CConstaterende datTytsjerksteradiel
Koppel je AI →
Document · PDF

11 - Bijlage 1a - Rapport Wijzigingsplan Toelichting

RAADSVERGADERING 2018 t/m 2024 20 juni 2024, gemeente TytsjerksteradielBij agendapunt: Wijzigen bestemming van cultuurgrond naar bos (beslútfoarmjend, hammerstik)5.853 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Wijzigingsplan | Toelichting

Kavel 1814, Noardburgum, Vitens

Gemeente Tytsjerksteradiel

Datum: 6 juni 2024 Projectnummer: 210371.02

INHOUD

TOELICHTING

1

Inleiding

3

1.1

Aanleiding

3

1.2

Ligging plangebied

3

1.3

Geldend bestemmingsplan

4

1.4

Leeswijzer

5

2

Het plan

6

2.1

Huidige situatie

6

2.2

Toekomstige situatie

6

3

Beleidskader

7

3.1

Algemeen

7

3.2

Toepassen wijzigingsbevoegdheid

7

3.3

Rijksbeleid

8

3.4

Provinciaal beleid

10

3.5

Gemeentelijk beleid

13

4

Milieu- en omgevingsaspecten

14

4.1

Milieueffectrapportage

14

4.2

Archeologie en cultuurhistorie

15

4.3

Bodem

16

4.4

Bedrijven en milieuzonering

17

4.5

Geluid

17

4.6

Geur

18

4.7

Externe veiligheid

18

4.8

Natuur

19

4.9

Luchtkwaliteit

20

4.10

Water

20

4.11

Verkeer en parkeren

23

5

Wijze van bestemmen

25

5.1

Algemeen

25

5.2

Juridische opzet

25

6

Uitvoerbaarheid

26

6.1

Economische uitvoerbaarheid

26

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

26

Bijlagen Bijlage 1 Archeologisch onderzoek

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Waterleidingbedrijf Vitens is voornemens om op het kadastrale perceel 1814 in Noardburgum, gemeente Tietjerksteradeel, een bos aan te planten. In het kader van de herontwikkeling van de Vitenslocatie in Noardburgum (“Wijzigingsplan Noardburgum, Vitens Rijksstraatweg”, NL.IMRO 0737.00BPVIWP60-vg01) is extra boscompensatie benodigd. Oorspronkelijk zou de volledige boscompensatie worden gerealiseerd op pachtpercelen direct grenzend aan de Vitens locatie. Die gronden bieden bij nader inzien echter niet voldoende ruimte voor de benodigde compensatie. Daarom is de aanplant van een bos op perceel 1814 noodzakelijk.

Het is, onder voorwaarden, mogelijk om op basis van een wijzigingsbevoegdheid in artikel 6.6.1 lid e in het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied 2013” de enkelbestemming van dit perceel te wijzigen van ‘Agrarisch – Cultuurgrond’ naar ‘Bos’. De voorwaarden zijn dat er geen houtsingels rondom het perceel mogen liggen, er vijftien meter afstand genomen wordt van agrarische productiegronden, het oppervlakte met de nieuwe bestemming ‘Bos’ ten hoogste één hectare bedraagt en er ruim afstand wordt gehouden van de voor weidevogels geschikte gebieden. Aan deze voorwaarden wordt voldaan (zie paragraaf 3.2). Voorliggend wijzigingsplan voorziet in een planologisch-juridisch kader, waarin de gewenste ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt.

1.2

Ligging plangebied Het plangebied betreft een perceel ten zuiden van de kern Noardburgum, op grond die kadastraal bekend staat als ‘BGM02-I-1814’. Navolgende afbeelding toont de globale ligging en de globale begrenzing van het plangebied. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding behorende bij dit wijzigingsplan.

3

Luchtfoto waarop het plangebied (rood kader) is aangegeven ten opzichte van de Vitens locatie (lichtblauw) (bron: PDOK viewer).

