CConstaterende datTytsjerksteradiel
Koppel je AI →
Document · PDF

10 - Bijlage 3 - Bijlagen bij concept FPLG 9 mei 2023

RAADSVERGADERING 2018 t/m 2024 22 juni 2023, gemeente TytsjerksteradielBij agendapunt: Concept Frysk Programma Landelijk Gebied (FPLG) (besluitvormend, hamerstuk)38.573 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

4

Bijlage 7e: Financiële consequenties realisatie strategie Grip op kwaliteit De financiering van het natuurbeheer wordt geregeld via de Friese SrNL 2019 op basis van de Standaardkostprijzen voor natuurbeheer (SKP’s), het natuurbeheerplan en het openstellingsbesluit. In het openstellingsbesluit geeft GS aan welke onderdelen van het natuurbeheerplan voor subsidie in aanmerking komen. Op basis hiervan kan de berekening oppervlak x SKP worden gedaan en daarmee het subsidieplafond worden vastgesteld. Landelijk is hierbij afgesproken dat 84% van de totale kosten worden vergoed (eerder was dit 75%). Huidige situatie Op basis van het huidige beleid komen de volgende onderdelen in Fryslân voor subsidie in aanmerking: ▪

Binnen het Friese deel van de NNN alle N- & L-typen

▪

Buiten het Friese deel van de NNN alle N-typen en L02.03 (historische tuin). Voor dit onderdeel geldt een taakstellend budget van €1,32 miljoen per jaar.

Op dit moment wordt er op basis van bovenstaande in Fryslân jaarlijks +/- €18 miljoen euro uitgegeven via de SrNL 2019. Hiermee wordt 84% van de kosten voor het beheer, het verrichten van de monitoring en het openstellen van de terreinen voor recreanten vergoed. De huidige programmering is zo ingestoken dat de helft van dit bedrag wordt betaald vanuit de Natuurpactmiddelen afkomstig van het Rijk en de andere helft door provincie Fryslân zelf. De huidige financieringsopzet van het natuurbeheer in Fryslân is te classificeren als een ‘low budget variant’. De mogelijkheden voor beheerders om actief te werken aan de kwaliteitsverbetering van de natuur ontbreken op dit moment. Dit komt niet alleen omdat we maar 84% van de werkelijke kosten financieren. Onder de SNL zijn namelijk ook nog een aantal instrumenten beschikbaar waar we tot op heden geen gebruik van maken. Dit zijn o.a.: ▪

Inzet op overgangsbeheer voor ontwikkeling naar ambitie typen

▪

Inzet van de SKNL voor realisatie kwaliteitsimpulsen

▪

Openstellen van de toeslag toezicht

▪

Openstellen van de vaartoeslag

Gewenste situatie Onderzocht moet worden of de bestaande Natuurpact-programmering ruimte biedt om de benodigde kwaliteitsimpuls op te vangen of dat er heroverwegingen moeten worden gemaakt. Zo nodig moeten meer beschikbare SNL-instrumenten worden ingezet en meer middelen worden gereserveerd hiervoor. Verder is het voor de komende periode belangrijk om te zoeken naar de aanknopingspunten binnen de nieuwe programma gelden, zoals het Uitvoeringsprogramma Natuur (2,85 miljard) en NPLG-transitiefonds (24,3 miljard) om inzet op kwaliteit te vergroten.

1

Bijlage 7f: Aanpak ganzen in Fryslân - Samenvatting Fryske guozze-oanpak De ganzenpopulatie in Fryslân is sterk gegroeid door bescherming, door de aanleg van natte natuur en door eiwitrijk gras in de landbouw. De keerzijde hiervan is vraatschade. De provincie betaalt jaarlijks €10 miljoen aan vergoedingen. Uit een evaluatie in 2017 bleek dat de ganzenschade in drie jaar sterk was toegenomen. In de Fryske Guozzeoanpak 2017-2020 werd bepaald dat Fryslân fors zou inzetten op beperking van de schade. Gedeputeerde Staten hebben dit beleid verlengd tot 2023. De bescherming van de ganzen verloopt goed. Het totaal aantal winterganzen is vrijwel gelijk gebleven. Het is niet gelukt om de vraatschade in kilogram droge stof met 5 tot 10% te verminderen. Ten opzichte van vorig jaar was de totale vraatschade met een stijging van 1% vrijwel gelijk. Ten opzichte van het gemiddelde van de voorgaande twee jaren, waar we aan toetsen, was de stijging 3%. Wel lukt het aardig om ganzen binnen de foerageergebieden te krijgen, al is ook buiten de foerageergebieden de vraatschade licht gestegen. Verder zijn de betaalde tegemoetkomingen meer gestegen dan de vraatschade, namelijk 15%. Dat heeft met name te maken met de stijgende grasprijs. Beschermen Wilde ganzen zijn beschermd. De aanpak bestaat daarom uit bescherming én schadebestrijding.

Beschermen gebeurt door het instellen van foerageergebieden en het handhaven van rust op ganzenslaapplaatsen. Fryslân telt 21.000 hectare foerageergebied. Deze foerageergebieden vallen in een aantal gevallen samen met de weidevogelkerngebieden. Verplichte rust in de gebieden komt beide soorten (ganzen en weidevogels) ten goede. Bestrijden Bestrijding van schade gebeurt door grondgebruikers en jagers ruime mogelijkheden te geven om ganzen buiten de foerageergebieden - te verjagen. Hierbij mag een deel van de vogels dus worden afgeschoten, binnen de kaders van de Wet natuurbescherming. Het verplicht verjagen buiten de opvanggebieden heeft een ecologisch negatief neveneffect op de instandhouding van boerenlandvogels. De agrarische collectieven maken hier met de Fauna Beheer Eenheid (FBE) in de provincie afspraken over. De FUMO (omgevingsdienst Fryslân) houdt toezicht op de Wet Natuurbescherming en zorgt voor handhaving van de rust voor boerenlandvogels versus de verplichte verjaging van ganzen. Het doel in Fryslân is beperking van de vraatschade met 5 tot 10 procent per jaar. Dat doel wordt nog niet gehaald. Wel stabiliseert het aantal ganzen al enige jaren. Soorten ganzen De Fryske guozze-oanpak heeft betrekking op drie soorten ganzen; de brandgans, de grauwe gans en de kolgans (zie afbeeldingen van links naar rechts).

Het opzettelijk doden en verstoren van deze soorten is wettelijk verboden. De Wet Natuurbescherming biedt de mogelijkheid om een vrijstelling of ontheffing te krijgen. Daardoor is bij de verjaging ondersteunend afschot mogelijk. Nieuw beleid Momenteel is nieuw ganzenbeleid in de maak voor de periode na 2023. Uitgangspunt is de startnotitie die Provinciale Staten in april 2022 hebben vastgesteld. Een belangrijke verandering is dat PS grondgebruikers, eigenaren en jagers meer mogelijkheden geven om lokaal te bepalen hoe de ganzenschade kan worden bestreden.

1

Lokale samenwerking Momenteel buigt een regiegroep zich over het nieuwe beleid. Hierin zitten de belangrijkste grondgebruikers, boeren en terreinbeherende organisaties. De regiegroep doet voorstellen voor het nieuwe beleid en legt die voor aan een klankbordgroep. Daarin zitten andere betrokken partijen, zoals de jagersverenigingen, de dierenbescherming en de BFVW. Aanpak standganzen Voor de standganzen is volgens PS een intensievere aanpak nodig. Vooral de populatie grauwe ganzen groeit en veroorzaakt steeds meer schade aan gewassen van boeren. Deze gans moet daarom intensiever worden verjaagd. Daarnaast zorgen standganzen voor meer overlast in de bewoonde omgeving. De aanpak voor trekganzen blijft in grote lijnen gelijk. Wel wordt het werken met foerageergebieden verder geoptimaliseerd. Denk aan herschikkingen binnen foerageergebieden en wellicht ook verruiming van verjaagtijden.

