebied naar beneden toe af richting 0,8 m NAP en ten oosten loopt het omhoog richting 1,9 m NAP. In de omgeving van het plangebied varieert de maaiveldhoogte tussen circa 0,2 en 1,8 m NAP, wat betekent dat het plangebied op een relatief hooggelegen deel van de grondmorene welvingen ligt. Er zijn geen aanwijzingen voor ophogingen en afgravingen binnen het plangebied op het AHN. Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied gekarteerd als laarpodzolgronden in lemig fijn zand, met keileem of potklei beginnend tussen 40 en 120 cm (cHn23x; zie kaart 9). In deze gronden ligt Oud Dekzand aan of nabij het maaiveld. De homogene, donkere, humushoudende A-horizont is 30 à 40 cm dik
14 DINO-boring B06D0892. 15 DINO-boring B06D0893. 16 Maas et al., 2021. 17 PDOK/Rijkswaterstaat (2018) ‘Actueel Hoogtebestand Nederland 4 WCS.
24056.001 versie 1
6 / 17
(maximaal 50 cm). Hieronder bevindt zich gewoonlijk een bruine, humusarme B-horizont. Keileem (met erboven vaak 10 à 20 cm keizand) bevindt zich ondieper dan 120 cm -mv.18 Laarpodzolgronden ontstaan over het algemeen door ophoging met potstalmest vermengd met heideplaggen, een gebruik dat in akkergebieden werd toegepast vanaf het eind van de Late Middeleeuwen. Aangezien het plangebied volgens historische kaarten tot in de 19e eeuw in heidegebied lag, en hierna overwegend als grasland gebruikt is, lijkt een plaggenophoging hier echter niet waarschijnlijk. De aanwezigheid van laarpodzolgronden in het plangebied valt daarom te betwijfelen. Mogelijk zijn in het plangebied veldpodzolgronden aanwezig. Boringen en/of sonderingen In het plangebied zijn in het kader van andere bodemonderzoeken (nog) geen boringen dan wel sonderingen gezet waarvan de resultaten gebruikt kunnen worden voor dit bureauonderzoek. Grondwater De grondwaterstand in het plangebied heeft invloed op de conservering van archeologische resten, met name organisch materiaal en metaal. Boven de laagste grondwaterstand zijn deze resten slecht geconserveerd of verdwenen. Volgens het BRO Grondwaterspiegeldiepte-model19 heeft het plangebied grondwatertrap (Gt) VIo.
Dit betekent volgens de bijbehorende toelichting20 dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) tussen 40 en 80 cm mv ligt en de gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) tussen 120 en 180 cm -mv. Specifiek voor het plangebied is aangegeven dat de GHG gelegen is op circa 45 cm -mv en de GLG op circa 145 cm -mv. Dit betekent dus dat organische resten ondieper dan 45 cm -mv niet of slecht bewaard zijn gebleven.
2.6 Archeologische waarden 2.6.1
AMK-terreinen, onderzoeksmeldingen en vondsmeldingen
Om inzicht te krijgen in bekende archeologische waarden in de omgeving van het plangebied is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), de online database van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.21 Deze database bevat onder meer informatie over archeologische onderzoeken, vondstmeldingen en archeologische monumentterreinen. In kaart 10 zijn de archeologische waarden en onderzoeken in de omgeving van het plangebied weer gegeven. Voor het onderzoek wordt vooralsnog gekeken naar de waarden binnen een straal van 500 m rondom het plangebied.
18 Stichting voor Bodemkartering, 1981. 19 BRO - Grondwaterspiegeldiepte Model voor Nederland (50x50 meter grid), 2021 / Bodemkundig Informatie Systeem (BIS) Nederland. 20 Basisregistratie Ondergrond Catalogus Model grondwaterspiegeldiepte, 2022. 21 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
24056.001 versie 1
7 / 17
AMK-terreinen De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Binnen het onderzoeksgebied bevinden zich geen AMK-terreinen. Onderzoeksmeldingen Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal zes archeologische onderzoeken uitgevoerd (zie bijlage 2 en kaart 10). Er worden verschillende typen archeologische onderzoeken onderscheiden. Voor ons onderzoek zijn met name de archeologische veldonderzoeken van belang, dus de booronderzoeken, proefsleuvenonderzoeken, archeologische begeleidingen en opgravingen. Als er tijdens archeologisch onderzoek vondsten worden gedaan, dan kunnen er één of meerdere vondstlocaties worden geregistreerd. De uitgevoerde veldonderzoek binnen het onderzoeksgebied bestaan uitsluitend uit booronderzoeken. Hierbij is vrijwel alle gevallen een tot in de C-horizont en vaak tot in de keileem verstoorde bodem aangetroffen.
