10 - Bijlage 2 - Concept FPLG versie 9 mei 2023
Tekst van het document
5.1
NATUUR
Bij natuur draait het uiteindelijk allemaal om het herstellen van de biodiversiteit (soortenrijkdom). Met biodiversiteit worden alle verschillende levensvormen op aarde bedoeld, inclusief hun onderlinge relaties en de samenhang met hun leefomgeving. Natuur en biodiversiteit zijn de thermometer van onze leefomgeving. Als het niet goed gaat met de natuur en de biodiversiteit komt de leefbaarheid van het platteland in gevaar. Een gezonde bodem, de bestuiving van onze voedselgewassen, natuurlijke plaagbestrijding en de productie van hout zijn bijvoorbeeld afhankelijk van biodiversiteit. De biodiversiteit staat wereldwijd onder druk en gaat ook in Fryslân achteruit. Dit is de reden waarom Fryslân als onderdeel van het bestuursakkoord in 2021 van start is gegaan met een herstelprogramma biodiversiteit. In deze paragraaf gaan we in op de NPLG-opgaven voor de biodiversiteit. Om deze doelen te bereiken is het noodzakelijk om structureel meer aandacht te besteden aan biodiversiteit, bij alles wat we doen. We gaan in deze paragraaf in op onderwerpen die bijdragen aan het behalen van de biodiversiteitsdoelen. Tenslotte vatten we samen welke acties we de komende twee jaar gaan uitvoeren om invulling te geven aan de gestelde doelen.
22
Doelen 30% natuurherstel Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) (2030) Richtinggevende landelijke areaal- en kwaliteitsopgave natuur t.b.v. 30% VHR en de gunstige staat van instandhouding Per provincie een (richtinggevende) ruimtelijke vertaling van de benodigde stikstofreductie. Deze inzet is onderdeel van de totale stikstofreductie die nodig is voor de landelijke doelen: • 40% areaal met stikstof gevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarde (2025)* • 74% areaal met stikstof met stikstof gevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarde (2030) Hydrologische condities Natura 2000-gebieden op orde (2027) Areaal opgave per provincie voor nieuw bos (2030), optellend tot 37.400 ha landelijk Resterende opgave areaal per provincie Natuurnetwerk Nederland, optellend tot 40.571 ha (2027) 10% groenblauwe dooradering (2050), waarvan de helft in 2030
Hardheid van de doelen In Nederland is de Vogel- en Habitatrichtlijn onder meer vertaald in de Wet natuurbescherming en de wetgeving rondom stikstof. Deze wet- en regelgeving dient ervoor te zorgen dat de te beschermen soorten in een gunstige staat van instandhouding komen en blijven. Nadat de Raad van State haar uitspraak over de oorspronkelijke wetgeving deed in 2019, werd in 2021 de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering ingevoerd. Op welke termijn natuur in een gunstige staat van instandhouding moet komen is Europees niet vastgelegd. De natuurdoelanalyses moeten hier mede invulling aan geven. Tegelijk zijn de uitspraken van de rechter rondom het kunnen aantonen dat een activiteit de natuur niet verslechtert duidelijk. De Habitatrichtlijn bevat verplichtingen voor de lidstaten tot bescherming van Natura 2000gebieden, gebieden met een speciale natuurwaarde en daardoor extra beschermde status. Bij schending van de verplichtingen Habitatrichtlijn en de gunstige staat van instandhouding kan Europa uiteindelijk boetes opleggen aan de betreffende lidstaat. Het begrip stikstof komt niet voor in de Europese VHR-richtlijn, maar speelt in de Nederlandse wetgeving een rol omdat stikstof de natuurkwaliteit verslechtert.
De inhoudelijke stikstofdoelen – percentages reductie in bepaalde jaartallen – in de Wet natuurbescherming en de Omgevingswet zijn resultaatsverplichtingen: ze moeten worden bereikt. Het Rijk kan daarvoor maatregelen opleggen en als die niet voldoende blijken kunnen extra maatregelen worden opgelegd. In het landelijke programma Stikstofreductie en Natuurverbetering zijn ook tussentijdse doelstellingen opgenomen. Dat zijn geen resultaatsverplichtingen maar inspanningsverplichtingen: we moeten ons best ervoor doen. Door de almaar opbouwende jurisprudentie op het gebied van stikstof is dit waarschijnlijk het meest urgente onderwerp in het NPLG.
23
De Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) Doelen De doelen voor natuur zijn uiteindelijk (vrijwel) allemaal te herleiden tot de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR). Die stelt twee doelen: 1) de natuur in een ‘gunstige staat van instandhouding’ brengen 2) voorkomen van verslechtering van de natuur. Het natuurdoel voor 2030 in het NPLG is het overbruggen van 30% van het verschil tussen de huidige staat van instandhouding en een gunstige staat van instandhouding. Zoals aangegeven nemen wij hiervoor meer tijd, om in samenhang met de overige doelen te komen tot realisatie. Wat een landelijk gunstige staat van instandhouding inhoudt, is voor de VHR-doelen concreet gemaakt. Deze doelen zijn indicatief door vertaald naar de Provincies. Aan Fryslân zijn door het Rijk doelen voor 136 habitattypen en soorten uit de vogel- en habitatrichtlijn toegekend. Bij de habitattypen gaat het om natuur met karakteristieke kenmerken, zoals bijvoorbeeld blauwgrasland en droge heide. Voor soort kun je denken aan dieren als broedvogels, kleine zwaan, smient, de grutto, zeggekorfslak en Noordse woelmuis. Afhankelijk van het type doel zijn doelen gedefinieerd in oppervlakte, kwaliteit, de draagkracht van leefgebieden, verspreiding of aantallen. Momenteel wordt voor al deze doelen uitgezocht in hoeverre de indicatieve opgave haalbaar is voor de provincie Fryslân.
Het Natuurnetwerk Nederland en de Natura 2000-gebieden zijn van groot belang voor alle VHRdoelen. Veel VHR-doelen zijn gekoppeld aan de Natura 2000-gebieden. Voor die gebieden zijn soorten leefgebieden en de habitat- en vogelrichtlijnsoorten aangewezen met bijbehorende instandhoudingsdoelstellingen: behoud of verbetering. Wij hebben dan ook als uitgangspunt dat het verbeteren van de biodiversiteit zoveel mogelijk binnen de Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk wordt gerealiseerd. Maar dit is geen doelstelling in zichzelf. Het gaat bij leefgebieden van soorten niet alleen om natuurgebieden. Leefgebieden kunnen ook stedelijk gebied zijn of water, denk bijvoorbeeld aan weidevogels of vleermuizen. Ook agrarische natuur en bijvoorbeeld groene dijken en bermen leveren een bijdrage aan de biodiversiteit in het landelijk gebied. Huidige situatie Hoewel er momenteel nog geen uitspraken kunnen worden gedaan over de haalbaarheid, is er al wel een goed beeld van knelpunten en kansen die er zijn voor deze 136 doelen. Voor de habitattypen blijken een te hoge stikstofdepositie, verdroging, de waterkwaliteit en soorten die van elders komen en de natuur verstoren – invasieve exoten – de voornaamste knelpunten. Stikstofdepositie leidt tot verzuring en/of vermesting, die vaak worden versterkt door verdroging.
Het herstel van de aanwezige habitattypen of ontwikkeling van nieuwe standplaatsen wordt hierdoor moeilijker. De waterkwaliteit is voornamelijk belangrijk in moerasgebieden. Voor de Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten zijn de belangrijkste knelpunten voedselbeschikbaarheid (biodiversiteit), peilbeheer, omvang en versnippering van de leefgebieden, verstoring, predatie (bedreiging door andere dieren) en klimaatverandering. De voedselbeschikbaarheid heeft voornamelijk te maken met de beschikbaarheid of bereikbaarheid van prooisoorten, waaronder insecten, wormen, waterdiertjes, vissen en kleine zoogdieren. De overige genoemde knelpunten gaan over de geschiktheid van het leefgebied voor de doelsoorten als geheel, qua kwaliteit, omvang en onderlinge verbondenheid. Belangrijk om te realiseren is dat de 136 doelen niet op zichzelf staan, maar onderdeel zijn van ecosystemen. Om de doelen te kunnen bereiken is essentieel dat die ecosystemen als geheel worden beschouwd.