2

Bijlage 7g: Weidevogels in FPLG Weidevogels zijn synoniem met het Friese platteland. Ze vormen een wezenlijk onderdeel van de beleving van het landschap en de Friese cultuur. Bovendien laten hun aantallen en broedsucces zien hoe het met onze leefomgeving gesteld is. En dan vooral met de soortenrijkdom en de bodemgezondheid. Daarnaast heeft Fryslân een internationale verantwoordelijkheid voor het behouden van de weidevogels. Voor het behalen van de VHR-doelstelling is het van groot belang dat ook op de broedpopulatie weidevogels buiten N2000 gebieden wordt ingezet. Deze vormen immers de aanwas voor de niet broedvogelpopulatie binnen N2000. In het Bestuursakkoord 2019-2023 is daarom afgesproken dat het aantal weidevogels dient toe te nemen. Tevens is de provincie Fryslân een van de trekkers van het landelijke Aanvalsplan Grutto. Provinciale Staten van Fryslân heeft november 2021 de Nota Weidevogels 2021–2030 vastgesteld. Met hierin de aanpak van Fryslân om aan de nationale en internationale opdracht, eisen en verantwoordelijkheid te voldoen. In deze memo staat de aanpak/de strategie van de opgave voor weidevogels in het FPLG uiteengezet in lijn met het provinciale weidevogelbeleid. De weidevogelopgave in het FPLG heeft raakvlakken met de landbouwtransitie, het stikstofvraagstuk, de klimaatopgave en de opgave in het veenweidegebied en het herstel van biodiversiteit.

Het sluit aan bij de thema’s voor stikstof, natuur, water, bodem en klimaat en speelt zich af in grote delen van Fryslân op verschillende bodemsoorten en bijbehorende gebieden De opgaven in het FPLG voor weidevogels, liggen concreet in: •

VHR-opgave overbrugging van 30% van het gat naar het realiseren van een gunstige staat van instandhouding voor alle beschermde habitattypen en soorten;

•

Opgave ontwikkeling extra agrarische natuur van circa 16000 ha

•

Overgangsgebieden: weidevogelbeheer draagt bij aan extensiever beheer in de overgangsgebieden. Daarnaast CO2 vastlegging.

•

Veenweidegebieden: weidevogelbeheer draagt bij aan het extensiever beheer in de veenweidegebieden. Met name door middel van het verhogen van het waterpeil.

Weidevogelbeheer kan in gebieden dienen als katalysator/motor voor het realiseren van andere opgaven. Voor de meeste opgaven zijn eenvoudig koppelkansen met het weidevogelbeheer te realiseren. Daarom stellen we voor om invulling te geven aan het z.g. maatregelpakket in het FPLG middels een aanpak waarbij aan meerdere opgaven uit het NPLG wordt gewerkt via het “koploperproject Aanvalsplan Grutto”

Staat van instandhouding VHR-soorten: Uit de tabel Vogelsoorten VHR blijkt dat er voor de volgende soorten maatregelen nodig zijn voor verbetering van de staat van instandhouding (opgave FPLG: 30% verbetering per 2030). De haalbaarheid van de doelen wordt ingedeeld in 4 categorieën (haalbaar, haalbaar mits, onzeker en niet haalbaar):

2

•

Grutto [n-brv2: haalbaar mits]

•

Scholekster [n-brv: haalbaar mits]

•

Kievit [n-brv: haalbaar mits]

•

Tureluur [n-brv: onzeker]

•

Kemphaan [brv: niet haalbaar] [n-brv: niet haalbaar]

n-brv=niet broedvogel, brv=broedvogel

1

•

Wulp [n-brv: haalbaar]

•

Slobeend [n-brv: haalbaar]

•

Kuifeend [n-brv: haalbaar mits]

•

Kluut [n-brv: haalbaar mits]

•

Watersnip [brv: haalbaar mits]

•

Bontbekplevier [brv: onzeker] [n-brv: haalbaar]

•

Strandplevier [brv: onzeker]

•

Goudplevier [n-brv: haalbaar mits]

Voor de steltlopersoorten kunnen de meeste VHR-doelen niet volledig worden gerealiseerd binnen N2000gebieden, er is ook leefgebied daarbuiten nodig (zie opsomming hierboven). Daarnaast is voor de realisatie van de VHR-doelen van niet broedvogels, de broedvogelpopulatie van groot belang voor de aanwas van soorten. Om de VHR-doelen te realiseren is het van belang dat er wordt ingezet op de uitvoering van het provinciale weidevogelbeleid, waaronder het Aanvalsplan Grutto. Pagina 11 van de Handreiking voor de gebiedsprogramma’s NPLG (richting provincies): Het gebiedsprogramma bevat een strategie om 30% van de VHR-opgave richting 2030 te realiseren. Deze 30% staat niet gelijk aan 30% extra natuur areaal, maar aan de overbrugging van 30% van het gat naar het realiseren van een gunstige staat van instandhouding voor alle beschermde habitattypen en soorten. Het gaat daarbij specifiek om de door de VHR beschermde habitattypen en soorten die op dit moment nog niet in een landelijk gunstige staat van instandhouding verkeren. Provincies brengen in beeld wat de additionele opgave is in relatie tot de lopende trajecten Natuurnetwerk Nederland en de Bossenstrategie, en of er aanvullende maatregelen nodig zijn om deze 30% doelstelling te behalen.

Bij voorkeur wordt met landschap [1]secologische systeemanalyses inzichtelijk gemaakt wat de provincie potentieel kan bijdragen aan het bereiken van een landelijk gunstige staat van instandhouding op het niveau van natuurdoeltypen. Provincies kunnen bij het invullen van deze opgave rekening houden met de samenhang met de landbouwtransitie. Om invulling te geven aan de ambitie van 30% natuurherstel werkt LNV aan een breed gedragen uitwerking, samen met agrarische sectoren, natuurorganisaties en provincies. Een aantal soorten en habitattypen heeft extra aandacht nodig ten behoeve van het voorkomen van verslechtering of het realiseren van 30% verbetering op landelijk niveau (zie www. natura2000.nl/nplg). Het gebiedsprogramma gaat in op de benodigde condities hiervoor.

Aansluiten bij Provinciaal weidevogelbeleid Vanuit de Nota Weidevogels 2021-2030 willen we een opwaartse trend van circa 30% realiseren die leidt tot duurzame populaties. Om dat te bereiken zetten we in op een drietrapsraket: 1. Provincie brede inzet op basiszorg voor weidevogels in het landelijk gebied 2. Continuering (agrarisch)natuurbeheer in de huidige weidevogelkerngebieden en -parels en afronding NNN met weidevogeldoelstelling 3. Creëren van grote samenhangende weidevogelplusgebieden (Aanvalsplan Grutto) Doel is het realiseren van een biotoop waar het aantal broedparen toeneemt, de jaarlijkse nestoverleving minimaal 70% is én het Bruto Territoriaal Succes minimaal 70% is. Middels het Aanvalsplan Grutto wordt invulling gegeven aan de ontwikkeling van robuuste populaties van de gidssoort grutto door het optimaal inrichten en beheren van de meest kansrijke (broed-)gebieden in Fryslân, de weidevogelplusgebieden. 2

Speerpunten weidevogelplusgebieden/Aanvalsplan Gruttogebieden: •

kansgebieden van voldoende schaal (ca. 2000ha, waarbinnen 1000ha optimaal is ingericht en beheerd voor weidevogels),

•

hoog waterpeil, plasdras tijdens broedseizoen

•

aangepast agrarisch beheer (kruidenrijk grasland, rustperiode/uitgesteld maaien, beweiden, bemesting met vast mest/vaste fractie (geen kunstmest), geen gewasbeschermingsmiddelen)

•

predatoren aanpak op gebiedsniveau

Cruciaal is de samenwerking tussen alle betrokken partijen, w.o. boeren, TBO’s, loonwerkers en vogelwachten alsook het verdienmodel voor de boer om optimaal weidevogelbeheer voor de lange termijn bedrijfseconomisch haalbaar te maken. De opgave voor deze beschermde soorten wordt ingevuld, conform de opzet van het Aanvalsplan Grutto en de nota weidevogels 2021 – 2030 (vastgesteld door Provinciale Staten Friesland, 24 november 2021). N.a.v. van onderzoek van onder andere Dick Melman en het Oltertepoverleg in 2020 naar gebieden in Fryslân die het meest kansrijk zijn voor de toename van het aantal grutto’s, de realisatie van grote robuuste gebieden en koppelkansen met andere provinciale opgaven zijn de volgende gebieden benoemd waar het Aanvalsplan Grutto de komende jaren wordt uitgerold: •

Terschelling

•

Ameland

•

Schiermonnikoog

•

Baarderadeel

•

Skrok en Skrins

•

Kollum Oost

•

Workumerwaard

•

Fryslân Buitendijks

•

Arummermieden - Klaarkampermeer

•

Wynserpolder - Trynwalden

•

Idzegea

•

De Warren en Lange Rypen, DeDulf, Fjurlannen, Aldeboarn,De Deelen

•

Zwagermieden

•

Dokkum Oost

•

Bolsward Noord (Murk Nijdam)

•

Hempensermar e.o.