In één onderzoek circa 500 m ten westen van het plangebied is in één boring nog een restant van een BC-horizont en een A-horizont aangetroffen. Hier zijn echter tijdens het zeven van de A-horizont geen archeologische resten aangetroffen. In alle onderzoeken in het plangebied vrijgegeven. Vondstmeldingen In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan geen vondstmeldingen geregistreerd. Provinciale kaartlagen Op de website van de Provincie Fryslân zijn diverse GIS-kaartlagen beschikbaar met aanvullende informatie over de archeologische en (cultuur-)historische situatie.22 Hieronder worden de gegeven die betrekking hebben op (de directe omgeving van) het plangebied besproken. Het plangebied ligt in de Heideontginning Bergum, binnen de Noordelijke Wouden, een heideontginningsdorp met singels. De Noordelijke Wouden liggen op de noordwestelijke uitloper van het Drents Plateau, met een basis van keileem met hierop dekzand. Tevens zijn pingo’s ontstaan in de laatste ijstijd, die nu te herkennen zijn als pingoruïnes, ronde meertjes in het landschap. Het Drents Plateau watert af via een aantal beekdalen. Door stagnatie van de afwatering ten gevolge van zeespiegelstijging en door verstopping van de waterlopen door zandverstuivingen, heeft op grote schaal veenvorming plaatsgevonden op de lagere delen en in de beekdalen.
De beekdalen vormden de basis van de lange opstrekkende ontginningslijnen van het gebied (rond 1200 na Chr.). Het heideontginningsgebied (waar ook het plangebied tot behoort) is vrij recentelijk ontgonnen (eind 19 e en begin 20e eeuw. 22 Provincie Fryslân, via Nationaal Georegister.
24056.001 versie 1
8 / 17
Het plangebied ligt in een gebied met opstrekkende, jonge veen-/heideverkaveling. Dit is een strakke, door de lengterichting bepaalde verkaveling, ontgonnen vanuit de vaarten en evenwijdig aan de dwars op de vaarten gegraven wijken en schipssloten. Volgens de kaartlaag ‘Oude Paden Nieuwe Wegen’, loopt een landschapspad circa 100 m ten oosten van het plangebied. Dit betreft een historische, doorgaande route die nog volledig intact aanwezig is. Wetenschappelijke publicaties, archieven en provinciaal archeologisch depot In het kader van dit bureauonderzoek zijn geen wetenschappelijke publicaties, archieven en depots geraadpleegd, aangezien verwacht werd dat dit voor dit plangebied geen meerwaarde zou hebben.
2.7 Beschrijving van het historische gebruik In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegenen kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Korte bewoningsgeschiedenis van de omgeving van het plangebied23 In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 3. Op basis van paleogeografische kaarten ligt het plangebied in een hooggelegen gebied in relatie tot de omgeving. Hierdoor raakte het naar verwachting relatief laat met veen bedekt, vermoedelijk in de periode tussen het Laat Neolithicum en de Midden Bronstijd. Gedurende het Paleo- en Mesolithicum kon het gebruikt worden door jagers en verzamelaars en in het Neolithicum en mogelijk de Bronstijd door landbouwers. In de periode hierna verdronk het plangebied en maakte het onderdeel uit van een grootschalig veengebied.