24
Voor een flink deel van de aan Fryslân toebedeelde VHR-doelen is er nu nog een leemte in kennis. Zo weten we bijvoorbeeld niet precies waar en hoeveel van de soorten en habitats buiten de Natura 2000 gebieden aanwezig zijn. De kennisleemte dichten we de komende jaren zoveel mogelijk, zodat vanaf 2026 ook voor die doelen gerichte en effectieve maatregelen kunnen worden genomen. Op basis van de kennis die er is blijkt dat een deel van de aan Fryslân toebedeelde VHR-doelen niet realistisch is of dat de maatregelen die daarvoor nodig zijn onmogelijk zijn. Het gaat bijvoorbeeld om de droge duinen en blauwgrasland en de soorten kemphaan en Noordse woelmuis. Hiervoor zal per doel worden bekeken wat de best mogelijke aanpak is. Meestal zal dit voor de korte termijn neerkomen op streven naar behoud van de huidige situatie. Voor een deel van de doelen zijn naar verwachting voorlopig geen extra inspanningen nodig. Fryslân kan hier soms zelfs een belangrijke bijdrage leveren aan de landelijke opgave. Het gaat bijvoorbeeld om kruipwilgstruwelen en duinbossen op de Waddeneilanden en populaties van de otter. Aanpak op hoofdlijnen We concentreren ons op de korte termijn (2024-2025) op het halen van de ruim 25% van de doelen waarvan we weten dat ze haalbaar zijn met extra inspanning. Daarvoor verstevigen we al lopende programma’s en activiteiten.
Dat gaat om de Natura 2000-beheerplannen, de actualisatie en realisatie van het Natuurnetwerk Nederland, de groenblauwe dooradering, de bossenstrategie, het agrarisch natuurbeheer en ons herstelprogramma biodiversiteit. En we zorgen voor extra weidevogelgebieden, conform het Aanvalsplan Grutto. Een andere belangrijke lijn is het streven naar extra kwaliteit binnen bestaande natuurgebieden via de strategie ‘Grip op Kwaliteit’ (zie bijlage 7b). Voor het bijdragen aan de VHR-doelen is niet altijd extra gebied nodig: de kwaliteit binnen gebieden verhogen helpt ook. De leemte in kennis die we voor ruim 30% van de doelen hebben dichten we de komende jaren zoveel mogelijk, zodat vanaf 2026 voor die doelen gerichte en effectieve maatregelen kunnen worden genomen. In de Kennis- en innovatieagenda rapporteren we daarover. Voor de nietrealistische doelen streven we in de meeste gevallen naar behoud van wat er is. Voor een-derde van de doelen, als gezegd, is geen extra inspanning nodig.
Wat gaan we doen? - Het invullen van kennisleemte in het kader van de Kennis- en innovatieagenda - Zie verder onderstaande thema's
25
Natura 2000-gebieden en stikstof De Natura 2000-gebieden vormen een gezamenlijk Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Deze gebieden spelen een belangrijke rol bij het realiseren van de VHR-doelen in Fryslân. Voor alle Natura 2000-gebieden zijn specifieke VHR-doelen vastgelegd in zogenoemde aanwijzingsbesluiten. Doelen Inhoudelijke doelen voor het verminderen van stikstof zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Omgevingswet (Ow). Zo moet in 2025 voor tenminste 40% van de stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden de zogeheten kritische depositiewaarde (KDW) niet meer worden overschreden. In 2030 moet dit 50 % procent zijn en in 2035 74 %. Huidige situatie In onze provincie zijn twintig Natura 2000-gebieden, waarvan er twaalf stikstofgevoelig zijn. De ‘natte’ N2000-gebieden zoals de Waddenzee, het IJsselmeer en de Noordzeekustzone en het Drents Friese Wold en Fochteloërveen vallen buiten dit FPLG. Hiervoor zijn respectievelijk Rijkswaterstaat en Drenthe de voortouwnemer, waarmee vanzelfsprekend wordt afgestemd. Drents Friese Wold en Fochteloërveen zijn beide stikstofgevoelig. Onderstaand een overzicht van de Natura 2000-gebieden in Fryslân die vallen binnen het FPLG.
Figuur 3: (stikstofgevoelige) N2000 gebieden
Met het wijzigingsbesluit van november 2022 is de Oudegaasterbrekken formeel ook stikstofgevoelig geworden door de aanwijzing van de habitattypen veenmosrietland en hoogveenbos. Tegen deze wijziging zijn wij overigens in beroep gegaan. Voor de Natura 2000-gebieden zijn beheerplannen vastgesteld, waarin maatregelen staan, meestal binnen de gebieden, om de voor de doelen noodzakelijke omgevingscondities op orde te krijgen. Voor tien stikstofgevoelige N2000-gebieden stellen wij als Fryslân Natuurdoelanalyses (NDA's) op (Drenthe doet dit voor het Drents Friese Wold en Fochteloërveen). Die beschrijven de huidige natuurkwaliteit van de gebieden op basis van bestaande gegevens. Daarbij wordt ook gekeken of de omgevingscondities voor de natuur – zuurgraad, grondwaterstand en voedselrijkdom – op orde zijn en welke factoren een negatieve rol spelen in het wel of niet behalen van de beoogde 26
natuurkwaliteit. Ook wordt in de NDA's beschreven welke natuurherstelmaatregelen uitgevoerd zijn en wat het effect daarvan is geweest. Uiteindelijk wordt op basis van deze gegevens beoordeeld of de instandhoudingsdoelstellingen van deze gebieden gehaald gaan worden. De NDA’s worden op 1 juli 2023 opgeleverd. Globaal is de volgende lijn te zien. In bijna alle gebieden worden de doelstellingen niet volledig gehaald. In de Natura 2000-gebieden in Zuidoost Friesland (Bakkeveense Duinen, Wijnjeterperschar, Van Oordt’s Mersken) zijn de stikstofdepositie en de verdroging de belangrijkste factoren die de natuurkwaliteit onder druk zetten. Dat geldt ook voor de Natura 2000-moerasgebieden in het veengebied van Friesland (Rottige Meenthe, Alde Feanen en Oudegaasterbrekken). Moerashabitattypen als veenmosrietland en vochtige heiden hebben last van verdroging of krijgen niet de juiste kwaliteit water, doordat het kwelwater de wortelzone niet meer bereikt. In de veenmoerassen wordt nu vaak oppervlaktewater aangevoerd om de tekorten in de zomer aan te vullen. Dat leidt tot een andere nutriëntensamenstelling en daarmee vaak tot een achteruitgang van de natuurkwaliteit. Op de Waddeneilanden staan de doelen minder onder druk, omdat daar de stikstofdepositie lager is. Lokaal kan nog wel sprake zijn van vermesting en verdroging in de duinen.
Maar het beeld is dat met de juiste natuurherstelmaatregelen en intensiever beheer er een beter perspectief is voor het behalen van de doelen dan voor de Natura 2000-gebieden op het vaste land. Naast stikstof – zie hieronder – is ook verdroging een belangrijk element van de achteruitgang van onze natuur. Het kwelwater kan de wortelzone van habitattypen als veenmosrietland en vochtige heiden niet meer bereiken. In Veenmoerassen wordt nu vaak oppervlaktewater aangevoerd om de tekorten in de zomer aan te vullen. Aanpak op hoofdlijnen Op basis van de NDA’s worden maatregelen in beeld gebracht om de VHR-doelen te gaan realiseren. Hierbij is er onderscheid in maatregelen die nu en op korte termijn uitgevoerd kunnen worden en daarnaast zijn er nog aanvullende onderzoeken – hydrologisch en landschapsecologisch – nodig om meer inzicht te krijgen in de huidige situatie en wat er nodig is om de doelen te bereiken. Deze onderzoeken worden de komende tijd opgepakt met als inzet om in 2025 met een pakket van maatregelen te komen die in de periode vanaf 2026 uitgevoerd kunnen gaan worden. De maatregelen worden vooral ingezet om de drukfactoren weg te halen en om natuurherstelmaatregelen uit te voeren. Voorbeelden hiervan zijn het beperken van de grond- en oppervlaktewater onttrekkingen.
Daarnaast is het voorstel om onderzoek en monitoring uit te breiden, zodat de huidige situatie beter in beeld is. Denk hierbij aan bodemonderzoek, stikstofmetingen, soortenonderzoek en actualisatie van de vegetatiekarteringen. Tot slot gaan we de komende tijd verder met het actualiseren van de Natura 2000-beheerplannen, waarin we concreet maken hoe we de instandhoudings- en uitbreidingsdoelstellingen in omvang, ruimte en tijd willen behalen.
