08 - Bijlage 1 - 3.8 - Bodemonderzoek (geanonimiseerd)
Tekst van het document
< = Interventiewaarde < = Interventiewaarde < = Interventiewaarde < = Interventiewaarde < = Interventiewaarde < = Interventiewaarde < = Interventiewaarde < = Interventiewaarde < = Interventiewaarde < = Interventiewaarde < = Interventiewaarde
IW 13 720 100 190 530 190 190 36 5000 40 1000
AL-West B. V. - AL-West B. V. (AGROLAB GROUP) Dortmundstraat 16B NL - 7418 BH Deventer. Tel: +31 570 788110 Fax: +31 570 788108
Monster Analysenummer
Monsteromschrijving Datum monstername Monstersoort Versie
Gehanteerde waarden voor dit monster Humus (%) Lutum (%) Resultaat voor dit monster Toetsingsresultaat
742609 M02 , 01: 50-100 , 02: 40-90 , 03: 80-120 , 04: 80-100 2024-03-05 00:00:00 Bodem / Eluaat 1
09, 11,
Voldoet aan Interventiewaarde
Parameter
Resultaat
Cadmium (Cd) Zink (Zn) Nikkel (Ni) Molybdeen (Mo) Lood (Pb) Koper (Cu) Kobalt (Co) Kwik (Hg) Koolwaterstoffractie C10-C40 som 7 polychloorbifenylen PCB28 , 52 , 101 , 118 , 138 , 153 , 180 som 10 polyaromatische koolwaterstoffen (VROM) Tabelinformatie Toetsing BOTOVA IW
Gemeten waarde Gemeten waarde
< 02, < 20 < 4 < 15, < 10 < 5 < 3 , < 005 < 35
Toetsresultaat uit BOTOVA Interventiewaarde
Eenheid mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds
Resultaat
BOTOVA-Toetsing
(G_standaard)eenheid , 024 332, , 817 105 , 11 , 724 738 , , 005 122 245, 035 ,
mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg ug/kg mg/kg
< = Interventiewaarde < = Interventiewaarde < = Interventiewaarde < = Interventiewaarde < = Interventiewaarde < = Interventiewaarde < = Interventiewaarde < = Interventiewaarde < = Interventiewaarde < = Interventiewaarde < = Interventiewaarde
IW 13 720 100 190 530 190 190 36 5000 1000 40
AL-West B. V. - AL-West B. V. (AGROLAB GROUP) Dortmundstraat 16B NL - 7418 BH Deventer. Tel: +31 570 788110 Fax: +31 570 788108
Toetsingsinstellingen Versie Toetsingsmethode
2. 2. 0 Beoordeling kwaliteit van grondwater volgens Wbb [T. 13]
De toetsing is uitgevoerd volgens de vigerende wetgeving waarbij gebruik gemaakt is van de BOTOVA webservice (zie https://www. BOTOVA-service. nl/) Opdracht Opdrachtnummer Laboratorium Matrix
Project
Datum binnenkomst Rapportagedatum CRM
1385973 AL-West B. V. Water EN06787-001 VO Noordermeer 56 te Burgum Grondwater 12. 03. 2024 14. 03. 2024 Jørgen Smit
AL-West B. V. - AL-West B. V. (AGROLAB GROUP) Dortmundstraat 16B NL - 7418 BH Deventer. Tel: +31 570 788110 Fax: +31 570 788108
Monster Analysenummer
Datum monstername Monstersoort Versie
758449 M01 , 02-1: 150-250 2024-03-12 00:00:00 Water 1
Gehanteerde waarden voor dit monster Water diep/ondiep
Ondiep
Resultaat voor dit monster Toetsingsresultaat
Overschrijding Streefwaarde
Monsteromschrijving
Parameter
Resultaat
Eenheid
Resultaat
BOTOVA-Toetsing
SW
(G_standaard)eenheid
IW indic
IW
T-index
Toets oordeel
Kwik (Hg) Molybdeen
< 005 , < 2
µg/l µg/l
0035 , 14,
ug/l ug/l
< = Streefwaarde < = Streefwaarde
005 , 5
03, 300
-1 -1
< = SW < = SW
Kobalt (Co) Barium (Ba) Zink (Zn) Nikkel (Ni) Lood (Pb) Koper (Cu) Cadmium
47, 170 300 62, < 2 < 2 < 02,
µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l
47, 170 300 62, 14, 14, , 014
ug/l ug/l ug/l ug/l ug/l ug/l ug/l
< = Streefwaarde > Streefwaarde > Streefwaarde < = Streefwaarde < = Streefwaarde < = Streefwaarde < = Streefwaarde
20 50 65 15 15 15 04,
100 625 800 75 75 75 6
-1 02, 032 , -1 -1 -1 -1
< = SW > SW en < = T > SW en < = T < = SW < = SW < = SW < = SW
Benzeen Tolueen Ethylbenzeen Naftaleen Styreen Dichloormethaan Trichloormethaan
< 02, < 02, < 02,
, < 002 < 02, < 02, < 02,
µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l
014 , 014 , , 014 0014 , , 014 014 , 014 ,
ug/l ug/l ug/l ug/l ug/l ug/l ug/l
< = Streefwaarde < = Streefwaarde < = Streefwaarde < = Streefwaarde < = Streefwaarde < = Streefwaarde < = Streefwaarde
02, 7 4 001 , 6 001 , 6
30 1000 150 70 300 1000 400
-1 -1 -1 -1 -1 -1 -1
< = SW < = SW < = SW < = SW < = SW < = SW < = SW
Tetrachloormethaan
< 01,
µg/l
, 007
ug/l
< = Streefwaarde
, 001
10
-1
< = SW
11, Dichloorethaan , 12Dichloorethaan , , 111Trichloorethaan 112, , Trichloorethaan Vinylchloride , 11Dichlooretheen Trichlooretheen
< 02,
µg/l
014 ,
ug/l
< = Streefwaarde
7
900
-1
< = SW
< 02,
µg/l
, 014
ug/l
< = Streefwaarde
7
400
-1
< = SW
< 01,
µg/l
, 007
ug/l
< = Streefwaarde
, 001
300
-1
< = SW
< 01,
µg/l
007 ,
ug/l
< = Streefwaarde
001 ,
130
-1
< = SW
< 02, < 01,
µg/l µg/l
, 014 007 ,
ug/l ug/l
< = Streefwaarde < = Streefwaarde
, 001 001 ,
5 10
-1 -1
< = SW < = SW
< 02,
µg/l
014 ,
ug/l
< = Streefwaarde
24
500
-1
< = SW
Tetrachlooretheen
< 01,
µg/l
, 007
ug/l
< = Streefwaarde
, 001
40
-1
< = SW
Koolwaterstoffractie C10-C40 som 3 dichloorpropanen (som 11, en 12, en 13-) ,
< 50
µg/l
35
ug/l
< = Streefwaarde
50
600
-1
< = SW
042 ,
ug/l
< = Streefwaarde
08,
80
-1
< = SW
, 014
ug/l
< = Streefwaarde
, 001
20
-1
< = SW
021 ,
ug/l
< = Streefwaarde
02,
70
-1
< = SW
(Mo)
(Cd)
(Chloroform) (Tetra)
(Tri)
(Per)
som
dichlooretheenisomeren som xyleenisomeren
(S) Enkele parameters ontbreken in de som: som 16 aromatische oplosmiddelen (Bbk , 1-1-2008) Tabelinformatie Toetsing BOTOVA SW IW IW indic T-index Toets oordeel
Toetsresultaat uit BOTOVA Streefwaarde Interventiewaarde Indicatief niveau voor ernstige verontreiniging grondwater Index voor de afwijking van Gstandaard tov gemiddelde van Streefwaarde en Interventiewaarde Parameteroordeel op basis van de waarde bij 'T-index'