Archeologische resten uit de perioden Late Bronstijd – Vroege Middeleeuwen worden daarom niet verwacht. Vanaf de Late Middeleeuwen werd het veengebied ontgonnen. In de omgeving van Bergum en Veenwouden werd veen voor brandstof gestoken. Rond het begin van de 17 e eeuw waren de verveningen rond Hardegarijp en Garijp beëindigd en was met de venen van Kuikhorne en De Tieke ingetrokken. In het grootste deel van het huidige zandgebied is een regelmatige strokenverkaveling toegepast met langgerekt, van hoog naar laag lopende kavels. De boerderijen staan op het hoogste deel langs de ontginningsas. Op de drogere delen waren de kavels vaak begrensd door houtwallen en op de nattere delen door sloten. De huidige Zomerweg, ten zuiden van het plangebied, vormde een dergelijke ontginningsas. De bedrijven omvatten soms een deel veen, een
23 Stichting voor Bodemkartering, 1981 / Stichting Karakteristyk Tytsjerksteradiel / Landschappen van Noord-Nederland.
24056.001 versie 1
9 / 17
aantal kampen bouwland voor en achter de boerderij, een stuk heide, een stuk slecht weiland (fenne) en een stuk matig hooiland (mieden). In de heide en het veen waren de perceelsscheidingen meestal niet doorgetrokken. Over het algemeen was sprake van gemengde bedrijven. De meeste zandgronden hadden een slechte afwatering, waardoor de voor akkerbouw geschikte gronden zoveel mogelijk hiervoor benut dienden te worden. Uitbreiding van het bouwland was nauwelijks mogelijk, omdat de heidegronden niet gemist konden worden. Hier werden schapen gehouden en werden plaggen gestoken om, vermengd met potstalmest, op de akkers op te brengen. Voor de 19e eeuw bestond het gebied ten noorden van Burgum uit een groot heidegebied, waarbinnen hutten stonden. Deze Bergummerheide is ontgonnen van het midden van de 19 e eeuw. In deze periode zijn de eerste boerderijen gesticht. In 1843 is een armenhuis gebouwd, circa 330 m ten noordwesten van het plangebied (thans Klompenmuseum). Tot voor de oorlog was Noardburgum een verzameling van buurtjes zonder dorpskern. Na de oorlog groeide de bewoning en ontstond een dorpskern langs de Zevenhuisterweg. Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel 2.2
24
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal
Bron
Periode
Schaal
Omschrijving plangebied
Bijzonderheden/directe omgeving
Kaart van Haackma, Gravius en Schotanus24
1664
1:66.000
Heide (Bergumer Heyde)
Zomerweg is nog niet weergegeven, Rijksstraatweg is al aanwezig
Kaart van Schotanus25
1718
1:25.000
Heide
Zomerweg is weergegeven, ten noorden hiervan bevindt zich een heidegebied (Bergumer Heyde)
Kadastrale minuut26
1811-1832
1:2.500
Heide
In directe omgeving vooral heide, direct ten zuiden van het plangebied enkele akkerpercelen
Kadastrale kaart27
1847
1:25.000
Plangebied ligt in het gebied Bergumer Heide, vermoedelijk nog in gebruik als heide
Langs de Zomerweg en de Rijksstraatweg liggen boerderijen, evenals in heb gebied ten westen van de Dokter Ypeijlaan.
Militaire topografische kaart (veldminuut)28
1850-1864
1:50.000
Bouwland
In de omgeving relatief veel bouwlandpercelen, direct ten zuiden van het plangebied weiland- en heidepercelen.
Old Maps Online.