•

Alde Feanen noordoost

•

Oldelamer e.o., Brandemeer Noord-Delfstrahuizen

•

Lege Wâlden

•

Lemmersterpolders

3

Dit omvat veenweidegebieden, maar ook in de gebieden met andere bodemsoorten liggen belangrijke weidevogelgebieden. Ca. 30 à 40% van de grutto’s zitten buiten veenweide en overgangsgebieden (stikstof). Al deze gebieden zijn cruciaal om de populaties van de beschermde weidevogels in stand te houden. Het doel is de neerwaartse provinciale trend van alle weidevogels om te buigen naar een opwaartse trend. En daarnaast toewerken naar 10.000 broedparen grutto in 2030.

Koppelkans met opgave uitbreiding areaal agrarische natuur, leefgebied open grasland Provincie Fryslân heeft een opgave voor de ontwikkeling van agrarische natuur. Door invulling van deze opgave met een optimale inrichting en beheer van de meest kansrijke agrarische gebieden voor beschermde soorten weidevogels, wordt tevens gewerkt aan de VHR-opgave in Fryslân (Aanvalsplan Grutto en alle andere weidevogels (Deze invulling sluit aan bij de opgaven stikstof, veenweide, natuur, biodiversiteit, water, bodem en klimaat in het FPLG. Door realisatie van aanvullende Aanvalsplan Gruttogebieden, wordt een deel van deze opgave gerealiseerd én een bijdrage geleverd aan de VHR-opgave voor weidevogels.

Aanvalsplan Grutto per Thema en bodemsoort Voor de biotoopontwikkeling voor grutto’s (e.a. beschermde soorten weidevogels) zijn de kansgebieden voor het Aanvalsplan Grutto in beeld gebracht op basis van onderzoek naar de meest kansrijke gebieden in Fryslân. Hiermee wordt mede beoogd ook voor de kritische weidevogelsoorten zoals kemphaan en watersnip biotopen te ontwikkelen en om invulling te geven aan de 30% VHR-opgave. Ca. 30 a 40% van de grutto’s broeden buiten veenweide en overgangsgebieden.

Thema’s Welke kansen liggen binnen de thema’s Stikstof, Water, Natuur en Klimaat in het FPLG voor weidevogels en het Aanvalsplan Grutto? Waarom is het cruciaal dat hier een koppelkans wordt gemaakt met weidevogels? Stikstof Voor effectief weidevogelbeheer is extensivering van de bij het Aanvalsplan Grutto betrokken melkveehouderijen noodzakelijk. Daarnaast zorgt beweiding (eveneens onderdeel weidevogelbeheer) voor minder Stikstof emissies door blijvend grasland en een extensievere manier van boeren. Tbv de productie van ruige mest kan een koppeling worden gezocht met de benodigde emissievrije/-arme stallen. Natuur Weidevogelbeheer is een vorm van (agrarisch) natuurbeheer. De opgave voor Fryslân voor de realisatie van nieuwe agrarische natuur (16000 ha), leefgebied open grasland, kan voor een groot deel worden ingevuld met een optimale inrichting en beheer van de meest kansrijke weidevogelgebieden. Vrijwillige afwaardering van een deel van deze gronden incl. kwalitatieve verplicht t.a.v. weidevogelbeheer (conform subsidieregeling duurzaam behoud weidevogelgrasland zorgt voor het duurzaam behoud van deze grond voor weidevogels en sluit aan bij de VHR-doelstelling.

4

Water Hoog waterpeil (gemiddeld 0 – 40 -MV) in de weidevogelgebieden tijdens het broedseizoen (in combinatie met verschillende andere maatregelen) is essentieel voor verschillende beschermde weidevogelsoorten waarvoor de provincie een (VHR-) opgave heeft. De streefpeilen verschillen per grondsoort: Veen 0 - 25 cm – mv., Klei-op-veen 0 - 35 cm –mv., Klei 0 - 40 cm -mv. Klimaat Hoog waterpeil (tijdens het broedseizoen) is een van de speerpunten in weidevogelbeheer en is ook een van de te nemen maatregelen voor biotoopverbetering t.b.v. de VHR-doelen van verschillende beschermde soorten weidevogels. Meerdere Aanvalsplan Gruttogebieden liggen in veenweidegebied (waaronder Idzegea en ADD). Daarnaast liggen grote delen van het veenweidegebied ook in weidevogelkansgebied. In veenweidegebied kan vastlegging van CO2 door peilverhoging en het verwaarden hiervan onderdeel van het verdienmodel van boeren zijn. Maar ook in klei-, zand- en waddengebied kunnen koppelkansen tussen klimaatadaptatie, extensiever boeren, gezonde bodem en weidevogelbeheer worden gemaakt.

Bodemsoort Weidevogels broeden in Fryslân op verschillende grondsoorten. De populatie weidevogels gaat sneller achteruit in veenweidegebieden door verzuring van de bodem, verdroging en verruiging dan in andere gebieden. Onderstaand de weidevogelgebieden (w.o. Aanvalsplan gruttogebieden) ingedeeld op bodemsoort, conform de gebiedsindeling voor het FPLG. Klei Kleiweide gebied de Greidhoeke behoort tot de belangrijkste gebieden voor weidevogels in Fryslân waarvan oudsher veel weidevogels voorkomen, met veel oud greppelland en niet herverkaveld landschap dat niet alleen als erfgoed van belang is, maar ook voor de weidevogels. Hier bevinden zich bovendien veel boeren die een grote bijdrage leveren aan de VHR-doelen t.a.v. diverse beschermde soorten weidevogels, waaronder de grutto. De gebieden rond Baarderadiel , Lionserpolder (NNN) en Skrok en Skrins (NNN) zijn Aanvalsplan Gruttogebieden. (Integrale) Gebiedsprocessen zijn hier reeds opgestart. Aanvalsplan Gruttogebieden klei: •

Baarderadiel e.o., Lionserpolder

•

Skrok en Skrins

•

Dokkum Oost

•

Kollumer Grien

•

Fryslân Buitendijks

•

Wynserpolder, Trynwalden (klei, klei op veen)

•

Arummermieden – Klaarkampermeer (klei, klei op veen)

•

Workumerwaard ((klei, klei op veen, zand)

•

Bolsward noord

Het kleigebied ten noordwesten van Dokkum langs de Ee huisvest al grote aantallen weidevogels. Boeren in dit gebied willen bovendien een gebiedsproces starten om gezamenlijk de biotoop voor weidevogels verder te verbeteren. (Aanvullende middelen voor beheer, investeringen en afwaardering van grond t.b.v. het duurzaam behoud voor weidevogels zijn hier niet beschikbaar)

5

Zand •

Workumerwaard (klei, klei op veen, zand) => gebied FPLG: veen?

Veen Aanvalsplan Gruttogebieden: •

Zwagermieden

•

Aldeboarn-De Deelen, De Warren, Lange Ripen (veen, klei op veen)

•

Idzegea

•

Workumerwaard (klei, klei op veen, zand)

•

Wynserpolder, Trynwalden (veen, klei op veen)

•

Arummermieden – Klaarkampermeer (veen, klei op veen)

•

Alde Feanen noordoost

•

Oldelamer e.o.Brandemeer Noord-DelfstrahuizenLege Wâlden

•

Lemmersterpolders

Wadden Aanvalsplan Gruttogebieden: •

Ameland

•

Terschelling

•

Schiermonnikoog

6

Bijlage 8: Mogelijkheden voor doelsturing met Kritische Prestatie Indicatoren (KPI’s) 1. Naar doelgericht beleid voor de transitie in de landbouw Om de transitie naar een duurzame(r) landbouw te bevorderen kan door de overheid gekozen worden om niet de maatregelen op weg naar duurzaamheid centraal te stellen, maar de doelen. Dit principe kan, ook gehanteerd worden bij de provinciale invulling van het Nationaal Programma Landelijk Gebied: het FPLG. Fryslân onderzoekt gezamenlijk met het Rijk en met de provincies Brabant, Overijssel, Groningen en Drenthe op dit moment al of en hoe doelenbeleid onderdeel van het Landbouwakkoord, het NPLG en de PPLG's kan worden gemaakt. Zo'n beleid heeft twee belangrijke voordelen: agrariërs krijgen zelf het stuur in handen om hun route te bepalen die past bij hun eigen bedrijfssituatie en de provincie heeft betere garanties voor doelrealisatie en een kosteneffectieve besteding van middelen. De provincie heeft budget beschikbaar om deze beleidsomslag versneld te kunnen verkennen en vormgeven. Voor de lange termijn zet de provincie in op langjarige structurele resultaatsbeloning. Doelen en maatregelen De wijze waarop de landbouwsector haar aandeel gaat leveren aan de grote opgaven van natuurherstel, water en klimaat zal in grote lijnen beschreven worden in het Landbouwakkoord.