AL-West B. V. - AL-West B. V. (AGROLAB GROUP) Dortmundstraat 16B NL - 7418 BH Deventer. Tel: +31 570 788110 Fax: +31 570 788108
Tabelinformatie Index < 0 0 < Index < 05, 05, < Index < 1 Index > 1
GStandaard < AW GStandaard ligt tussen de AW en de oude T GStandaard ligt tussen de oude T en I I overschreden
Bijlage 7 Toetsingsresultaten grond (Rbk)
Projectnummer: EN06787 240165 Kenmerk:
AL-West B. V. - AL-West B. V. (AGROLAB GROUP) Dortmundstraat 16B NL - 7418 BH Deventer. Tel: +31 570 788110 Fax: +31 570 788108
Toetsingsinstellingen Versie Toetsingsmethode
1. 0. 0 Beoordeling kwaliteitsklassen van grond en baggerspecie bij toepassen op of in de landbodem [T. 101]
De toetsing is uitgevoerd volgens de vigerende wetgeving waarbij gebruik gemaakt is van de BOTOVA webservice (zie https://www. BOTOVA-service. nl/) Opdracht Opdrachtnummer Laboratorium Matrix
Project
Datum binnenkomst Rapportagedatum CRM
1383209 AL-West B. V. Vaste stoffen EN06787-001 VO Noordermeer 56 te Burgum grond 06. 03. 2024 12. 03. 2024 Jørgen Smit
AL-West B. V. - AL-West B. V. (AGROLAB GROUP) Dortmundstraat 16B NL - 7418 BH Deventer. Tel: +31 570 788110 Fax: +31 570 788108
Monster Analysenummer
Monsteromschrijving Datum monstername Monstersoort Versie
Gehanteerde waarden voor dit monster Humus (%) Lutum (%)
742602 M01 , 01: 0-50 , 02: 0-40 , 03: 0-50 , 03: 50-80 , 04: 0-50 , 04: 50-80 2024-03-05 00:00:00 Bodem / Eluaat 1
19, 13,
Gemeten waarde Gemeten waarde
Resultaat voor dit monster Toetsingsresultaat
Klasse landbouw/natuur
Parameter
Resultaat
Cadmium (Cd) Zink (Zn) Nikkel (Ni) Molybdeen (Mo) Lood (Pb) Koper (Cu) Kobalt (Co) Kwik (Hg) Koolwaterstoffractie C10-C40 som 7 polychloorbifenylen PCB28 , 52 , 101 , 118 , 138 , 153 , 180 som 10 polyaromatische koolwaterstoffen
(VROM)
< 02, < 20 < 4 < 15,
15 66, < 3 , < 005 < 35
Eenheid mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds
Resultaat
BOTOVA-Toetsing
(G_standaard)eenheid
LN
W
IND
SV
, 024 332, , 817 105 , 236, 137, 738 , , 005 122 245,
mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg ug/kg
< = Landbouw/natuur < = Landbouw/natuur < = Landbouw/natuur < = Landbouw/natuur < = Landbouw/natuur < = Landbouw/natuur < = Landbouw/natuur < = Landbouw/natuur < = Landbouw/natuur < = Landbouw/natuur
06, 140 35 15, 50 40 15 , 015 190 20
12, 200 39 88 210 54 35 , 083 190 40
43, 720 100 190 530 190 190 48, 500 500
13 720 100 190 530 190 190 36 5000 1000
035 ,
mg/kg
< = Landbouw/natuur
15,
68,
40
40
AL-West B. V. - AL-West B. V. (AGROLAB GROUP) Dortmundstraat 16B NL - 7418 BH Deventer. Tel: +31 570 788110 Fax: +31 570 788108
Monster Analysenummer
Monsteromschrijving Datum monstername Monstersoort Versie
Gehanteerde waarden voor dit monster Humus (%) Lutum (%)
742609 M02 , 01: 50-100 , 02: 40-90 , 03: 80-120 , 04: 80-100 2024-03-05 00:00:00 Bodem / Eluaat 1
09, 11,
Gemeten waarde Gemeten waarde
Resultaat voor dit monster Toetsingsresultaat
Klasse landbouw/natuur
Parameter
Resultaat
Cadmium (Cd) Zink (Zn) Nikkel (Ni) Molybdeen (Mo) Lood (Pb) Koper (Cu) Kobalt (Co) Kwik (Hg) Koolwaterstoffractie C10-C40 som 7 polychloorbifenylen PCB28 , 52 , 101 , 118 , 138 , 153 , 180 som 10 polyaromatische koolwaterstoffen
(VROM)
Tabelinformatie Toetsing BOTOVA LN W IND SV
< 02, < 20 < 4 < 15, < 10 < 5 < 3 , < 005 < 35
Eenheid mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds
Resultaat
BOTOVA-Toetsing
(G_standaard)eenheid
LN
W
IND
SV
, 024 332, , 817 105 , 11 , 724 738 , , 005 122 245,
mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg ug/kg
< = Landbouw/natuur < = Landbouw/natuur < = Landbouw/natuur < = Landbouw/natuur < = Landbouw/natuur < = Landbouw/natuur < = Landbouw/natuur < = Landbouw/natuur < = Landbouw/natuur < = Landbouw/natuur
06, 140 35 15, 50 40 15 , 015 190 20
12, 200 39 88 210 54 35 , 083 190 40
43, 720 100 190 530 190 190 48, 500 500
13 720 100 190 530 190 190 36 5000 1000
035 ,
mg/kg
< = Landbouw/natuur
15,
68,
40
40
Toetsresultaat uit BOTOVA Kwaliteitseis landbouw/natuur voor landbodem Maximale waarden kwaliteitsklasse wonen Maximale waarden kwaliteitsklasse industrie Kwaliteitseis sterk verontreinigd voor landbodem
Bijlage 8 Toelichting toetsingskaders
Projectnummer: EN06787 240165 Kenmerk:
Toetsingskader achtergrond- , streef- en interventiewaarden Hieronder wordt uitgebreider op de begrippen achtergrond- , streef- en interventiewaarden en hun betekenis ingegaan. Bij de toetsing wordt een uitspraak gedaan op parameterniveau én op monsterniveau. Met betrekking tot het bepalen van de achtergrondwaarden kan in sommige gevallen de overallconclusie op monsterniveau afwijken ten opzichte van de conclusie op parameterniveau als gevolg van de toetsregel die in artikel 4. 2. 2 van de Regeling bodemkwaliteit staat. In dit artikel wordt beschreven wat onder het overschrijden van de achtergrondwaarden wordt verstaan. De achtergrondwaarden (AW) zijn landelijk geldende waarden voor een multifunctionele bodemkwaliteit en geven de bovengrens aan voor wat in de dagelijkse praktijk 'schone grond' wordt genoemd. Deze achtergrondwaarden zijn vastgesteld op basis van gehalten zoals deze voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden. Dit omdat in dergelijke gronden geen belasting door lokale verontreinigingsbronnen aanwezig wordt geacht. De streefwaarde (S) geeft het concentratieniveau in grondwater aan waarboven wel en waaronder geen sprake is van een aantoonbare verontreiniging.