25 Old Maps Online. 26 HisGIS. 27 Old Maps Online. 28 Kadaster Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel).
24056.001 versie 1
10 / 17
Bron
Periode
Schaal
Omschrijving plangebied
Bijzonderheden/directe omgeving
Bonneblad
1910
1:25.000
Bouwland
Bouwland in omgeving sterk afgenomen en vervangen voor weiland
Bonneblad
1929
1:25.000
Weiland met bomenrij rondom het perceel
In omgeving vooral weilanden met hier en daar een akkerperceel, 250 m ten noordoosten van het plangebied bevindt zich een bosgebied
Topografische kaart
1954
1:25.000
Idem
Idem
Topografische kaart
1962-1970
1:25.000
Weiland
Geen akkers meer in omgeving plangebied
Topografische kaart
1984
1:25.000
Weiland
Perceel ten oosten in gebruik als akker
Topografische kaart
1994
1:25.000
Weiland
Perceel ten oosten weer in gebruik als weiland
Topografische kaart
2000-2005
1:25.000
Weiland
Direct ten noorden bevindt zich een bosgebied
Topografische kaart
2009-2014
1:25.000
Weiland
Ten zuiden en zuidoosten bevinden zich enkele akkerpercelen
Topografische kaart
2015-2016
1:25.000
Weiland
Ten zuiden grotendeels akkerpercelen
Topografische kaart
2017-2018
1:25.000
Weiland
Aantal akkerpercelen neemt weer af
Topografische kaart
2019-2022
1:25.000
Weiland
Alleen nog een akkerperceel circa 120 m ten zuidoosten van het plangebied
Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal (zie tabel 2.2 en kaart 11) lag het plangebied tot in de eerste helft van de 19e eeuw in een heidegebied. Halverwege de 19e eeuw werd het plangebied ontgonnen en raakte het in gebruik als akkerland. In het begin van de 20 e eeuw was het bouwlandareaal in de omgeving echter reeds sterk afgenomen en vervangen door weiland, vermoedelijk vanwege de heersende natte omstandigheden. Het plangebied raakte in deze periode eveneens in gebruik als weiland. Tot op heden bleef dit landgebruik in het plangebied hetzelfde. In de loop van de 20e eeuw zijn in de omgeving van het plangebied op verschillende momenten akkerpercelen in gebruik genomen, maar deze werden meestal al snel hierna weer omgevormd tot weiland. Thans is in de directe omgeving van het plangebied alleen nog een perceel circa 120 m ten zuidoosten van het plangebied in gebruik als akkerland. In de 19e eeuw bevond zich circa 400 m ten noordoosten van het plangebied een groot bosgebied, het Schwarzenbergs Bosch. In het begin van de 20e eeuw is een groot deel van dit bos verdwenen en in agrarisch gebruik genomen. Halverwege de 20e eeuw was alleen nog een klein deel tussen de Rijksstraatweg en Zomerweg van dit bosgebied overgebleven. Kort hierna is binnen dit bos de woonzorglocatie Toutenburg gerealiseerd.
Aan het eind van de 20e eeuw is het bosgebied richting het westen en noorden uitgebreid en vanaf toen grensde de noordgrens van het plangebied aan dit bos, het Toutenburgbos genoemd.
24056.001 versie 1
11 / 17
Bouwhistorische gegevens Het bouwdossier van de gemeente Tietjerksteradeel is niet geraadpleegd omdat het plangebied volgens het historisch kaartmateriaal de laatste 200 jaar onbebouwd is geweest. Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. 29 Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn.
2.8 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel 2.3
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Gespecificeerde verwachting
Te verwachten complextype/resten
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
(Laat) Paleolithicum
Middelhoog
Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen.
Vanaf het maaiveld
Mesolithicum
Middelhoog
Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen.
Vanaf het maaiveld
Neolithicum
Middelhoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen.
Vanaf het maaiveld
Bronstijd
Middelhoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen.
Vanaf het maaiveld
IJzertijd
Laag
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen.
Vanaf het maaiveld
29 Amersfoort & Kamphuis, 1990/Indicatieve kaart Militair Erfgoed/Jong, 1969 – 1994/ Klep & Schoenmaker, 1995/Ruimingskaart/VEO Bom-
menkaart/Zwanenburg, 1990.
24056.001 versie 1
12 / 17
Archeologische periode
Gespecificeerde verwachting
Te verwachten complextype/resten
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
Romeinse tijd
Laag
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen.
Vanaf het maaiveld
Vroege Middeleeuwen
Laag
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen.
Vanaf het maaiveld
Late Middeleeuwen
Laag
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen.
Vanaf het maaiveld
Nieuwe tijd
Laag
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen.
Vanaf het maaiveld
Het plangebied is gelegen binnen een gebied met grondmorenewelvingen afgedekt met een dunne laag Oud Dekzand. Op basis van AHN-beelden ligt het plangebied op een relatief hoog gedeelte van de grondmorene. Hoewel de pingoruïnes in de directe omgeving van het plangebied een gunstigere locatie voor jachtkampjes in het Paleo- en Mesolithicum gevormd zullen hebben, kunnen deze ook op de grondmorenewelvingen voorkomen. Vandaar dat voor deze perioden een middelhoge verwachting geldt. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie. Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor. Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en een goede afwatering van belang.30 De lemige bodem in het plangebied vormde vermoedelijk een vruchtbare bodem, hoewel de keileem in de ondergrond mogelijk een verstorende laag vormde die van negatieve invloed was op de afwatering. Op basis van de lemige bodem hiervan geldt een middelhoge verwachting voor resten uit het Neolithicum en de Bronstijd In de periode Laat Neolithicum – Midden Bronstijd begon het gebied te vernatten en in de Midden Bronstijd lag het plangebied in een uitgestrekt veengebied. In de periode hierna, tot in de Late Middeleeuwen, lag het plangebied in een veengebied. Hierin heersten weinig gunstige bewoningsomstandigheden.