Over de manieren waarop deze toekomstbestendige positie van de landbouw nader ingevuld kan worden, wordt op dit moment nog druk gesproken in het kader van het Landbouwakkoord. Dat akkoord zal daarmee een essentiële bijdrage moeten leveren aan het NPLG/FPLG. Regelgeving die stuurt op doelen in plaats van middelvoorschriften (voorschriften die exact en uniform voorschrijven wat en wanneer is toegestaan) is één van de thema's waar de landbouwsector graag met de overheid en andere partijen stappen in zet. Hiermee krijgen ondernemers de ruimte om op de meest passende manier te voldoen aan de doelen van het beleid (zie ook de Kamerbrief Organisatie en stand van zaken Landbouwakkoord van minister Adema, 21 februari 2023). Vorderingen meten en stimuleren met KPI's Om de vorderingen te meten en te stimuleren zijn verschillende instrumenten beschikbaar. Het bekendst zijn de kritische prestatie-indicatoren (KPI's). Een eenvoudige uitleg over het werken met KPI's is te zien in de beschikbare animatie (https://www.fryslan.frl/kritische-prestatie-indicatoren). Andere instrumenten zijn bijvoorbeeld de Afrekenbare Stoffenbalans (ASB), Bodemindicatoren voor Landbouwgronden in Nederland (BLN-indicatorset) en de Open Bodemindex (OBI). Als deze indicatoren worden voorzien van drempel- en streefwaarden, is voor de grondgebruiker duidelijk hoe hij scoort en welke extra prestaties gewenst zijn.

Het KPI-spoor is momenteel het verst ontwikkeld in het kader van de volgende 3 trajecten: ◼ de Biodiversiteitsmonitor Melkveehouderij: met deze Biodiversiteitsmonitor is men van start gegaan en deze wordt dan ook al langere tijd toegepast; ◼ de Biodiversiteitsmonitor Akkerbouw: deze is onlangs, op 13 februari jl., gelanceerd; ◼ de ontwikkeling van een landelijke kernset KPI's: beide Biodiversiteitsmonitors hebben belangrijk bijgedragen aan een landelijke set van 14 Kringlooplandbouw-KPI's. Uit deze sets van KPI's kan desgewenst een selectie worden gemaakt op basis van de provinciale of regionale doelen. Ook de drempel- en streefwaarden kunnen regionaal verschillend worden vastgesteld. De KPI's zijn niet alleen een meetinstrument, maar kunnen ook als beleidsinstrument worden ingezet door bovenwettelijke prestaties te belonen aan de hand van KPI-scores. Enkele provincies (Drenthe, Brabant) hebben daarmee de afgelopen jaren ervaring opgedaan. Via de Duurzame Zuivelketen werken verschillende zuivelondernemingen al geruime tijd met KPI's om duurzaamheidsprestaties privaat te belonen. Door stapeling van publieke en private beloningen kan een verdienmodel ontstaan waarin agrariërs niet alleen worden gecompenseerd voor opbrengstderving en gemaakte kosten. 7

Verkennen mogelijkheden en beperkingen Deze notitie bevat een eerste verkenning van de mogelijkheden om de FPLG-doelen te realiseren en/of het FPLG-doelbereik te meten aan de hand van kritische prestatie-indicatoren (KPI's). Eerst (§2) bespreken we de NPLG-doelen en de vertaling naar Fryslân, daarna (§3) het werken met KPI's, vervolgens de verhouding tussen doelen en KPI's (§4), de mogelijke drempel- en streefwaarden om de KPI's effectief te laten zijn (§5), de bijdrage van KPI's aan doelrealisatie (§6), de relatie met de projectenprogramma's onder het Transitiefonds (§7) en de mogelijkheden voor belonen op basis van KPI's (§8).

2. NPLG- en FPLG-opgaven Vertaling van de NPLG-doelen naar Fryslân De provincie heeft een Friese vertaling gemaakt van de landelijke doelen. Die leidt niet tot andersoortige doelen, maar op onderdelen wel tot provinciale specificaties – zie onderstaande tabel. De FPLG-doelen zijn (nog) niet regionaal gedifferentieerd. FPLG-doelen NATUUR 30% natuurherstel VHR 136 natuurdoelen onderscheiden. Een derde wordt nu al behaald of is haalbaar zonder aanvullende inspanningen. Ruim een kwart lijkt op korte termijn (2024-2025) haalbaar met extra inspanningen, voor 30% is nog onvoldoende kennis (extra maatregelen vanaf 2026), 10% lijkt niet haalbaar. N2000 en stikstof Van de 20 N2000-gebieden in Fryslân zijn er 12 stikstofgevoelig, waarvan er 8 extra aandacht vereisen in termen van stikstofbelasting en verdroging. Voltooien NNN, Bossenstrategie, groenblauwe dooradering in 2030

WATER Grondwater voldoet aan KRW-normen in diepere waterlagen, maar in ondiepere lagen verslechtert juist de chemische kwaliteit. Oppervlaktewater: chemische kwaliteit voldoet nog in geen enkel waterlichaam aan de doelstelling. Vanwege hoge fosforbelasting zullen niet alle doelen in 2027 kunnen worden gehaald. Zowel grond- als oppervlaktewater: concentraties gewasbeschermingsmiddelen voldoen aan wettelijke normen. Zorgen voor een veerkrachtig watersysteem. BODEM Verbeteren bodemgezondheid Zorgen voor een veerkrachtig bodemsysteem

Aanpak Voor 2024 en 2025 verstevigen en versnellen van al lopende programma's en activiteiten: Natura 2000beheerplannen, actualisatie en realisatie Natuurnetwerk Nederland, groenblauwe dooradering, bossenstrategie, agrarisch natuurbeheer (extra weidevogelgebieden) en herstelprogramma biodiversiteit (o.a. streven naar extra kwaliteit binnen bestaande natuurgebieden). Beheer- en herstelmaatregelen, vermindering van de stikstofdepositie, aanpak van verdroging en verbindingen met andere natuurgebieden (o.a. door versterken groenblauwe dooradering). - 1.498 ha nog te realiseren NNN, waarvan de helft vóór 2027 - 538 ha extra bos, waarvan 223 ha binnen het NNN en 315 ha daarbuiten - 112 ha extra landschapselementen - 210 ha extra agroforestry en voedselbos. Verplichte bufferzones, ANLb-beheerpakketten in en langs waterlopen (groenblauwe dooradering), DAWmaatregelen, sluiten kringlopen, investeringssubsidies, natuurvriendelijke inrichting en beheer van waterlopen en oevers, tegengaan oeverafkalving.

DAW-maatregelen ter behoud, herstel en verbetering van de biologische bodemkwaliteit (bodemleven) en de fysische bodemkwaliteit (bodemchemie, bodemstructuur, waterbergend vermogen).

8

KLIMAAT Landbouw algemeen: > reductieopgave van 0,8 Mton CO2-equivalenten (incl. koolstofvastlegging in landbouwbodems, bos en natuur) > klimaatadaptatie > 10% groenblauwe dooradering Friese veenweidegebied: extra reductieopgave van 0,4 Mton CO2-equivalenten. CIRCULARITEIT Verminderen inputs en verliezen Sluiten van grondstoffenkringlopen POSITIE BOEREN Versterken agrarisch ondernemerschap Maatschappelijke waardering

Sturen op het zoveel mogelijk sluiten van stikstof- en fosfaatkringlopen. Aanleg extra natuur, bos en groenblauwe dooradering (zie ook onder 'natuur'). In gebieden met een dik veenpakket streven naar een gemiddelde grondwaterstand van 40 cm beneden maaiveld. Zorgen voor voldoende water vasthouden en voldoende waterberging. Sturen op het zoveel mogelijk sluiten van stikstof- en fosfaatkringlopen, vermindering van ammoniakemissie, meer eiwit van eigen land (of directe omgeving). Doelsturing en beloning via KPI's

3. Werken met KPI's Zoals bovenstaand aangegeven, zijn er inmiddels drie sets KPI's beschikbaar: twee vanuit de biodiversiteitsmonitors voor de melkveehouderij en de akkerbouw en één vanuit het landelijke kringlooplandbouw-traject (de zogeheten KPI-K's). Daarnaast zijn er KPI-sets vanuit twee provinciale (Drenthe, Brabant) en een gemeentelijke (Midden-Delfland) beloningsregeling voor goede KPI-scores. Ook terreinbeheerders zoals Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten bereiden KPI-sets voor om de mate van 'natuurinclusiviteit' van hun pachters te kunnen beoordelen en belonen. Daarbij worden ook KPI's gebruikt die niet in de landelijke lijsten staan. Wetenschappelijke onderbouwing, betrouwbare borging De KPI-sets geven inzicht in een breed scala aan duurzaamheidsthema's: van de mondiale Sustainable Development Goals (SDG's) tot Europese, landelijke en regionale opgaven. De sets zijn zo gekozen dat ze een betrouwbare indicatie geven voor de stand van zaken en de vorderingen van het bedrijf op verschillende aspecten van duurzaamheid. De keuze van de indicatoren is wetenschappelijk onderbouwd: zie bijvoorbeeld Erisman et al 2014, Zijlstra et al 2017, Van Doorn et al 2019, Van Eekeren et al 2020 en de publicaties op de websites van de Biodiversiteitsmonitor Akkerbouw en de KPI's Kringlooplandbouw.