De interventiewaarde (I) geeft het concentratieniveau in de grond , waterbodem of grondwater aan waarboven de functionele eigenschappen die de bodem voor mens , plant en dier heeft , in ernstige mate kunnen zijn verminderd. In het overheidsbeleid wordt gesproken van een geval van ernstige bodemverontreiniging , indien de gemiddelde concentratie aan één stof de interventiewaarde overschrijdt in tenminste 25 m 3 grond/slib of voor het grondwater in tenminste 100 m 3 bodemvolume. Over de hoeveelheid grond/slib of grondwater waarop een eventuele overschrijding van de interventiewaarde zich voordoet kan in een eerste onderzoek meestal nog geen betrouwbare uitspraak worden gedaan. Daarom kunnen op basis van de resultaten van dit eerste onderzoek dan ook geen conclusies worden getrokken ten aanzien van het wel of niet ernstig zijn van het verontreinigingsgeval. Bij de getoetste waarden is tevens een index opgenomen. Deze index is als volgt berekend: Index = (GSSD - AW) / (I - AW). Een negatieve waarde voor de index houdt in dat de gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD) lager is dan de achtergrondwaarde. Bij een index boven de 1 ligt de gestandaardiseerde meetwaarde boven de interventiewaarde. Een index tussen de 0 en 05, betekent dat de gestandaardiseerde meetwaarde (ver) onder de interventiewaarde ligt.
Een index tussen de 05, en 1 houdt in dat de gestandaardiseerde meetwaarde (dicht) bij de interventiewaarde ligt. Afhankelijk van de specifieke situatie geeft dit mogelijk aanleiding voor het uitsplitsen van een mengmonster en/of het uitvoeren van een nader onderzoek. Met een nader bodemonderzoek kan de ernst en spoedeisendheid van het geval wordt vastgesteld. Een nader onderzoek kan worden uitgevoerd als er een duidelijke indicatie bestaat dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Een geval van ernstige bodemverontreiniging kan zich ook voordoen zonder dat de interventiewaarden worden overschreden. Als een verontreiniging zich zodanig in een ander milieucompartiment (bijv. het grondwater) of objecten (bijv. consumptiegewassen) verspreidt dat daar schadelijke effecten kunnen optreden , is er sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Ook als het bij puntbronnen van verontreinigingen (bijv. op grond van berekeningen) waarschijnlijk is dat zonder maatregelen op korte termijn (binnen maximaal enkele maanden) een verontreiniging van genoemde 25 of 100 m 3 bodemvolume kan optreden , is er sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
Bij de toetsing worden de gemeten gehalten in grondmonsters aan de hand van geanalyseerde of geschatte gehalten organisch stof en lutum gevalideerd omgerekend middels BOTOVA naar zogenaamde standaardbodemcondities (bodem met 10% organische stof en 25% lutum). Indien de gehalten of concentraties in grond- en grondwatermonsters lager zijn dan de gerapporteerde rapportagegrens worden deze gevalideerd herberekend middels BOTOVA tot een gestandaardiseerde meetwaarde (gerapporteerde rapportagegrens maal 07). , Deze gestandaardiseerde meetwaarden (GSSD) worden vergeleken met de normwaarden. Barium In de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 is aangegeven dat de norm voor barium tijdelijk is ingetrokken. Gebleken is namelijk dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron , kan dit gehalte worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 920 mg/kg ds (voor standaardbodem). Analyses op barium dienen wel nog te worden uitgevoerd , maar de resultaten hoeven dus niet meer getoetst te worden , tenzij een duidelijke antropogene bron aanwezig is. Het gemeten gehalte aan barium is conform de circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 , niet getoetst aan de voormalige interventiewaarde.
Dit in verband met het voor deze parameter ontbreken van een aanwijsbare antropogene bron.
Toetsingskader asbest De resultaten van het NEN 5707 onderzoek worden conform het huidige overheidsbeleid getoetst aan de interventiewaarde uit de Circulaire bodemsanering. De interventiewaarde voor asbest in bodem , grond en baggerspecie bedraagt 100 mg/kg d.s. , uitgaande van een gewogen gehalte (het gehalte serpentijnasbest , vermeerderd met tien maal het gehalte
amfiboolasbest). Indien onderzoek is gedaan naar respirabele vezels , wordt de gemeten concentratie getoetst aan de risicogrenswaarde van 10 mg/kg (gewogen). Indien deze concentratie niet wordt overschreden is er geen sprake van onaanvaardbare risico’s. Voor het bepalen van de spoedeisendheid van een sanering van een bodemverontreiniging met asbest die is ontstaan voor juni 1993 dient gebruik te worden gemaakt van het protocol 'Milieuhygiënisch Saneringscriterium Bodem - protocol asbest'. Dit protocol is opgenomen als bijlage 3 van de Circulaire bodemsanering. Op basis van het fysische en chemische karakter is er voor asbest geen sprake van verspreidingsrisico's en ecologische risico's , maar wel van humane risico's. In dit kader worden twee categorieën van (humane) risico's onderscheiden: Acceptabele risico's Hierbij dient de plaats , mate en omvang van de bodemverontreiniging nauwkeurig geregistreerd te worden bij het Kadaster. Ook kan het bevoegd gezag voorschrijven om beheersmaatregelen te treffen om blootstelling aan de verontreiniging te voorkomen. Als de inrichting van de locatie wijzigt , dienen de locatiespecifieke risico's opnieuw te worden beoordeeld. Onacceptabele risico's Naast kadastrale registratie dienen spoedig saneringsmaatregelen te worden genomen op het betreffende deel van de locatie.
