CConstaterende datTytsjerksteradiel
Koppel je AI →
Document · PDF

10 - Bijlage 3 - Bijlagen bij concept FPLG 9 mei 2023

RAADSVERGADERING 2018 t/m 2024 22 juni 2023, gemeente TytsjerksteradielBij agendapunt: Concept Frysk Programma Landelijk Gebied (FPLG) (besluitvormend, hamerstuk)38.573 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

In Fryslân zijn drie beekdalsystemen aanwezig op de hoge zandgronden: de Tjonger, het Koningsdiep en de Linde. Deze drie systemen hebben een grote landschappelijke en natuurlijke waarde voor Fryslân. Het zijn de enige plaatsen in Fryslân waar (langzaam) stromend water aanwezig is met kenmerkende stromendwatersoorten. Zo draagt het gebied bij aan de (bio)diversiteit van het Friese landschap. Het gebied in en rondom de beekdalen heeft een belangrijke recreatieve functie. Ook het agrarische grondgebruik is belangrijk, met voornamelijk veeteelt bedrijven en een aantal akkerbouwbedrijven. Een belangrijk knelpunt in het ecologisch functioneren van de Friese beken is het hydromorfologisch en hydrologisch functioneren van de beeksystemen. De Friese beken zijn vanwege het beperkte verhang van nature langzaam stromend. In de huidige situatie is de stroming echter zo laag dat de kenmerkende beeksoorten onder druk staan. Dit is veroorzaakt doordat in ruilverkavelingen in het verleden de afwatering van de beekdalen is verbeterd om wateroverlast te voorkomen en te zorgen voor een betere ontwatering van het gebied. Er infiltreert steeds minder regenwater naar het grondwater. Daardoor is de kwel naar de beekdalflanken en de basisafvoer van de beek afgenomen. Ook neemt de wegzijging uit het gebied toe door de bodemdaling in het veengebied en in het beekdal zelf.

De verdroging in het gebied heeft ook effect op de landbouw en natuurgebieden rondom de beken en hoger liggende natuur; in de droge zomers van de afgelopen jaren merken we steeds vaker dat dit tot problemen leidt. In de beekdalen komt lokaal nog een veenpakket voor (ca. 8000 ha beekdal, waarbij er deels nog veen aanwezig is. Het veen ligt vooral langs de oorspronkelijke beekloop en zijbeken). . Veenoxidatie in de lagere delen van het beekdal zorgt ervoor dat de bodem daar daalt en dat betekent dat rond de beek liggende gronden steeds dieper komen te liggen. Op de langere termijn zorgt dit voor meer verdroging en de risico’s voor wateroverlast in deze gebieden nemen toe. Voor de langere termijn kan de landschappelijke en natuurlijke waarde van de beekdalen worden versterkt. Dit vraagt om integrale en gebiedsgerichte planvorming in samenwerking met de betrokkenen uit het gebied. Op korte termijn kan worden doorgegaan met de activiteiten van de gebiedscommissies beekdal Linde en beekdal Koningsdiep. Deze richten zich op het verbeteren van de kwaliteiten van het beekdalsysteem. Daarbij wordt nagegaan of de opdracht van de commissie kan of moet worden aangepast op basis van de opgaven die er nu vanuit het NPLG zijn geformuleerd.

8

Op korte termijn kan ook gestart met maatregelen die voortkomen uit het onderzoek ‘kleinschalig hydromorfologisch herstel van de Friese beken’. In dit onderzoek is geïnventariseerd waar in de beken kansen liggen om de onder druk staande kenmerkende beeksoorten zoveel mogelijk te beschermen. Deze maatregelen kunnen per direct opgestart want voor een deel van deze maatregelen is momenteel al financiering beschikbaar. Voor deze maatregelen geldt dat het geen-spijtmaatregelen zijn. Ook bij hogere stroomsnelheden (of juist ook) dragen deze ingrepen bij aan het beschermen van de kenmerkende beeksoorten. Waddeneilanden Fryslân heeft vier Waddeneilanden. Schiermonnikoog, Ameland en Terschelling kenmerken zich met de opbouw van strand en duin aan de Noordzeezijde. De duinen gaan via de zogeheten binnenduinrand over in het poldergebied. Aan de Waddenzeezijde worden de polders beschermd door Waddendijk. Vlieland bestaat vrijwel alleen uit strand en duinen. Aan de zuidkant van de eilanden liggen op diverse plekken nog kwelders. Bij hoogwater staan deze kwelders onder water. De neerslag die op zandgronden van de duinen valt trekt de grond in (infiltratie). Hierdoor wordt het grondwater onder de duinen aangevuld met zoet water. Het zoete grondwater drukt het zoute grondwater weg naar de diepte, waardoor er onder de eilanden een zoetwaterbel is ontstaan.

Door de aanwezigheid van dit zoete grondwater is er op de Waddeneilanden drinkwater beschikbaar en landbouw mogelijk. Dit grondwater is ook van belang voor de natuur. Op diverse plekken op de Waddeneilanden is er grondwaterafhankelijke vegetatie. Door o.a. wateronttrekkingen, verzilting en zeespiegelstijging staan de zoetwaterbellen onder de Waddeneilanden onder druk.

Figuur 3: schematisch overzicht (grond)watersysteem Waddeneilanden

9

Voor de langere termijn zoeken we naar balans in de zoetwaterbellen, waarbij gebruik en aanvulling in evenwicht zijn. Door het verhogen van waterpeilen kan de toename van de zoute kwel door zeespiegelstijging worden beperkt en kunnen de zoetwaterlenzen in de percelen worden vergroot. Daarnaast kan worden ingezet op het zoveel mogelijk vasthouden van regenwater om zo het neerslagoverschot zoveel mogelijk te benutten. Dit kan door bijvoorbeeld het zoveel mogelijk afkoppelen van de dakoppervlakken van het rioolstelsel. Maar ook kan worden ingezet op het tijdelijk bergen van water in lage gebiedsdelen zodat het tijd krijgt om te infiltreren. Voor de kortere termijn betekent dit dat we per Waddeneiland een klimaat- en waterplan willen maken (voor Schiermonnikoog is deze al gereed). Samen met Vitens wordt bekeken hoe de drinkwatervoorziening toekomstbestendig kan worden gemaakt. Waterbesparing, maar ook de (toekomst van de) drinkwaterleiding over het wad, is hier een belangrijk onderdeel van. 4. Ruimtelijke puzzel De impact van de autonome ontwikkelingen als veenoxidatie en bodemdaling zijn in het veenweidegebied groot en zullen als gevolg van de klimaatverandering toenemen. Fryslân klimaatbestendig 2050+ ligt in het verlengde van de koers uit het Veenweideprogramma, maar heeft een langere tijdshorizon.

Net als het Veenweideprogramma bepleit deze toekomstvisie een transitie van het gebied. Dit heeft consequenties voor de landbouw, natuur(beheer) en landschapsontwikkeling, maar ook voor wonen, infrastructuur en recreatie. Meer ruimte voor het watersysteem vraagt in alle deelgebieden ruimte, maar kan anderzijds bijdragen aan de beschikbaarheid van voldoende oppervlakte- en grondwater van goede kwaliteit, ook voor de landbouw. Verdroging brengt risico’s met zich mee voor de oogst; meer (zoet)water vasthouden kan helpen dit te voorkomen. De langetermijnvisie in Fryslân klimaatbestendig 2050+ richt zich op het beperken van verdroging met hogere grondwaterstanden en het herstel van beekdalen. In alle deelgebieden is meer ruimte voor de boezem en voor vasthouden en beschikbaar maken van gebiedseigen water nodig. Dat ondersteunt het verbeteren van de groenblauwe dooradering, de biodiversiteit en de waterkwaliteit. 5. Waterkwaliteit (Kaderrichtlijn Water) Het doel van de Kaderrichtlijn Water (KRW) is een goede ecologische en chemische toestand in alle grond- en oppervlaktewateren in de EU, uiterlijk in 2027. Dit betekent ecologisch gezonde oppervlaktewateren met een evenwichtige en gevarieerde plantengroei, visstand en bijbehorende kleine waterdieren. En dat de concentraties verontreinigende stoffen laag genoeg zijn, voor een gezond ecosysteem.