Dit neemt niet weg dat een aantal KPI's nog moet worden doorontwikkeld om volledig operationeel te zijn. Ook de borging is inmiddels ter hand genomen. In 2019 is de Stichting Biodiversiteitsmonitor in het leven geroepen, primair voor de Biodiversiteitsmonitor melkveehouderij. De stichting heeft een certificatieschema ontwikkeld. Hiermee is een onafhankelijk toezicht op de borging van de toepassing van de Biodiversiteitsmonitor en de aannemelijkheid van de KPI-scores georganiseerd. De KPI's worden zoveel mogelijk verantwoord uit bestaande administratieve bronnen van een melkveehouder of akkerbouwer. Op die manier ontstaat er zo min mogelijk extra administratieve lasten. Via een machtiging kunnen de gegevens digitaal beschikbaar worden gesteld (vanuit bestaande databronnen), worden geborgd en samengevat tot resultaten. Inmiddels wordt er ook proefgedraaid met een KPIdashboard waarmee de scores van boeren kunnen worden berekend en inzichtelijk worden gemaakt; zie daarvoor de website van BoerenKPI. Sturingsmogelijkheden en gebiedsgerichte aanpak Overheden en ketenpartijen kunnen met de beschikbare KPI's op verschillende manieren sturen: • De KPI's kunnen tezamen of in uitgekiende combinaties worden ingezet. In het eerste geval ontstaat een integraal beeld van de duurzaamheidsprestaties.

Als bovendien een 'voldoende' score op alle KPI's wordt vereist, wordt het risico van afwenteling tussen verschillende KPI's tot een minimum teruggebracht. In het tweede geval, bij inzet van selecties van KPI's, kan provinciaal en regionaal maatwerk worden geleverd 9

door de selectie toe te spitsen op de meest urgente gebiedsopgaven. De provincie Brabant heeft hiertoe zelfs enkele 'eigen' KPI's toegevoegd aan de landelijke lijst. • De drempel- en streefwaarde van elke KPI kan op maat worden gemaakt voor het doel, c.q. het gebied waarvoor hij wordt ingezet. • Bij beloning op basis van KPI-scores zijn er twee mogelijkheden: een vast bedrag als een bedrijf de streefwaarde haalt of een beloning die stijgt met een stijgende KPI-score. Door de mogelijkheden tot regionaal maatwerk lenen KPI's zich uitstekend voor een gebiedsgerichte aanpak. Door bovendien de beloning en van de drempel- en streefwaarden te variëren kan ervoor worden gezorgd dat een grote groep bedrijven in beweging blijft en verder verduurzaamt.

4. Relatie tussen FPLG-doelen en KPI's Om de relatie tussen de FPLG-doelen en KPI’s te duiden, zetten we de FPLG-doelen af tegen de beschikbare KPI's. Daarbij hanteren we voorlopig een combinatie van de KPI's van de biodiversiteitsmonitors melkveehouderij en akkerbouw en - voor zover verschillend - de KPI's uit de toekomstige landelijke set. Voor de hoofdthema's van het FPLG, te weten natuur, water, bodem, klimaat, circulariteit en positie boeren, is in onderstaande figuur te zien welke KPI's bij welk doel passen.

Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar het document met de uitwerking van maatregelpakket/project 9: 'Werken met KPI's in Fryslân'.

10

5. Drempel- en streefwaarden Voor het sturen met KPI's moet elke KPI worden voorzien van een drempel- en streefwaarde. De drempelwaarde legt de grens vast voor het al dan niet belonen van KPI-scores. Deze kunnen bijvoorbeeld zijn gebaseerd op de geldende wet- en regelgeving, al dan niet voorzien van een plus op basis van de gemiddelde prestaties in een provincie of regio. De streefwaarde is idealiter afgeleid van de te realiseren beleidsdoelen in een bepaald jaar. Er zijn twee WUR-rapporten over de drempel- en streefwaarden voor de KPI's die worden gebruikt bij de biodiversiteitsmonitors voor de melkveehouderij en de akkerbouw. Twee belangrijke kanttekeningen hierbij: • Zoals de WUR ook zelf aangeeft, moeten de door hen voorgestelde drempel- en streefwaarden vooralsnog worden beschouwd als indicatief omdat de wetenschappelijk-beleidsmatige onderbouwing nog ontbreekt of nog niet sluitend is. Hieraan wordt momenteel gewerkt. • De waarden moeten nog worden vertaald naar de Friese situatie en de Friese opgaven. Dat vergt een complexe exercitie, waarbij er eerst ook referentiewaarden voor Friesland moeten worden verzameld.

Om de drempel- en streefwaarden voor Friesland goed te kunnen bepalen: • zou er eigenlijk eerst een nulmeting moeten worden gedaan bij alle (toekomstige) deelnemende agrariërs en/of moeten er benchmarkgegevens beschikbaar komen om individuele scores van bedrijven in een specifiek gebied goed te kunnen duiden; • is aan te bevelen om de drempelwaarden waar mogelijk te actualiseren op basis van recente praktijkdata vanuit de diverse pilots, experimenteergebieden en projecten zoals het project Koeien & Kansen; • helpt het als de provinciale en regionale doelen voldoende concreet zijn en/of beter worden afgestemd op de KPI-definities. Het bepalen van passende drempel- en streefwaarden kan daarom het best tot onderdeel worden gemaakt van de gebiedsgerichte aanpak, waarin tegelijk met de wetenschappelijke doorontwikkeling van de KPI's als zodanig wordt gekomen tot haalbare en effectieve waarden om de regionale dolen te halen. De streefwaarden kunnen zo worden vastgesteld dat de bedrijven gezamenlijk de gebiedsdoelen halen. Voldoende draagvlak voor een KPI-aanpak is immers een essentiële succesfactor. Sturingsmogelijkheden: regionaal maatwerk mogelijk De KPI's en de invulling met drempel- en streefwaarden bieden overheden en ketenpartijen ruime sturingsmogelijkheden voor regionaal maatwerk: • De KPI's kunnen tezamen of in uitgekiende combinaties worden ingezet.

In het eerste geval ontstaat een integraal beeld van de duurzaamheidsprestaties. Als bovendien een 'voldoende' score op alle KPI's wordt vereist, wordt het risico van afwenteling tussen verschillende KPI's tot een minimum teruggebracht. In het tweede geval, bij inzet van selecties van KPI's, kan provinciaal en regionaal maatwerk worden geleverd door de selectie toe te spitsen op de meest urgente gebiedsopgaven. De provincie Brabant heeft hiertoe bijvoorbeeld enkele eigen KPI's toegevoegd aan de landelijke lijst. • De drempel- en streefwaarde van elke KPI kan op maat worden gemaakt voor het doel, c.q. het gebied waarvoor hij wordt ingezet. Door de mogelijkheden tot regionaal maatwerk lenen KPI's zich uitstekend voor een gebiedsgerichte aanpak: het Ontwikkeldocument NPLG van november 2022 legt al een relatie tussen regionale doelen en het werken met KPI's. Door bovendien de beloning en de drempel- en streefwaarden te variëren kan ervoor worden gezorgd dat een grote groep bedrijven in beweging blijft en verder verduurzaamt.