27
Wat gaan we doen? 1. Legalisering van de PAS-melders. Legaliseren van PAS-melders is een voorwaarde voor deelname van deze bedrijven aan gebiedsprocessen. Dit is een Rijksverantwoordelijkheid, maar provincies hebben hier een belangrijke rol in vanwege de vergunningverlening. In het hoofdstuk Strategie en aanpak hebben we hier al meer uitgebreid bij stil gestaan. 2. Natuurbeheer en -herstelmaatregelen. De komende jaren zijn er aanvullende maatregelen voor de twaalf Natura 2000-gebieden met te hoge stikstofbelasting nodig. Dan kan het gaan om intensivering van natuurbeheer en natuurherstelmaatregelen in het gebied. Dit kan via de nieuwe beheerplannen vormgegeven worden. 3. Vermindering van de stikstofneerslag. De Natuurdoelanalyses zullen hoogstwaarschijnlijk aangeven dat vermindering van de stikstofneerslag door bronmaatregelen noodzakelijk is voor veel Natura-2000 gebieden. Dat is wettelijk ook vereist. Wij hebben vorig jaar het Uitvoeringsprogramma Stikstof Fryslân vastgesteld. Recente ontwikkelingen en jurisprudentie maken aanpassing hiervan nodig. Zie voor de wijze waarop we dat gaan doen het onderstaande kader en de bijlage voor een uitgebreide toelichting. 4. Aanpak van verdroging. De Natuurdoelanalyses geven aan dat verdroging een groot negatief effect uitoefent op de huidige staat van instandhouding en dus aangepakt moet worden.
Maatregelen in het watersysteem kunnen hieraan in belangrijke mate bijdragen, net als het realiseren van meer groenblauwe dooradering. 5. Verbindingen met andere natuurgebieden. Voor sommige gebieden geldt dat verbindingen met soortgelijke gebieden van belang zijn om populaties in stand te houden. Hier kunnen het realiseren van meer groenblauwe dooradering, de realisatie van het Fries Natuur Netwerk, Weidevogelbeleid/Aanvalsplan Grutto en de bossenstrategie een rol spelen. Het aanplanten van erfbeplanting, houtwallen, hagen en bos kan ook het verwaaien van stikstof tegengaan en daarmee helpen de stikstofneerslag op stikstofgevoelige natuur te verminderen.
28
Verdieping op stikstof: Van Uitvoeringsprogramma Stikstof naar FPLG Wij hebben vorig jaar het Uitvoeringsprogramma Stikstof (UPS) Fryslân vastgesteld om uitvoering te geven aan de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering (Wsn). Een aantal actuele ontwikkelingen, waaronder de komst van het NPLG, het afschaffen van de vrijstellingen voor het uitrijden van mest (‘derogatie’) en de normering voor grondgebondenheid, maken een herijking van het UPS noodzakelijk. Zowel de derogatie als het Nationaal Programma Landelijk Gebied, kunnen leiden tot extra stikstofreductie, waardoor een verschuiving van gebiedsgerichte reductie naar meer generieke reductie te verwachten is. Het UPS blijft van kracht totdat herberekening, herijking en integrale opname van de stikstofaanpak in het FPLG heeft plaatsgevonden. Naar verwachting zal dit in het eerste kwartaal van 2024 zijn. Het UPS heeft tot doel om de Friese stikstofgevoelige natuurgebieden op 74% onder KDW te brengen in 2035. Voor negen van de twaalf gebieden volstaat een generieke reductie van 25%, te bereiken door eenvoudig toe te passen maatregelen. Rond de gebieden Fochteloërveen, Drents-Friese Wold & Leggelderveld en Rottige Meenthe & Brandemeer is een hogere reductie nodig om de wettelijke doelen te halen. In ons stikstofprogramma is ook vastgelegd dat de vergunningverlening op orde moet komen.
Daarvoor wordt gewerkt aan een harmonisering van de vergunningverlening en zal een impuls worden gegeven aan toezicht en handhaving. Daarnaast wordt de aanwezige latente ruimte (ca 30% onbenutte stikstofruimte in vergunningen) in beeld gebracht. Waar landelijk beleid op dit vlak ontbreekt, zal in Fryslân het gesprek worden gevoerd over de manier waarop hier het beste mee kan worden omgegaan, ook in relatie tot legalisatie van de PAS-melders. Legalisatie van de PAS-melders is ook in het UPS opgenomen. Er is in dat kader inmiddels een doelenbank PAS-legalisatie opgericht. Veel aspecten uit het UPS zijn ook in dit FPLG opgenomen maar er hebben op basis van nieuwe inzichten ook bijsturingen plaatsgevonden. De verwachting vanuit berekening door de Universiteit Wageningen is dat door onder meer afschaffing van de derogatie in de landbouw tussen 2010 en 2030 al rond de 10% daling van de stikstofuitstoot zal plaatsvinden in Fryslân. De al door het Rijk aangekondigde normering voor grondgebondenheid beperkt ook de mate waarin we onze eigen maatregelen moeten nemen. Daarnaast is in de gesprekken rondom het landbouwakkoord het invoeren van een emissieplafond per hectare – emissiearme bedrijfsvoering – een optie die zeer kansrijk lijkt.
Uit berekeningen van de landbouwuniversiteit Wageningen komt naar voren dat een combinatie van derogatie, grondgebondenheid en emissiearme bedrijfsvoering zouden leiden tot een vermindering van stikstofuitstoot die voldoende is om de doelstelling van 74% onder KDW in 2035 in Fryslân te halen. Wij zien zelf het invoeren van een norm voor emissiearme bedrijfsvoering door het Rijk als cruciaal en noodzakelijk om te borgen dat Fryslân weer ‘van het vergunningsslot’ kan. Wij wachten in dit verband op de uitkomsten van het landbouwakkoord. Wij zien in dit programma een aantal kansrijke routes om tot vermindering van stikstofuitstoot te komen: Doelsturing: het sturen op doelen in plaats van middelen is een centraal principe van dit FPLG en we zien daarin een grote rol voor Kritische Prestatieindicatoren (KPI’s). De kern hiervan is dat agrariërs niet wordt voorgeschreven hoe ze hun bedrijf moeten runnen, maar dat wordt afgesproken hoeveel uitstoot van welke stof acceptabel is. Er staan dan beloningen tegenover het extra verlagen van uitstoot, of bijvoorbeeld het bijdragen aan hectares agrarische natuur. Welke maatregelen er precies worden gekozen – aanpassing rantsoen, rassenkeuze, emissiebeperking in de mestopslag enzovoorts – is aan de ondernemer. Een uitgebreide beschrijving van de werking van KPI's staat in bijlage 8 . 29
Gecombineerde aanpak stikstof en methaan: Er is veel overlap tussen maatregelen die nodig zijn om stikstofuitstoot te verminderen en om de uitstoot van methaan te verminderen. Waar bedrijven stoppen en/of er geëxtensiveerd wordt, zal een krimpende veestapel immers niet alleen leiden tot minder ammoniakemissies, maar ook methaanemissies reduceren. Overigens zijn er soms ook maatregelen die positief voor het ene, maar juist negatief voor het andere uitwerken, zoals bijvoorbeeld verandering in het rantsoen van dieren. Daarom kiezen we voor een gecombineerde aanpak in het terugbrengen van de uitstoot van stikstof en methaan. Kennis op dit vlak wordt momenteel o.a. ontwikkeld door het programma ‘Integraal aanpakken’. Voor een goede integrale aanpak is hier op korte termijn versnelling nodig. Zie ook bijlage 9. Gebiedsgerichte aanpak: bij veel maatregelen in dit programma – bijvoorbeeld voor stikstofvermindering, watermaatregelen en verbindingen – zal een zwaarder accent liggen op de directe omgeving van de Natura 2000-gebieden. Dit vraagt om een gebiedsgerichte aanpak, waarin samen met de omgeving slimme combinaties worden gemaakt van de maatregelen voor vermindering van stikstof- en broeikasgasuitstoot, meer klimaatbestendig waterbeheer, maatregelen voor de Kaderrichtlijn Water, Groenblauwe dooradering, Natuurnetwerk en Bossenstrategie.
