CConstaterende datTytsjerksteradiel
Koppel je AI →
Document · PDF

06 - Bijlage 2a - Regels bestemmingsplan Skûlenboargerwei 10 Eastermar

RAADSVERGADERING 2018 t/m 2024 24 november 2022, gemeente TytsjerksteradielBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Skûlenboargerwei 10 Eastermar (besluitvormend, hamerstuk)13.963 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

de rust en de openheid van voor weidevogels geschikte gebieden, zoals die aangegeven zijn op bijlage 10. 9. de verkeersveiligheid; 10. de ontsluitingssituatie; 11. de parkeersituatie; 12. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 4 4.1

Bedrijf - 2 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Bedrijf – 2’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: A. gebouwen ten behoeve van: 1. bedrijven die zijn genoemd in bijlage 1 onder de categorieën 1 en 2 en bedrijven die naar de aard en de invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen zijn, met uitzondering van geluidszoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen en/of vuurwerkbedrijven; 2. een weg- en waterbouwbedrijf, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - weg- en waterbouw"; 3. detailhandel in dakpannen, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van detailhandel - dakpannen"; 4. detailhandel in kampeermiddelen, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van detailhandel - kampeermiddelen"; 5. volumineuze detailhandel, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van detailhandel - volumineus"; 6. een houtbewerkingbedrijf, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - houtbewerkingbedrijf" in combinatie met productiegebonden detailhandel, uitsluitend ten behoeve van de uitstalling en verkoop van goederen die ter plaatse door het bedrijf worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van detailhandel - productiegebonden detailhandel”; 7.

een neventak in de vorm van een zorgfunctie, ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van bedrijf – zorgfunctie”; 8. een neventak in de vorm van een grondgebonden agrarische bedrijfsactiviteit, ter plaatse van de aanduiding "agrarisch bedrijf"; 9. een pension, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - pension"; B. een bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding “bedrijfswoning”, al dan niet in combinatie met ruimte voor een beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis; C. bij de bedrijfswoning behorende gebouwen en overkappingen; D. een kampeerterrein, ter plaatse van de aanduiding "kampeerterrein"; E. het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting vanwege het spoorwegverkeer op geluidsgevoelige objecten, ter plaatse van de aanduiding "geluidzone - spoor"; F. het tegengaan van een te hoog veiligheidsrisico van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten vanwege een risicovolle functie, ter plaatse van de aanduiding "veiligheidszone - externe veiligheid"; waarbij, ter plaatse van de aanduiding “karakteristiek”, de bestaande karakteristieke hoofdvorm zoveel mogelijk in stand wordt gehouden; met daaraan ondergeschikt: G. restauratieve voorzieningen; H. groenvoorzieningen; I. parkeervoorzieningen; J. speelvoorzieningen; K. wegen, straten en paden; L. water; M. openbare nutsvoorzieningen; N.

productiegebonden detailhandel, met uitzondering van detailhandel in voeding- en genotmiddelen;

met de daarbij behorende: O. tuinen, erven en terreinen; P. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

4.2

Bouwregels

4.2.1 Bedrijfsgebouwen Voor het bouwen van de in lid 4.1 onder A. en C. genoemde bedrijfsgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels: A. een gebouw en een overkapping zal binnen een bouwvlak worden gebouwd; B. ter plaatse van de aanduiding “maximale goot-, bouwhoogte (m) en maximum bebouwingspercentage (%)” zal de goothoogte van een gebouw ten hoogste de in die aanduiding aangegeven goothoogte, de bouwhoogte van een gebouw ten hoogste de in die aanduiding aangegeven bouwhoogte en het bebouwingspercentage van een bouwvlak ten hoogste het in die aanduiding aangegeven percentage bedragen. 4.2.2 Bedrijfswoning Voor het bouwen van de in lid 4.1 onder B. genoemde bedrijfswoning gelden de volgende regels: A. een bedrijfswoning zal binnen een bouwvlak worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding “bedrijfswoning”; B. voor inpandige bedrijfswoningen zijn de regels van lid 4.2.1 van overeenkomstige toepassing; C. voor niet-inpandige bedrijfswoningen gelden de volgende regels: 1. de goothoogte van een bedrijfswoning zal ten hoogste 4 m bedragen; 2. de bouwhoogte van een bedrijfswoning zal ten hoogste 9 m bedragen. 4.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van de in lid 4.1 onder P. genoemde bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: A.