1.3

Geldend bestemmingsplan Het plangebied maakt deel uit van het bestemmingsplan “Buitengebied 2013” van de gemeente Tytsjerksteradiel en is op 27 juni 2013 vastgesteld. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de verbeelding van dit bestemmingsplan weergegeven.

4

Uitsnede geldende bestemmingsplan, globale begrenzing plangebied aangeduid met rood kader (bron: ruimtelijkeplannen.nl).

Agrarisch – Cultuurgrond Het gehele plangebied heeft de enkelbestemming ‘Agrarisch – Cultuurgrond’: Gronden met deze bestemming zijn bestemd voor cultuurgrond, sloten, bermen en beplanting, met daaraan ondergeschikte paden en kavelontsluitingswegen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, water, recreatief medegebruik, waterhuishoudkundige voorzieningen en openbare nutsvoorzieningen.

In artikel 6.6.1 lid e is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van een functieverandering van agrarisch perceel tot bos.

Waarde – Landschap (Woudenlandschap) Tevens geldt ter plaatse van het gehele plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Landschap (Woudenlandschap)’. De gronden met deze dubbelbestemming zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en herstel van cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden van het woudenlandschap.

1.4

Leeswijzer Het wijzigingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en deze toelichting. De toelichting is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en komt de planbeschrijving aan de orde. In hoofdstuk 3 wordt de toets aan het beleidskader weergegeven, waarna in hoofdstuk 4 de haalbaarheid van het plan aangetoond wordt voor wat betreft milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische planopzet en hoofdstuk 6 gaat in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

5

2

Het plan

2.1

Huidige situatie Het plangebied beslaat een perceel dat kadastraal geregistreerd staat als ‘sectie I nummer 1814’. Het plangebied bestaat in de huidige situatie volledig uit agrarische gronden. Direct ten oosten, zuiden en westen van het plangebied zijn eveneens agrarische gronden gelegen en aan de noordzijde grens het plangebied aan een bosperceel. De navolgende afbeelding toont een luchtfoto van het plangebied en de Vitens locatie in vogelperspectief.

Luchtfoto plangebied en de Vitens locatie (bron: Google Earth, bewerkt door SAB).

2.2

Toekomstige situatie Vitens dient in het kader van de herontwikkeling van de locatie aan de Rijksstraatweg in Noardburgum bomen te compenseren. Getracht is om de boscompensatie uit te voeren op percelen die direct grenzen aan de Vitens locatie (kadastrale percelen Sectie A 5006, 3453, 4829, 1902 en 1903). Er loopt echter een leiding onder twee van die percelen (1902 en 1903), waardoor de aanplant van bomen op deze percelen bij nader inzien toch niet mogelijk is. De overige percelen (Sectie A 5006, 3453 en 4829) kunnen slechts gedeeltelijk voorzien in de totale benodigde boscompensatie. Daarom is het voornemen om ook op het perceel Sectie A 1814 in Noardburgum bos aan te planten.

6

3

Beleidskader

3.1

Algemeen In voorliggend plan wordt gebruik gemaakt van een wijzigingsbevoegdheid uit het geldende plan “Bestemmingsplan Buitengebied 2013”. In de volgende paragraaf wordt het plan getoetst aan de gestelde voorwaarden, zoals opgenomen in de wijzigingsregels. Daarna wordt het initiatief getoetst aan het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid.

3.2

Toepassen wijzigingsbevoegdheid In artikel 6.6.1 lid e van het vigerende bestemmingsplan is de volgende wijzigingsbevoegdheid opgenomen:

Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van een functieverandering het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat de bestemming wordt gewijzigd in de bestemming ‘Bos’, mits: 1 een afstand van ten minste 15 m tot naastgelegen agrarische productiegronden

in acht wordt genomen, indien langs de betreffende rand geen houtsingels aanwezig zijn; Met voorliggend plan wordt voorzien in de aanplant van een bos op het perceel. Rondom het perceel is reeds een houtsingel aanwezig, die ervoor zorgt dat de afstand van 15 meter ten opzichte van naastgelegen gronden in acht wordt genomen 2 indien het een wijziging in het open landschap betreft:

a de oppervlakte van het voor 'Bos' te bestemmen gebied ten hoogste 1 ha zal bedragen; Het perceel beslaat afgerond 1 hectare grond, waarmee de drempelwaarde niet wordt overschreden. b ruime afstand zal worden gehouden ten opzichte van de voor weidevogels geschikte gebieden. Raadpleging van kaart 7 ‘Weidevogelgebieden’ van de “Verordening Romte Fryslân 2014” toont aan dat het meest dichtbij gelegen weidevogelgebied op circa 2,8 kilometer afstand ten zuidwesten van het plangebied gelegen is. Deze afstand is ruim voldoende.

Aan deze wijzigingsbevoegdheid kan toepassing gegeven worden, indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan: 7

1 het straat- en bebouwingsbeeld; 2 de milieusituatie; 3 de woonsituatie; 4 de landschappelijke waarden; 5 de cultuurhistorische waarden; 6 de archeologische waarden; 7 de natuurwaarden; 8 de verkeersveiligheid; 9 de ontsluitingssituatie; 10 de parkeersituatie; 11 de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Zoals gemotiveerd in voorliggend plan is sprake van een goede ruimtelijke ordening voor wat betreft onderhavige ontwikkeling en wordt geen afbreuk gedaan aan de waarden zoals gepresenteerd in de voorgaande opsomming.

3.3

Rijksbeleid

3.3.1

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De NOVI biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd: − ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; − duurzaam economisch groeipotentieel; − sterke en gezonde steden en regio's; − toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven; 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties

8

Toetsing Voorliggende ontwikkeling is in lijn met het gestelde in de NOVI. De aanplant van bos binnen het plangebied zorgt ervoor dat de herontwikkeling van de Vitens locatie kan worden bewerkstelligd. Hiermee wordt de toekomstige veiligstelling van het drinkwater in Friesland gerealiseerd. Bovendien wordt met de boscompensatie een bijdrage geleverd aan de prioriteit ‘toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied’. 3.3.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Natuurnetwerk Nederland (NNN), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen.

Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij het NNN en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van het NNN is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen.

Door de nationale belangen vooraf in juridisch-planologische procedures te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte.

Toetsing Het voorgenomen plan raakt geen van de nationale belangen en is niet in strijd met het bepaalde in het Barro.

9

3.3.3

Ladder voor duurzame verstedelijking Algemeen De Ladder voor duurzame verstedelijking (Ladder) is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Op 1 juli 2017 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening in werking getreden waarbij een nieuwe Laddersystematiek is gaan gelden. De Ladder dient alleen doorlopen te worden wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het is daarom van belang om te beoordelen of de ontwikkeling in onderhavig plan aangemerkt wordt als een stedelijke ontwikkeling. De definitie voor een stedelijke ontwikkeling (artikel 1.1.1, lid 1, Bro) luidt als volgt: ''ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen''.

Toetsing Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro opgenomen. De aanplant van een bos wordt logischerwijs niet beschouwd als een stedelijke ontwikkeling. Hierdoor is toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking niet noodzakelijk. 3.3.4

Conclusie Rijksbeleid Onderhavig plan is in lijn met het Rijksbeleid.

3.4

Provinciaal beleid

3.4.1

Algemeen Samen met gemeenten, waterschappen en drinkwaterbedrijf Vitens zorgt de provincie onder andere via de ruimtelijke bescherming voor schoon grondwater. De drinkwaterwinningen worden beschermd op vier niveaus (grondwaterbeschermingszones): − − − −

waterwingebieden; grondwaterbeschermingsgebieden; boringsvrije zones; 100-jaarsaandachtsgebieden.