Het UPS bevat een verdeling tussen gebiedsgerichte en generieke vermindering van de stikstofemissies in Fryslân. Het UPS blijft van kracht totdat herberekening, herijking en integrale opname van de stikstofaanpak in het FPLG heeft plaatsgevonden. Naar verwachting zal dit in het eerste kwartaal van 2024 zijn. Wettelijke borging van innovatie: er zijn technieken voor vermindering van de uitstoot van stoffen en soms ook nog verhoging van het verdienvermogen van de agrarische sector. Een voorbeeld hiervan is monomestvergisting. Deze techniek leidt tot vermindering van zowel stikstof- als broeikasgasuitstoot en levert bovendien aanvullende inkomsten op via de verkoop van groen gas. Het ontwikkelen van een goede wettelijke borging van de emissiereductie van dergelijke innovaties, en het vergunningtechnisch mogelijk maken van deze ontwikkelingen, zien we als onderdeel van onze Kennis- en innovatieagenda voor 2024-2025. Monitoring: het is voor het kunnen legaliseren van PAS-melders en het op gang kunnen brengen van de vergunningverlening noodzakelijk om aan te tonen dat herstel van onze Natura 2000 gebieden optreedt. Hiervoor moet de voortgang van maatregelen, maar ook het effect van de maatregelen op het herstel van de natuur worden gevolgd.
Zie hiervoor ook het hoofdstuk monitoring.We gaan het UPS niet apart actualiseren maar pakken stikstof aan in samenhang met de andere NPLG doelen en k omen met nieuwe doorrekeningen. Dit maakt deel uit van de Kennis- en innovatieagenda voor 20242025. Vanzelfsprekend zullen we hierbij ook opnieuw afstemmen met belanghebbenden.
30
Natuur Netwerk Nederland (NNN) Het Friese Natuurnetwerk (het Friese deel van het NNN) is de ruggengraat van de natuur en biodiversiteit in Fryslân. Ook alle Natura 2000-gebieden maken deel uit van het NNN. Binnen het natuurnetwerk leeft een groot deel van de Friese soorten en is een groot deel van de habitats en diersoorten onder de VHR-doelen te vinden. Het natuurnetwerk kan daarmee een belangrijke bijdrage leveren aan het realiseren van de VHR-doelen. De omvang van het Friese NNN is ca. 66.000 ha, exclusief Waddenzee en IJsselmeer. De realisatie van het Natuurnetwerk is onderdeel van het Natuurpact (2013) tussen Rijk en provincies, waarin afspraken gemaakt zijn over het Nederlands natuurbeleid tot 2027. Doelen Resterende opgave areaal per provincie Natuurnetwerk Nederland (NNN), optellend tot 40.571 ha (2027) Het compleet maken van het netwerk gaat vooral nog om het toevoegen van de laatste schakels, die bepalend zijn voor het functioneren van het totale netwerk. Door verstedelijking, industrie en landbouw zijn de meeste natuurgebieden versnipperd geraakt. Daardoor zijn ze kwetsbaar voor invloeden van buitenaf en staat de biodiversiteit onder druk. Dieren en planten kunnen natuurverbindingen gebruiken om zich te verplaatsen en daarmee andere delen van het netwerk bereiken. Dat maakt ze minder kwetsbaar voor verstoringen in een bepaald deel van het netwerk.
De kans dat bepaalde soorten uitsterven neemt daarmee af. Huidige situatie In onderstaande tabel is de voortgang van de realisatie per 1 januari 2023 in Fryslan aangegeven. Opgave 2014-2027 Taakstelling Gerealiseerd Restanttaakstelling Verwerving/functiewijziging 2.527 ha 1.029 ha 1.498 ha Inrichting 5.766 ha 2.167 ha 3.599 ha In het Natuurpact hebben we met het Rijk afgesproken om uiterlijk in 2027 het Friese deel van dit netwerk te hebben gerealiseerd. Dat gaat niet lukken, aangezien het NNN op basis van vrijwilligheid gerealiseerd wordt. Met maximale inspanning op de huidige aanpak kunnen we uiterlijk in 2027 750 hectare verwerving of functiewijziging en 2000 hectare inrichting realiseren. Hiervoor heeft GS op 14 februari 2023 een realisatiestrategie vastgesteld. Zie voor link: Besluitenlijst Gedeputeerde Staten 14 februari 2023 | Fryslan.
31
Ligging van gebiedsontwikkelingsprojecten en verdeling prioriteiten NNN
In het Friese Natuurbeheerplan wordt aangegeven welke natuurtypen binnen het NNN van toepassing zijn. De financiering van het natuurbeheer wordt geregeld via de Friese Subsidieregeling Natuur en Landschap (SNL) op basis van standaardkostprijzen en de natuurtypen in het Natuurbeheerplan. Landelijk is hierbij afgesproken dat 84% van de totale kosten – beheer, openstelling en monitoring – wordt vergoed. Daardoor ontbreken de mogelijkheden voor beheerders om actief te werken aan de kwaliteitsverbetering van de natuur of het realiseren van afgesproken natuurambities op dit moment. In het hoofdstuk Instrumenten komen wij met voorstellen om dit knelpunt op te lossen. Beoogde aanpak op hoofdlijnen Met de huidige aanpak kunnen we het Friese deel van het natuurnetwerk niet volledig realiseren in 2027. Naar verwachting rest ons in 2027 nog een opgave van 750 hectare te verwerven of functieverandering en 1600 hectare in te richten natuurnetwerk. Het hiervoor vanuit het Natuurpact beschikbare budget is onvoldoende. Om het natuurnetwerk optimaal te benutten voor de VHR-opgave is het niet alleen van belang dat het NNN wordt gerealiseerd, maar ook dat de kwaliteit van de natuur die er is zo hoog mogelijk te maken. Hiervoor hebben we een strategie ‘Grip op kwaliteit’ opgesteld.
Daarin geven we aan hoe we de kwaliteit van het natuurnetwerk gaan verhogen en we gericht gaan sturen op het behalen van de afgesproken natuurambities. Zodat het natuurnetwerk maximaal bijdraagt aan de opgaven van het FPLG, met name biodiversiteit, maar óók water en klimaat. Fryslân wil er de komende twaalf jaar op inzetten om binnen de bestaande kaders van het SNL de beheerders maximaal te faciliteren het beheer optimaal uit te voeren, zodat er een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit kan worden nagestreefd. Het optimaliseren van het natuurbeheer, het uitvoeren van kwaliteitsimpulsen en het financieren van overgangsbeheer t.b.v. de ambities vragen meer budget dan tot nu toe beschikbaar was via het Natuurpact. Wat gaan we doen? - 750 hectare verwerven/van functie laten veranderen en 1600 hectare inrichten tot 2027 - Verbeteren van de kwaliteit van bestaande natuur via Grip op Kwaliteit 32
Groenblauwe dooradering en de bossenstrategie De groenblauwe dooradering bestaat uit landschapselementen, zoals heggen, singels, boomgroepen, kruiden- en bloemrijke (akker)randen, natuurvriendelijke oevers, poelen en ecologisch beheerde sloten. Door natuurgebieden en leefgebieden van soorten via een netwerk van landschapselementen beter met elkaar verbinden wordt er een uitgangssituatie gecreëerd die op duurzame wijze bijdraagt aan de realisatie en uitbreiding van o.a. de VHR-doelen en de biodiversiteit in het algemeen. De kwaliteit en herkenbaarheid van het landschap kunnen met een groenblauwe dooradering van het landelijke gebied worden versterkt. Ook kunnen de revitalisering en uitbreiding van bos en landschapselementen lokaal bijdragen aan de hydrologie en waterkwaliteit. Ook dit kan weer een positief effect hebben op habitattypen en/of soorten. Het Fries Natuur Netwerk en de bebouwde kom maken geen deel uit van de Groenblauwe dooradering. Doelen 10% groenblauwe dooradering (2050), waarvan de helft van de opgave in 2030 gerealiseerd is. Areaal opgave per provincie voor nieuw bos (2030), optellend tot 37.400 ha landelijk
Zowel landelijk als voor Fryslân is het doel dat in 2050 10% van het landelijk gebied groenblauw dooraderd is, waarvan de helft al in 2030. De houtige elementen leveren ook een bijdrage aan de Friese klimaatopgave. In het Klimaatakkoord van 2019 hebben Rijk en provincies afgesproken om de vastlegging van koolstofdioxide - CO2 - in bomen, bos en natte natuur te vergroten om zo bij te dragen aan de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen en het klimaatbeleid. Dat leidde tot de landelijke bossenstrategie, met als doel om landelijk 10% meer bos te realiseren. Die werd in 2022 doorvertaald naar de Friese Bomen- en bossenstrategie (friese_bomen-_en_bossenstrategie.pdf (fryslan.frl). In dit FPLG worden de acties van de groenblauwe dooradering en de bossenstrategie gezamenlijk uitgevoerd; de zogeheten dubbeldoel-maatregelen. Habitattypen die kunnen profiteren van de groenblauwe dooradering en de bossenstrategie zijn bijvoorbeeld vochtige beekbegeleidende bossen en vennen. Voor veel vogelsoorten kan de Friese bomen- en bossenstrategie met name indirect een goede bijdrage leveren aan het behalen van de doelstellingen, bijvoorbeeld door verbetering van de voedselbeschikbaarheid, zoals bessen, insecten en kleine zoogdieren. Habitatsoorten die direct profiteren van groenblauwe dooradering en de bossenstrategie zijn de meervleermuis en de bever.