de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 2 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn ten hoogste 1 m zal bedragen; B. de bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste 5 m bedragen, met dien verstande dat: 1. de bouwhoogte van masten, niet zijnde antennemasten, en palen ten hoogste 10 m zal bedragen; 2. de bouwhoogte van antennemasten ten hoogste 15 m zal bedragen.

4.3

Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in: A. lid 4.2.1onder A. en toestaan dat bij de bedrijfswoningen behorende gebouwen en overkappingen geheel of gedeeltelijk buiten een bouwvlak worden gebouwd, mits: 1. de oppervlakte van deze buiten het bouwvlak gebouwde gebouwen en overkappingen ten hoogste 60 m² zal bedragen; 2. de goothoogte ten hoogste 3 m zal bedragen; 3. de bouwhoogte ten hoogste 6 m zal bedragen;

B.

lid 4.2.2 onder C. en toestaan dat van een bedrijfswoning de goothoogte ten hoogste 8 m en de bouwhoogte ten hoogste 12 m zal bedragen.

4.3.1 Algemene criteria afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan toepassing geven aan de in lid 4.3 bedoelde mogelijkheden tot afwijking van bouwregels indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan A. het straat- en bebouwingsbeeld; B. de milieusituatie; C. de woonsituatie; D. de landschappelijke waarden; E. de cultuurhistorische waarden; F. de archeologische waarden; G. de natuurwaarden; H. de verkeersveiligheid; I. de ontsluitingssituatie; J. de parkeersituatie; K. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

4.4

Specifieke gebruiksregels Tot een gebruik strijdig met de bestemming, wordt in ieder geval gerekend: A. het gebruik van de in lid 4.1 onder A. genoemde bedrijfsgebouwen voor bewoning, tenzij de gronden zijn aangeduid als “bedrijfswoning” in welk geval een bedrijfswoning is toegestaan; B. het gebruik van de in lid 4.1 onder C. genoemde gebouwen voor zelfstandige bewoning; C. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van bedrijven, anders dan die welke zijn genoemd in bijlage 1 onder de categorieën 1 en 2 en bedrijven die naar de aard en de invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen zijn dan wel, indien de gronden zijn voorzien van een aanduiding met een specifieke bedrijfstypering, het gebruik van deze gronden en bouwwerken ten behoeve van andere dan deze c.q. de in bijlage 1 onder de categorieën 1 en 2 genoemde bedrijven; D. het gebruik van de gronden en bouwwerken als horecabedrijf, tenzij: 1. de gronden zijn voorzien van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - pension"; 2. de horecaactiviteiten vergelijkbaar zijn met die van horecabedrijf 1 en/of 4; E. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel, met uitzondering van productiegebonden detailhandel, niet zijnde detailhandel in voeding- en genotmiddelen, met dien verstande dat 1.

de verkoopvloeroppervlakte ten behoeve van de productiegebonden detailhandel niet meer bedraagt dan 10 % van de totale gezamenlijke begane vloeroppervlakte van de aanwezige bedrijfsgebouwen op het bouwperceel, met een maximum van 25 m²; 2. de verkoopvloeroppervlakte ten behoeve van productiegebonden detailhandel als bedoeld in lid 4.1 onder A.6 samenvalt met de gronden, ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van detailhandel - productiegebonden detailhandel”; F. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een verkooppunt van motorbrandstoffen; G. het gebruik van van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen, tenzij de gronden zijn voorzien van de aanduiding “kampeerterrein”, in welk geval de plaatsing van ten hoogste 25 kampeermiddelen, niet zijnde stacaravans, is toegestaan;

H. het gebruik van de gronden, ter plaatse van de aanduiding “kampeerterrein”, als standplaats voor kampeermiddelen gedurende de periode van 1 november tot 15 maart; I. het gebruik van de gronden en bouwwerken, ter plaatse van de aanduiding “kampeerterrein”, ten behoeve van permanente bewoning.