11

6. Bijdrage van KPI's aan de doelrealisatie Over de relatie tussen KPI-scores en doelbereik is nog niet veel bekend; deze wordt momenteel via diverse lopende pilots, projecten en experimenteergebieden verkend. Daar waar KPI's in min of meer dezelfde termen of kengetallen zijn uitgedrukt als de beleidsopgaven (zoals bijvoorbeeld bij broeikasgassen het geval is), kan redelijkerwijs een vrij directe bijdrage aan de doelrealisatie worden verondersteld. Verhouden KPI's zich alleen indirect tot het doel, dan is de bijdrage niet helemaal duidelijk. Bij de WUR vindt nu onderzoek plaats naar de relatie tussen KPI-scores en gebiedsopgaven via gebiedspilots. De WUR heeft in haar paper van mei 2022 en in haar recente notitie van maart 2023 een aantal belangrijke aandachtspunten benoemd ten aanzien van de mogelijkheden van beleidssturing met KPI's, waaronder de volgende: • Voor alle KPI's geldt dat verdere inhoudelijke ontwikkeling en testen in de praktijk noodzakelijk is en dat mogelijkheden voor een sector- en regio specifieke invulling verder moeten worden verkend. Dat laatste geldt bijvoorbeeld voor her realiseren van stikstof- en waterdoelen, waar de opgaven en oplossingen regionaal verschillen.

• Al eerder genoemd: de KPI-K-systematiek meet de integrale duurzaamheidsprestaties van een bedrijf, bevat de KPI-set niet per definitie alle informatie die nodig is om te meten of afzonderlijke beleidsdoelen worden gehaald. Alleen al omdat KPI's geen meetgegevens bevatten over de daadwerkelijke impact op bijvoorbeeld waterkwaliteit, depositie en soortenrijkdom, zullen vooralsnog specifieke monitoringsprogramma's nodig blijven. • In het verlengde daarvan: het doelbereik is de (provinciale of regionale) optelsom van het aantal deelnemende bedrijven en de prestaties per bedrijf, hectare of kg product. De systematiek stimuleert om de emissie per bedrijf (dier, product of ha) te verlagen, maar reguleert niet het aantal bedrijven (dieren, producten of hectares) in een bepaald gebied. Interessant in dat opzicht is de recente evaluatie van de Brabantse Biodiversiteitsmonitor (BBM), waaruit blijkt dat 50% van de deelnemers hun bedrijfsvoering hebben aangepast n.a.v. hun deelname aan de BBM en dat deelname voor 81% van hen een stimulans was om duurzamer te gaan presteren.

7. Relatie tot managementmaatregelen Hoewel maatregelen onderdeel kunnen uitmaken van de 'instrumentenmix' waarover we het eerder hadden, is de kern van doelsturing dat er zo min mogelijk maatregelen verplicht worden opgelegd. Desalniettemin is het nuttig om een idee te hebben van de mogelijke managementmaatregelen die grondgebruikers kunnen nemen om tot de gewenste KPI-scores te komen. Voorbeeldmaatregelen bij elke KPI zijn ook een handig hulpmiddel voor grondgebruikers om zelf hun 'groene profiel' te bepalen. Zie voor deze voorbeelden het document met de uitwerking van maatregelpakket/project 9: 'Werken met KPI's in Fryslân'.

8. Belonen op basis van KPI's Er zijn al enkele initiatieven waarbij boeren projectmatig worden beloond voor goede KPI-scores.Soms gaat het daarbij om een vaste streefwaarde met een vast bedrag per KPI, soms zijn er oplopende prestatieniveaus met een oplopende beloning. Daarnaast zijn er uiteraard nog andere manieren om goede prestaties te belonen, zoals pachtreductie, rentekortingen, soepeler vergunningverlening of gratis advisering. Zo wil Staatsbosbeheer KPI's onder meer gebruiken voor het bepalen van het niveau van 'natuurinclusiviteit' van hun pachters met het oog op de toedeling van gronden.

12

Bijlage 9: Aanpak Stikstof - Van Uitvoeringsprogramma Stikstof (UPS) naar FPLG Stikstof Door alsmaar opbouwende jurisprudentie en zeer moeizame vergunningverlening op het gebied van stikstof, ook in relatie tot de PAS-melders, is dit één van de meest urgente onderwerpen binnen het FPLG. Moeizame vergunningverlening staat met name agrarisch ondernemers in de weg bij het moderniseren en verduurzamen van hun bedrijven, terwijl verduurzamen juist één van de hoofddoelen van het FPLG is. Van de gewenste duidelijkheid en een duurzaam toekomstperspectief voor de agrarische sector kan daardoor ook nog nauwelijks sprake zijn. De Natuurdoelanalyses (NDA’s), waaraan op dit moment nog wordt gewerkt, laten vooralsnog zien dat stikstof een van de belangrijke drukfactoren is die het realiseren van de wettelijk bindende instandhoudingsdoelen van de VHR in de weg staat. Dat maakt vergunningverlening (ook bij extern salderen) moeilijk en brengt zelfs bestaande vergunningen mogelijk in gevaar (bijvoorbeeld onder druk van intrekkingsverzoeken). Door grote overschrijdingen van de KDW in veel stikstofgevoelige N2000-gebieden is er in de omgeving daarvan feitelijk geen enkele ruimte meer voor nieuwe ontwikkelingen, zolang die extra stikstofdepositie op deze gebieden veroorzaken.

Voor iedere nieuwe ontwikkeling moet daarom eerst stikstofruimte gecreëerd worden, door depositie afkomstig van andere activiteiten te reduceren. Tegelijkertijd is het nauwelijks nog mogelijk om deze depositie te reduceren, anders dan door het beëindigen of verplaatsen van bedrijfsactiviteiten. Dit komt doordat de juridische borging van de emissiereductie van veel innovaties, zoals emissiearme stalvloeren (de RAV), zwaar onder vuur ligt. Provinciebesturen zijn daarom op dit moment zeer terughoudend bij vergunningverlening op basis van emissiearme stalsystemen; dit geldt ook voor GS van provincie Fryslân. De emissiereductie van te nemen stikstofmaatregelen moet juridisch geborgd zijn. Juridische zekerheid m.b.t. (voortgang in) het behalen van de gestelde doelen is zowel van belang voor de houdbaarheid van al afgegeven vergunningen als voor het verlenen van nieuwe vergunningen en de houdbaarheid van het provinciale beleid. Vergunningverlening is over het algemeen nog wel mogelijk als op basis van een passende beoordeling significante gevolgen voor stikstofgevoelige N-2000 gebieden kunnen worden uitgesloten. Er zullen dan aanvullende voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden, waarbij nog niet duidelijk is welke voorschriften de rechterlijke toets kunnen doorstaan.

Voor de wat langere termijn bestaat de wens om een bedrijf/activiteit niet langer verantwoordelijk te maken voor de veroorzaakte (micro)depositie maar voor de emissies. Tegelijk is duidelijk dat de totale emissies in Nederland zullen moeten dalen. In onze ogen is een stelsel te bedenken dat bovenstaande problemen (vergunnen op emissieniveau, terugdringen van de totale emissies en reparatie van de RAV) kan adresseren. Een combinatie van een in de wet geborgd reductiepad, het instellen van een afrekenbare stoffenbalans en het gebruiken van de mate van stikstofverliezen als vervanging van de RAV lijken daarvoor noodzakelijk. Hiermee is over te schakelen op vergunningverlening voor de emissies van de hele bedrijfssituatie (zowel stal, mestopslag als beweiden en bemesten) in plaats van alleen de stalemissies. Dit door gebruikmaking van de afrekenbare stoffenbalans i.c.m. een wettelijk reductiepad. Provincie Fryslân draagt graag bij aan deze ontwikkelingen en speelt waar mogelijk een faciliterende rol. Uitvoeringsprogramma Stikstof 2035 Gedeputeerde Staten van provincie Fryslân heeft op 29 maart 2022 het Uitvoeringsprogramma Stikstof Fryslân 2030 vastgesteld. Het UPS geeft uitvoering aan de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering (Wsn ) en licht de maatregelen en processtappen toe die de provincie Fryslân op dat moment in dit kader kon en 13

wilde nemen. Het UPS had als doel het in 2035 bereiken van de omgevingswaarden van de Wsn. Doorrekening door WUR liet o.a. zien dat met een generieke emissiereductie van 25% in negen van de twaalf stikstofgevoelige N2000 gebieden in Fryslân de depositie op 74% van het stikstofgevoelige oppervlak onder de KDW kon worden teruggebracht (mits andere provincies en buitenland naar rato bijdragen). De resterende opgave zou kunnen worden gerealiseerd door aanvullende gebiedsgerichte inspanningen. In het UPS is ook vastgelegd dat de vergunningverlening op orde moet komen. Daarvoor wordt er gewerkt aan een harmonisering van de vergunningverlening, wordt latente ruimte in beeld gebracht en indoen nodig beperkt en een impuls gegeven aan toezicht en handhaving. Ook de noodzakelijke legalisering van de PASmelders is in het UPS opgenomen. Hiervoor is inmiddels onder het UPS een doelenbank PAS-melders opgericht. Kennis- en innovatie agenda Recente ontwikkelingen, waaronder de vaststelling van het NPLG als nieuw landelijk beleidskader en de (geleidelijke) afschaffing van de derogatie, maken anno 2023 een herijking van het UPS noodzakelijk, alvorens het programma integraal deel kan worden van het FPLG. Deze en andere (autonome) ontwikkelingen kunnen o.a. leiden tot extra stikstofreductie die nog niet voorzien was in het UPS.