Daarnaast profiteren soorten zoals onder andere de grote modderkruiper, bittervoorn en gevlekte witsnuitlibel van een toename aan blauwe dooradering. Huidige situatie Een eerste ruwe schatting is dat op dit moment gemiddeld ruim 2% van het landelijke gebied bestaat uit groenblauwe dooradering. Met lokaal erg hoge dichtheden droge dooradering (Friese Woudengebied) en hoge dichtheden blauwe dooradering (veenweidegebied). Er is de komende tijd nader onderzoek nodig om dit exact te bepalen en dus na te gaan hoeveel extra nodig is. Overigens weerhoudt dat er ons niet van al aan de slag te gaan met kansen van onderop. Aanpak op hoofdlijnen In onze eigen Friese Bomen- en Bossenstrategie, 2022) streven we ernaar tot en met 2030 in Fryslân extra bos binnen en buiten het NNN te realiseren. Daarnaast gaan we ook de kwaliteit van bestaand bos en landschapselementen verhogen (revitaliseren).
33
Extra inzet op het agrarisch natuurbeheer levert diverse meekoppelkansen om de groenblauwe dooradering te realiseren. Kansrijk zijn de kruidenrijke randen en de koppeling met de bufferstroken uit de Kaderrichtlijn Water. Daarnaast moet er voor deze opgaven mogelijk nieuw instrumentarium worden ontwikkeld. Dat geldt zowel voor de aanleg van nieuwe elementen als ook het duurzame behoud en beheer daarvan. Verder is er de komende tijd nog veel uit te zoeken en uit te werken. Zo moeten we beter kunnen duiden hoe en in welke mate de Groenblauwe dooradering en Bossenstrategie het beste kunnen bijdragen aan de VHR-doelen, wat dat betekent voor de uitvoering en hoeveel tijd dat vraagt. In de gebiedsprocessen gaan we samen met anderen bepalen wáár we extra bos en groenblauwe dooradering gaan realiseren. Daarbij is ons streven aan te sluiten bij de geschiedenis van het landschap, die wij als provincie en Landschapsbeheer Friesland hebben vertaald in handreikingen en hulpmiddelen zoals ‘Grutsk op ‘e Romte’ en ‘Mei it ferline foarút’.
Wat gaan we doen? - 223 ha bos te creëren binnen het areaal Natuur Netwerk Nederland - 315 ha bos te creëren buiten de Natuur Netwerk Nederland arealen - 112 ha aan landschapselementen toe te voegen - 210 ha aan zogeheten agroforestry en voedselbossen te realiseren - onderzoeken hoe en in welke mate groenblauwe dooradering en bossenstrategie kunnen bijdragen aan de de biodiversiteitsdoelen - via ANLb realiseren van een deel van de beoogde groenblauwe dooradering.
34
Agrarisch natuurbeheer en weidevogels Een deel van de VHR-doelen heeft betrekking op weidevogels als de kemphaan en kluut. Weidevogels vormen een wezenlijk onderdeel van de beleving van het landschap en de Friese cultuur. De aantallen die tijdens de trek gebruik maken van Fryslân zijn onlosmakelijk gekoppeld aan de broedpopulaties. Agrarisch natuurbeheer is, naast de bijdrage die het levert aan bijvoorbeeld weidevogels, akkervogels en wintergasten, ook van belang voor de realisatie van de Groenblauwe dooradering en kruidenrijke randen en de bufferstroken die de waterkwaliteit bevorderen. Doelen Voor het behalen van de VHR-opgave is het cruciaal dat, zowel binnen als buiten de Natura 2000gebieden, wordt ingezet op het behouden en verbeteren van de broedbiotoop van weidevogels. Die is voor een groot deel te vinden in agrarisch gebied. Andere wintergasten die tot de Friese VHRdoelen behoren, zijn diverse soorten ganzen, eenden en zwanen. Ook deze zijn deels afhankelijk van agrarisch gebied. Huidige situatie Provincie Fryslân is één van de trekkers van het landelijke Aanvalsplan Grutto. Verder heeft Provinciale Staten van Fryslân in november 2021 de Nota Weidevogels 2021–2030 vastgesteld. Hierin wordt de aanpak omschreven waarmee Fryslân wil voldoen aan de nationale en internationale eisen en verantwoordelijkheid op het gebied van weidevogels.
De Friese aanpak voor ganzen bestaat uit bescherming én schadebestrijding. Met de Fryske guozzeoanpak worden de VHR-doelen voor de brandgans, grauwe gans en kolgans gehaald, terwijl er ook nog enkele andere wintergasten meeliften op de aanpak, zoals bijvoorbeeld eenden, zwanen en steltlopers. De aantallen van enkele soorten ganzen die in Fryslân overwinteren zijn sterk gegroeid. Het Agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb) kent een historie van circa 40 jaar in Fryslân, vanaf 2016 georganiseerd via het collectieve stelsel ANLb 2016-2021. De huidige uitvoering van het ANLb wordt landelijk gezien als een succesvolle en goed georganiseerde wijze van natuurbeheer in het agrarisch gebied. Met de leefgebieden benadering wordt het leefgebied – natte en droge dooradering, akker, grasland en water – optimaal ingericht waarbij de doelsoorten uit het Natuurbeheerplan Fryslân behouden moeten worden. Dit natuurbeheerplan is het subsidiekader voor inzet van het ANLb. ANLb wordt voor een groot deel gefinancierd vanuit het EU GLB budget. Nationale financiering is door de provincie gedekt middels het Natuurpact en aanvullend gefinancierd vanuit de Kadernota Fryslân 2023. Vanaf 2023 is het programma GLB-NSP leidend en wordt het agrarisch natuurbeheer breder ingezet met extra taken op klimaat, water en ook bodem.
Het beheer wordt in Fryslân uitgevoerd via onze zeven agrarische collectieven waarvan ruim 1.800 agrariërs lid zijn. Aanpak op hoofdlijnen In de Friese nota weidevogels worden maatregelen genoemd als het verhogen van het waterpeil, tegengaan van kerende grondbewerkingen, extensief boeren en het verminderen van het gebruik van drijfmest. Hiermee wordt tevens de uitstoot van stikstof tegengegaan en daarmee de stikstofneerslag op stikstofgevoelige natuur verminderd. Het verhogen van het waterpeil in veengebieden gaat tevens oxidatie van veen tegen en draagt daarmee ook bij aan de opgave voor klimaat. Ook draagt de extensivering van beheer bij aan de algehele biodiversiteit en is er samenhang met de groenblauwe dooradering, het versterken van het NNN en het uitvoeren van het Friese veenweideprogramma. Vanuit het landelijke Aanvalsplan Grutto en het provinciale weidevogelbeleid is het doel om in 2027 in Fryslân circa 18 robuuste weidevogelkerngebieden te hebben gerealiseerd.