4.5

Afwijken van de specifieke gebruiksregels Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in: lid 4.4 onder E. onder 1. en toestaan dat de verkoopvloeroppervlakte ten behoeve van de productiegebonden detailhandel niet meer bedraagt dan 30 % van de totale gezamenlijke begane vloeroppervlakte van de aanwezige bedrijfsgebouwen op het bouwperceel, met een maximum van 250 m², mits: A. de productiegebonden detailhandel betrekking heeft op volumineuze producten; B. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan: 1. de milieusituatie; 2. de woonsituatie; 3. de landschappelijke waarden; 4. de cultuurhistorische waarden; 5. de archeologische waarden; 6. de natuurwaarden; 7. de verkeersveiligheid; 8. de ontsluitingssituatie; 9. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

4.6

Wijzigingsbevoegdheid

4.6.1 Wijzigen Burgemeester en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat: A. de oppervlakte van een aangegeven bouwvlak wordt vergroot dan wel de ligging van een aangegeven bouwvlak wordt gewijzigd, mits: 1. de vergroting ten hoogste 10% van de oppervlakte van het bouwvlak zal bedragen; B. in een bouwvlak in een aanduiding “maximale goot-, bouwhoogte (m) en maximum bebouwingspercentage (%)” een andere goothoogte en/of andere bouwhoogte en/of ander bebouwingspercentage wordt aangegeven, mits: 1. de bestaande oppervlakte aan bedrijfsgebouwen met ten hoogste 15% kan worden vergroot; 2. de goothoogte van een gebouw ten hoogste 10 m zal bedragen; 3. de bouwhoogte van een gebouw ten hoogste 15 m zal bedragen; C. de oppervlakte van een aangegeven bouwvlak wordt vergroot dan wel de ligging van een aangegeven bouwvlak wordt gewijzigd, alsmede in de aanduiding "maximale goot-, bouwhoogte (m) en maximum bebouwingspercentage (%)" een andere goothoogte en/of andere bouwhoogte en/of een ander bebouwingspercentage wordt aangegeven, mits: 1. er sprake is van een bestaand volwaardig bedrijf, categorie 2; 2. de aanvrager zijn hoofdberoep heeft in dat bedrijf; 3. er sprake is van een zodanige bedrijfsopzet dat het bedrijf ook op langere termijn perspectief biedt als volwaardig bedrijf; 4.

de noodzaak tot vergroting van het bouwvlak en of/ de vergroting van het bebouwingspercentage wordt aangetoond door middel van

een bedrijfsplan, waarin ook het ontwikkelingsperspectief van het bedrijf, als bedoeld onder c.3 voor minimaal 3 jaar is aangegeven; 5. de gezamenlijke oppervlakte aan bedrijfsgebouwen ten hoogste 150% van de oppervlakte van de bestaande bedrijfsgebouwen zal bedragen; 6. de landschappelijke, milieuhygiënische en verkeerskundige inpassing plaatsvindt conform een door het bevoegd gezag geaccordeerd landschappelijk inpassingsplan; 7. rekening wordt gehouden met een eventuele eerdere of gelijktijdige toepassing van de wijziging, als bedoeld in lid 3.6.1 onder C. van artikel 3 'Agrarisch - Cultuurgrond'; D. de oppervlakte van de aanduiding “bedrijfswoning” wordt vergroot dan wel de ligging van de aanduiding “bedrijfswoning” wordt gewijzigd, mits: 1. de oppervlakte van de aanduiding ten hoogste 150 m² zal bedragen; 2. de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde; E. de aanduiding “bedrijfswoning” wordt verwijderd; F. de aanduiding “<specifiek type bedrijvigheid {...}>” wordt verwijderd, mits:  de betreffende functie ter plaatse is beëindigd; G. in een aanduiding “maximale bouwhoogte” een grotere bouwhoogte voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt aangegeven, mits:  de bouwhoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste 10 m zal bedragen; H.