De termijn 'spoedig' dient uitgewerkt te worden door het bevoegd gezag in een beschikking. Puin De resultaten van het NEN 5897 onderzoek worden conform het huidige overheidsbeleid getoetst aan de regelingeving zoals opgenomen in het Productenbesluit asbest. In het Productenbesluit asbest is vermeld dat het verboden is om asbest of asbesthoudende producten te vervaardigen , in Nederland in te voeren , voorhanden te hebben , aan een ander ter beschikking te stellen , toe te passen of te bewerken. Een product wordt niet als asbesthoudend beschouwd als aan het product geen asbest opzettelijk is toegevoegd en het gehalte serpentijnasbest , vermeerderd met tien maal het gehalte amfiboolasbest niet hoger is dan 100 mg/kg ds. Deze waarde wordt in voorliggende rapportage aangeduid als restconcentratienorm. Hergebruik van grond en puin Indien de grond en het puin wordt hergebruikt , is het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. In dit besluit is opgenomen dat voor asbest in grond en puin een gewogen gehalte van 100 mg/kg ds (het gehalte serpentijnasbest , vermeerderd met tien maal het gehalte amfiboolasbest) als maximale samenstellingswaarde geldt.
Toetsingskader Besluit bodemkwaliteit De gemeten gehalten in een partij grond worden getoetst aan de maximale waarden en rekenregels uit het Besluit- en de Regeling bodemkwaliteit , specifiek de regels die gelden voor het volgens het generieke kader toepassen op landbodem. De mate van overschrijden van de bovengenoemde maximale waarden bepaald tot welke klasse een toe te passen partij grond of de ontvangende landbodem behoort. Deze classificatie is echter alleen mogelijk indien de monsterneming en het laboratoriumonderzoek zijn uitgevoerd door bij regeling van Onze Ministers bepaalde methoden alsmede door een persoon of instelling die daarvoor beschikt over een erkenning. De op basis van de bovenstaande maximale waarden in te delen klassen zijn: Achtergrondwaarde De landbodem dan wel een toe te passen partij grond wordt geclassificeerd als 'altijd toepasbaar' (oftewel schoon) , wanneer de gemeten gehalten de achtergrondwaarden niet overschrijden. In artikel 4. 2. 2 van de Regeling is beschreven wat onder het overschrijden van de achtergrondwaarden wordt verstaan. Kwaliteitsklasse 'wonen' De kwaliteit van een partij grond die op landbodem wordt toegepast , wordt beoordeeld als de kwaliteitsklasse 'wonen' , wanneer de gemeten gehalten de bovengenoemde achtergrondwaarden overschrijden maar lager zijn dan de maximale waarden voor de bodemkwaliteitsklasse 'wonen' (zie artikel 4. 4.
1 van de Regeling). De kwaliteit van de ontvangende landbodem wordt beoordeeld als de kwaliteitsklasse 'wonen' , wanneer de gemeten gehalten de bovengenoemde achtergrondwaarden overschrijden maar lager zijn dan de maximale waarden voor de bodemkwaliteitsklasse 'wonen'. In artikel 4. 10. 2 van de Regeling is beschreven wat onder het overschrijden van de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse 'wonen' wordt verstaan. Kwaliteitsklasse 'industrie' De kwaliteit van de ontvangende landbodem alsmede van een partij grond die op landbodem wordt toegepast , wordt beoordeeld als de kwaliteitsklasse 'industrie' wanneer de gemeten gehalten de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse 'wonen' overschrijden , maar lager zijn dan de maximale waarden voor de bodemkwaliteitsklasse 'industrie' (zie artikel 4. 4. 1 en 4. 10. 2 van de Regeling). Niet toepasbare grond Wanneer de gemeten gehalten in een partij grond de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse 'industrie' overschrijden (en wordt geclassificeerd als 'niet toepasbaar > industrie' of 'niet toepasbaar > interventiewaarde') , dan komt deze grond niet in aanmerking voor hergebruik volgens het generieke toetsingskader of verwerking in een grootschalige bodemtoepassing. In dat geval dient te worden nagegaan of mogelijk wordt voldaan aan de voorwaarden voor het gebiedsspecifieke toetsingskader (art. 44 t/m 53 van het Besluit).
Toetsingskader PFAS In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de toepassingswaarden die in de onderscheiden situaties waarin grond en baggerspecie worden toegepast , kunnen worden gehanteerd. Dit zijn toepassingswaarden voor het toepassen van grond en baggerspecie , waarmee invulling wordt gegeven aan de wettelijke zorgplichten. Het is momenteel nog niet mogelijk om een cumulatieve toepassingswaarde voor PFAS vast te stellen. Daarom zijn er in het handelingskader alleen toepassingswaarden voor individuele PFAS aangegeven. De aangegeven toepassingswaarden kunnen binnen de randvoorwaarden die daarvoor in het Besluit bodemkwaliteit zijn gegeven , op lokaal of regionaal niveau in een aangewezen bodembeheergebied worden gespecificeerd als er lokaal aanleiding is om een andere waarde vast te stellen. Ook is het mogelijk om de zorgplichten voor specifieke toepassingen nader in te vullen. De nummers in de eerste kolom corresponderen met de nummers van de paragrafen waarin de toepassingswaarden in het hiernavolgende worden toegelicht.
Tabel A: Toepassingsnormen voor het toepassen van grond en baggerspecie Categorie Toepassingssituatie
Toepassingswaarde (μg/kg d. s. ) (2) (3) (4) (5) (7)
Op de landbodem 4. 1
Grond en baggerspecie toepassen Bodemkwaliteitsklasse
Bodemfunctieklasse
wonen of industrie
wonen of industrie
PFOS = 3 PFOA = 7
Overige PFAS = 3 landbouw/natuur
wonen of industrie
PFOS = 14, PFOA = 19, Overige PFAS = 14,
Landbouw/natuur , wonen of industrie
landbouw/natuur
PFOS = 14, PFOA = 19, Overige PFAS = 14,
Baggerspecie verspreiden , als bedoeld in artikel 35 , onder f , Bbk (verspreiden van baggerspecie op aangrenzend perceel of weilanddepot)
4. 2
PFOS = 3 PFOA = 7
Overige PFAS = 3 4. 3
Grond en baggerspecie grootschalig toepassen
PFOS = 3 PFOA = 7
Overige PFAS = 3 4. 4
Grond en baggerspecie toepassen in grondwaterbeschermingsgebieden
Gebiedskwaliteit , indien niet bekend 01,
4.5 , vervallen
Grond en baggerspecie toepassen onder grondwaterniveau , met inbegrip van grootschalige toepassing. In een oppervlaktewaterlichaam (9) Grond toepassen
Vervalt , zie categorie 4.1 , 4. 2 en
4.6 , vervallen
4. 3
Vervalt , zie categorie 4.8.2 , 4. 9. 1 en 4. 9. 2
4. 7
4. 8. 1
4. 8. 2
Baggerspecie verspreiden in hetzelfde oppervlaktewaterlichaam of aansluitende (sedimentdelende) (10) stroomafwaarts gelegen oppervlaktewaterlichamen (als bedoeld in artikel 35 , onder g , Bbk Baggerspecie toepassen in hetzelfde oppervlaktewaterlichaam in ophogingen in waterbouwkundige constructies , uitgezonderd de diepe plas , als bedoeld in artikel 35 , onder d , Bbk (1) Het in een ander oppervlaktewaterlichaam uitgezonderd een diepe plas: • verspreiden van baggerspecie (bij niet-sedimentdelende oppervlaktewaterlichamen) als bedoeld in artikel 35 , onder g , Bbk en • het toepassen van baggerspecie en grond in ophogingen in waterbouwkundige constructies als bedoeld in artikel 35 , onder d , Bbk.