35
De Fryske Guozzenoanpak bestaat uit bescherming én schadebestrijding. De aantallen van enkele soorten ganzen die in Fryslân overwinteren zijn namelijk sterk gegroeid. De keerzijde hiervan is vraatschade. Fryslân zet daarom sinds 2017 ook in op beperking van die schade. De agrarische collectieven maken hier met de Fauna Beheer Eenheid (FBE) in de provincie afspraken over, waarbij de realisatie van de vogelrichtlijnopgave uitgangspunt is. Onze ambitie is om in de periode 2024 en 2025 extra hectares agrarische natuur te realiseren. Dat is kansrijk omdat er wachtlijsten van agrarische collectieven zijn, die mee willen doen. Daarnaast willen wij het beheer ondersteunen met investeringen en extra aanleg landschapselementen. De investeringen nodig voor het optimaal inrichten van weidevogelgebieden (Aanvalsplan Grutto) en voor aanpassing waterhuishouding worden waar dat kan gecombineerd met de veenweideaanpak en de klimaatadaptatie. In Fryslân is meer ambitie in de landbouwsector dan budget in beschikbaar. Onder nieuwe GLB is een eco-regeling die boeren vergoeding geeft voor het uitvoeren van duurzaamheidsmaatregelen die bijdragen aan biodiversiteit, klimaat, bodem-/luchtkwaliteit, water en landschapskwaliteit. Dit draagt bij aan het vergroten van de biodiversiteit. Wat gaan we doen? - Extra hectares ANLb realiseren in 2024 en 2025 - Realiseren meerdere robuuste weidevogelkerngebieden
36
5.2
KLIMAAT
In 2016 heeft de Europese Unie mede namens Nederland het Klimaatakkoord van Parijs ondertekend. Doel van het akkoord is om de opwarming van de aarde te beperken tot onder 2 graden Celsius. Dit is vertaald in de Europese Klimaatwet. Daarin is de doelstelling opgenomen dat in 2030 sprake moet zijn van minimaal 55% minder uitstoot van broeikasgassen ten opzichte van 1990. In 2050 moet de Europese Unie klimaatneutraal zijn. Veehouderij en akkerbouw Doelen Landelijke emissiereductieopgave broeikasgassen voor de veehouderij en akkerbouw van 5 Mton CO₂ eq (2030) In het NPLG is bepaald dat in de veehouderij en akkerbouw een methaanemissiereductie van minimaal 3,82 Mton CO₂ eq zijn gerealiseerd (2030) Naast de productie en het gebruik van fossiele brandstoffen zoals kolen, olie, gas en afvalverwerking is twee derde van de methaanemissie in Nederland afkomstig uit de veehouderij. Binnen de veehouderij is 77% van de uitstoot van methaan afkomstig uit de melkvee- en rundveehouderij en 14% uit de mestopslagen van de varkenshouderij. De Nederlandse land- en tuinbouw stootte in 2020 in totaal 14,5 megaton CO2 equivalenten aan methaan uit. Van de 14,5 megaton is 1,2 Mton te herleiden naar de glastuinbouw en 13,4 megaton naar de veehouderij en de akkerbouw.
In de veehouderij en akkerbouw is methaanuitstoot te herleiden naar stallen, mestopslag, weidebemesting, maag- en darm fermentatie en mestbewerking. De landelijke doelstelling voor het verminderen van broeikasgassen voor veehouderij en akkerbouw is 5 megaton CO2 equivalenten. De indicatieve opgave voor Fryslân is 0,8 megaton CO2 equivalenten. Hardheid van de doelen Het doel van 95% uitstootvermindering in de nationale klimaatwet is een enerzijds een resultaatverplichting voor de nationale regering en dus ‘hard’. Maar anderzijds wordt expliciet gesteld dat het een politiek doel is en niet bij de rechter kan worden afgedwongen. Het tussendoel van 49% vermindering is expliciet geformuleerd als een streefwaarde. De aangescherpte klimaatdoelen waar het kabinet aan werkt zijn momenteel slechts indicatief. De uitspraak van de Hoge Raad in de zogeheten Urgenda-zaak geeft aan dat de rechter oordeelt dat klimaatdoelen wel afdwingbaar zijn. Huidige situatie Door het Rijk is aangegeven dat een deel van deze reductie door generieke maatregelen zal worden ingevuld. De resterende provinciale opgave zal daardoor kleiner worden. De generieke maatregelen die het Rijk wil nemen worden nog nader uitgewerkt. Dit gebeurt onder andere in het kader van het Landbouwakkoord. Daarbij gaat het om bijvoorbeeld verplichte voer- en managementmaatregelen of mogelijk regels rondom grondgebondenheid.
Wat gaan we doen? De landbouw is een belangrijke bron van methaanuitstoot. De methaanmaatregelen overlappen in sterke mate met de maatregelen die nodig zijn voor stikstof. We hebben ze daarom bijeengebracht in een kader. 37
Veenweide Doelen Emissiereductieopgaven broeikasgassen veenweiden voor 6 provincies (2030), als onderdeel van de nationale opgave Broeikasgassen landgebruik optellend tot 1 Mton CO₂ eq (2030) In Fryslân bevindt zich bijna de helft van de hoeveelheid veen in Nederland. Dat veen oxideert; als veen, als gevolg van een lage grond- en/of oppervlaktewaterstand, blootgesteld wordt aan de lucht, verbrandt het langzaam. Hierdoor klinkt de bodem in en komt het maaiveld steeds lager te liggen. Veenoxidatie gaat gepaard met CO2 uitstoot en draagt zo bij aan klimaatopwarming. Bovendien leidt de bodemdaling tot negatieve effecten als schade aan woningen en infrastructuur. Voor de veenweideprovincies is de doelstelling dat in 2030 de CO2-uitstoot met 1 megaton CO2 equivalenten is verminderd. De indicatieve doelstelling voor het Friese veenweidegebied is 45% van de landelijke doelstelling, gelijk aan het Friese aandeel in de landelijke hectares veenweide. Dit komt neer op zo'n 0,45 Megaton CO2 equivalenten. In het Veenweideprogramma 2021-2030 zijn tevens doelstellingen opgenomen om: - de negatieve effecten van bodemdaling te verminderen, zoals schade aan gebouwen en infrastructuur, verdroging van natuur en aantasting van de ruimtelijke kwaliteit - te zorgen voor een duurzaam toekomstperspectief voor de landbouw - te zorgen voor een waterrobuust en klimaatbestendig ingericht watersysteem.
Huidige situatie In 2021 is het Veenweideprogramma 2021-2030 vastgesteld en nu wordt via gebiedsprocessen gewerkt aan de uitvoering hiervan. Met het NOBV wordt samengewerkt aan het ontwikkelen van kennis er wordt via samenwerkingsverbanden zoals het landelijke Veenweide Innovatie Programma (VIPNL) proeven gedaan en nieuwe innovaties onderzocht. Met de beoogde gemiddelde grondwaterstand van gemiddeld –40 cm voor het dikke veen in het Veenweideprogramma is de verwachting dat er een vermindering van de CO2 uitstoot wordt bereikt van 0,25 Mton. Wat gaan we doen? -
We zetten de uitvoering van het huidige veenweideprogramma voort
Tot 2026 concentreren wij ons op het verminderen van de CO2 uitstoot in de gebieden met een dik veenpakket. In 2025 vindt een herijking plaats waarin we bepalen wat verder nog moet of kan worden gedaan. Dat gaat onder meer over maatregelen op gebieden buiten het dikke veen, waar in het programma al afspraken over zijn gemaakt. Dit wordt betrokken in verdere besluitvorming over het FPLG. In het veenweidegebied wordt in zes gebiedsprocessen al intensief gewerkt aan integrale gebiedsplannen voor de verschillende doelen in dit FPLG.
38
Bodem Doelen Landelijke koolstofvastlegging in landbouwbodems van 0,5 Mton CO₂ eq (2030) (bomen/bos/natuur gerealiseerd via Bossenstrategie) Met de invoering van de Omgevingswet is een breder bodembeleid ingezet. Niet alleen ligt er een focus op bodemverontreiniging, maar ook het duurzaam en efficiënt beheren en gebruiken van de bodem en ondergrond. In het klimaatakkoord afgesproken landelijk 0,5 Megaton CO2 equivalenten vast te leggen in zand- en kleibodems. Om de vitaliteit en kwaliteit van landbouwbodems te verbeteren is het Nationaal programma landbouwbodems opgezet. Dit programma heeft als doelstelling dat alle Nederlandse landbouwbodems in 2030 duurzaam worden beheerd. In de provinciale Omgevingsvisie streven we naar een goede bodemkwaliteit en vruchtbare landbouwgronden. Daarbovenop is in de visie aangegeven dat een vitale bodem een bijdrage kan leveren aan de energietransitie, biodiversiteit, landbouw en klimaatadaptatie. Huidige situatie Het gehalte aan organische stoffen in de bodem en de balans van voedingsstoffen, organische stofgehalten en nutriëntenbalansen zijn gemiddeld genomen stabiel in Fryslân. Maar er is wel een aantal zorgelijke trends. Dat zijn onder andere de bodemdaling in het veengebied, verdichting en verzilting op kleigronden en verzuring in zandregio’s. In Fryslân wordt gewerkt aan vitalere bodems.