De grondwaterbeschermingszones zijn benoemd in de provinciale verordening. Deze verordening bevat onder andere regels voor het grondwaterbeheer en de bescherming hiervan. De grondwaterbeschermingszones uit de verordening worden ook ruimtelijk beschermd. Op navolgende afbeelding is dit weergegeven, waarbij de donkerblauwe zone het waterwingebied aangeeft en het lichtblauwe het grondwaterbeschermingsgebied.

10

Uitsnede kaart ‘Grondwaterbeschermingsgebieden’, plangebied is rood omkaderd (bron: provincie Friesland).

3.4.2

Omgevingsvisie en -verordening provincie Friesland Op 23 september 2020 heeft Provinciale Staten de Omgevingsvisie “Fryslân – De romte diele” vastgesteld. In deze omgevingsvisie legt de provincie het ruimtelijke beleid voor de periode tot 2050 vast. Hierin staan vier ambities centraal: 1 Vitaal: de provincie beoogt een brede welvaart door slimme economische

groei; dat is groei die een positieve bijdrage levert aan de ambities. Een sterke, groene economie genereert de middelen om te investeren in omgevingskwaliteiten. Een brede welvaart zorgt ervoor dat de steden, de dorpen en het platteland leefbaar zijn en blijven. Dat er voldoende woningen, voorzieningen en bedrijvigheid zijn. Dat de bereikbaarheid goed is. En dat leegstand en verpaupering van bebouwing zijn teruggedrongen. 2 Veerkrachtig: de provincie streeft ernaar ingrijpende ontwikkelingen te kunnen

opvangen. Bijvoorbeeld veranderingen in het klimaat, waardoor het terugdringen van het energiegebruik noodzakelijk wordt. De provincie wenst dat Friese steden, dorpen en landschappen robuust zijn en tegen een stootje kunnen. Daarnaast ambieert Friesland een circulaire economie die veelzijdig is, zodat economische kansen ten volle benut kunnen worden en eventuele tegenvallers goed opgevangen. 3 Karakteristiek: de provincie wenst zijn identiteit te behouden. De Friese ruimte

heeft een eigen karakter, met onder andere terpen, de Wadden en het

11

coulisselandschap. Die herkenbaarheid dient behouden te worden en gebruikt te worden bij nieuwe plannen. 4 Gezond: de provincie ambieert een goede kwaliteit van de bodem, het water

en de lucht, waarbij de provincie in een goede staat wordt doorgegeven aan toekomstige generaties. Friesland wenst vruchtbare landbouwgronden, kenmerkende natuurgebieden en veel verschillende soorten planten en dieren. Bovendien dient de rust, de stilte en het donker in delen van de provincie beschermt te worden.

Hierbij wordt ingezet op inhoudelijke en samenwerkingsprincipes. Deze principes zorgen voor het behoud en versterking van bestaande kwaliteiten. Daarnaast zijn er een aantal urgente opgaven gesignaleerd, waarvoor de provincie Friesland een oplossing wenst te vinden. Het betreft: − − − −

Fryslân houdt de leefomgeving vitaal, leefbaar en bereikbaar; Fryslân zet de energietransitie met kracht voort; Fryslân wordt klimaat-adaptief ingericht; Fryslân versterkt de biodiversiteit.

Op 23 maart 2021 is de laatste versie van de “Verordening Romte Fryslân 2014” geconsolideerd.

Toetsing In de Omgevingsvisie staat als één van de kernkwaliteiten van Friesland dat de kwaliteit en kwantiteit van grondwater op peil zijn. De ambitie is om deze kernkwaliteit in de toekomst op orde te houden. Door de aanplant van voldoende bomen ter compensatie, kan op de Vitens locatie een nieuw gebouw gerealiseerd worden en de drinkwaterproductie worden vergroot. Deze ontwikkeling draagt bij aan de blijvende toekomstige beschikbaarheid van kwalitatief hoogwaardig drinkwater voor alle bewoners van Friesland.