Met schoon, gezond en voldoende water draagt de KRW bij aan behoud en herstel van de biodiversiteit. De KRW geldt voor zowel oppervlaktewater als het grondwater. Het KRW-maatregelenpakket van Wetterskip Fryslân en provincie Fryslân is vastgelegd in de KRW-nota Fryslân 2022-2027 (Veilig, voldoende en schoon water | Fryslan) en de KRW-beslisnota van Wetterskip Fryslân. Oppervlaktewater Voor een goede kwaliteit van het oppervlaktewater wordt vooral gekeken naar wat er leeft in het water aan bijvoorbeeld vissen, waterplanten en insecten. Ook zijn er normen voor verontreinigende stoffen in het water. Inmiddels werken we al ruim tien jaar aan het uitvoeren van de maatregelen om de doelen te bereiken die in de KRW-plannen voor het oppervlaktewater zijn opgenomen. Vanaf het begin van de KRW is vooral ingezet op de aanleg van natuurvriendelijke oevers en vispassages. Hierdoor komt er meer leefgebied beschikbaar en worden barrières om te kunnen migreren opgeheven. Later is daar een extra inzet op emissiemaatregelen bijgekomen (het Uitvoeringsprogramma Emissies). Sinds een aantal jaren komt het accent steeds meer op onderhoud te liggen, om het natuurvriendelijke areaal in stand te houden. 10

We zijn goed op weg. Over het algemeen zien we dat de het natuurvriendelijke areaal dat we aanleggen zich goed ontwikkelt. Hele mooie voorbeelden hiervan zijn het beekdal van het Koningsdiep, de nieuwe nevengeul bij de Tjonger en projecten rond het Sneekermeer. In de natuurvriendelijke oevers die we aanleggen, zitten 50% meer soorten waterdiertjes dan in steile oevers. We zien ook algemene positieve tendensen in de ontwikkeling van de waterkwaliteit. Zo is het gemiddelde doorzicht in het water in de afgelopen twintig jaar met 20 cm toegenomen. Daarnaast blijkt uit onderzoek dat de aangelegde vispassages hun werk doen. Wat we graag meer zouden willen zien, is dat de verbetering die we in de aangelegde oeverzones waarnemen, zich verder doorzet in het meer, beek of kanaal. De successen die we boeken in onze projecten komen vaak nog niet goed tot uiting in de beoordeling volgens de KRW-systematiek. Ecologisch herstel vraagt soms ook meer tijd. Effecten van maatregelen zullen daarom ook nog na 2027 tot uiting komen. Maar ook dit is in lijn met wat de KRW van ons vraagt. We voeren steeds in samenwerking met onze partners de maatregelen uit die voor ons haalbaar en betaalbaar zijn. In de voorliggende plannen zijn maatregelen opgenomen voor het waterschap en de provincie, die wij als de meest (kosten)effectieve maatregelen zien.

Ook zitten er maatregelen in voor andere partijen in het beheergebied. We vertrouwen erop dat, ondanks de onzekerheden die er zijn, hiermee een flinke stap in de verbetering van de waterkwaliteit gemaakt wordt. Maatregelen voor de KRW dragen ook bij aan natuurkwaliteit, landschap, beleving, klimaatadaptatie en biodiversiteit. Vanuit het deltaplan agrarisch waterbeheer (DAW) werken provincie, Wetterskip Fryslân en LTO-Noord samen aan de verbetering van waterkwaliteit door middel van projecten binnen en buiten het GLB-NSP. Voor de periode 2023-2027 is daarvoor ca. 5,7 mln uitgetrokken. Vanuit het DAW is een gebiedsaanpak agrarisch waterbeheer (GAW) opgesteld. In dit plan zijn de Friese doelen voor waterkwaliteit en water vertaald naar gebiedsspecifieke doelen. In de komende periode gaan we aan de slag in specifieke gebieden om in samenwerking met de gebieden een uitvoeringsprogramma op te stellen. Hiervoor zijn 8 gebieden geselecteerd waar grote opgaven liggen en waar al initiatieven bestaan. Voor de uitvoering van het uitvoeringsprogramma willen we gebruik maken van de 'gebiedsmaatregel’ in het GLB-NSP, waarbij boeren een deel van de kosten van de bovenwettelijke maatregelen voor investeringen en beheer vergoed krijgen. We zien in de huidige situatie dat er veel animo is voor de verschillende regelingen en het beschikbare budget over het algemeen limiterend voor de voortgang.

Grondwater De Kaderrichtlijn Water richt zich niet alleen op de bescherming van het oppervlaktewater-water maar ook op die van het grondwater. De provincie is verantwoordelijk voor de grondwaterdoelen (die in hoofdzaak Europees en landelijk bepaald zijn) en als grondwaterbeheer ook voor de grondwatermaatregelen. De doelen voor grondwater hebben betrekking op vier KRW grondwaterlichamen die we in Fryslân onderscheiden. De doelen en maatregelen voor deze grondwaterlichamen zijn uitgewerkt in de KRW factsheets. De doelen voor de grondwaterlichamen richten zich bestrijding van de verdroging van Natura 2000 gebieden en op de bescherming van de openbare drinkwaterwinningen.

Drinkwater Fryslân heeft een grote voorraad schoon, zoet grondwater. Dit zoete grondwater is de eerste keuze voor de productie van drinkwater in de drinkwaterstrategie Fryslân 2050. Ook op de Waddeneilanden is zoet grondwater de eerste keuze voor de productie van drinkwater maar zal gezien de bijzondere situatie (zoetwaterbel en kwetsbare natuur) de inzet van andere bronnen mogelijk eerder aan de orde zijn. De grote zoetwatervoorraad van het vaste land van Fryslân ligt in het zuidoostelijke deel van de provincie EN in de aangrenzende delen van de Provincie Groningen en de provincie Drenthe. 11

De huidige situatie van de drinkwatervoorziening kent in Fryslân: •

53,5 miljoen m3 onttrekking per jaar (2019);

•

12 grondwaterwinningen (waarvan 5 op de Friese Waddeneilanden);

•

Circa 8100 km transportleidingen waaronder twee Wadleidingen (naar Ameland en Terschelling).

Voor informatie over de huidige drinkwaterwinningen en de invloed daarvan op de omgeving, zie achtergrondrapportage BOVI. Drinkwaterstrategie Fryslân: In de afgelopen 8 jaar is de drinkwatervraag in Fryslân met ca. 8 mln. M3/j (18%) toegenomen. Deze stijging wordt in Fryslân veroorzaakt door factoren als bevolkingsgroei, stijging aantal melkkoeien, groei zuivelindustrie, economische groei, droge en warme zomers, toename hoofdelijk verbruik en Corona. Om goed in te kunnen spelen op deze ontwikkelingen moet de drinkwaterproductie hierop zijn voorbereid. Het aanwijzen en beschermen van aanvullende strategische voorraden (ASV) maakt onderdeel uit van deze voorbereiding. Landelijk is afgesproken dat we een stijgende drinkwatervraag moeten kunnen opvangen. De Drinkwaterstrategie gaat uit van een toename van de drinkwatervraag in 2050, onder ander als gevolg van bevolkingsgroei. Voor Fryslân is 12,5 mln. M3/jaar meer drinkwater noodzakelijk dan op grond van de bronnen tot en met 2026 beschikbaar is. Daarnaast is 24 miljoen m3 per jaar bij huidige winningen als risicovol voor verzilting aangemerkt tot het jaar 2100. In totaal wordt door de provincie voor de periode tot 2050 een ASV-zoekgebied vastgelegd en beschermd dat voldoende groot is voor ongeveer 30 miljoen m3 per jaar aan potentiële drinkwaterbronnen.

Figuur 4, Gedetailleerde ASV-zoekgebieden (incl. globale 100 jaarsbeschermingszone)

Een belangrijk voornemen uit de drinkwaterstrategie en uit de landelijke beleidslijnen is om zuiniger om te gaan met drinkwater en het beschikbare zoetwater. In het Waddengebied staat onze natuurlijke hulpbron het meest onder druk. We zien dat drinkwater nog steeds en steeds meer voor minder hoogwaardige toepassingen wordt ingezet, terwijl de onttrekking van dit drinkwater bijdraagt aan de 12

verdrogingsproblematiek. Bovendien kost het zuiveren van het gewonnen drinkwater energie en hulpstoffen. Tijd om werk te maken van effectieve stappen om waterbesparing te realiseren; bijvoorbeeld door het gebruik van andere bronnen voor laagwaardiger toepassingen. En door het beschikbare zoetwater zo goed mogelijk te beschermen en vast te houden (waterconservering). Verzilting in relatie tot drinkwater: Voor de concrete drinkwaterwinningen op de vaste wal gaat het daarbij om drie winningen waar op de lange termijn verziltingsrisico’s spelen (Garyp, Noardburgum, Oudega). Daarnaast komen er uit metingen in de pompputten signalen dat de winning Nij Beets ook wel eens met oplopende chlorideconcentraties te maken kan krijgen. De totale wincapaciteit waar tot het jaar 2100 enig risico op verzilting speelt, is maximaal ruim 24 mln. m3/j (exclusief de Waddeneilanden). Het totaal (maximum) aan nieuwe capaciteit dat in de toekomst (tot 2050) nodig zou kunnen zijn, bedraagt daarmee 36,5 mln. m3/j. Waddeneilanden Ook op de Waddeneilanden is zoet grondwater de eerste keuze voor de productie van drinkwater maar zal gezien de bijzondere situatie de inzet van andere bronnen eerder aan de orde kunnen zijn. De bijzondere situatie wordt gevormd doordat er onder de eilanden een zoetwaterbel zit, omringd door zout water.