Dat is voor alle belanghebbenden en sectoren van belang. De komende jaren is onderzoek nodig, zoveel mogelijk op basis van metingen. Dit kan onderzoek zijn naar de staat van de biodiversiteit in de bodem in de akkerbouwgebieden op de noordelijke zeeklei en delen van het oostelijke zandgebied, het vaststellen van de functies van de bodem in Fryslân en de beste manier om via duurzaam bodembeheer de bodemgezondheid te verbeteren. Bij de Kennis- en innovatieagenda wordt hier verder over gerapporteerd. Daarnaast zijn er bestaande maatregelen die aantoonbaar bijdragen aan een verbetering van de bodemvitaliteit – en daarmee biodiversiteit en hydrologie – die we al stimuleren via lopende programma’s, zoals bijvoorbeeld de Kaderrichtlijn Water. Hiervoor zetten we een versterking en versnelling in. Het gaat dan bijvoorbeeld om investeringen in landbouwmachines voor een duurzame bodembewerking of de kennisprogramma’s onder de delta-aanpak agrarisch waterbeheer (DAW)
39
5.3
WATER
Kaderrichtlijn water en nitraatrichtlijn Doelen Concentraties nutriënten (P en N) in grond- en oppervlaktewaterlichamen voldoen aan wettelijke normen (2027 Concentraties gewasbeschermingsmiddelen in grond- en oppervlaktewaterlichamen voldoen aan wettelijke normen (2027 Grondwaterlichamen voldoen aan de norm voor een goede kwantitatieve toestand (2027) Hydrologische condities Natura 2000-gebieden op orde (2027)* * in de startnotitie NPLG is dit als indicatief doel benoemd. Het op orde brengen van de hydrologische condities van de N2000 gebieden is wel een verplichting van de Kaderrichtlijn Water. De Kaderrichtlijn Water (KRW) richt zich op de bescherming van het grond- en oppervlaktewater. Het doel ervan is enerzijds dat de ecologische waterkwaliteit verbetert om daarmee een goede leefomgeving te bieden aan planten en dieren en anderzijds dat de chemische waterkwaliteit goed is, waarmee wordt bedoeld dat het (grond)water geen verontreinigende stoffen bevat. De KRW stelt ook eisen aan de beschikbaarheid van water van voldoende kwaliteit voor Natura 2000 gebieden, voor drinkwater en aan de kwaliteit van zwemwater. De eisen uit de Europese richtlijnen zijn in Nederland onder meer omgezet in het Besluit kwaliteitseisen en monitoring water, de Regeling monitoring Kaderrichtlijn Water en de Waterwet.
De Nitraatrichtlijn is de evenknie van het KRW en is gericht op het verminderen van de stikstof- en fosforbelasting van grond- en oppervlaktewater door de landbouw. Hiermee wordt bijdragen aan het bereiken van een goede waterkwaliteit. In 2024 wordt de voortgang van de KRW-aanpak landelijk geëvalueerd en worden de resultaten hiervan voorgelegd aan Provinciale Staten. We zullen de resultaten, daar waar relevant voor het landelijk gebied, ook betrekken bij de herijking van het FPLG in 2025. Hardheid van de doelen Bij het niet halen van de doelen van de KRW kan de Europese commissie de betrokken lidstaat in gebreke stellen. Dat kan leiden tot zowel een boete als een dwangsom. Het Rijk kan regionale partijen daarvoor medeverantwoordelijk stellen, maar alleen als decentrale overheden nalatig zijn geweest. De ex ante analyse uit 2021 concludeert dat ‘het niet onwaarschijnlijk is’ dat Nederland in gebreke wordt gesteld als in 2027 niet wordt voldaan aan de KRW-eisen. De huidige situatie De waterkwaliteit en biodiversiteit in en langs het water van Fryslân is de afgelopen jaren toegenomen. Toch zijn de KRW-doelen nog niet behaald. De waterkwaliteit van het oppervlaktewater in Fryslân is nog onvoldoende om een gezond ecosysteem mogelijk te maken. We zien de kwaliteit van het water wel verbeteren, maar niet genoeg om de verplichte ecologische doelen in al het water te halen.
De chemische kwaliteit van ons grondwater voldoet aan de maatstaven van de KRW. Die maatstaven gelden voor het grondwater in de diepere lagen. In het ondiepe grondwater worden steeds vaker en steeds meer chemische stoffen aangetroffen (vergrijzing). Voor de kwantitatieve toestand van het grondwater geldt dat voor een deel van de Natura 2000gebieden deze nog niet als voldoende wordt beoordeeld binnen de KRW-monitoring. De waterkwaliteit van het oppervlaktewater in Fryslân is nog onvoldoende om een gezond ecosysteem mogelijk te maken. We zien de kwaliteit van het water wel verbeteren, maar niet genoeg om de
40
ecologische doelen in het water te halen. De chemische kwaliteit voldoet nog in geen enkel waterlichaam2 aan de doelstelling. Aanpak op hoofdlijnen Naast de maatregelen die al worden genomen is een versterking nodig van de aanpak voor het opheffen van de effecten van het landbouwkundige grondgebruik op de ecologische en chemische kwaliteit van het watersysteem. Verantwoordelijkheden voor deze aanpak zijn verdeeld over het Rijk, provincies en de waterbeheerders. Het transitiefonds van het Rijk gaan we daarom inzetten om onze aanpak van de emissie van gewasbeschermingsmiddelen en nutriënten te verstevigen. Ook gaan wij het natuurvriendelijker beheer van grond- en oppervlaktewater stimuleren, inclusief versterking van het hydrologische systeembeheer ten behoeve van de aanpak van verdroging. De maatregelen in de stroomgebied beheerplannen nemen we daarbij – zoals in de handreiking van het NPLG aangegeven – niet op in het gebiedsprogramma maar betrekken we wel in de processen. Wat gaan we doen? -
-
-
Beperken emissies via continuering Deltaprogramma Agrarisch Waterbeheer door voorlichting, kennisontwikkeling en innovatie, het sluiten van kringlopen, duurzaam bodembeheer en andere emissie reducerende maatregelen; Het stimuleren van verduurzaming van agrarische bedrijven vanuit het GLB-NSP; Stimuleren bufferzones langs watergangen middels Agrarisch Natuur en Landschapsbeheer (ANLb); Natuurvriendelijke inrichting en beheer van water zoals oevers van kanalen en sloten herinrichten, luwe ondiep-waterzones in meren aanleggen, maatregelen nemen om oeverafkalving tegen te gaan, maatregelen nemen voor de afvang van slib en meer doen aan ecologisch slootonderhoud; Aanpak van verdroging via de gebiedsaanpak Natura 2000 (zie daarvoor ook de onderdelen natuur)
Generieke maatregelen. Voor het realiseren van de doelen voor waterkwaliteit geldt ook generiek (landelijk) beleid. Deze maatregelen zijn onder andere opgenomen in het 7e nitraatactieprogramma, het nieuwe GLB en GLB-NSP, het addendum op het 7e NAP en de derogatiebeschikking. -
-
-
Afbouw van de mestderogatie van 250/240 kg/ha naar 170 kg/ha. Voor grondwaterbeschermingsgebied en N2000-gebied is per direct geen derogatie meer mogelijk. Voor ‘met nutriënten verontreinigde gebieden’ geldt een versneld afbouwpad. In Fryslân zijn momenteel geen ‘met nutriënten verontreinigde gebieden aangewezen’. Per 2024 worden aanvullende ‘met nutriënten verontreinigde gebieden’ aangewezen én gelden voor deze gebieden aanvullende maatregelen. Aanhouden van bufferstroken (teelvrij, vrij van mest en gewasbeschermingsmiddelen) met een breedte van 0,5 tot 5 meter, afhankelijk van de grootte perceel en type water (wel/geen KRW water, wel/geen ecologisch kwetsbare waterloop. Fryslân heeft op dit moment geen aangewezen ecologisch kwetsbare waterlopen). Per 2025 aanpassing van de teeltspecifieke stikstofgebruiksnormen en het mestproductieplafond. Overige basisconditionaliteiten (naast de bufferstroken) voor deelnemers aan het GLB.
2
een onderscheiden oppervlaktewater van aanzienlijke omvang, zoals een meer, een waterbekken, een stroom, een rivier, een kanaal, een deel van een stroom, rivier of kanaal, een overgangswater of een strook kustwater.