Toepasbaar , wel meten en toetsen op (8) uitschieters.
Toepasbaar , wel meten en (8) toetsen op uitschieters. Rijkswater: PFOS = 37, PFOA = 08, Overige PFAS = 08,
Anders: PFOS = 11, PFOA = 08, Overige PFAS= 08,
4. 9. 1
Baggerspecie en grond toepassen in niet-vrijliggende diepe plassen die in open verbinding staan met een rijkswater (1) (6)
4. 9. 2
Baggerspecie en grond toepassen in andere diepe plassen dan bedoeld onder 4. 9. 1 (5)(6)
PFOS = 37, PFOA = 08, Overige PFAS = 08, PFOS = 11, PFOA = 08, Overige PFAS = 08,
Voetnoten bij tabel:
(1)
Onder ‘diepe plas’ wordt verstaan: Een met water gevulde verdieping / put in de (water)bodem die ontstaan is als gevolg van zand- , grind- , of kleiwinning of dijkdoorbraak (zoals wielen en kolken). Onder ‘vrijliggende diepe plas’ wordt verstaan: diepe plas , die niet is gelegen in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk en die bovendien boven de spronglaag nauwelijks wordt gevoed door oppervlaktewater van elders (de verblijftijd van het water is voor 90% van het jaar langer dan een maand). Als de diepe plas is gelegen in een groter oppervlaktewaterlichaam wordt de rest van het oppervlaktewaterlichaam beschouwd als oppervlaktewater van elders. Onder ‘niet-vrijliggende diepe plas’ wordt verstaan: diepe plas , gelegen in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het
Rijk , of diepe plas die niet aan de definitie van vrijliggende plas voldoet. Deze definities zijn afkomstig uit de 'Handreiking voor het herinrichten van diepe plassen'. (2) Op de waarden uit deze tabel hoeft geen bodemtypecorrectie te worden toegepast als het gehalte van organische stof minder dan 10% bedraagt. Als het gehalte organisch stof ligt tussen 10-30% dient wel een bodemtypecorrectie uitgevoerd te worden. Als het gehalte organisch stof boven de 30% is aangetoond dient het gehalte organisch stof van 30% gebruikt te worden bij de bodemtypecorrectie. (3) Tenzij een lokale maximale waarde is vastgesteld (zie paragraaf 5). PFOS en PFOA worden getoetst aan de hand van de sommatie van de concentraties lineair en vertakt. Overige PFAS worden getoetst (4) per stof (dus niet gesommeerd). (5) Voor plassen waar nog geen verondieping heeft plaatsgevonden , kan niet van de toepassingswaarde in de tabel worden uitgegaan. In deze gevallen zal de waterbeheerder als bevoegd gezag in overleg met gemeente en provincie een uitvoerige afweging moeten maken of deze verondieping gewenst is en welke voorwaarden hieraan moeten worden gesteld. Hierbij moet op basis van de zorgplichten zelf worden bepaald welke kwaliteit grond en baggerspecie verantwoord kan worden toegepast. (6) Alleen indien in de nabijheid van de diepe plas geen kwetsbaar object is gelegen.
Hiervoor is een toetsingskader opgenomen in de Handreiking voor de herinrichting van diepe plassen. (7) Indien meetgehalten onder de bepalingsgrens liggen , mag de beoordelaar naar analogie van bijlage G , onderdeel IV van de Rbk (Regeling bodemkwaliteit) , ervan uitgaan dat de kwaliteit van de grond , grondwater , baggerspecie , bodem , bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam voldoet aan de toepassingswaarden. (8) Metingen om uitschieters te identificeren zijn bedoeld om te bepalen of er in partijen mogelijk sprake kan zijn van puntbronvervuilingen. Als vuistregel kan hiervoor de P95-waarde van een bepaalde PFAS worden gehanteerd. Bagger uit rijkswateren: In 2007 is voor een aantal metalen het onderscheid tussen matig verontreinigde locaties en hot spots gemaakt op basis van bagger uit het rivierengebied (Maas en Rijn). Per stof zijn uit deze gegevens P95-waarden afgeleid. Destijds zijn geen PFAS gemeten , maar aangevuld met recente projecten van RWS is hieruit een P95-percentiel af te leiden: PFOS = 82, μg/kg d.s. , PFOA = 08, μg/kg d.s. , EtFOSAA = 55, μg/kg d.s. , MeFOSAA = 10, μg/kg d. s. . Op basis hiervan kan voor overige PFAS de laagste van de genoemde waarden , 08, μg/kg d.s. , worden aangehouden.
Bagger uit regionale wateren: In 2019 is in het kader van het herverontreinigingsniveau (HVN) een inventarisatie uitgevoerd van de gehalten PFAS in bagger uit regionale watergangen. Hiervoor zijn PFAS-gehalten verzameld en verwerkt in een database. Uitsluitend voor de stoffen die voldoende vaak zijn gemeten , zijn uit deze gegevens P95-waarden afgeleid: PFOS = 22, μg/kg d.s. , PFOA = 09, μg/kg d.s. , EtFOSAA = 18, μg/kg d. s. Voor overige PFAS kan de waarde 08, μg/kg d.s. , worden aangehouden. Hogere dan voornoemde waarden in respectievelijk bagger uit rijkswateren en regionale wateren kunnen een aanwijzing zijn voor de aanwezigheid van een puntbronvervuiling in de partij. Wat vervolgens de mogelijkheden zijn voor de betreffende partij , hangt onder meer af van de aantallen gemeten uitschieters , de hoogte van de gemeten waarden en de lokale situatie. Dit is aan het bevoegd gezag om te beoordelen. (9) Hier wordt met ‘oppervlaktewaterlichaam’ bedoeld: samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water , met de daarin aanwezige stoffen , alsmede de bijbehorende bodem en oevers (met uitzondering van uitdrukkelijk krachtens de Waterwet aangewezen drogere oevergebieden) , alsmede flora en fauna. (10) Oppervlaktewaterlichamen zijn ‘sedimentdelend’ als sediment vrij uitgewisseld kan worden tussen de oppervlaktewaterlichamen door stroming , wind of getij.