Deze zoetwaterbel levert het water voor planten en dieren en wordt benut voor de productie van het drinkwater op de eilanden. Doordat regenwater infiltreert, wordt de zoetwaterbel aangevuld. Deze balans moet gewaarborgd blijven voor de leefbaarheid op de eilanden. Vlieland en Schiermonnikoog zijn zelfvoorzienend wat drinkwatervoorziening betreft. Dat betekent dat al het drinkwater wat op deze eilanden wordt gebruikt, op de eilanden zelf wordt gewonnen en geproduceerd. Terschelling en Ameland krijgen twee derde van het drinkwater via een wadleiding vanaf de vaste wal aangeleverd. Met het vaststellen en beschermen van ASV’s op de vaste wal, zijn Ameland en Terschelling daardoor verzekerd van voldoende drinkwater in de toekomst zolang de wadleidingen in gebruik blijven. Vanwege de bijzondere situatie op de eilanden wordt per eiland bekeken hoe de drinkwatervoorziening toekomstbestendig kan worden gemaakt. Daarbij wordt ook gekeken naar innovaties in de waterketen. De provincie en Vitens maken op korte termijn een plan van aanpak met tijdspad om te komen tot een strategie voor de Waddeneilanden. Hierbij is het doel dit onderdeel uit te laten maken van integrale waterplannen. De afweging of en hoe de wadleidingen onderdeel worden van de oplossing wordt hierin meegenomen.

Nationale Grondwaterreserves (NGR’s) In de Nota Drinkwater (2014) is het concept van Nationale Grondwater Reserves (NGR’s) geïntroduceerd, in de Structuurvisie Ondergrond (STRONG, 2018) heeft het Rijk NGR-gebieden (indicatief) aangewezen.Deze voorraden zijn waardevol als natuurlijk kapitaal en kunnen worden ingezet voor de drinkwatervoorziening als ontwikkelingen in de verre toekomst daartoe aanleiding geven. NGR’s zijn grote grondwatervolumes die potentieel fysisch winbaar zijn. Echter, de werkelijke winbaarheid van het grondwater is afhankelijk van de omvang en wenselijkheid van de volgende verlagingseffecten als gevolgen van de onttrekking van grondwater: 1. Een aantal NGR’s is aan de onderkant begrensd door het zoet-zoutgrensvlak. Een toename van de grondwateronttrekking kan leiden tot het aantrekken van brak grondwater; 2. Een aantal NGR’s is gesitueerd onder natuurgebieden met een Natura 2000-status. Een toename van grondwateronttrekkingen uit NGR’s kan leiden tot een daling van grondwaterstanden, kwelfluxen en beekafvoeren. Dit kan leiden schade berokkenen aan de instandhoudingsdoelen voor N2000 en is vanuit de Wet Natuurbescherming niet toegestaan; 3. Volgens de Kader Richtlijn Water zijn structurele stijghoogteverlagingen als gevolg van een toename van onttrekkingen niet toegestaan.

13

Een van de kandidaat NGR’s wordt gevormd door Zuidwest-Fryslân (zie kaartje).Onder deze NGR bevindt zich brak grondwater. De NGR kan verzilten door een toename van de grondwateronttrekking, al dan niet in combinatie met een afnemend neerslagoverschot of veranderend peilbeheer.

De Nationale Grondwater Reserves als natuurlijk kapitaal zijn nu al beschermd volgens de regels die voor al het grondwater gelden (Kaderrichtlijn Water en Wet bodembescherming) en de regels voor ondergrondse activiteiten in de Mijnbouwwet . Verder zijn ze opgenomen in de Beleidsnota Drinkwater (2021-2026) en STRONG (2018) en daarmee ‘beleidsmatig beschermd’. Bij toekomstige ontwikkelingen moet het belang van deze grondwaterreserves worden meegewogen. Daarbij gaat het zowel om kwalitatieve als kwantitatieve bescherming vanuit het uitgangspunt dat de voorraden schoon blijven en niet worden uitgeput. Waterkwantiteit: Grondwateronttrekkingen zijnde niet drinkwater In het Friese grondwatersysteem vinden onttrekkingen plaats van grondwater. Dat betreft drinkwaterbronnen, maar ook onttrekkingen ten behoeve van bijvoorbeeld beregening en veedrenking. In 2019 hebben provincie en Wetterskip Fryslân onderzoek laten uitvoeren naar de effecten van de grondwateronttrekkingen op de grondwaterstanden in de provincie. Daaruit bleek dat in de huidige situatie de effecten beperkt zijn, maar wanneer het aantal grondwateronttrekkingen toeneemt(een verwacht effect van klimaatverandering) met 50-100%, er wel significante verdrogingseffecten optreden. Daarom werken we in de komende periode aan een betere bescherming van de grondwatervoorraad. Dat betekent: Voor de korte termijn (2024-2025): •

We brengen de grondwateronttrekkingen beter in beeld, inclusief particuliere onttrekkingen en veedrenkingsputten;

•

We brengen, aanvullend op de studie uit 2019, in beeld wat het specifieke effect is van grondwateronttrekkingen op de beekdalen (ook KRW-maatregel).

Voor de langere termijn (2025-2035): •

In de verdrogingsbestrijding van de Natura2000-gebieden werken we met een gebiedsspecifieke aanpak. Als blijkt dat voor een specifiek gebied de grondwateronttrekkingen van problematische grootte zijn, kunnen hier gebiedsspecifiek maatregelen worden genomen in het grondwaterbeschermingsbeleid EN in de ruimtelijke ordening.

•

Indien nodig vergunningenbeleid voor grondwateronttrekkingen aanpassen.

•

Beleid ontwikkelen om negatieve effecten van een mogelijke toename van onttrekkingen op de zandgronden te beperken.

2. Verdrogingsbestrijding N2000 14

Voor de KRW geldt dat de doelen (rond- en oppervlaktewater in een goede toestand) is bereikt in 2027. Op dit moment verloopt de aanpak van de verdroging te traag, dit vraag dus om een versnelling. In de Natuurdoelanalyses die voor de Natura 2000 gebieden worden opgesteld wordt een analyse opgenomen van de hydrologische drukfactoren en welke maatregelen mogelijk zijn om deze te beperken zodat de goede staat van instandhouding kan worden bereikt. Met een gebiedsgerichte aanpak, waarbij ook andere drukfactoren zoals stikstofdepositie en knelpunten in beheer en inrichting worden aangepakt, willen we de kwaliteit van de Natura 2000 gebieden verbeteren, Naast lokale maatregelen wordt ook gekeken naar systeemoplossingen op de langere termijn, mede in samenhang met de ontwikkelingen op het gebied van klimaatadaptatie. Een deel van de Natura 2000 gebieden is verdroogd, maar kan niet (volledig) worden hersteld. Dat speelt bijvoorbeeld bij de gebieden waar veel wegzijging plaats vindt naar de Noordoostpolder. Het onder water zetten van de Noordoostpolder of de aanleg van een randmeer is immers geen realistische optie meer. Op dit moment is een technische correctie op de doelstelling voor dit gebied niet mogelijk. Voor dit knelpunt moet een oplossing worden gezocht.

15

Bijlage 6: Fryslân Klimaatbestendig 2050+ Managementsamenvatting: Richting een toekomstbestendig water- en bodemsysteem in Fryslân Link naar het volledige rapport: Fryslan Klimaatbestendig 2050+ Het Friese oppervlakte- en grondwatersysteem hebben een nauwe onderlinge relatie. Door de manier waarop ons watersysteem nu functioneert, en door de toekomstige uitdagingen, loopt het Friese water- en bodemsysteem tegen grenzen aan. Droogte op de zandgronden, verzilting van grondwater en voortgaande oxidatie van het nog resterende veenpakket vragen om maatregelen gebaseerd op een lange termijnvisie op een klimaatbestendig Fryslân. De beschikbaarheid van water staat onder druk; voor de zoetwatervoorziening is het water- en bodemsysteem van Fryslân op termijn te afhankelijk van het IJsselmeer. De stijgende zeespiegel dwingt ons tot het blijven werken aan dijkversterkingen. Zonder ingrijpen zullen deze ontwikkelingen leiden tot o.a. waterveiligheidsvraagstukken, daling van productie en consumptie en verlies van vastgoedwaarde. Het watersysteem van de toekomst moet een systeem zijn dat gebaseerd is op de natuurlijke principes van water en bodem. Een systeem dat toekomstbestendig is; weerbaar tegen klimaatverandering, zeespiegelstijging en extremere weersomstandigheden, en een gezonde basis biedt voor menselijk gebruik, natuur en biodiversiteit.