41
-
Overige maatregelen vanuit het 7e NAP en de derogatiebeschikking. O.a. eisen aan transport van mest, registratie en bemestingsplan, vanggewassen, elektronisch mestregister, eisen graslandscheuren en vanggewassen na mais (voor met nutriënten verontreinigde gebieden) en verschuiving van de uitrijdatum voor drijfmest en dunne fractie op bouwland. Met verschillende implementatiedatums (2022-2025).
Klimaatadaptatie Doelen Beleid, inrichting en beheer aangepast aan het veranderende klimaat. Schade en ontwrichting door weersextremen zoveel mogelijk beperken (2050) Het Friese water- en bodemsysteem staat onder druk. Verschillende ontwikkelingen, waaronder klimaatverandering, zorgen voor zeespiegelstijging, bodemdaling, verzilting en een toename van extreme weersomstandigheden. Hierdoor neemt de kans op overstromingen, wateroverlast, droogte(schade) en hittestress toe, met potentieel grote sociaaleconomische gevolgen. Daarom is klimaatadaptatie nodig: om ook in de toekomst te kunnen blijven wonen, werken en recreëren in Fryslân, bereiden we ons voor op deze ontwikkelingen. Hardheid van de doelen De doelen voor klimaatadaptatie zijn niet wettelijk vastgelegd. Met het Deltaprogramma 2023 zet het Rijk in op waterveiligheid, zoetwatervoorziening en ruimtelijke adaptatie. In de provinciale omgevingsvisie ‘De Romte Diele’ is klimaatadaptatie als een urgente opgave benoemd. Een nadere uitwerking daarvan is gemaakt in het Regionaal Waterprogramma Fryslân 2022-2027. Huidige situatie Verschillende ontwikkelingen, waaronder klimaatverandering, zorgen voor zeespiegelstijging, bodemdaling, verzilting en een toename van extreme weersomstandigheden. Hierdoor neemt de kans op overstromingen, wateroverlast, droogte(schade) en hittestress toe, met potentieel grote sociaaleconomische gevolgen.
Belangrijk is het programma Fryslân klimaatbestendig 2050+. Hierin worden de contouren van de toekomst van het Friese watersysteem verkend. Kortheidshalve wordt verwezen naar het onderstaande kader.
Wat gaan we doen? -
-
Continuering van reeds vastgesteld beleid zoals maatregelen om verzilting in het kleigebied tegen te gaan, om water op de zandgronden langer vast te houden en de kans te geven te infiltreren en om water te kunnen bergen bij piekbuien Opstellen klimaat- en waterplannen voor de Waddeneilanden en onderzoek naar toekomstbestendige drinkwatervoorziening Onderzoek naar en uitwerking van maatregelen op gebied van klimaatadaptatie. Dit komt terug in de Kennis- en innovatieagenda.
42
Fryslân Klimaatbestendig In Fryslân zijn onderstaande uitgangspunten en leidende principes uit de kamerbrief over het programma ‘Water en bodem sturend’ verwoord in de ontwerpvisie ‘Fryslân Klimaatbestendig 2050+'. Deze ontwerpvisie betreft een visie voor langere termijn en volgt de fasering (nu, straks en later) van het FPLG. Voor nu en straks wordt ingezet op maatregelen waar breed draagvlak voor is zoals water vasthouden op de zandgronden. Ook worden kennislacunes ingevuld met een kennisagenda. Keuzes voor klimaat- en waterdoelen worden in het concept FPLG nog niet opgenomen. Dat is voorzien in 2025. De ontwerpvisie wordt binnenkort voor vaststelling voorgelegd aan het algemeen bestuur van Wetterskip Fryslân en betrokken in het ontwerpproces van NOVEX en FPLG. Nadat dit proces is afgerond zullen de finale keuzes in de provinciale omgevingsvisie worden verankerd door middel van een besluit van Provinciale Staten. De uitgangspunten en leidende principes zijn: 1. Een veerkrachtig bodem en watersysteem, als goede basis voor een duurzame zoetwaterbalans in heel Fryslân, dat een omslag mogelijk maakt van water afvoeren naar water vasthouden en beter kan omgaan met extreme omstandigheden. 2. Meer gebiedseigen zoet water beschikbaar – grond- én oppervlaktewater.
Het automatisme dat we jaarrond voor waterinlaat kunnen rekenen op het IJsselmeer als onze nationale regenton, kan veranderen. 3. Niet afwentelen op toekomstige generaties, op andere gebieden, of van privaat naar publiek en vice versa. Het betekent dat we bij investeringen tijdig en voldoende rekening houden met klimaatverandering. 4. De bodemvitaliteit verbetert; we zetten in op herstel, behoud en verbetering van de chemische en biologische bodemkwaliteit. Zo bevorderen we het watervasthoudend vermogen en de biodiversiteit. 5. De waterkwaliteit verbetert; dit is essentieel voor herstel van natuurwaarden en biodiversiteit, voor de landbouw en voor de recreatie. 6. We waarborgen waterveiligheid via het meerlaags veiligheidsprincipe – robuuste primaire keringen, toekomstbestendige ruimtelijke inrichting, adequaat crisis- en risicomanagement; 7. Circulariteit; CO2 vastleggen, energietransitie, grondstoffen en materialen. 8. Partnerschap, omdat we de uitdagingen alleen samen met alle betrokkenen aan kunnen gaan.
43
5.4
SOCIAAL-ECONOMISCHE VITALITEIT
Doelen De sociaal-economische vitaliteit van het Friese platteland is een essentieel onderdeel en een hoofddoel van het Frysk Programma Landelijk Gebied. Het landelijk gebied is meer dan alleen een fysieke omgeving; het is een groot deel van onze provincie waar veel mensen wonen, werken, ondernemen en recreëren. Daarom is het van belang dat we verder kijken dan alleen fysieke doelen en mee-investeren in de sociaal-economische vitaliteit van ons landelijk gebied. Brede welvaart Bij het streven naar sociaal-economische kwaliteit kijken we naar de brede welvaart in gebieden. Brede welvaart is ‘alles wat mensen van waarde vinden’ (Planbureau voor de Leefomgeving). In de leefbaarheidsmonitor ‘Leven in Fryslân’ van het Fries Sociaal Planbureau (hierna FSP) (2021) zien we dat Friezen gemiddeld hoog scoren op deze brede welvaart. Dat is opvallend, aangezien Fryslân een lagere economische welvaart kent dan andere provincies. Het wordt de ‘Friese paradox’ genoemd. Uit de leefbaarheidsmonitor en de quality of life index van Eurobarometer blijkt zelfs dat inwoners van Fryslân hun leefomgeving het hoogste cijfer geven in vergelijking met andere Europese regio’s. De Friezen zijn, mede door hun groene leefomgeving en de sociale samenhang in die omgeving, gelukkig (FSP, 2021). Het FPLG zal naar verwachting impact hebben op de brede welvaart in Fryslân.
Het zal voor kansen zorgen, bijvoorbeeld op het gebied van de fysieke leefomgeving. Het FPLG kan echter ook een bedreiging vormen voor de economische vitaliteit, in het bijzonder voor de agrofoodsector, en voor de leefbaarheid van het landelijk gebied. Leefbaarheid en economische vitaliteit Voor een sociaal-economische analyse van de impact van het FPLG, is het van belang om eerst in kaart te brengen welke ontwikkelingen en uitdagingen we in Fryslân tegenkomen. Daarbij richten we ons voornamelijk op thema’s die raken aan leefbaarheid en economische vitaliteit. Het recent verschenen rapport Elke regio telt toont aan dat investeringen in het landelijk gebied sterk achterlopen bij investeringen in de stedelijke gebieden. Bedrijvigheid en grote Rijksinvesteringen hebben zich steeds meer geconcentreerd in het (rand)stedelijk gebied. Voor mensen op het platteland groeit de afstand tot het economische en politieke centrum van Nederland. Deze investeringsachterstand is opvallend aangezien de randstad (Noord-Holland, ZuidHolland, Utrecht en Noord-Brabant) en de rest van Nederland ongeveer een gelijke bijdrage leveren aan het Bruto Nationaal Product (52% randstad en 48% rest van Nederland) . In het rapport wordt vervolgens geconstateerd dat hierdoor de voorzieningen in het landelijk gebied steeds verder afnemen en dat de leefbaarheid onder druk komt te staan.