Aangezien het plangebied buiten de invloedssfeer van de zee of rivieren lag, is naar verwachting geen kleilaag op het veen afgezet, die tot verbeterde bewoningsomstandigheden zou hebben geleid. Vandaar dat een lage verwachting geldt voor de periode IJzertijd – Vroege Middeleeuwen.
30 Louwe Kooijmans et al., 2005.
24056.001 versie 1
13 / 17
Vanaf de Late Middeleeuwen is het veengebied ontgonnen. In de omgeving van het plangebied fungeerde de Zomerweg als ontginningsas. In de hogere delen lagen de akkers en de lagere delen werden gebruikt als weiland en heidegrond. Het plangebied in ieder geval tot in de eerste helft van de 19e eeuw nog in een heidegebied. Halverwege de 19e eeuw werd het heidegebied ontgonnen en raakte het plangebied in gebruik als bouwland en later als weiland. Op basis van de ligging in heidegebied tot in de 19 e eeuw en omdat het niet direct langs een doorgaande weg lag, geldt een lage verwachting voor de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. De archeologische resten worden direct aan of onder het maaiveld verwacht. De vondstenlaag wordt verwacht in de eerste 30 cm beneden het maaiveld. Archeologische sporen worden in de top van de C-horizont verwacht, binnen 50 cm -mv. De archeologische resten bestaan hoofdzakelijk uit aardewerk- en/of vuursteenstrooiïngen. Organische resten en metaal zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn.
De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als bouwland en weiland. Door ploegen kunnen eventuele resten die vanaf het maaiveld verwacht worden, deels verloren zijn gegaan.
2.9 Conclusie bureauonderzoek Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Op basis van het bureauonderzoek geldt een middelhoge verwachting voor de perioden Paleolithicum – Bronstijd en een lage verwachting voor de overige perioden. Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek, verkennende/karterende fase, door middel van boringen.
24056.001 versie 1
14 / 17
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
3.1 Doelstelling en onderzoeksvragen Het inventariserend veldonderzoek, (IVO-overig, verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen. Het veldonderzoek heeft tevens tot doel vast te stellen wat de bodemopbouw is binnen het plangebied, of er archeologische resten aanwezig zijn, in welke mate de resultaten overeenstemmen met de verwachtingen en, als er binnen het plangebied een vindplaats aanwezig is, wat dan de gevolgen zijn van de voorgenomen bodemingrepen voor de vindplaats.
3.2 Methoden Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 19‑02‑2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 19‑02‑2018 protocol 4003), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 4 december 2023 door drs. J. Holl (Senior KNA Prospector) een Plan van aanpak (PvA) opgesteld. Het veldwerk is uitgevoerd op 7 december 2023. Het gehele plangebied was vrij toegankelijk. De boringen zijn verspreid binnen het plangebied in een verspringend 40x50 m grid gezet. Bij het zetten van de boringen is rekening gehouden met de aanwezige verhardingen en gebouwen. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 7 cm) 6 boringen tot maximaal 0,9 m -mv gezet (zie kaart 12) De boringen zijn lithologisch volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven.31 De boringen zijn met meetlinten ingemeten (x- en y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld in hoeverre er sprake is van een gaaf bodemprofiel. Ook is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen.
Indien potentiële archeologische niveaus aangetroffen zouden worden, zouden deze met een 15 cm Edelmanboor bemonsterd worden en gezeefd over een 3 mm zeef. Dergelijke niveaus zijn echter niet aangetroffen.
3.3 Resultaten Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorstaten en worden in bijlage 5 weergegeven. De bodemopbouw kan als volgt worden beschreven.