de aanduiding “karakteristiek” wordt aangebracht, indien door verbeterwerkzaamheden dan wel door veranderde inzichten een niet als karakteristiek aangeduid gebouw (weer) karakteristiek wordt; I. de aanduiding “karakteristiek” geheel of gedeeltelijk wordt verwijderd, mits: 1. de karakteristieke hoofdvorm niet langer aanwezig is en niet zonder ingrijpende wijzigingen aan het gebouw kan worden hersteld; 2. de karakteristieke hoofdvorm in zijn geheel redelijkerwijs niet te handhaven is in relatie tot de functie die het gebouw moet of uitsluitend nog kan vervullen; J. de bestemming wordt gewijzigd in de bestemming(en) ‘Wonen - A1’, ‘Wonen – A2’, ‘Wonen – A3’, ‘Wonen – A4’, ‘Wonen – A5’, ‘Wonen - A7’ en/of ‘Tuin’, mits: 1. ter plaatse geen bedrijf meer wordt uitgeoefend; 2. ten hoogste 1 woning is toegestaan; 3. het bouwvlak van de onder 2. bedoelde woning wordt gelegd ter plaatse van de aanduiding “bedrijfswoning” van het bedrijf; 4. de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde; K. ter plaatse van de aanduiding "wro-zone 1"de bestemming wordt gewijzigd in de bestemming(en) 'Horeca - 1' of 'Horeca - 2', mits: 1. de horecafunctie wordt uitgeoefend in een bestaand gebouw; 2. het bouwvlak ten hoogste 500m² bedraagt; of de aanduiding “kampeerterrein” wordt aangebracht, mits: 1.

het aantal kleinschalige kampeerterreinen in de gemeente niet groter zal zijn dan 25; 2. ten hoogste 25 kampeermiddelen, niet zijnde stacaravans, per terrein worden geplaatst; 3. het kamperen niet gedurende de periode van 1 november tot 15 maart zal plaatsvinden;

4. 5. 6. 7. 8.

het kamperen direct aansluitend op de erven van de agrarische bedrijven zal plaatsvinden; sanitaire voorzieningen zoveel mogelijk zullen worden ondergebracht in de bestaande (agrarische) bebouwing; het terrein waarop gekampeerd zal worden op een afstand van ten minste 50 meter van geluidsgevoelige objecten is gelegen; het kamperen inpasbaar zal zijn in het landschap door (afhankelijk van het landschapstype, open dan wel besloten) gebruik te maken van afschermende streekeigen erfbeplanting; de situering, de omvang en het gebruik de kleinschaligheid van het kamperen beogen.

4.6.2 Algemene criteria Burgemeester en wethouders kunnen toepassing geven aan de in lid 4.6.1 bedoelde wijzigingsbevoegdheden indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan A. straat- en bebouwingsbeeld; B. de milieusituatie; C. de woonsituatie; D. de landschappelijke waarden; E. de cultuurhistorische waarden; F. de archeologische waarden; G. de natuurwaarden; H. de verkeersveiligheid; I. de ontsluitingssituatie; J. de parkeersituatie; K. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 5 5.1

Tuin Bestemmingsomschrijving De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: A. tuinen; B. erkers en voorportalen; C. het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting vanwege een industrieterrein op geluidsgevoelige objecten, ter plaatse van de aanduiding "geluidzone - industrie"; D. het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting vanwege het vliegtuiglawaai van het luchtvaartterrein Leeuwarden op geluidsgevoelige gebouwen, ter plaatse van de aanduiding "geluidzone - luchtvaart"; E. het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting vanwege het spoorwegverkeer op geluidsgevoelige objecten, ter plaatse van de aanduiding "geluidzone - spoor"; F. het tegengaan van een te hoog veiligheidsrisico van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten vanwege een risicovolle functie, ter plaatse van de aanduiding "Veiligheidszone - externe veiligheid"; G. het tegengaan van te hoge bebouwing en beplanting, ter plaatse van de aanduiding “vrijwaringszone - molenbiotoop”; met daaraan ondergeschikt: H. groenvoorzieningen; I. parkeervoorzieningen; J. speelvoorzieningen; K. wegen, straten en paden; L. water; M. openbare nutsvoorzieningen; met de daarbij behorende: N. erven en verhardingen; O. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