Dit betekent primair dat de inrichting van het water- en bodemsysteem een goede basis is voor een duurzame zoetwaterbalans in heel Fryslân. In de Blauwe Omgevingsvisie (BOVI) en Blauwe drager verkennen provincie Fryslân en Wetterskip Fryslân dit eindbeeld. Gezamenlijk vormen deze documenten Fryslân klimaatbestendig 2050+: de toekomstvisie op een klimaatbestendige inrichting van Fryslân voor 2050 en verder, waarbij water en bodem sturend zijn. Deze visie is in 2022 tot stand gekomen middels drie sporen (zie Figuur 1): 1. Een actief participatieproces met de Friese Mienskip en vertegenwoordigers van belangenorganisaties, en co-creatie met de ambtelijke en bestuurlijke vertegenwoordiging van Wetterskip Fryslân, provincie Fryslân en de inliggende gemeenten. 2. Daarnaast hebben de specialisten van Wetterskip Fryslân en provincie Fryslân samengewerkt aan de inhoudelijke onderbouwing van de visie. Voor de uiteenzetting van de werking van het huidige systeem en onderbouwing van de opgave is gebruik gemaakt van deze jarenlange kennisontwikkeling en van recente onderzoeken naar het Friese water- en bodemsysteem. 3. Dit document is de Friese invulling van de Kamerbrief ‘Water en bodem sturend in de ruimtelijk inrichting’ (WaBoS-brief) die op 25 november 2022 door het Ministerie van Infrastructuur & Waterstaat is aangeboden aan de Tweede Kamer . Deze brief heeft een tijdshorizon tot 2030.

Deze brief wordt vertaald in een Rijksprogramma ‘water en bodem’.

1

Bijlage 7: Aanpak Natuur en Biodiversiteit Inleiding De centrale opgave voor de natuur is het herstellen van de biodiversiteit. Het thema biodiversiteit is in het NPLG zelfstandig gekwantificeerd met de Vogel- en habitatrichtlijndoelen (zogeheten VHR-doelen), namelijk: •

De gunstige staat van instandhouding voor de Vogelrichtlijnsoorten en Habitatrichtlijn -soorten en habitattypen (VHR-doelen) waar Nederland met de EU-afspraken over heeft gemaakt, dient te worden gerealiseerd. In 2030 is 30% natuurherstel gerealiseerd; Ofwel: 30% van het gat tussen de huidige staat van instandhouding en de gunstige staat van instandhouding voor de VHR-doelen is gerepareerd.

De in dit hoofdstuk beschreven onderdelen dragen allemaal bij aan de realisatie van de biodiversiteitsopgave. Het betreft een samenvatting uit de volgende achtergronddocumenten die in de bijlagen zijn opgenomen: •

VHR-doelen

•

Natura 2000-gebieden

•

Natuurnetwerk Nederland

•

Groenblauwe dooradering

•

Bossenstrategie (in het kader van de klimaatopgave)

•

Agrarisch natuur en landschapsbeheer (ANLb)

De rekenkundige c.q. juridische benadering doet de natuuropgave onvoldoende recht en werkt soms zelfs averechts (maatschappelijke -, financiële - en/of juridische consequenties). Natuur en biodiversiteit zijn de thermometer van onze leefomgeving. Als het niet goed gaat met de natuur en de biodiversiteit komt de leefbaarheid van het platteland in gevaar. Een gezonde bodem, de bestuiving van onze voedselgewassen, natuurlijke plaagbestrijding en de productie van hout zijn bijvoorbeeld afhankelijk van biodiversiteit. Het enorme belang is de reden waarom het herstel van de biodiversiteit als aparte opgave is benoemd in de Friese omgevingsvisie ‘Lok op 1’ en de Provincie Fryslân in 2021 een Agenda herstel biodiversiteit Fryslân vaststelde voor de periode t/m 2023. Het Herstelprogramma is gericht op het z.s.m. stoppen van de achteruitgang van de biodiversiteit, in het bijzonder de bedreigde en beschermde soorten waarvoor Fryslân een bijzondere verantwoordelijkheid heeft, bijvoorbeeld de VHR-doelen waarvoor Friese N2000-gebieden zijn aangewezen. Om deze doelen te bereiken is het noodzakelijk om structureel meer aandacht te besteden aan biodiversiteit, bij alles wat we doen. Zodat we uiterlijk in 2050 kunnen spreken van een volledig natuurinclusieve samenleving en een robuuste en veerkrachtige natuur die in balans is met onze activiteiten.

2

VHR-doelen Door LNV zijn in december 2022 136 voorlopige, indicatieve doelen (habitattypen, habitatsoorten en vogelsoorten) aan Fryslân toebedeeld. Hoewel hierover bestuurlijk nog geen afspraken zijn vastgelegd kunnen deze indicatieve doelen wel goed worden gebruikt als hulpmiddel om de opgave beter te duiden. In dit hoofdstuk zijn we daarom gedeeltelijk uitgegaan van deze indicatieve doelentabel. Daarnaast is een (groot) deel van de VHR-doelen belegd in de aanwijzingsbesluiten van de Friese Natura2000-gebieden. Daar zijn habitattypen en habitat- en vogelrichtlijnsoorten aangewezen met bijbehorende instandhoudings- doelstellingen (behoud of verbetering). Deze doelen komen terug in de Natuurdoelanalyses. We streven bij alle thema’s naar realistische en werkbare opgaven. In het geval van de natuurdoelen betekent dit dat we ons maximaal inspannen voor de (onder voorwaarden) haalbare doelen. Voor de als niet realistisch ingeschatte doelopgaven zetten we - daar waar deze nog aanwezig zijn – voorlopig in op behoud c.q. het voorkomen van verslechtering. We zoeken samen met LNV naar een constructieve oplossing voor de niet-realistische doelen. Voor de voorlopige 136 indicatieve doelen wordt een haalbaarheidsanalyse uitgevoerd. De voorlopige haalbaarheidsanalyse (versie 2) komt uit op het volgende:

Een doel heeft het oordeel haalbaar gekregen wanneer er geen extra inspanning nodig is om tot doelbereik te komen. Voor vrijwel al deze doelen is wordt het doel momenteel ook al gehaald. Zoals eerder genoemd zijn de doelen met het oordeel ‘ecologisch haalbaar, mits’ ook haalbaar onder de voorwaarde dat er de nodige inspanning wordt geleverd. Bij de doelen met het oordeel ‘onzeker’ is op dit moment onvoldoende informatie beschikbaar om een goed oordeel met betrekking tot de haalbaarheid van de opgave te kunnen geven. Deze doelen kunnen op een later moment dus in één van de andere categorieën terechtkomen. Voor de niet-realistische doelen blijkt uit de beschikbare informatie dat de opgave ecologisch gezien niet haalbaar is. De belangrijkste knelpunten die naar voren komen uit de voorlopige haalbaarheidsanalyse zijn voor de habitattypen de te hoge stikstofdepositie, verdroging, de waterkwaliteit en invasieve exoten. Daarnaast spelen voor de Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten ook nog een aantal andere knelpunten die aandacht verdienen, namelijk voedselbeschikbaarheid (biodiversiteit), peilbeheer, versnippering van het leefgebied, verstoring, predatie en/of klimaatverandering. Voor de niet-realistische doelen zal per doel worden bekeken wat de beste aanpak is voor maatregelen. In de meeste gevallen zal dit betekenen dat er wordt ingezet op behoud.

In het geval van de doelen met het oordeel ‘onzeker’ zullen de kennisleemtes voor zover mogelijk moeten worden gedicht alvorens gerichte maatregelenpakketten kunnen worden vastgesteld. De grootste kansen liggen momenteel bij de doelen met het oordeel ‘ecologisch haalbaar, mits’. Hiervoor zal maximaal worden ingezet op het uitvoeren van de al lopende programma’s en overige opgaven, waaronder de N2000-beheerplannen, de actualisatie en realisatie van het NNN, de groenblauwe dooradering, de bossenstrategie, ANLb en het herstelprogramma biodiversiteit. Onder deze programma’s/opgaven vallen bijvoorbeeld ook de beleidstukken Weidevogels en 3

Grip op kwaliteit. Als laatste zullen er voor de soorten met specifieke vereisten die niet worden gedekt door bovenstaande programma’s specifieke maatregelen worden voorgesteld. Alle VHR-doelen hebben baat bij/ maken gebruik van het Natuurnetwerk en de N2000-gebieden. De Provincie Fryslân hanteert als uitgangspunt dat de biodiversiteitsopgave zoveel mogelijk binnen de N2000gebieden en het Natuurnetwerk wordt gerealiseerd.