Daarom is actualisering nodig van de doorrekening die aan het programma ten grondslag lag. De generieke en gebiedsgerichte restopgaven kunnen onder invloed van deze ontwikkelingen mogelijk veranderen. Over de periode 2018-2030 zijn de verwachtingen momenteel dat er in de landbouw sector zo’n 9-11% emissiereductie zal plaatsvinden en in totaal gemiddeld 16-17% reductie. De aankomende generieke stikstofmaatregelen van het Rijk, mogelijk ook in het kader van het Landbouwakkoord, vormen een andere bron van onzekerheid. Meer of sterkere generieke maatregelen vanuit het Rijk zullen het belang van provinciaal-generieke en gebiedsgerichte maatregelen (zoals in het UPS beschreven) over het algemeen doen afnemen. In dit FPLG gaan wij uit van het instellen van een emissieplafond per 2035 van 40 kg NH3/ha/jr. Dit zou in Fryslân een emissiereductie van 32% of 4,1 kton NH3/jr kunnen betekenen. Tegen de achtergrond van deze geborgde reductie lijkt het mogelijk te zijn vergunningen te beschermen tegen intrekkingsverzoeken en mogelijk zelfs een deel van de reductie te gebruiken voor het legaliseren van PAS-melders en andere ontwikkelingen. Met dit besluit ontstaan er geen grote verschillen tussen bedrijven in verschillende provincies (level playing field).

Bovendien zou het goed aansluiten bij het principe van dit FPLG om zoveel mogelijk te sturen op doelen, en zoveel mogelijk ruimte te geven aan ondernemers om deze op hun eigen manier te bereiken. Opgeteld leveren de autonome ontwikkeling, het stoppen met derogatie en het instellen van emissiearme bedrijfsvoering (productieplafond) een reductie die ruim voldoende is voor het behalen van de doelstelling van 74% onder KDW in 2035, op basis van doorrekening door Wageningen Universiteit. Een andere relevante vraag die nog opgehelderd moet worden alvorens beleid en wijze van uitvoering vast te stellen is of de stikstofopgaven leidend moeten zijn en de ambitieuze methaandoelen van het NPLG en FPLG volgend, of vice versa. In het eerste geval zou methaanreductie als het ware meeliften met de stikstofaanpak. Landelijke beleidsstukken laten hier recent een ommekeer in zien ten gunste van de methaandoelstellingen. Inhoudelijke argumentatie hiervoor lijkt op zijn minst ten dele nog te ontbreken. Het vergaren van de kennis die nog nodig is voor een integrale aanpak van stikstof- en methaanemissies is een onderwerp op de kennisen investeringsagenda van dit FPLG. Gezien alle recente ontwikkelingen is een herijking en opnieuw doorrekenen van het UPS Nodig. In de toekomst zullen we de stikstofaanpak meer in samenhang met de andere NPLG doelen beschouwen en regelmatig opnieuw doorrekenen.

Het UPS blijft van kracht totdat herberekening, herijking en integrale opname van de stikstofaanpak in het FPLG heeft plaatsgevonden. Naar verwachting zal dit in het eerste kwartaal van 2024 zijn. Tenslotte spelen er nog vragen m.b.t. de wettelijke borging van emissiereducerende maatregelen. Monomestvergisting is bijvoorbeeld een veelbelovende techniek die zowel stikstof- als broeikasgasreductie 14

kan leveren en bovendien het verdienvermogen van de agrarische sector kan versterken (via de verkoop van groen gas). De vraag is o.a. hoe de hiermee geboekte milieu- en klimaatwinst het beste geborgd kan worden en hoe eerdergenoemde obstakels in de vergunningverlening uit de weg geruimd kunnen worden. Een set uniforme kentallen, die in alle provincies gebruikt kan worden, ontbreekt nog. Met het oog op het korte tijdsbestek voor het opstellen van dit FPLG, zal actualisering en opnieuw doorrekenen van het UPS, met inachtneming van bovengenoemde zaken, deel moeten uitmaken van de kennis- en innovatie agenda van provincie Fryslân voor de jaren 2024-2025. Hierbij zal (opnieuw) afstemmen van de plannen met belanghebbenden ook nodig zijn. Investeringsagenda Hoewel sommige van bovengenoemde zaken de komende twee jaar nog nader onderzoek en/of doorrekening vereisen, blijft er genoeg over dat op korte termijn al uitgevoerd kan worden, om in de richting van de (stikstof-)doelen te bewegen. De strategie van dit FPLG is dan ook om hier op korte termijn krachtig op in te zetten, en waar mogelijk te versnellen. Deze investeringsagenda zal voor wat betreft stikstof vooralsnog bestaan uit: 1. Legalisatie van de PAS-melders.

Hoewel dit een verantwoordelijkheid van het Rijk is, heeft het Rijk hiervoor gelden beschikbaar gesteld aan de provincies, overigens “zonder daarbij verantwoordelijkheid af te willen schuiven”. Provincie Fryslân werkt (voorjaar ’23) aan het afronden van plannen om deze gelden zo effectief mogelijk in te zetten, rekening houdend met o.a. het gevaar van het verlenen van illegale staatssteun en het probleem van de additionaliteit (d.w.z. de noodzaak om aan te tonen dat te vergunnen stikstofruimte niet nodig is voor natuurherstel). De verstrekte budgetten zijn ontoereikend om alle 220 Friese PAS-melders te kunnen legaliseren. Daarbij bestaat het risico dat na het verschijnen van de NDA’s, vanwege de additionaliteit, in delen van Fryslân legalisatie onmogelijk is zonder wettelijk geborgde reductie. 2. Aanpak Piekbelasters. Het kabinet werkt aan twee Landelijke beëindigingsregelingen Veehouderij LBV en LBV+. De LBV+ beoogd een meer dan marktconforme vergoeding te bieden voor piekbelasters rond Natura 2000-gebieden. De regelingen zijn goedgekeurd door de Europese Commissie en zullen binnenkort worden opengesteld. In Fryslân verwachten we, op basis van de eerste signalen van LNV, een gering aantal piekbelasters. Verder is er nog geen duidelijkheid over alle opties die voor piekbelasters beschikbaar zijn (het zgn.

“trappetje van Remkes”) en heeft het Rijk aangegeven dat grond geen onderdeel uitmaakt van de regeling. 3. De Noordelijke Investeringsregeling Reductie Stikstofemissie, beter bekend als het “Laaghangend Fruit”. Dit betreft 55 miljoen Euro aan subsidies op laagdrempelige stikstofmaatregelen in de provincies Fryslân, Groningen en Drenthe. De betreffende subsidieregeling zal begin juni ’23 worden opengesteld voor melkveehouders in de drie noordelijke provincies. Subsidiabel zijn advies m.b.t. beweiden en het verlagen van het eiwitgehalte in het rantsoen van het vee, en een aantal niet-productieve investeringen voor het verlagen van de ammoniakemissie, zoals mestrobots en andere systemen om emissies vanaf de stalvloer en bij het uitrijden van de mest te reduceren. De gerealiseerde stikstofwinst komt voor 100% ten goede aan de natuur; er kan dus niet mee gesaldeerd worden. Op die wijze worden juridische voetangels zoveel mogelijk vermeden. Het gaat om een generieke maatregel, d.w.z. dat alle melkveehouders mee kunnen doen. 4. Het Friese stikstofmeetnetwerk. Op verzoek van zowel landbouw- en natuurpartijen als overheden is provincie Fryslân begonnen met het opzetten van een meetnetwerk ammoniak. Hiertoe is in eerste gestart met het op bescheiden schaal ophangen van meetbuisjes, van het type dat ook gebruikt wordt door het RIVM.