Gebiedsspecifiek beleid De toepassingswaarden die in het handelingskader zijn opgenomen , zijn in beginsel voor het hele land bedoeld. Het verdient aanbeveling dat de betrokken overheden , zoals gemeenten , zelf het initiatief nemen om de aanwezigheid van PFAS op lokaal niveau preciezer in beeld te brengen. Zij hebben deze informatie namelijk nodig als grondslag voor hun gebiedsspecifieke beleid als zij lokale maximale waarden willen vaststellen die afwijken van de generieke waarden. Een van de vereisten die het Besluit bodemkwaliteit voor dergelijk gebiedsspecifiek beleid stelt is de vaststelling van een bodemkwaliteitskaart , die een beeld geeft van het voorkomen van PFAS in een aangewezen bodembeheergebied. Een dergelijke bodemkwaliteitskaart kan ook dienen als grondslag om op eenvoudige wijze de voor het toepassen benodigde milieuhygiënische verklaringen te kunnen afgeven en daarmee onderzoekslasten in individuele gevallen te beperken en vertraging bij het grondverzet te voorkomen. Met gebiedsspecifiek beleid kan voor PFAS lokaal meer ruimte worden geboden , maar kan ook een strengere waarde worden vastgesteld dan de toepassingswaarden van het handelingskader.
Via het vaststellen van minder strenge lokale maximale waarden kan worden afgeweken van het uitgangspunt van het Besluit bodemkwaliteit dat geen verslechtering van de bestaande bodemkwaliteit op een specifieke locatie is toegestaan. Dit houdt in dat de bestaande bodemkwaliteit op de locatie waar de grond of baggerspecie wordt toegepast kan verslechteren , maar omdat tot de lokale maximale waarde alleen grond en baggerspecie mogen worden toegepast die in het bodembeheergebied zelf zijn ontgraven , is op gebiedsniveau echter geen sprake van verslechtering. De in het handelingskader opgenomen achtergrondwaarden kunnen in heel Nederland worden aangehouden , tenzij is of wordt voorzien in gebiedsspecifiek beleid 1 . Als de wens bestaat om in het kader van gebiedsspecifiek beleid een lokale maximale waarde vast te stellen moet de gemeente , onderscheidenlijk waterbeheerder , een bodembeheergebied aanwijzen (indien de lokale maximale waarde een verslechtering op de locatie van toepassen toestaat) en een goede motivering , bij voorkeur in een nota bodembeheer , vaststellen die aan de eisen van het Besluit bodemkwaliteit voldoet. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van de Risicotoolbox bodem , onderscheidenlijk de Risicotoolbox waterbodems. Deze zullen worden aangevuld met informatie over PFAS.
Tot die tijd kan bij het vaststellen van lokale maximale waarden boven de risicogrenswaarde die door het RIVM zijn aangegeven , over de risico’s van de lokale maximale waarden advies worden ingewonnen bij het RIVM. Voor het vaststellen van soepelere waarden kan aanleiding bestaan als de bestaande bodemkwaliteit in een gebied slechter is dan de toepassingswaarden die landelijk worden gehanteerd , en de in het gebied vrijkomende grond en baggerspecie van slechtere kwaliteit hierdoor volgens de landelijke toepassingswaarden niet mag worden toegepast. Op voorwaarde dat in het aangewezen bodembeheergebied op gebiedsniveau sprake is van stand-still kunnen de nodige afwegingen worden gemaakt die vraag en aanbod van grond en baggerspecie binnen het gebied op elkaar afstemmen teneinde impasses bij het grondverzet en baggerwerkzaamheden te voorkomen.
1 Overigens staat artikel 39 van het
Besluit bodemkwaliteit niet in de weg aan het vaststellen van lokale maximale waarden voor PFAS die lager zijn dan de achtergrondwaarde. PFAS zijn immers niet-genormeerde stoffen waarvoor nog geen achtergrondwaarde is vastgesteld in de Regeling bodemkwaliteit.
PSM
EGA
h/
Ministerie vd
en
nk
RWS
Infrastructuur
van
Waterstaat
INFORMATIE
Rijkswaterstaat Water, Verkeer en Leefomgeving Griffioenlaan 3526
LA
Postbus 3500 T
2232
GE
088
2
UTRECHT
UTRECHT
797
11
11
www.rijkswaterstaat.nl Contactpersoon
MEMO
Beste
BoToVa
(geanonimise rd)
wijzigingen Omgevingswet
gebruiker BoToVa,
Datum 28
november
2023
Oplevering van de Omgevingswet-toetsen in service BoToVa heeft vertraging opgelopen en is niet per 1 januari 2024 beschikbaar. Via deze memo informeren wij u over de wijzigingen die volgen uit de Omgevingswet en hoe u de resultaten van de huidige toetsen om kunt zetten naar de nieuwe toetsen Omgevingswet. Hieronder toetsen
een
overzicht
van
de
reeds
bestaande
toetsen
WBB/BBK
en
de
nieuwe
Omgevingswet.
Huidige
toetsen
beschikbaar
(blijven
ivm
Nieuwe
Regelgeving
toetsen
Omgevingswet
overgangsrecht) T.1
Beoordeling kwaliteit van grond en bagger bij toepassing
T.101
op of in de
baggerspecie
bodem
Beoordeling
kwaliteitsklassen
in de
Bijlage B,
grond bij toepassen op of van
Rbk
en
tabe
2022
landbodem
T.101B
Beoordeling
kwaliteitsklasse
bij toepassen
van
op
Bijlage B, baggerspecie
landbodem
|
3a
Rbk
tabe
2022
in
GBT T.2
kwaliteit
Beoordeling ontvangende landbodem
T.102
Beoordeling
kwaliteitsklassen
Bijlage B, ontvangende
Rbk
tabel
2022
landbodem T.3
Beoordeling kwaliteit van bagger en ontvangende bodem bij toepassing in een
oppervlaktewaterlichaam
T.103a
Beoordeling
kwaliteitsklassen
ontvangende
RWS
INFORMATIE
van
T.104
van
tabe
2022
in een
Beoordeling
kwaliteitsklassen
Beoordeling kwaliteit van grond bij toepassing op bodem of oever van oppervlaktewater
Rbk
baggerspecie bij toepassen oppervlaktewaterlichaam T.103b
T.4
Bijlage B,
Bijlage B, de
Rbk
tabe
2022
waterbodem
Beoordeling
kwaliteitsklassen
Bijlage B, van
grond bij
Rbk
tabe
2022
toepassen in een oppervlaktewaterlichaam
Pagina
1
van
7
Huidige toetsen (blijven beschikbaar ivm overgangsrecht)
Nieuwe toetsen Omgevingswet
Regelgeving
Rijkswaterstaat Water , Verkeer en Leefomgeving
T. 5 Beoordeling kwaliteit van bagger bij verspreiden op een aangrenzend perceel (landbodem) T. 6 Beoordeling kwaliteit van bagger bij verspreiden in een zoet oppervlaktewaterlichaam
T. 105 Beoordeling geschiktheid van baggerspecie bij verspreiden op de landbodem
Bijlage B , tabel 3b Rbk 2022
Datum 28 november 2023
T. 106 Beoordeling geschiktheid van baggerspecie bij verspreiden in een zoet oppervlaktewaterlichaam T. 107 Beoordeling geschiktheid van baggerspecie bij verspreiden in een zout oppervlaktewaterlichaam (Noordzee of Waddenzee/Zeeuwse Delta)
Bijlage B , tabel 3c Rbk 2022
T. 7 Beoordeling kwaliteit van bagger bij verspreiden in een zout oppervlaktewaterlichaam