Raadpleging van de digitale kaarten, behorende bij de provinciale verordening, wijzen uit dat ter plaatse van het plangebied aanvullende regels gelden ten aanzien Glastuinbouw (kaart 4). Van glastuinbouw is bij voorliggende ontwikkeling geen sprake. Daarnaast ligt het plangebied in de nabijheid van gronden die zijn aangeduid als ‘Natuur buiten de EHS’ (kaart 3). Voorliggende ontwikkeling leidt niet tot aantasting van de EHS. 3.4.3

Conclusie provinciaal beleid Onderhavig plan is in lijn met het provinciaal beleid.

12

3.5

Gemeentelijk beleid

3.5.1

Structuurvisie Tytsjerksteradiel Op 12 maart 2010 heeft de gemeenteraad van Tytsjerksteradiel de Structuurvisie “Finster op Romte” vastgesteld. De Structuurvisie geeft de hoofdlijnen voor de inrichting van de gemeente weer. Daarbij is gebiedsgericht gekeken naar een aantal thema’s: wonen, voorzieningen, werken, recreatie en toerisme, infrastructuur, en landschap en omgeving. Duurzaamheid krijgt binnen al deze thema’s aandacht. In deze structuurvisie zijn de kaders van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling binnen de gemeente middels een aantal deelproducten beschreven: − Analyse van het huidige beleid en van het grondgebruik (product: basisstructuurkaart met toelichting); − Inventarisatie kernwaarden en ambities (product: ambitiekaart met toelichting); − Confrontatie van beleid, plannen en huidige situatie met de verschillende ambities (product: inzicht in kansen en bedreigingen, ook wel: confrontatiekaart); − Ontwikkelingsperspectief. Toetsing Met dit wijzigingsplan wordt een juridisch-planologisch kader geboden voor het aanplanten van een bos ten behoeve van de benodigde bomencompensatie als gevolg van de herontwikkeling van de Vitens locatie.

3.5.2

Conclusie Onderhavig plan is in lijn met het gemeentelijk beleid.

13

4

Milieu- en omgevingsaspecten De wijziging van de bestemming zal vanuit het oogpunt van een goed woon- en leefklimaat aanvaardbaar moeten zijn. De verschillende aspecten van een goed woon- en leefklimaat zijn beoordeeld. Deze komen in dit hoofdstuk aan bod.

4.1

Milieueffectrapportage Algemeen De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r.

In de bijlage van het Besluit m.e.r zijn twee onderdelen (C en D) opgenomen. In onderdeel C zijn activiteiten genoemd waarbij direct sprake is van een m.e.r.-plicht als bij besluiten de genoemde drempelwaarden worden overschreden. Voor de activiteiten die zijn genoemd in onderdeel D geldt dat als de drempelwaarden1 worden overschreden een m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Voor besluiten met een omvang onder de drempelwaarden moet een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling worden gedaan.

Toetsing Met uitsluitend de aanplant van bomen worden geen nadelige gevolgen voor het milieu verwacht. Het milieubelang wordt in navolgende paragrafen in voldoende mate afgewogen. Een passende beoordeling op basis van de Wet natuurbescherming is niet nodig, waardoor het plan om die reden geen m.e.r.-plicht heeft. Ook een nadere beoordeling in een m.e.r.-beoordeling of plan-m.e.r. is niet noodzakelijk.

Conclusie Een nadere beoordeling in een (vormvrije) m.e.r-beoordeling of plan-m.e.r. is niet noodzakelijk.

1

- een oppervlakte van 100 hectare of meer; - een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen; - een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. 14

4.2

Archeologie en cultuurhistorie

4.2.1

Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het nietzichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet 2016, uitgewerkt in het Besluit Erfgoedwet archeologie, is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast.