5.2

Bouwregels

5.2.1 Erkers Voor het bouwen van erkers gelden de volgende regels: A. een erker zal ten hoogste 1,5 m vanuit de aangrenzende bouwgrens worden gebouwd; B. de afstand van een erker tot de zijdelingse bouwperceelgrens zal ten minste 2 m bedragen, tenzij: 1. er sprake is van twee aaneen te bouwen erkers voor twee afzonderlijke, aaneen gebouwde woonhuizen; 2. er sprake is van een hoekerker of een erker aan de zijgevel van een gebouw, in welk geval de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens ten minste 3 m zal bedragen; C. een erker zal ten hoogste over 70% van de voorgevel worden gebouwd. 5.2.2 Voorportalen Voor het bouwen van voorportalen gelden de volgende regels:

A. een voorportaal zal ten hoogste 1,5 m vanuit de aangrenzende bouwgrens worden gebouwd; B. de breedte van een voorportaal zal ten hoogste 2,5 m bedragen; C. de hoogte van een voorportaal zal ten hoogste 2,5 m bedragen. 5.2.3 Bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van de in lid 5.1 onder O. genoemde bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: A. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 2 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn ten hoogste 1 m zal bedragen; B. de bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste 1 m bedragen, met dien verstande dat: 1. de bouwhoogte van masten, niet zijnde antennemasten, en palen ten hoogste 10 m zal bedragen; 2. de bouwhoogte van antennemasten ten hoogste 15 m zal bedragen. 5.2.4 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.2 in die zin dat een tuinhuisje, prieeltje of een daarmee vergelijkbaar gebouw wordt gebouwd, mits: A. een tuinhuisje, prieeltje of daarmee vergelijkbaar gebouw ten minste 3 m vanuit de aangrenzende perceelsgrens wordt gebouwd; B. de oppervlakte van een tuinhuisje, prieeltje of daarmee vergelijkbaar gebouw ten hoogste 15 m² zal bedragen en de bouwhoogte ten hoogste 3 meter zal bedragen; C.

het aantal tuinhuisjes, prieeltjes of daarmee vergelijkbare gebouwen ten hoogste 2 per bouwperceel bedragen; D. de afstand tussen tuinhuisjes, prieeltjes of daarmee vergelijkbare gebouwen onderling en ten opzichte van andere gebouwen, waaronder erkers, ten minste 3 meter zal bedragen; E. rekening wordt gehouden met de structuur en het karakter van de omgeving (dorpskern, dorpsuitlopers of landelijk gebied) en de ligging en de afmetingen van de gebouwen op de aangrenzende bouwpercelen; F. rekening wordt gehouden met: 1. het straat- en bebouwingsbeeld; 2. de woonsituatie; 3. de landschappelijke waarden; 4. de cultuurhistorische waarden.

5.3

Specifieke gebruiksregels Tot een gebruik strijdig met de bestemming, wordt in ieder geval gerekend: A. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van bedrijfsdoeleinden; B. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel; C. het gebruik van de gronden en bouwwerken als horecabedrijf.

5.4

Wijzigingsbevoegdheid

5.4.1 Wijzigen Burgemeester en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat: de bestemming wordt gewijzigd in de bestemming(en) ‘Wonen - A1’, ‘Wonen – A2’, ‘Wonen – A3’, ‘Wonen – A4’, ‘Wonen – A5’, ‘Wonen - A7’, ‘Wonen - B1’, ‘Wonen – B2’, ‘Wonen – B3’, ‘Wonen - B7’, ‘Wonen - C1’ en/of ‘Wonen - C3’, alsmede nieuwe bouwvlakken worden aangebracht, mits: A. de wijzigingsbevoegdheid met betrekking tot het aanbrengen van nieuwe bouwvlakken uitsluitend betrekking heeft op een wijziging van de oorspronkelijke voorgevelrooilijn ten behoeve van een veranderende situering van het woonhuis; B. de oppervlakte van het bouwvlak niet groter wordt dan ten hoogste de oppervlakte van het oorspronkelijke bouwvlak; C. gebouwen en overkappingen die buiten een bouwvlak mogen worden gebouwd, niet voor de voorgevelrooilijn worden gebouwd; D. de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen buiten een bouwvlak per bouwperceel ten hoogste 100 m²; E. de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens ten minste 3 m zal bedragen; F. de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde; G.