Natura 2000-gebieden, NDA's, stikstofproblematiek In Friesland zijn 20 Natura 2000-gebieden, waarvan er 12 stikstofgevoelig zijn. In de afgelopen jaren zijn veel beheer- en natuurherstelmaatregelen in deze gebieden uitgevoerd om de natuurkwaliteit te verbeteren of te behouden. Voor de 12 stikstofgevoelige N2000-gebieden worden er momenteel Natuurdoelanalyses (NDA’s) opgesteld om de huidige natuurkwaliteit te beoordelen en te onderzoeken welke negatieve drukfactoren een rol spelen. De NDA’s zijn nog in bewerking, maar de grote lijn is dat voor de 8 N2000-gebieden op het vaste land de stikstofdepositie en de verdroging van dien aard zijn, dat de doelstellingen niet gehaald worden of dat verslechtering niet uitgesloten kan worden. De 4 stikstofgevoelige N2000-gebieden op de eilanden staan er beter voor. Daar is de stikstofproblematiek minder nijpend. De komende jaren zullen er aanvullende maatregelen voor de 12 gebieden nodig zijn. Dan kan het gaan om intensivering van natuurbeheer en natuurherstelmaatregelen in het gebied. Dit kan via de nieuwe beheerplannen vormgegeven worden. Daarnaast moet het qua maatregelen ook gaan om de reductie van de stikstofdepositie door stikstofbronmaatregelen. Ook moet de verdroging aangepakt worden. En voor sommige gebieden geldt ook dat verbindingen met soortgelijke gebieden van belang zijn om populaties in stand te houden.

Deze maatregelen (stikstofreductie, hydrologische maatregelen en verbindingen) moeten plaats vinden in de omgeving van de N2000-gebieden. Dit vraagt om een Gebiedsgerichte Aanpak, waarbij uiteraard ook andere opgaven zoals Kader Richtlijn Water, Klimaat (o.a veenweide), de Groenblauwe dooradering en de Bossenstrategie een rol kunnen spelen. Door de almaar opbouwende jurisprudentie op het gebied van stikstof is dit waarschijnlijk het meest urgente onderwerp in het NPLG. De vele uitspraken op en sinds 29 mei 2019 maken vergunningverlening zeer moeizaam. Er is feitelijk geen ruimte meer voor ontwikkelingen; voor iedere ontwikkeling moet er eerst ruimte verdiend worden. De oorzaak hiervan ligt in de grote overschrijding van de stikstofnormen van veel stikstofgevoelige gebieden. Naast deze juridische realiteit is in de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering (WSN) vastgelegd dat in 2035 74% van de stikstofgevoelige hectare N2000 gebied onder de KDW moet komen. Met name op het gebied van stikstof geldt dat hoe beter geborgd de maatregelen zijn hoe zekerder het pad tot de doelen. Deze zekerheid in het behalen van de gestelde doelen zijn belangrijk voor al afgegeven vergunningen en toekomstige vergunningverlening. De Natuurdoelanalyses (NDA’s) laten zien dat stikstof een van de belangrijke drukfactoren is voor het niet behalen van de instandhoudingsdoelen VHR.

Dat maakt vergunningverlening (ook bij extern salderen) moeilijk en brengt mogelijk zelfs bestaande vergunningen in gevaar voor intrekking. Hoe beter geborgd de stikstof reducerende maatregelen zijn hoe beter beschermd al afgegeven vergunningen zijn tegen intrekkingsverzoeken. De beste borging van maatregelen is een wettelijke borging en zou daardoor door de wetgevende macht moeten gebeuren.

4

Natuur Netwerk Nederland (NNN) Het Friese Natuurnetwerk (het Friese deel van de NNN) is de ruggengraat van de natuur en biodiversiteit in Fryslân. Hier leeft een groot deel van de Friese soortenrijkdom en zijn bijvoorbeeld ook de bronpopulaties van veel zeldzame en bedreigde soorten te vinden. Alle N2000-gebieden maken deel uit van het NNN. De realisatie van het Natuurnetwerk is onderdeel van het Natuurpact (2013), waarin afspraken gemaakt zijn over de ambities en financiering van het Nederlands natuurbeleid voor de periode tot 2027. Alle biodiversiteitsdoelen (waaronder de VHR-doelen) zijn naast de N2000-gebieden ook gebaat bij de rest van het Natuurnetwerk. Denk bijvoorbeeld aan heiden, de roerdomp en de grote vuurvlinder. Maximale inzet op de realisatie én kwaliteitsverbetering van het Friese Natuurnetwerk is daarom gewenst. Voor het beheer van het NNN en de financiering daarvan wordt gewerkt met een natuurbeheerplan. In het natuurbeheerplan geeft de provincie aan voor welke gebieden in Fryslân subsidie kan worden aangevraagd voor het beheer van natuur, agrarische natuur en landschapselementen en wat de voorwaarden hiervoor zijn. T.a.v. de realisatie van het Natuurnetwerk Nederland heeft de provincie Friesland te maken met een nog lopende afspraak met het Rijk om uiterlijk in 2027 het Friese deel van dit netwerk te hebben gerealiseerd.

De provincie Fryslân heeft aangegeven de komende jaren met maximale inspanning aan de slag te gaan om het NNN te realiseren. Hiervoor wordt de komende jaren 18 FTE extra ingezet. Desondanks gaat het niet lukken om het gehelen NNN te realiseren, aangezien het NNN op basis van vrijwilligheid gerealiseerd wordt. De inzet is om in de periode t/m 2027 750 ha verwerving/functiewijziging en 2000 ha inrichting te realiseren. T.a.v. de kwaliteitsverbetering van het Natuurnetwerk is in 2022 is de Friese strategie ‘Grip op kwaliteit’ opgesteld, waarin wordt beschreven hoe we beter gaan sturen op de kwaliteit van het Natuurnetwerk en het realiseren van de afgesproken ambities, zodanig dat het netwerk optimaal bijdraagt aan de Provinciale beleidsopgaven, waaronder die voor de VHR-doelen. De nieuwe werkwijze zal ertoe leiden dat er meer budget nodig is, bijvoorbeeld voor kwaliteitsimpulsen of overgangsbeheer. Het compleet maken van het netwerk is essentieel voor de natuur omdat het vaak de laatste schakels zijn die bepalend zijn voor het ecologische functioneren van het totale natuurnetwerk. Door verstedelijking, industrie en landbouw zijn de meeste natuurgebieden versnipperd waardoor ze kwetsbaar zijn voor invloeden van buitenaf en de biodiversiteit onder druk staat. Hoe groter het oppervlak van een natuurgebied, hoe beter de dieren en planten in dat gebied bestand zijn tegen verstoringen.

Door de gebieden weer in een netwerk met elkaar in verbinding te brengen wordt het functionele oppervlakte van het netwerk groter, wat de weerbaarheid van de natuur vergroot. Dieren en planten kunnen natuurverbindingen gebruiken om zich te verplaatsen en daarmee andere deelgebieden van het netwerk te bereiken. De kans dat bepaalde soorten uitsterven neemt daarmee af. Door daarnaast ook maximaal in te zetten op de kwaliteit van het natuurnetwerk zal het bovendien een grotere bijdrage kunnen leveren aan de biodiversiteitsopgave (waaronder de VHR-doelen) én andere grote opgaven zoals water en klimaat.

5

Friese bomen- en bossenstrategie en Groenblauwe dooradering In het Klimaatakkoord van 2019 hebben Rijk en provincies afgesproken om de vastlegging van koolstofdioxide - CO2 - in bomen, bos en natte natuur te vergroten en om bij te dragen aan vergroting van de biodiversiteit volgens de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen. Deze afspraken waren uitgangspunt voor de landelijke Bossenstrategie. Hierin hebben Rijk en provincies de ambitie om 10% meer bos te realiseren. Op basis van de landelijke Bossenstrategie heeft de Provincie Fryslân in 2022 de Friese Bomen- en Bossenstrategie vastgesteld. Hierin is voorzien dat er in Fryslân •

223 ha bos bij komt binnen de NNN

•

315 ha bos bij komt buiten de NNN

•

112 ha aan landschapselementen wordt toegevoegd

•

210 ha extra bos wordt gerealiseerd d.m.v. agroforestry en voedselbos

Ook wordt ingezet op revitalisatie van bestaand bos én uitbreiding van natte natuur (kwelders, moeras). Naast de opgave extra bos is aan de NPLG ook de opgave meegegeven om te zorgen voor meer groenblauwe dooradering van het landelijke gebied, van minimaal 5% in 2030 tot (minimaal) 10% in 2050. De helft van de opgave moet bestaan uit opgaande houtige elementen en de rest uit kruidenrijke perceelsranden, sloten en natuurvriendelijke oevers. Op dit moment wordt uitgezocht wat er reeds aanwezig is in Fryslân zodat we weten wat er nog bij moet komen. Een eerste ruwe inschatting van wat er nu aanwezig is komt op 2% uit. Dat zou betekenen dat er tot 2030 3% areaal bij moet komen. En van 2030 tot 2050 nog eens 5% extra. Tussen de opgave voor meer bomen en bos en die voor een groenblauwe dooradering van het landelijke gebied zit overlap. Uitgezocht moet worden hoeveel dit precies is of kan zijn (hoe meer hoe beter!). Voor Fryslân moet ook nog nader worden uitgewerkt in welke mate deze opgaven daadwerkelijk kunnen bijdragen aan het realiseren van de VHR-doelen en hoeveel tijd dat vraagt. Gedacht moet worden aan enkele broedvogels en habitatsoorten. Hoogstwaarschijnlijk zal dit ook leiden tot specifieke kwaliteitseisen. Speelt verder nog de vraag wáár we extra bos en groenblauwe dooradering gaan realiseren.