Toetsing Er heeft een archeologisch bureau- en verkennende boordonderzoek plaatsgevonden2. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Op basis van het bureauonderzoek gold een middelhoge verwachting voor de perioden Paleolithicum – Bronstijd en een lage verwachting voor de latere perioden. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend en karterend booronderzoek uitgevoerd. Tijdens het onderzoek is een omgewerkte bovenlaag van 50 à 60 cm aangetroffen, bestaande uit sterk siltig, humeus zand. Hieronder bevindt zich in de meeste boringen keizand en keileem, in enkele boringen afgedekt door een laag fluvioperiglaciale afzettingen. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen en de bodem is verstoord tot in de C-horizont. De archeo-logische verwachting kan op basis van het booronderzoek worden bijgesteld naar laag voor alle archeologische perioden. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven. Bovenstaand advies is van Econsultancy.

4.2.2

Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cul-

2 Econsultancy, 18 december 2023, Rapport archeologisch bureauonderzoek en booronderzoek Zomer-

weg te Noardburgum in de gemeente Tietjerksteradeel

15

tuurhistorische waarden worden meegewogen bij de realisatie van ruimtelijke ontwikkelingen.

Toetsing Raadpleging van de cultuurhistorische kaart Fryslân wijst uit dat binnen het plangebied geen elementen met cultuurhistorische waarde aanwezig zijn. Ook in de directe omgeving van het plangebied zijn geen rijks- en gemeentelijke monumenten, beschermde gezichten en gebieden, en gezichten met bijzondere waarden aanwezig.

4.2.3

Conclusie Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan

4.3

Bodem Algemeen Voor de uitvoerbaarheid van een plan dient rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Deze verplichting komt voort uit het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d), waarin verwezen wordt naar artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht. Hierin is bepaald dat bij de besluitvorming de nodige kennis over de relevante feiten en de af te wegen belangen wordt vergaard. Beoordeeld moet worden of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie, waarbij het uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door de (grond)werkzaamheden.

Toetsing Voorliggend plan betreft de omzetting van een agrarisch perceel naar een bosperceel. De bodemkwaliteit verslechterd niet door toedoen van de aanplanting van bomen. Een onderzoek naar de bodemkwaliteit is dus niet benodigd.

Conclusie He aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

16

4.4

Bedrijven en milieuzonering Algemeen Om het effect van bedrijven (of andere milieubelastende functies) op milieugevoelige functies te toetsen, wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Met milieuzonering wordt bedoeld het zorgen voor voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende functies en milieugevoelige functies (bijvoorbeeld woningen). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen, zodat de kwaliteit van het woon- en leefmilieu gehandhaafd en/of bevorderd kan worden.

Toetsing Bij voorliggende ontwikkeling is geen sprake van milieubelastende of milieugevoelige functies. Onderzoek naar bedrijven en milieuzonering is daarom niet nodig.

Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.5

Geluid Algemeen De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het kader van het wijzigingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende wegen en industrieterreinen.

Toetsing Bij voorliggende ontwikkeling is geen sprake van geluid belastende of geluidsgevoelige functies. Onderzoek naar akoestiek is daarom niet nodig.

Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan

17

4.6

Geur Algemeen De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt in eerste instantie het wettelijk kader bij de beoordeling van een aanvraag om een milieuvergunning voor dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft hiervoor geurbelastingsen afstandsnormen in relatie met geurgevoelige objecten in de nabijheid van de (geprojecteerde) veehouderij. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging voor een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad.

Toetsing Voorliggend plan maakt geen nieuwe geurgevoelige c.q. -belastende functies mogelijk. Op het vlak van geurhinder zijn geen belemmeringen aanwezig.

Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.7

Externe veiligheid Algemeen Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico.

Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde.

18

Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp.

Toetsing Door onderhavige ontwikkeling verblijven er niet meer mensen op het betreffende perceel, waardoor het plaatsgebonden-/groepsrisico niet toeneemt. Hierdoor is een toetsing van het risico ook niet nodig. Tevens betreft de ontwikkeling geen (stationaire) risicobron en hoeft onderhavige ontwikkeling in het kader van een goede ruimtelijke ontwikkeling ook niet getoetst te worden op het effect op de omgeving.