rekening wordt gehouden met de structuur en het karakter van de omgeving (dorpskern, dorpsuitlopers of landelijk gebied) en de oppervlakte, de ligging en de afmetingen van de gebouwen op de aangrenzende bouwpercelen. 5.4.2 Algemene criteria Burgemeester en wethouders kunnen toepassing geven aan de in lid 5.4.1 bedoelde wijzigingsbevoegdheden indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan: A. het straat- en bebouwingsbeeld; B. de milieusituatie; C. de woonsituatie; D. de landschappelijke waarden; E. de cultuurhistorische waarden; F. de archeologische waarden; G. de natuurwaarden; H. de verkeersveiligheid; I. de ontsluitingssituatie; J. de parkeersituatie; K. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 6 6.1

Waarde - Landschap (Woudenlandschap) Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde – Landschap (Woudenlandschap)’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en herstel van cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden van het woudenlandschap met in achtneming van de specifieke kenmerken van de deelgebieden binnen het woudenlandschap, met dien verstande dat: A. de gronden ter plaatse van de aanduiding “houtsingel”, uitsluitend zijn bestemd voor het in stand houden van houtsingels; B. de gronden ter plaatse van de aanduiding “houtwal” (dykswâl), uitsluitend zijn bestemd voor het in stand houden van dykswâlen (houtwallen).

6.2

Specifieke gebruiksregels Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend: het wijzigen van de verkavelingsstructuur, die mede wordt bepaald door het slotenpatroon en door houtsingels, zoals die met "houtsingel of haag bestaand (niet vergunbaar)" en "houtsingel bestaand (wel vergunbaar)" zijn weergegeven en houtwallen (dykswâlen), zoals die met "houtwal (dykswâl) bestaand (niet vergunbaar)" zijn weergegeven op de bij deze regels behorende verbeelding, met dien verstande dat: 1. onder wijzigen wordt begrepen het geheel of gedeeltelijk verwijderen van houtwallen (dykswâlen); 2. onder wijzigen wordt tevens begrepen het geheel of gedeeltelijk verwijderen van houtsingels en het al dan niet in smenhang daarmee dempen, verbreden, verdiepen of aanleggen van watergangen langs houtsingels.

6.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwwerk zijnde, of van werkzaamheden 6.3.1 Omgevingsvergunningplicht A. Het is, in het gebied waarop deze bestemming betrekking heeft, verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen of laten uitvoeren, zulks ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemmingen: 1. het wijzigen van de verkavelingsstructuur die mede wordt bepaald door het slotenpatroon en door de houtsingels, zoals die met "houtsingel of haag bestaand (wel vergunbaar)" zijn weergegeven op de bij deze regels horende verbeelding, met dien verstande dat: a. onder wijzigen wordt begrepen het geheel of gedeeltelijk verwijderen van houtwallen (dykswâlen) en houtsingels; b. onder wijzigen wordt eveneens begrepen het geheel of gedeeltelijk dempen, verbreden, verdiepen of aanleggen van watergangen; c. een omgevingsvergunning uitsluitend wordt verleend op basis van een landschappelijk inrichtingsplan dat in overeenstemming is met:

1.