Geadviseerd wordt aan te sluiten bij de geschiedenis van het landschap, door gebruik te maken van ‘Grutsk op ‘e Romte’ van de Provincie Fryslân en de bouwstenen uit ‘Mei it ferline foarút’ van Landschapsbeheer Friesland. Binnen de extra inzet op ANLb zijn diverse meekoppelkansen voor de GBDA te realiseren. Kansrijk zijn de kruidenrijke randen en de koppeling met de KRW – bufferstroken. Daarnaast moet er voor deze opgaven mogelijk nieuw instrumentarium worden ontwikkeld. Dat geldt zowel voor de aanleg van nieuwe elementen als ook het duurzame behoud en beheer daarvan. Met het realiseren van de Friese bomen- en bossenstrategie en een groenblauwe dooradering van het landelijke gebied draagt Fryslân zijn steentje bij aan het klimaatakkoord. Als er bij de uitvoering bovendien maximaal rekening wordt gehouden met de biologische en landschappelijke randvoorwaarden, dan wordt Fryslân niet alleen mooier en herkenbaarder, maar wordt ook het leefgebied van veel (o.a. bedreigde) soorten versterkt en uitgebreid.

6

Agrarisch natuurbeheer ANLb Het Agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb) kent een historie van ca. 40 jaar in Fryslân. Van oudsher sterk vertegenwoordigd in het weidevogel-(grasland) beheer. Vanaf 2009 steeds meer gericht op inzet van collectief beheer en vanaf 2016 georganiseerd via het collectieve stelsel ANLb 2016-2021. De huidige uitvoering van het ANLb wordt landelijk gezien als een succesvol en goed georganiseerde wijze van uitvoering beheer in het agrarisch gebied ten behoeve van de doelen biodiversiteit en landschap en water.

Met de leefgebieden benadering wordt het leefgebied (natte en droge dooradering, akker, grasland en water) optimaal ingericht waarbij de doelsoorten uit het Natuurbeheerplan Fryslân behouden moeten worden. Dit natuurbeheerplan is het subsidiekader voor inzet van het ANLb. ANLb wordt voor een groot deel gefinancierd vanuit het EU GLB budget. Nationale financiering is door de provincie gedekt middels het Natuurpact en aanvullend gefinancierd vanuit de Kadernota Fryslân 2023. Vanaf 2023 is het programma GLB-NSP leidend en wordt het agrarisch natuurbeheer breder ingezet met extra taken op klimaat, water en ook bodem. Fryslân is koploper in budget en areaal in ANLb beheer. Het subsidiestelsel waarbij enkel gederfd inkomen en kosten-arbeid vergoed worden, werkt nu conform de leefgebied benadering. Naar de toekomst toe biedt het subsidiestelsel een breder palet in agro-milieudiensten welke de drukfactoren op de doelen water, bodem, biodiversiteit en landschap en klimaat kunnen verminderen. De wijze van subsidiëren is enkel bovenwettelijk in te zetten. Het beheer wordt uitgevoerd via onze 7 agrarische collectieven waarvan ruim 1.800 agrariërs lid zijn. Hiermee een belangrijk instrument in de gebiedsgerichte groenblauwe opgaven in Fryslân. Overzicht gerealiseerd beheer ANLb per leefgebied 2022 en doorkijk naar 2028

Restopgave in het FPLG is na uitvoering van de ANLb periode 2023-2028 is voor A11 en A15 nog altijd aanzienlijk. De restopgave voor A12 Akkerbeheer is er niet conform richtinggevende doelstelling NPLG. Fryslân gaat echter ook in het akkergebied inzetten op groenblauwe diensten om zo de subdoelen groenblauwe dooradering en KRW oppervlakte-waterkwaliteit optimaal te bedienen. Uitvoeringskracht agrarische collectieven is op A11 gelimiteerd op ca. 25% van het bedrijfsareaal. Meer ha opvoeren per bedrijf is niet realistisch bij gelijkblijvende bedrijfsvoering. Als deze wens er wel is zal flankerend beleid ingezet moeten worden. De opgave vanuit het de groenblauwe dooradering (5% opgave in 2030 en 10% in 2050) en de KRW opgave bieden directe koppelkansen om het areaal ANLb te vergroten. Binnen beide doelen is de inzet op randenbeheer op agrarische grond (niet productieve kruidenrijke rand langs de watergang) en het extra 7

aanleggen van de bomen, bos en landschapselementen (bossenstrategie) noodzakelijke en integrale opgaven welke direct invloed hebben op het ANLb areaal. Minder concreet is de inzet van ANLb op de veenweide en overgangsgebieden. Bij een grotere behoefte groenblauwe diensten dan 30% van het bedrijfsareaal, is flankerend beleid nodig. Dat kan zijn inzet grondinstrument inclusief dubbeldoelstelling met behoud van agrarisch gebruik. Daarnaast zijn hydrologische en ecologische ingrepen op gebiedsniveau te verwachten in de gebieden. Mogelijk gaat dit regionaal leiden tot een extensivering van de bedrijfsvoering. ANLb kan in deze gebieden ingezet worden in de mix met flankerend beleid. Middels de GLB-NSP instrumenten gericht op samenwerking en integrale gebiedsontwikkeling zal verkend worden in hoeverre het aandeel ANLb hier een rol gaat spelen. ANLb is daarbij het specifieke instrument waarbij de extra inspanning en nadeelcompensatie vergoed kan worden. Een inschatting welk areaal ANLb-beheer in deze gebieden extra nodig is, moet nog gemaakt worden na analyse van de totale FPLG doelopgave. Hierbij worden de doelen Aanvalsplan Grutto, VHR herstel en KRWgroenblauwe dooradering integraal meegewogen. Fryslân gaat integraal inzetten op de mix van deze doelen op dezelfde hectares.

Hierbij heeft het behoud van agrarische functie de sterke voorkeur om zo de integratie van het GLB-NSP optimaal in te zetten.

Maatregelen Natuur Om de biodiversiteitsdoelen te halen zijn voor alle hierboven beschreven onderwerpen maatregelen nodig. Deels zit hierin ook overlap. In dit hoofdstuk worden de maatregelen samengevat en op hoofdlijnen beschreven. Hiervoor is een onderscheid gemaakt in drie periodes, nl. 2024-2025, 2026-2035 en 2036-2050. In de bijlagen worden zaken nader toegelicht en uitgewerkt. Korte termijn 2024-2025 Voor de periode 2024 – 2025 worden vooral de maatregelen benoemd welke al middels bestand beleid of eerder genomen besluiten in gang gezet worden. Voorbeelden hiervoor zijn de Veenweidevisie, de N2000beheerplannen, het project Grip op kwaliteit voor de NNN-gebieden. Tevens kan het ANLb beheer wat als zonering rondom NNN en N2000 gebieden ingezet wordt, verbreed worden. Deze trajecten lopen deels al en kunnen waar nodig geïntensiveerd worden. Ook kan deze periode gebruikt worden om aanvullende onderzoeken uit te voeren voor bijvoorbeeld monitorings- of hydrologische vraagstukken. Midden - termijn 2026-2035 De periode 2026 – 2035 is vooral bedoeld om projecten in gang te zetten zoals de gebiedsgerichte aanpak rondom N2000-gebieden of de bronmaatregelen voor de emissiereductie van stikstof. Daarnaast inzetten op hydrologische maatregelen rondom de droogtegevoelige natuur.

