09 - Bijlage 1 - Reglement van Orde gemeenteraad 2026 (nieuw)
Tekst van het document
Het interpellatierecht ligt in het verlengde van het mondelinge vragenrecht en is een zwaarder instrument. Het gaat om het recht van een volksvertegenwoordiger om tijdens een vergadering over een niet geagendeerd onderwerp inlichtingen aan het college of de burgemeester te vragen. Daarvoor is verlof van de raad nodig, omdat de vergaderorde wordt doorbroken. Artikel 55. Schriftelijke vragen Het vragenrecht stelt de leden van de raad in staat informatie te vragen over aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het college of de burgemeester behoren. Het karakter van deze vragen is primair van informatieve strekking. Op grond van deze bepaling kan een raadslid schriftelijke vragen stellen aan het college of de burgemeester, al naar gelang wie verantwoordelijk is. Deze dient de vragensteller gemotiveerd in kennis te stellen indien de beantwoording niet binnen de gestelde termijnen kan plaatsvinden. Niet de voorzitter, maar het college of de burgemeester geeft daarom het schriftelijke antwoord. In de praktijk zal een schriftelijk antwoord van het college vaak door de desbetreffende portefeuillehouder gegeven worden (artikel 168 van de wet). Artikel 56. Inlichtingen In dit artikel wordt een procedurele uitwerking gegeven van de inlichtingenplicht die het college en de burgemeester hebben ten opzichte van de raad.
De passieve inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 169, derde lid, van de wet is de klassieke informatieplicht die het college opdraagt de door de raad gevraagde inlichtingen te verstrekken, tenzij het openbare belang zich daartegen verzet. Dit recht om inlichtingen te vragen komt eveneens toe aan individuele raadsleden. Daarmee wordt voorkomen dat een raadsmeerderheid om (partij)politieke redenen belemmeringen opwerpt tegen het vragen van inlichtingen door een raadslid of raadsminderheid. Wel kan de raad via het reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad op grond van doelmatigheidsoverwegingen een zekere ordening aanbrengen in de wijze waarop het inlichtingenrecht wordt uitgeoefend. De raad gaat immers over de agenda en de vergaderorde. De weigeringsgrond ‘strijd met het openbaar belang’ is, zo blijkt uit de bewoordingen van artikel 169 van de wet, wettelijk objectief en algemeen omschreven. Het moet dan gaan om zwaarwegende belangen. In de praktijk bestaan verschillende wettelijke en politieke figuren om als de raad en het college met elkaar te communiceren buiten de openbaarheid. De openbaarheid van 45 RvO versie februari 2026
stukken en vergaderingen bijvoorbeeld kan al dan niet tijdelijk worden opgeheven. Vervolgens kent de wet een algemene actieve inlichtingenplicht. Artikel 169, tweede lid, van de wet verplicht het college uit eigen beweging de raad alle inlichtingen te verstrekken die de raad nodig heeft voor de uitoefening van zijn taak. Het college moet permanent nagaan welke informatie de raad behoeft voor een goede taakvervulling. Hier liggen grote politieke risico’s als de raad het college in het ongewisse laat over de aard en omvang van de gewenste informatie. In het geval dat raad en college daarover geen afspraken maken is de kans groot dat het college de raad veiligheidshalve overstelpt met papier. Van controleren komt dan weinig terecht. Dezelfde risico’s doen zich voor met betrekking tot een tweede actieve, meer specifieke inlichtingenplicht. Artikel 169, vierde lid, van de wet verplicht het college de raad vooraf te informeren over de voorgenomen uitoefening van een gemeentewettelijke bestuursbevoegdheid als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder e, f, g en h, van de wet indien de toepassing daarvan ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente of indien de raad daarom verzoekt. Het college mag dan niet eerder een besluit nemen dan nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen naar voren te brengen.