31 Bosch, 2005.
24056.001 versie 1
15 / 17
De onderste laag betreft een pakket sterk zandige, grindhoudende, lichtgroengrijze leem. Dit betreft keileem, behorend bij de Formatie van Drente, Gieten Laagpakket, dat in de voorlaatste ijstijd (Saalien) is afgezet onder het landijs. De top van dit pakket bevindt zich op een diepte variërend tussen 0,5 en 0,8 m -mv (0,7 à 1,0 m NAP). Hierboven bevindt zich in de boringen 3, 5 en 6 een pakket keizand (overwegend matig grof, matig tot sterk siltig, lichtgroengrijs zand), waarvan de top zich op 0,5 à 0,7 m -mv (0,8 à 1,1 m NAP) bevindt. In boring 1 is tot de maximale boordiepte van 0,8 m -mv (0,7 m NAP) geen keizand of -leem aangetroffen. In boring 1 bestaat het onderste pakket uit matig fijn, matig siltig, zwak grindig, lichtgeelgrijs zand. Dit pakket is geïnterpreteerd als fluvioperiglaciale afzettingen, afgezet door smeltwater in de laatste ijstijd (Weichselien). In boring 5 is dit pakket aangetroffen direct boven het keizand. De top van dit pakket bevindt zich op 50 à 60 cm mv (0,9 à 1,0 m NAP). De bovenste 50 à 70 cm bestaat uit een donkergrijsbruin pakker matig fijn, overwegend sterk siltig zand met grijze vlekken. Dit pakket is grotendeels erg slap / los en betreft vermoedelijk een pakket dat is omgewerkt en mogelijk deels opgebracht tijdens de ontginning van het gebied halverwege de 19 e eeuw.
Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen. Ook zijn geen lagen aangetroffen waarbinnen mogelijk archeologische indicatoren kunnen worden aangetroffen, zoals de top van een podzolbodem.
24056.001 versie 1
16 / 17
4
CONCLUSIE EN ADVIES
Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Op basis van het bureauonderzoek gold een middelhoge verwachting voor de perioden Paleolithicum – Bronstijd en een lage verwachting voor de latere perioden. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend en karterend booronderzoek uitgevoerd. Tijdens het onderzoek is een omgewerkte bovenlaag van 50 à 60 cm aangetroffen, bestaande uit sterk siltig, humeus zand. Hieronder bevindt zich in de meeste boringen keizand en keileem, in enkele boringen afgedekt door een laag fluvioperiglaciale afzettingen. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen en de bodem is verstoord tot in de C-horizont. De archeologische verwachting kan op basis van het booronderzoek worden bijgesteld naar laag voor alle archeologische perioden. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven. Bovenstaand advies is van Econsultancy. Er is, op grond van de gebruikte onderzoeksmethode, geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven. Over de aan- of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend.
De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Tietjerksteradeel), die vervolgens het advies over neemt of niet. Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Tietjerksteradeel wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, volgens artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het is verder raadzaam om ook de gemeente Tietjerksteradeel op de hoogte te stellen.
24056.001 versie 1
17 / 17
LITERATUUR Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNO-rapport, NITG 05-043-A). Exaltus, R., 2018: Noardburgum, Swarte Mar 9, Gem. Tytsjerksteradiel (Frl.); Een Inventariserend Archeologisch Veldonderzoek. Zuidhorn (Steekproefrapport 2018-02/04). Geologische Dienst, 2021: Geologische kaart van het koninkrijk der Nederlanden (2021). Holl, J., 2021: Archeologisch bureau- en verkennend en karterend booronderzoek Rijksstraatweg 28 te Noardburgum. Zwolle (Econsultancy Rapport 15553.001). Jans, J.E.A., 2014: Pingo Project Fyslân, 45 (potentiële) pingoruïnes in de Noordelijke Friese Wouden; Gemeenten Achtkarspelen, Dantumadiel, Smallingerland en Tytsjerksteradiel; Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek. Weesp (RAAP-Rapport 2833). Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Klep C. & B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Louwe Kooijmans,. L.P., P.W. van den Broeke, H. Fokkens & A. van Gijn (red.), 2005: Nederland in de prehistorie. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. Maas, G., P. van Delft, & H. Heidema, 2021: Toelichting bij de legenda Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000.