De keuzes en sturing rondom een aanpassing in ruimtelijke ordening, inzet grondinstrumentaria en een nauwlettende analyse van de restbehoefte in opgave om de gestelde natuurdoelen te behalen, wordt in 2025 bestuurlijk voorgelegd. De besluiten daaruit zijn leidend voor de (her)ijking van de koers van het FPLG. Inzet in de randzones rondom NNN en N2000 raakt in beide gevallen het agrarisch gebied. De aanpak wordt integraal afgestemd beheer en inrichting van de randzones rondom de N2000 en NNN gebieden die droogtegevoelig zijn. De kennis en ervaring uit de opgestarte gebiedsprocessen uit de eerste fase worden in deze midden-termijn nader uitgewerkt. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van financiële middelen uit de interventie Samenwerking en experiment Veenweide en N2000 uit het GLB-NSP. De reeds opgestarte instrumentaria uit het GLB-NSP zijn met middelen uit het FPLG aan te vullen als nationale top-up. Hiermee kunnen lopende processen uitgebreid en verlengd worden. Misschien nog meer voorbeelden?

8

Lange termijn 2036-2050 De periode 2036 – 2050 zal nader ingevuld worden met de voortgang van projecten uit de vorige periode, maar ook met nieuwe projecten of doelstellingen op basis van de evaluatie- en ijkmomenten in de periode 2026 – 2035. De uitgewerkte gebiedsprocessen kunnen vanaf 2036 naar behoefte aangevuld, opgeplust of opgestart worden door financiële steun uit het FPLG. De uitwerking vindt plaats in de gebieden tijdens de Midden-termijn. Per doel zullen de bestaande en beoogde maatregelen voor die doelen beschreven worden.

Nu •

BD1 Uitvoeren herstelprogramma Biodiversiteit

•

BD Ontwikkelen actief soortbeschermingsbeleid

•

N2000 Beheerplannen uitvoeren

•

N2000 Aanvullende maatregelen Programma Natuur t.b.v. stikstofgevoelige natuur

•

N2000 NDA’s: aanpakken verdroging en stikstof via GGA en bronmaatregelen

•

NNN Versnellen realisatie alle prioriteiten (aankopen en inrichten)

•

NNN Uitvoeren grip op kwaliteit: optimaliseren NNN, Optimaliseren beheer, actiever sturen op ambities

•

GBDA + BOS Onderzoek naar welke doelen met de bossenstrategie en de GBDA kunnen worden bediend en aan welke kwaliteitseisen deze dan moeten voldoen

•

GBDA + BOS Ontwikkelen instrumentarium realisatie en beheer

•

ANLb weidevogels

•

ANLb landschapselementen

•

ANLb akkerranden/graslandranden

•

ANB Actualiseren Fryske Guozze-oanpak met voldoende aandacht voor randeffecten

•

ANB Uitvoering Friese Weidevogelnota: aanvalsplan grutto; -

Provincie brede inzet op basiszorg voor weidevogels in het landelijk gebied

-

Continuering (agrarisch)natuurbeheer in de huidige weidevogelkerngebieden en -parels en afronding NNN met weidevogeldoelstelling

-

Creëren van grote samenhangende weidevogelplusgebieden (Aanvalsplan Grutto)

1

BD=programma biodiversiteit, N2000=aanpak Natura2000 gebieden, NNN=afronden Natuurnetwerk Nederland, GBDA+BOS=groenblauwe dooradering+bossenstrategie, ANLb=Agrarisch natuur- en landschapsbeheer, ANB= Agrarisch natuurbeheer, NDA=Natuurdoelanalyses

9

2024/2025 •

BD onderzoek naar de VHR-doelen waarover onvoldoende bekend is

•

OVERALL Vervolg Fries Herstelprogramma Biodiversiteit (vanaf 2024)

•

OVERALL Invulling geven aan de Friese Agenda Natuurinclusief

•

NDA nadere uitwerking en uitvoering NDA-maatregelen

•

NDA herstel hydrologische condities N2000-gebieden (zie water: verdrogingsbestrijding N2000gebieden)

•

N2000 volledig inzetten op behoud en kijken waar uitbreidingsdoelen haalbaar is

•

N2000-beheerplannen evalueren en herschrijven

•

N2000 onderzoek naar wat er hydrologisch nodig of haalbaar is (hydrologische systeemanalyses)

•

N2000 NDA nadere uitwerking NDA’s en uitvoering NDA-maatregelen middels beheerplannen en Gebiedsgerichte Aanpakken

•

N2000 piekbelasters uitkopen of verplaatsen

•

NNN Realisatie Friese Natuurnetwerk (benodigd extra budget)

•

NNN Extra inzet op ‘Grip op Kwaliteit’, kwaliteitsimpuls, overgangsbeheer etc.; Als alle mogelijkheden hiervoor beschikbaar worden gesteld leidt dat voor het natuurbeheer tot jaarlijkse meerkosten van ca. 8 miljoen euro, oplopend tot ca. 10 miljoen wanneer we maximaal gaan inzetten op de ambities.

•

NNN herziening Natuurpactgelden en verdeling

•

GBDA via akkerranden/graslandranden ANLb

•

GBDA/ BOS via landschapselementen ANLb

•

BOS binnen NNN via grip op kwaliteit

•

ANLb weidevogels

•

ANLb landschapselementen

•

ANLb akkerranden/graslandranden

•

ANB Actualiseren Fryske Guozze-oanpak met voldoende aandacht voor randeffecten

•

ANB Uitvoering Friese Weidevogelnota: aanvalsplan grutto;

o

Provincie brede inzet op basiszorg voor weidevogels in het landelijk gebied

o

Continuering (agrarisch)natuurbeheer in de huidige weidevogelkerngebieden en -parels en afronding NNN met weidevogeldoelstelling

o

Creëren van grote samenhangende weidevogelplusgebieden (Aanvalsplan Grutto)

10

2025-2035 •

OVERALL Duurzame waarborging beheergelden

•

BD Werken aan agenda natuur inclusief

•

N2000 Uitvoeren maatregelen in de nieuwe beheerplannen

•

N2000 NDA herstel hydrologische condities N2000-gebieden, o.a. in overgangsgebieden (zie ook water: verdrogingsbestrijding N2000-gebieden)

•

N2000 bronmaatregelen om stikstofdepositie te verlagen en overgangsgebieden met geen of een lage emissie

•

N2000 Gebiedsgerichte aanpak

•

N2000 starten en uitvoeren Gebiedsgerichte aanpakken

•

NNN uitvoering geven aan de actieve aanpak realisatie NNN

•

NNN Zorgen voor aanvullend budget om het gehele NNN te realiseren (berekend tekort is € 70 mln.)

•

NNN ambitiekaart realiseren

•

GBDA realisatie van 2 naar 5%

•

BOS realisatie Friese bomen- en bossenstrategie

•

ANLb weidevogels

•

ANLb landschapselementen

•

ANLb akkerranden/graslandranden

•

ANB Actualiseren Fryske Guozze-oanpak met voldoende aandacht voor randeffecten

•

ANB Uitvoering Friese Weidevogelnota: aanvalsplan grutto; -

Provincie brede inzet op basiszorg voor weidevogels in het landelijk gebied

-

Continuering (agrarisch)natuurbeheer in de huidige weidevogelkerngebieden en -parels en afronding NNN met weidevogeldoelstelling

-

Creëren van grote samenhangende weidevogelplusgebieden (Aanvalsplan Grutto)

2035-2050 •

OVERALL Realiseren natuur inclusieve samenleving

•

BD Realiseren Provincie brede Basiskwaliteit Natuur

•

N2000 verdergaande bronmaatregelen 100% onder de KDW in 2050

•

N2000 verdergaande maatregelen t.a.v. hydrologie en verbindingen

•

NNN, BOS en GBDA duurzame waarborging doelen en daarvoor benodigd beheer

•

GBDA realisatie van 5 naar 10%

11

Bijlage 7a: Aanpak Natura 2000 1. Inleiding In Friesland zijn 20 gebieden aangewezen als Natura 2000-gebieden. De natte gebieden zoals de Waddenzee, het IJsselmeer en de Noordzeekustzone (voortouwnemer Rijkswaterstaat) vallen buiten dit PPLG. Daarnaast zijn er 2 gebieden, het Drents Friese Wold en het Fochteloërveen, waarvoor de provincie Drenthe voortouwnemer is. Ook deze vallen buiten het PPLG van de provincie Fryslân. Uiteraard vindt er wel afstemming plaats met de provincie Drenthe. Van de overige 15 N2000-gebieden in Friesland zijn er 5 aangewezen als Vogelrichtlijngebied, te weten het Lauwersmeer, de Groote Wielen, de Deelen, het Sneekermeer en de Witte en Zwarte Brekken. Voor het Lauwersmeer is de provincie Groningen de voortouwnemer. De overige 10 Natura 2000-gebieden zijn ook aangewezen als habitatrichtlijngebieden en zijn daarmee ook vaak stikstofgevoelig. Hiervoor worden momenteel de Natuurdoelanalyses (NDA) opgesteld. Daar wordt verderop nader op ingegaan.