De term ‘ingrijpend’ is in de wet niet nader omschreven. De raad en het college dienen, op basis van de situatie in de eigen gemeente, tot een afbakening te komen. De wetgever heeft destijds het oog gehad op substantiële financiële gevolgen van privaatrechtelijke overeenkomsten. De raad en het college moeten hier derhalve zelf een modus in vinden. Artikel 57. Vragenhalfuur Deze bepaling vormt een invulling van artikel 155, eerste lid, van de wet met betrekking tot het vragenrecht. Bewust is er gekozen voor een algemene regeling van het vragenhalfuur. In een dualistisch stelsel is het echter niet meer vanzelfsprekend dat de ter zake kundige wethouder aanwezig is. Om die reden en omdat het de herkenbaarheid van de controlerende taak van de raad ten goede komt, kan hiervoor een aparte gelegenheid gecreëerd worden. De drempel om vragen te stellen wordt verlaagd en de mediaaandacht voor de lokale politiek kan worden vergroot. In het vragenhalfuur krijgt de raad de mogelijkheid over vooraf ingebrachte onderwerpen (leden van) het college aan de tand te voelen. Het karakter van het vragenhalfuur verschilt dan ook van het recht van interpellatie. Het recht van interpellatie heeft als instrument een zwaarder politiek karakter.
Leden van de raad kunnen aan het college inlichtingen vragen over het door hem gevoerde bestuur, voor zover dat niet bij geagendeerde onderwerpen aan de orde komt. Raadsleden vragen daarmee leden van het college zich te verantwoorden voor het door hen gevoerde bestuur. Het vragenhalfuur kan bijvoorbeeld voorafgaand aan It Debat/It Beslút worden gehouden. Wel is het voor de herkenbaarheid voor de burgers raadzaam om het vragenhalfuur op een vast tijdstip te houden. Om die reden zal het vragenhalfuur ook altijd in de eerste vergadering van die avond plaatvinden. Artikel 60b Iepen Poadium In artikel 60b wordt de werkwijze van het Iepen Poadium toegelicht. Op te vatten als een commissie ex artikel 84 Gemeentewet. Informerend en openbaar. Ingekomen stukken worden besproken in het Iepen Poadium. De bespreking richt zich vooral op de wijze van afdoening door het college. Als een raadslid een debat over een ingekomen stuk wil, dan kan dat door dit via een agenderingsverzoek aan de Agendacommissie voor te leggen. In het Iepen Poadium is inspreken mogelijk, op deze wijze kunnen signalen uit de Mienskip eerder door de fracties worden gewogen en eventueel worden betrokken bij hun besluitvorming. 46 RvO versie februari 2026
Als fracties raadsvoorstellen of ingekomen stukken willen agenderen voor bespreking in het Iepen Poadium is het wel van belang om duidelijk aan te geven welke vragen men wil stellen, zodat de juiste ambtenaren hiervoor beschikbaar kunnen zijn. De ambtelijke organisatie heeft van maandag t/m donderdag de tijd om zich hierop voor te bereiden. De wethouder is aanwezig bij het Iepen Poadium, maar de beantwoording van vragen wordt in eerste instantie verzorgd door de ambtelijke ondersteuning. Ook een presentatie wordt door de ambtenaar gegeven. De ambtenaar zit naast de wethouder. Ook het college kan, door het indienen van een agenderingsformat, aangeven een presentatie of informatie over een niet geagendeerd onderwerp te willen (laten) geven. Als het college een presentatie wil (laten) geven over een geagendeerd onderwerp dan staat dit al op het raadsvoorstel aangegeven. Het vijfde lid is toegevoegd om expliciet vast te leggen dat ook tijdens een vergadering van het Iepen Poadium de voorzitter de bevoegdheid heeft om de orde te handhaven. Artikel 26 van de Gemeentewet biedt deze bevoegdheid, waaronder het kunnen laten vertrekken van toehoorders bij ordeverstoring, voor raadsvergaderingen. Maar dit was nog niet afzonderlijk benoemd in het Reglement van Orde voor het Iepen Poadium en dat is wel nodig om toe te kunnen passen.
Door deze bepaling op te nemen, wordt voor alle deelnemers en toehoorders duidelijk welke maatregelen de voorzitter kan treffen om een veilig, ordelijk en ongestoord verloop van de vergadering te waarborgen. Hiermee sluit het Iepen Poadium aan bij de algemene regels voor ordehandhaving zoals vastgelegd in de Gemeentewet.
47 RvO versie februari 2026