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.8

Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen.

Toetsing In de huidige situatie bestaat het plangebied uit agrarische gronden zonder natuurwaarden. Onderzoek naar flora en fauna is daarmee niet nodig. Het is zelfs zo dat, doordat het perceel wordt ontwikkeld tot bos, de natuurwaarden in het gebied worden vergroot. Het gebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000 gebied, Natuurnetwerk Nederland (NNN) of Natuur buiten de NNN. Met de aanleg van het bos gaat geen natuur verloren.

19

Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.9

Luchtkwaliteit Algemeen Ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit vormt met ingang van 15 november 2007 de Wet milieubeheer de basis voor besluitvorming in het kader van onder andere de Wet ruimtelijke ordening. Op basis van de Wet milieubeheer gelden milieukwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit.

Toetsing Dit wijzigingsplan maakt uitsluitend de aanplant van een nieuw bos mogelijk. Er is dus geen sprake van een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse.

Conclusie Het aspect lucht vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.10

Water Rijksbeleid - Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen opgesomd: - waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); - waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; - waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; - in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; - realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO₂arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; - Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 20

-

Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang.

Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1. Een veilige en klimaatbestendige delta: Naast bescherming tegen overstromingen is de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is. In het Deltaprogramma is afgesproken dat overheden stresstesten uitvoeren om de risico’s in kaart te brengen en een adaptatiestrategie met een uitvoeringsprogramma opstellen 2. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta: een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie. Nederland moet in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Daarom werkt het Rijk in de planperiode van het NWP samen met de zoetwaterregio’s en de gebruikers aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart. 3. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur: Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit. In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stoffen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen.

De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Daarnaast hebben de vijf volgende thema’s een centrale rol in dit waterprogramma: 1. Klimaatadaptatie; 2. Waterveiligheid; 3. Zoetwater; 4. Grondwater; 5. Scheepvaart.

Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak. Daarom zijn voor de rijkswateren in dit Nationaal Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen. Het gaat om de Noordzee, de Zuidwestelijke Delta, de RijnMaasmonding, de grote rivieren, het IJsselmeergebied, de Waddenzee en Eems-Dollard en de Kanalen in het beheer van het Rijk. Deze zijn verbonden met de diverse gebiedsgerichte programma’s en uitwerkingen onder het Nationaal Waterprogramma, zoals de Gebiedsagenda’s Grote Wateren. Voor de overige wateren van Nederland wordt in andere programma’s de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen. In de eerste plaats in de Omgevingsagenda’s onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI).

21

In het coalitieakkoord van eind 2021 is aangegeven dat de komende jaren structureel meer budget wordt uitgetrokken voor instandhouding van wegen, spoor, hoofdwatersysteem en vaarwegen. Het structureel extra budget loopt op via een geleidelijk ingroeimodel. De budgettaire kaders voor instandhouding zijn daarmee verruimd. Voor het Hoofdwatersysteem en het Hoofdvaarwegennet zal het ministerie binnen deze budgetaire kaders nog aanvullende keuzes moeten maken om de instandhoudingsopgaven op termijn beheersbaar te houden.

Regionaal Waterprogramma Friesland 2022-2027 In het Provinciaal Waterprogramma 2022-2027 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Friesland. Het Waterplan is onderverdeeld in vier deelprogramma’s: 1 Klimaatadaptatie: de provincie zet zich scherp in op een klimaatbestendige en

waterrobuuste provincie. Deze constatering vertaalt zich in concrete acties met bijvoorbeeld een energieprogramma en het voorkomen van hittestress. 2 waterveiligheid: het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming

tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. 3 Voldoende water: de provincie creëert beleidsinstrumenten en uitgangspunten

voor een goed peilbeheer. Het tegengaan van de verzilting en voldoende water voor natuur vormen andere speerpunten. 4 Waterkwaliteit: Dit programma draait om het tegengaan van verontreinigingen

en lekkagerisico’s. Verder wordt het ingezet op toetsing en monitoring.