T. 8 Beoordeling kwaliteit van grond bij GBT op landbodem (emissietoetswaarde) T. 9 Beoordeling kwaliteit van baggerspecie bij GBT op landbodem (emissietoetswaarde) T. 10 Beoordeling kwaliteit van grond bij GBT in oppervlaktewaterlichamen (emissietoetswaarde) T. 11 Beoordeling kwaliteit van baggerspecie bij GBT in oppervlaktewaterlichamen (emissietoetswaarde) T. 12 Beoordeling kwaliteit van grond volgens Wbb
Bijlage B , tabel 3a Rbk 2022 Bijlage B , tabel 3a Rbk 2022
Bijlage B , tabel 3a Rbk 2022
Bijlage B , tabel 3a Rbk 2022
T. 13 Beoordeling kwaliteit van grondwater volgens Wbb
T. 27 Beoordeling kwaliteit van grond en baggerspecie bij GBT; Emissiewaarden
T. 16 Beoordeling kwaliteit bouwstoffen (emissie) T. 17 Beoordeling kwaliteit bouwstoffen (samenstelling)
RWS INFORMATIE
Bijlage B , tabel 3c Rbk 2022
T. 127 Beoordeling emissiearme grond en baggerspecie (GBT emissiewaarde) T. 129 Beoordeling emissiearme grond en baggerspecie (GBT emissietoetswaarde) T. 116 Beoordeling kwaliteit bouwstoffen (emissie) T. 117 Beoordeling kwaliteit bouwstoffen (samenstelling)
Bijlage 1 van Circulaire bodemsanering 2013 Bijlage 1 van Circulaire bodemsanering 2013 Bijlage B , tabel 3a Rbk 2022 Bijlage B , tabel 3a Rbk 2022 Bijlage A , tabel 1 Rbk 2022 Bijlage A , tabel 2 Rbk 2022
Pagina 2 van 7
1
Huidige toetsen (blijven beschikbaar ivm overgangsrecht)
Nieuwe toetsen Omgevingswet
Regelgeving
T. 31 Beoordeling kwaliteit bouwstoffen (hergebruik Bsb ) op monsterniveau
T. 131 Beoordeling kwaliteit bouwstoffen (hergebruik Bsb ) op monsterniveau T. 130 Beoordeling aan de interventiewaarde bodemkwaliteit (landbodem)
Rijkswaterstaat Water , Verkeer en Leefomgeving Datum 28 november 2023
Bijlage IIA van het Bal
Inhoudelijk zijn er een aantal wijzigingen: De terminologie voor klassenindeling wijzigt.
Kwaliteitsklassen en kwaliteitseisen
voor
landbodem
en
grond
Kwaliteitseis
Ondergrens van kwaliteitsklasse
Bovengrens van kwaliteitsklasse
Voormalige benaming (voor inwerkingtreding Omgevingswet)
Landbouw/natuur
-
Landbouw/natuur
Achtergrondwaarde
Wonen
Landbouw/natuur
Wonen
Klasse Wonen
Industrie
Wonen
Industrie
klasse Industrie
Matig verontreinigd
Industrie
Interventiewaarde bodemkwaliteit
Niet toepasbaar en niet sterk verontreinigd (beneden interventiewaarde)
Sterk verontreinigd
Interventiewaarde bodemkwaliteit
-
Niet toepasbaar en sterk verontreinigd (boven interventiewaarde)
De kwaliteitseisen staan in tabel 1 van bijlage B van de Regeling Bodemkwaliteit 2022. Deze kwaliteitseisen bepalen in welke kwaliteitsklasse de landbodem of de grond wordt ingedeeld.
RWS INFORMATIE
Pagina 3 van 7
Kwaliteitsklassen baggerspecie
en
Rijkswaterstaat Water , Verkeer en Leefomgeving
waterbodem
Kwaliteitseis
Ondergrens van kwaliteitsklasse
Bovengrens van kwaliteitsklasse
Voormalige benaming
Niet verontreinigd (waterbodem) / Algemeen toepasbaar (baggerspecie)
-
Niet verontreinigd (waterbodem) / Algemeen toepasbaar (baggerspecie)
Achtergrondwaarde
Licht verontreinigd
Niet verontreinigd (waterbodem) / Algemeen toepasbaar (baggerspecie)
Licht verontreinigd
Maximale waarde kwaliteitsklasse A
Matig verontreinigd
Licht verontreinigd
Matig verontreinigd
Maximale waarde kwaliteitsklasse B (interventiewaarde waterbodem)
Sterk verontreinigd
Matig verontreinigd
-
Datum 28 november 2023
Niet toepasbaar
De kwaliteitseisen staan in tabel 2 van bijlage B van de Regeling Bodemkwaliteit 2022. Deze kwaliteitseisen bepalen in welke kwaliteitsklasse de waterbodem of baggerspecie wordt ingedeeld. De kwaliteitseis 'niet verontreinigd (waterbodem) en algemeen toepasbaar (baggerspecie)' is vergelijkbaar met de kwaliteitseis 'Landbouw/natuur' voor de landbodem. Verder wijken deze kwaliteitseisen af van de kwaliteitseisen voor de landbodem. Er zijn geen functieklassen voor de waterbodem. De kwaliteitseisen voor de waterbodem en baggerspecie komen overeen met de normen die voor inwerkingtreding van de Omgevingswet in de Regeling bodemkwaliteit stonden. Aanvullende informatie is terug te vinden
op
Normen en kwaliteitseisen bodem | Informatiepunt Leefomgeving (iplo. nl) Kwaliteits- en bodemfunctieklassen bij activiteiten op of in de bodem | Informatiepunt Leefomgeving (iplo. nl) Kwaliteitseisen voor het toepassen van grond of baggerspecie | Informatiepunt Leefomgeving (iplo. nl)
2
Aanpassing normen voor verspreiden baggerspecie landbodempercelen (T105). RWS INFORMATIE
op
Pagina 4 van 7
De kwaliteitseisen voor het verspreiden van baggerspecie op de landbodem zijn aangepast en gebaseerd op het landbouwkundig gebruik. In de Regeling bodemkwaliteit 2022 is de toxische druk van het mengsel van stoffen (msPAF) en enkele normen voor metalen , minerale olie en PCB’s aangepast ten opzichte van de Regeling bodemkwaliteit die voorheen gold. (zie bladzijde 368 van de regeling bodemkwaliteit 2022)
Rijkswaterstaat Water , Verkeer en Leefomgeving Datum 28 november 2023
Factsheet verspreiden van baggerspecie onder de Omgevingswet | Informatiepunt Leefomgeving (iplo. nl) Kwaliteitseisen verspreiden baggerspecie | Informatiepunt Leefomgeving (iplo. nl) 3
Aanpassing normen voor polymeerbeton Voor polymeerbeton geldt een maximale concentratiewaarde van 20 mg/kg droge stof voor de stof ethylbenzeen en xylenen (som). (Bijlage A , tabel 2 , voetnoot 3 van de Regeling Bodemkwaliteit 2022)
4
IBC vervalt Nog overgangsrecht voor IBC bouwstoffen tot 1-7-2024. Zie Overgangsrecht Besluit bodemkwaliteit | Informatiepunt Leefomgeving (iplo. nl) Wat verandert er voor toepassen van bouwstoffen? | Informatiepunt Leefomgeving (iplo. nl)
5
Wijziging van toetsregel voor ontvangende bodem en waterbodem In de consultatie is naar voren gebracht dat in het zeldzame geval dat onderzoek wordt gedaan naar stoffen waarvoor geen rapportagegrens is opgenomen in tabel 1 van Bijlage G en de concentratie van die stof wordt gerapporteerd als “kleiner dan de rapportagegrens’’ die het laboratorium hanteert , dit verstrekkende gevolgen kan hebben voor de indeling van de ontvangende (water)bodem in een kwaliteitsklasse. Dit kan aan de orde zijn ingeval het betreffende laboratorium een rapportagegrens hanteert die hoger ligt dan de voor die stof opgenomen waarden in de tabellen 1 en 2 van bijlage B. In die gevallen zou zonder dat de stof door het laboratorium is aangetoond de betreffende ontvangende (water)bodem in een minder schone kwaliteitsklasse ingedeeld kunnen worden op grond van de betreffende stof. Dat is onwenselijk omdat daarmee op grond van de Rijksregels in het Besluit activiteiten leefomgeving op die betreffende ontvangende (water)bodem meer ruimte ontstaat voor het toepassen van grond en baggerspecie omdat de ontvangende (water)bodem in een minder schone kwaliteitsklasse is ingedeeld.