Wageningen Environmental Research, Wageningen. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff & T.E. Wong, 2003 (red.): De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen/Houten. Spoelstra, A., 2012: Archeologisch bureau- en booronderzoek ten behoeve van het plangebied ‘Nieuw-Toutenburg’ te Noardburgum, gemeente Tytsjerksteradiel (FR). Leek (MUG-publicatie 2012-129). Stichting voor Bodemkartering, 1981: Bodemkaart van Nederland schaal 1:50.000; Toelichting bij de kaartbladen 6 West Leeuwarden, 6 Oost Leeuwarden en het vast land van de kaartbladen 2 West Schiermonnikoog en 2 Oost Schiermonnikoog. Wageningen. Vos, P., M. Meulen, H. van Weerts, J. Bazelman, B. Hoogendoorn & M. van der Meulen, 2018: Atlas van Nederland in het Holoceen. Landschap en bewoning vanaf de laatste ijstijd tot nu. Amsterdam: Prometheus.
24056.001 versie 1
1/4
Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen. Zwet, E.J.M. van der & H.W. Veenstra, 2013: Plangebied Dokter Ypeylaan 10 te Noardburgum, gemeente Tytsjerksteradiel; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en verkennend veldonderzoek. Weesp (RAAP-Notitie 4588).
24056.001 versie 1
2/4
BRONNEN Aalst, J.W. van (2021) ‘OpenTopo.nl’; internetsite, december 2023. https://www.imergis.nl/asp/opentopo400.htm Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, december 2023. https://archis.cultureelerfgoed.nl Basisregistratie Ondergrond Catalogus Model grondwaterspiegeldiepte, 2022. Beschikbaar op: https://docs.geostandaarden.nl/bro/wdm/#karakteristieken-van-de-grondwaterspiegeldiepte. Bodemkundig Informatie Systeem (BIS) Nederland, internetsite, december 2023. http://maps.bodemdata.nl/ Bodemloket, internetsite, december 2023. http://www.bodemloket.nl BRO - Grondwaterspiegeldiepte Model voor Nederland (50x50 meter grid), 2021: . NGR/Wageningen Environmental Research. Beschikbaar op: https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/757a7c50-540d-4105-9135-73f09f700743. Data Archiving and Networked Services DANS-Easy; internetsite, december 2023. https://easy.dans.knaw.nl/ui/home Dinoloket; internetsite, december 2023. http://www.dinoloket.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, december 2023. http://www.ikme.nl/ Kadaster, Basisregistratie Kadaster (BRK); internetsite, december 2023. https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/ff9315c8-f25a-4d019245-5cf058314ebf. Kadaster, Landelijke Voorziening Beeldmateriaal (2023); internetsite, december 2023.
https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/c82a783a-9a58-4761a809-b4c5d90dcd35. Nationaal Georegister; internetsite, december 2023. https://www.nationaalgeoregister.nl/
24056.001 versie 1
3/4
NGR/Wageningen Environmental Research (2018), ‘BRO - Bodemkaart van Nederland 1:50.000’ internetsite, december 2023. https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search;jsessionid=11F26FB095C4D0E1D6AC7C8A4B52D94D#/metadata/ed960299-a147-4c1a-bc57-41ff83a2264f. NGR/Wageningen Environmental Research (2019) BRO - Geomorfologische Kaart van Nederland 1:50:000, internetsite, december 2023. https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/459231d0-7379-4f26-a4447616e1d888f0. Openbasiskaart.nl, internetsite, december 2023. https://www.openbasiskaart.nl/ Portaal voor ruimtelijke plannen; internetsite, december 2023. http://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/roo/ Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK); internetsite, december 2023. https://pdokviewer.pdok.nl PDOK/Rijkswaterstaat (2018) ‘Actueel Hoogtebestand Nederland 3 WCS’; internetsite, december 2023. https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search;jsessionid=46C4686376C42712F153C906C9BEB9CD#/metadata/bfcc588f-9393-4c70-b989-d9e92ac2f493. Ruimingskaart; internetsite, december 2023. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ SIKB; internetsite, december 2023. https://www.sikb.nl Topotijdreis: 200 jaar topografische kaarten; internetsite, december 2023. https://www.topotijdreis.nl VEO Bommenkaart; internetsite, december 2023. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/