In het plan zijn deze programma’s verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Friesland.

In de Omgevingsverordening is onder andere regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen c.q. wijzigingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken, Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van het waterschap.

Waterschapsbeleid – Waterbeheerprogramma 2022-2027 Wetterskip Fryslân In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het document begint met de uitdagingen van de toekomst waarbij klimaatverandering, bescherming van de 22

biodiversiteit en betaalbaarheid van het beleid aan bod komen. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1 Waterveiligheid: Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming

tegen overstromingen vanuit de Noordzee, de Waddenzee, het IJsselmeer en het regionale watersysteem; 2 Voldoende water: Het programma draait om een goed functionerend watersys-

teem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch); 3 Schoon Water: In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afval-

water een centrale rol.

Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen per landschapstypen en bodemgesteldheid. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; verordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.

Toetsing Binnen het plangebied wordt geen bebouwing en/of verharding toegevoegd. Er is dus geen watercompensatie benodigd. Ook heeft de ontwikkeling geen invloed op het bestaande watersysteem.

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.11

Verkeer en parkeren Algemeen Bij de ontwikkeling en uitbreiding van functies moet rekening gehouden worden met de parkeer- en verkeersdruk.

Toetsing Momenteel heeft het plangebied geen verkeersgeneratie of parkeerbehoefte. Onderhavig plan leidt ook niet tot verkeersbewegingen of parkeerdruk.

23

Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

24

5

Wijze van bestemmen

5.1

Algemeen Met dit wijzigingsplan wordt het mogelijk om op het perceel nummer 1814 een bos aan te planten. Het wijzigingsplan bestaat uit een verbeelding en regels die vergezeld gaan van deze toelichting. De verbeelding en de regels zijn juridisch bindend. De toelichting maakt geen onderdeel uit van het juridisch plangedeelte. Wel fungeert de toelichting als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan.

5.2

Juridische opzet Voor het gebied van het wijzigingsplan gelden hoofdzakelijk de regels van het moederplan “Bestemmingsplan Buitengebied 2013”. Deze regels worden in de wijzigingsplanregels van toepassing verklaard. In de wijzigingsregels is de bepaling opgenomen dat de verbeelding van het moederplan wordt gewijzigd.

De verbeelding van het wijzigingsplan is een uitsnede van het plangebied uit de verbeelding van het moederplan.

25

6

Uitvoerbaarheid

6.1

Economische uitvoerbaarheid Op basis van artikel 3.1.6, lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een wijzigingsplan onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. De ontwikkelingen die concreet mogelijk worden gemaakt door het wijzigingsplan moeten (economisch) uitvoerbaar zijn, omdat er anders sprake is van een oneigenlijke bestemming.

Het voorliggende plan wordt gerealiseerd op particulier initiatief. Het wijzigingsplan maakt geen (bouw-)plannen mogelijk waarvoor een exploitatieplan noodzakelijk is. Het opstellen van een exploitatieplan voor het wijzigingsplan is derhalve niet noodzakelijk.

De economische uitvoerbaarheid van dit wijzigingsplan is hiermee aangetoond.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1

Overleg Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voert het college van burgemeester en wethouders, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het waterschap en de provincie.

Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van het wijzigingsplan. Het overleg dient dan ook beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld.

In deze paragraaf zullen de resultaten van het overleg worden samengevat en van een antwoord worden voorzien. 6.2.2

Zienswijzen Het ontwerpwijzigingsplan zal te zijner tijd voor een periode van zes weken voor eenieder ter inzage gelegen. Eenieder kan in deze periode zienswijzen indienen. In deze paragraaf of in een bijlage bij dit bestemmingsplan zullen de binnengekomen zienswijzen worden samengevat en van een antwoord worden voorzien. 26

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Tytsjerksteradiel&id=813af2e5-b14e-4d33-a5cf-bc0933ff470f