Om die reden is in bijlage G , onderdeel I onder c (en e ingeval zo’n stof onderdeel uitmaakt van een somparameter) bepaald dat in een voorkomende situatie betreffende stoffen niet worden betrokken bij het toetsen van de kwaliteit van de ontvangende (water)bodem aan de kwaliteitseisen uit bijlage B. De betreffende stof telt ook niet mee als onderzochte stof voor de toetsingsregels aan de kwaliteitsklassen. Deze aanpassing in bijlage G is alleen aan de orde voor het toetsen van de kwaliteit van de ontvangende (water)bodem. Betreffende stof wordt wel omgerekend (factor 07) en betrokken bij het toetsen , van de kwaliteit van de vrijkomende grond en baggerspecie uit die (water)bodem. Ook daar kan de betreffende stof leiden tot een indeling van de kwaliteit van de grond of baggerspecie in een minder schone kwaliteitsklasse , wat weer tot mindere toepassingsmogelijkheden kan leiden. Dat leidt wel tot een ander soortige problematiek , in het geval van de ontvangende (water)bodem gaat het om het tegengaan dat mogelijk ten onrechte grond of baggerspecie van een slechtere kwaliteitsklasse wordt toegepast op de ontvangende (water)bodem , in RWS INFORMATIE
Pagina 5 van 7
geval van de vrijkomende grond en baggerspecie kan mogelijk ten onrechte het aantal toepassingsmogelijkheden van de grond en baggerspecie worden beperkt maar is het milieu voldoende beschermd. Als de indeling van de grond of baggerspecie in een slechtere bodemkwaliteitsklasse voor de afzet van de grond of baggerspecie problematisch is kan initiatiefnemer het laboratorium of een ander laboratorium benaderen voor een nieuwe analyse waarbij een lagere rapportagegrens wordt gehanteerd , zodat meer zekerheid ontstaat over de vraag of de betreffende stof boven de waarden in de tabellen 1 en 2 van bijlage 2 wordt aangetroffen in de grond of baggerspecie. Als er geen lagere rapportage grens mogelijk is , dan is het uit voorzorg voor toepassing van de betreffende grond en baggerspecie het beste om uit te gaan van de situatie dat de stof toch aanwezig is (via de omrekening met factor 07) om te voorkomen dat schonere gebieden , worden belast met de betreffende stof.
In aanvulling op onderdeel I onder punt c van bijlage G wordt het volgende toegelicht: In onderdeel I van bijlage G onder punt b wordt aangegeven dat voor stoffen waarvoor wel een rapportagegrens in tabel 1 van bijlage G is opgenomen de door het laboratorium als kleiner dan de rapportagegrens gerapporteerde waarde wordt omgerekend met een factor 07, maal de door het laboratorium als kleiner dan de rapportagegrens gerapporteerde waarde. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn vanwege een matrixstoring waardoor een verhoogde rapportagegrens wordt gehanteerd. In dergelijke gevallen kan het bevoegd gezag een afweging maken om de betreffende stof al dan niet te betrekken bij het indelen van de ontvangende bodem in een bodemkwaliteitsklasse. Dit met het oog op voorkomen van verslechtering van de bodemkwaliteit. In de consultatie is naar voren gebracht dat de vermenigvuldiging van waarden “kleiner dan de rapportagegrens” met een factor 07 voor slecht , oplosbare stoffen in het grondwater soms een te slecht beeld schetsen van de kwaliteit van het betreffende monster van het grondwater. In bijlage G is daarom een tekst toegevoegd dat in voorkomende gevallen de onderzoeker onderbouwd kan motiveren dat het betreffende monster niet in die mate is verontreinigd als het toetsingsresultaat aangeeft. (Regeling bodemkwaliteit 2022 , pagina 388-389)
Rijkswaterstaat Water , Verkeer en Leefomgeving Datum 28 november 2023
Toetsen van analyseresultaten bodemonderzoek en milieuverklaringen bodemkwaliteit | Informatiepunt Leefomgeving (iplo. nl) Staatscourant 2023 , 1338 | Overheid. nl > Officiële bekendmakingen (officielebekendmakingen. nl) 6
Grondwater toetsing vervalt Voor grondwater zijn instructieregels opgenomen in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (BKL) (omgevingswaarden). Er is daarom geen toets opgenomen in BoToVa. Grondwater en omgevingswaarde | Informatiepunt Leefomgeving (iplo. nl)
RWS INFORMATIE
Pagina 6 van 7
toets
Specifieke bepaling graven boven of onder interventiewaarde. Voor het bepalen van welke milieubelastende activiteit graven van toepassing is op een locatie, namelijk boven of onder de interventiewaarde, is een specifieke toets Wat
toegevoegd verandert
er
voor
aan
BoToVa.
voor
graven
in de
bodem
Rijkswaterstaat Water, Verkeer en Leefomgeving Datum 28
november
2023
| Informatiepunt Leefomgeving
(iplo.nl)
(geanonimiseerd)
RWS
INFORMATIE
Pagina
7
van
7