Daarnaast zijn er plannen voor real-time monitoring in en om agrarische en andere bedrijven. Het streven is om zoveel mogelijk aan te haken bij al lopende initiatieven, zoals de pilot in Lieftinghsbroek (GR) en meetprotocollen die zijn opgesteld in de Regio Food Valley (GLD). Het meetnetwerk zal naar alle waarschijnlijk deels gekoppeld worden aan Noordelijke Investeringsregeling 15

Reductie Stikstofemissie, om zo bij te dragen aan borging van de middels die regeling gerealiseerde stikstofreductie. 5. Opkoopregelingen en grondinstrumenten. Door proactief te handelen waar kansen zich aandienen, bijvoorbeeld in de vorm van stoppende agrariërs zonder bedrijfsopvolging, kunnen stikstofrechten uit de markt worden gehaald door opkoop en kan grond ten goede komen aan de bedrijven die door willen boeren. De relevante instrumenten en regelingen worden in meer detail beschreven in bijlage 6 (Grond) 6. Een investeringsregeling “hoger hangend fruit”. Bovengenoemde Noordelijke Investeringsregeling Reductie Stikstofemissie, beter bekend als het “Laaghangend Fruit”, richt zich met name op laagdrempelige maatregelen met een maximumsubsidie van 60k Euro per agrarische onderneming. Aangezien er voor bijvoorbeeld de verduurzaming van stallen over het algemeen grotere bedragen nodig zijn, kan een aanvullende regeling helpen om dit hoger hangende fruit in Fryslân bereikbaar te maken voor meer agrarische bedrijven. Zeker in belang met mogelijke landelijke aanscherpingen van de maximum stalemissie is een dergelijke regeling essentieel om te voorkomen dat veel bedrijven de boot missen. Een probleem dat hierbij helaas om de hoek komt kijken is het huidige gebrek aan goede juridische borging van stalinnovaties.

2024-2025 (wat is er op korte termijn nodig of welk bestaand beleid of opgave kan versneld worden?) Doelsturing. Sturen op doelen in plaats van het voorschrijven van maatregelen is een centraal principe van dit FPLG. De Biodiversiteitsmonitor Melkveehouderij bevat een set KPI’s (Key Performance Indicators) om te sturen in de richting van de FPLG-doelen; deze worden nader toegelicht in bijlage 8. Ammoniakemissie is één van de KPI’s van de Biodiversiteitsmonitor Melkveehouderij. Boeren die beter scoren dan een bepaalde drempelwaarde zouden daarvoor volgens een rekensystematiek beloond kunnen worden vanuit het Fries Beheerfonds. Uiteraard is het wel zaak dat de drempelwaarde uiteindelijk spoort met een eventuele landelijke drempelwaarde (“ammoniak productieplafond”), zoals die in bovenstaande tekst genoemd wordt. Ook is het denkbaar dat er gebiedsgericht gevarieerd wordt met drempelwaarden en/of beloningssystematiek. Om doelsturing op korte termijn uit te rollen is o.a. duidelijkheid nodig omtrent definitieve drempel- en streefwaarden en beloningsstructuur. Ook moeten (kringloopwijzer-)gegevens van boerenbedrijven vertrouwelijk blijven en daarom bij voorkeur door een onafhankelijke entiteit worden beheerd.

Tenslotte is nodig om een permanent fonds in te richten en te vullen met middelen (het Fries Beheersfonds), van waaruit beloningen voor ecosysteemdiensten, zoals een lage stikstofemissies, kunnen worden betaald. Emissiearm uitrijden van mest. Onderzoek geeft aan dat met emissiearm uitrijden van mest zo’n 5-10% emissiereductie is te behalen. Provincie Fryslân heeft in ’23 een challenge opgezet in samenwerking met StartUp in Residence Noord Nederland, die startups uitnodigde met ideeën te komen om boeren te informeren en motiveren om mest op een zo gunstig mogelijk moment uit te rijden, met minimale ammoniakemissie. Er is inmiddels een startup met een goed idee geselecteerd. De komende tijd zal de startup dit verder ontwikkelen in samenwerking met StartUp in Residence en provincie Fryslân. Bij gunstig resultaat zal het vervolgens zo snel mogelijk worden uitgerold. Een goed zaaksysteem voor vergunningverlening. Een randvoorwaarde voor een goede afhandeling van vergunningverlening en het houden van overzicht van de vergunde ruimte is een goed en overzichtelijk zaaksysteem. In de jaren 2024-2025 zal een nieuw zaaksysteem geïmplementeerd worden om dit overzicht te verkrijgen en te behouden. Er zal getracht worden hierin ook de milieutoestemmingen afgegeven onder Gemeenten in te brengen.

16

Koppelingen met ander beleid of doelen: •

Groenblauwe dooradering en bossenstrategie. Op de juiste plaats creëren van GBDA ondersteund de natuurdoelen. Bovendien kan met erfbeplanting, houtwallen, hagen en bos het verwaaien van stikstof tegengaan en daarmee verminderen van deposities. Met name in zuidoost Fryslân is het aanleggen van groene dooradering behulpzaam bij het minder verwaaien van stikstofemissies en het sluit aan bij de instandhoudingsdoelen van de gebieden in dat deel van Fryslân.

•

Veenweideprogramma en klimaat. Het verhogen van grondwaterstand en andere mogelijk te nemen besluiten t.b.v. het verlagen van de CO2 uitstoot kunnen een effect hebben op de veestapel. Hierdoor kunnen dan ook de stikstofemissies vanuit vee verlaagd worden.

•

Ruimtelijk beleid zoals aanlag NNN, GBDA, bossenstrategie en evt het thema landschapsgrond. Een ruimtelijke claim op grond, zelfs als er agrarisch medegebruik mogelijk is zal een effect kunnen hebben op de bemesting van die grond en evt de veebezetting. Daarmee kunnen ook de emissies vanuit bemesting verlaagd worden.

17

Bijlage 10: Reductie van Methaanuitstoot vanuit de Landbouwsector Doelsturing Het sturen op doelen in plaats van middelen is een centraal principe van dit FPLG en op deze wijze kunnen ook de emissies van broeikasgassen en ammoniak uit de landbouwsector worden teruggedrongen. Voor het thema broeikasgassen is al een redelijk goede set KPI’s beschikbaar, waarvan de KPI ‘broeikasgasemissies’ (uiteraard) de meest relevante is. Voor de methaanemissie is geen aparte KPI beschikbaar. Het sturen op verbetering via KPI’s op boerenbedrijven vraagt een integrale aanpak, omdat maatregelen veelal doorwerken op meerdere KPI’s tegelijkertijd. Maatregelen gericht op het reduceren van de methaanemissie kunnen zo in het ongunstige geval juist leiden tot hogere ammoniakemissies. Relevante kennis op dit vlak wordt momenteel ontwikkeld en verspreid door het programma ‘Integraal aanpakken’, waar onderzoekers, veehouders, sector en overheid samen aan de slag gaan om praktische maatregelen te identificeren die de emissies van zowel methaan als ammoniak verlagen. Een meer uitgebreide beschrijving van de wijze waarop doelsturing en KPI’s kunnen ingezet voor het verlagen van de broeikasgasemissies vanuit de landbouw wordt gegeven in de Bijlage “FPLG-doelen en de inzet van KPI’s”.

Extensivering en gecombineerde aanpak (met stikstof) Het ligt voor de hand om de reductie van methaanemissies binnen het FPLG zoveel mogelijk hand in hand te laten gaan met de reductie van stikstofemissies. Dit was ook de denkwijze achter de “Startnotitie NPLG” van minister Van der Wal in 2022. Waar bedrijven stoppen en/of er geëxtensiveerd wordt, zal een krimpende veestapel immers niet alleen leiden tot minder ammoniakemissies, maar de methaanemissies vanuit de provincie Fryslân reduceren. Er kunnen hierbij wel zogenaamde “waterbedeffecten” optreden, omdat broeikasgassen (zoals methaan) mondiale effecten hebben. Als de Nederlandse veestapel krimpt en de Nederlandse en wereldwijde vraag naar zuivel en vlees niet verandert, kan de zuivel- en vleesproductie elders3. De mondiale druk op het klimaat zal dan gelijk blijven en die op biodiversiteit mogelijk toenemen. Dit laatste komt doordat extra landbouw buiten Nederland vaak ten koste gaat van natuur die een hogere biodiversiteit kent dan de Nederlandse natuur (PBL, 2021). Het risico op weglekeffecten naar het buitenland is mede afhankelijk van de regelgeving in de landen waar die productie plaatsvindt (PBL, 2021). Het mag aangenomen worden dat regelgeving in landen als Brazilië of China over het algemeen minder strikt is dan de Nederlandse.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Tytsjerksteradiel&id=4fa2976f-536b-4ae3-9281-fdc74684493f