2. Opgaven Voor de Natura 2000-gebieden gelden opgaven ten aanzien van de natuurwaarden. Dit wordt uitgewerkt in instandhoudingsdoelen per gebied. Aantal van die natuurwaarden zijn stikstofgevoelig en daarvoor zijn via de Wet Stikstofreductie en Natuurherstel aanvullende doelstellingen geformuleerd, die vooral gericht zijn op het verminderen van de stikstofdepositie op deze N2000-gebieden. Beide onderdelen van de opgaven voor N2000 worden in de onderstaande paragrafen beschreven.

Opgaven N2000 Voor de Natura 2000-gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen (behoud of verbetering) voor de aangewezen habitattypen en habitat- of vogelrichtlijnsoorten. Er zijn beheerplannen vastgesteld voor deze gebieden, waarin maatregelen opgenomen zijn om de doelstellingen te realiseren. Met de maatregelen, vooralsnog vaak in de gebieden zelf, wordt getracht de gewenste omgevingscondities op orde te krijgen. De meeste maatregelen zijn in de afgelopen jaren uitgevoerd. In hoeverre de doelstellingen gehaald worden, wordt in evaluaties van de beheerplannen bepaald. Deze evaluaties zijn uitgevoerd voor de N2000-gebieden Groote Wielen, het Sneekermeer, de Witte en Zwarte Brekken en Oudegaasterbrekken/ Fluessen en omgeving. Hiervoor zijn inmiddels ook weer nieuwe beheerplannen voor de volgende beheerplanperiode opgesteld. Voor de overige gebieden is een verlenging van de 1e beheerplanperiode vastgesteld door het college in 2022. Dat betekent dat de huidige beheerplannen langer doorlopen tot maximaal 6 jaar na het aflopen van de 1e beheerplanperiode. De reden van verlenging is mede de onduidelijkheid rondom de stikstofproblematiek en de daaruit voortvloeiende gewenste maatregelen. Daarnaast wordt er momenteel voor de stikstofgevoelige N2000-gebieden een Natuurdoelanalyse (NDA) opgesteld als onderdeel van de stikstofaanpak en het PPLG.

De NDA kennen een eigen doel en opzet, maar zijn ook een voorloper van de evaluaties van de beheerplannen, welke in de komende jaren alsnog uitgevoerd gaan worden. Het opstellen van de natuurdoelanalyses vindt parallel plaats aan het opstellen van het PPLG. Beide worden rond 1 juli opgeleverd. Over de inhoud van de NDA’s wordt hieronder een korte eerste schets gegeven.

1

3. Knelpunten Natuurdoelanalyses Voor de 10 stikstofgevoelige N2000-gebieden worden Natuurdoelanalyses (NDA's) opgesteld. De provincie Fryslân schrijft deze voor de onderstaande 10 gebieden: Waddeneilanden

Zuidoost Friesland

Veengebied Friesland

Duinen Vlieland

Bakkeveense duinen

Rottige Meenthe

Duinen Terschelling

Wijnjeterper Schar

Alde Feanen

Duinen Ameland

Van Oordt's Mersken

Oudegaasterbrekken

Duinen Schiermonnikoog In de NDA's worden de huidige natuurkwaliteit van de gebieden beschreven op basis van de bestaande gegevens. Daarbij wordt ook gekeken of de omgevingscondities voor de natuur (zuurgraad, vochtgehalte en voedselrijkdom) op orde zijn. Daarnaast wordt beschreven welke drukfactoren een negatieve rol spelen in het al dan niet behalen van de beoogde natuurkwaliteit. Ook wordt in de NDA's beschreven welke natuurherstelmaatregelen uitgevoerd zijn en wat het effect van deze maatregelen is geweest. Uiteindelijk wordt op basis van deze gegevens beoordeeld of de instandhoudingsdoelstellingen van deze gebieden gehaald worden. Er wordt momenteel nog gewerkt aan de NDA's, maar inmiddels is er al een globale lijn zichtbaar. In bijna alle gebieden worden de doelstellingen niet volledig gehaald. In de N2000-gebieden in Zuidoost Friesland zijn de stikstofdepositie en de verdroging factoren, die de natuurkwaliteit onder druk zetten. Dat geldt ook voor de N2000-moerasgebieden in het veengebied van Friesland. Op de Waddeneilanden zijn de doelen beter haalbaar, omdat daar de stikstofdepositie minder is. Lokaal kan er nog wel sprake zijn van verdroging in de duinen, maar met het juiste natuurherstelmaatregelen en intensiever beheer is er wel een beter perspectief dan voor de N2000-gebieden op het vaste land.

Knelpunten en doelstellingen vanuit de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering In de wet zijn de doelstellingen vastgelegd ten aanzien van de stikstofdepositie. Door bronmaatregelen moet voor heel Nederland in 2035 74% van de oppervlakte stikstof- gevoelige natuur onder de zogeheten Kritische Depositiewaarde (KDW) zitten. In 2021 zijn voor deze gebieden gebiedsanalyses vastgesteld met de gegevens van de stikstofdepositie uit 2019. Deze gebiedsanalyses zijn in maart door het college vastgesteld. Nu 2 jaar later zijn er nieuwe gegevens over de stikstofdepositie beschikbaar. Voor de Friese gebieden zijn de onderstaande percentages berekend in de Aerius-monitorversie van februari 2023. De berekeningen hebben betrekking op 2020, 2025 en 2030.

Natura 2000-gebied

Percentage onder de KDW 2020

2025

2030

Vlieland

92

97

98

Terschelling

95

98

98

Ameland

66

87

92

Schiermonnikoog

57

62

74

Alde Feanen

73

77

78

2

Rottige Meenthe

58

58

58

Oudegaasterbrekken

99

99

99

Van Oordt's Mersken

96

97

97

Wijnjeterperschar

16

38

55

Bakkeveense duinen

1

20

33

Fochteloërveen*

10

14

16

Drents Friese Wold*

1

1

1

* Zoals eerder vermeld is de provincie Drenthe de voortouwnemer voor de N2000-gebieden Fochteloërveen en het Drents Friese Wold.

De bovenstaande percentages komen uit Aerius monitor (versie februari 2023). Voor de jaren 2025 en 2030 is rekening gehouden met het bestaande beleid en emissiebeperkingen, waarvan vaststaat dat die in gang gezet worden. Groen = voldoet aan de doelstelling van meer dan 74% onder de KDW Oranje = voldoet nog niet aan de doelstelling Rood = is nog ver verwijderd van de doelstelling De percentages voor de Alde Feanen, Rottige Meenthe en Van Oordt's Mersken geven een (te) rooskleurig beeld, mede doordat er grote oppervlaktes leefgebieden aanwezig zijn voor de diersoorten. Deze leefgebieden hebben vaak een hoge KDW, die minder snel overschreden worden. Voor een groot aantal habitattypen in deze gebieden liggen de overschrijdingspercentages tussen de 80 en 100% van de aanwezige oppervlakten. De habitattypen in de N2000-gebieden op het vaste land (zuidoosthoek en het veengebied) kennen vaak een forse overschrijding van hun KDW. Dit maakt het behoud of herstel moeilijk realiseerbaar. Hiervoor zijn bronmaatregelen nodig om de stikstofdepositie in die gebieden omlaag te brengen.

Verdrogingsproblematiek Los van de stikstofproblematiek komt uit de concept-NDA's naar voren dat verdroging voor de vochtminnende habitattypen ook een negatieve rol speelt. Ook dit is vooral weer een probleem voor de N2000-gebieden op het vaste land. Moerashabitattypen als veenmosrietland en vochtige heiden hebben last van verdroging of krijgen niet de juiste kwaliteit water, doordat het kwelwater de wortelzone niet meer bereikt. In de veenmoerassen wordt nu vaak oppervlaktewater aangevoerd om de tekorten in de zomer aan te vullen. Dat leidt tot een andere nutriëntensamenstelling en daarmee vaak tot een achteruitgang van de natuurkwaliteit. Ook in de N2000-gebieden in Zuidoost Friesland is de verandering in grondwaterstromingen aanleiding tot achteruitgang van de natuurkwaliteit. Habitattypen zoals blauwgraslanden, heischrale graslanden en vochtige heiden zijn ook daar afhankelijk van basenrijk grondwater. Dit water komt in de gebieden niet meer in de wortelzones door de lagere waterpeilen in de omgeving van deze gebieden. Ook hiervoor zullen op termijn oplossingen gevonden moeten worden omdat een verdere achteruitgang van de natuurkwaliteit niet uit te sluiten valt, zeker niet in combinatie met de stikstofdepositie. 3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Tytsjerksteradiel&id=4fa2976f-536b-4ae3-9281-fdc74684493f