de uitgangspunten voor het betreffende landschapstype "Dykswâlenlandschap met blokverkaveling", te weten: - onregelmatige blokverkaveling; - gemiddelde ruimtelijke kavelmaat is 2,8 ha, maximale ruimtelijke kavelmaat is 5,2 ha; - onregelmatige of ontbrekende verkavelingsrichting; - de aanwezigheid van dykswâlen op de perceelscheidingen; - de aanwezigheid van onverharde paden 2. de bij deze regels in bijlage 2 opgenomen "Richtlijnen voor het verwijderen van houtsingels en dykswâlen"; 3. de bij deze regels in bijlage 2 opgenomen "Richtlijnen voor de inrichting van houtsingels"; 4. de bij deze regels in bijlage 2 opgenomen "Richtlijnen voor de inrichting van dykswâlen". B. Voor zover voor meerdere werken en/of werkzaamheden omgevingsvergunningen worden gevraagd en deze in één (landschappelijk inrichtings)plan zijn ondergebracht, wordt dit plan in zijn geheel in de beoordeling betrokken; C. Indien het verlenen van de omgevingsvergunning gevolgen kan hebben voor de waterhuishouding, wordt de aanvraag voor de omgevingsvergunning voorgelegd aan het bevoegde waterschap met het verzoek de aanvraag te voorzien van een deskundigenadvies. 6.3.2 Uitzonderingen op vergunningplicht Het bepaalde in lid 6.3.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die: A. het normale onderhoud betreffen; B.

reeds in uitvoering of vergund zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan. 6.3.3 Criteria De in lid 6.3.1 genoemde vergunning zal slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk zal worden gedaan aan de cultuurhistorische, landschappelijke en/of natuurwaarden van het gebied.

6.4

Wijzigingsbevoegdheid

6.4.1 Wijzigen Burgemeester en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat: A. het structuurbepalende karakter van de houtsingel, als gevolg van grootschalige ingrepen in het landschap in het kader van landinrichting, uitbreiden van dorpen, bedrijventerreinen, andere grootschalige voorzieningen, de aanleg of de wijziging van infrastructuur (wegen, vaarwegen, spoorwegen), niet kan worden gehandhaafd; B. de aanduiding "houtsingel" wordt aangebracht mits:  de houtsingel een structuurbepalend karakter krijgt; C. de aanduiding "houtwal" (dykswâl) wordt verwijderd mits:

het structuurbepalende karakter en/of de cultuurhistorische en/of de ecologische waarde van de houtwal, als gevolg van de ingrepen in het landschap in het kader van gebiedsontwikkeling, uitbreiden van dorpen, bedrijventerreinen, andere grootschalige voorzieningen, de aanleg of de wijziging van infrastructuur (wegen, bvaarwegen, spoorwegen) niet kan worden gehandhaafd; D. de dubbelbestemming ‘Waarde – Landschap (Woudenlandschap)’ wordt verwijderd. 

6.4.2 Criterium Burgemeester en wethouders kunnen toepassing geven aan de in lid 6.3.1 bedoelde wijzigingsbevoegdheid, indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden van het open landschap met in achtneming van de specifieke kenmerken van de deelgebieden binnen het open landschap.

Hoofdstuk 3 ALGEMENE REGELS Artikel 7

Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 8 8.1

Algemene bouwregels Welstandscriteria De door het plan geboden ruimte ten aanzien van de situering en de maatvoering van bouwwerken, kan nader worden ingevuld door de in artikel 12a van de Woningwet bedoelde welstandscriteria.

8.2

Windturbines Er zullen geen windturbines worden gebouwd.

8.3

Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk

8.3.1 Omgevingsvergunningplicht Ter plaatse van de aanduiding "karakteristiek" is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag gebouwen geheel of gedeeltelijk te slopen. 8.3.2 Uitzondering op vergunningplicht Het bepaalde in lid 8.3.1 niet van toeppasing op sloopwerkzaamheden die: A. het normale onderhoud betreffen; B. reeds in uitvoering of vergund zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan. 8.3.3 Criteria De in lid 8.3.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend mits: A. de karakteristieke hoofdvorm niet langer aanwezig is en niet zonder ingrijpende wijzigingen aan het gebouw kan worden hersteld; B. de karakteristieke hoofdvorm in redelijkheid niet is te handhaven; C. het delen van gebouwen betreft, die op zichzelf niet als karakteristiek vallen aan te merken, en door sloop daarvan geen onevenredige aantatsing van de karakteristieke hoofdvorm plaatsvindt.

Artikel 9

Algemene gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met de gegeven bestemmingen, wordt in ieder geval gerekend: A. het gebruik van de gronden voor het storten van puin en afvalstoffen; B. het gebruik van de gronden voor de opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, anders dan ten behoeve van de uitvoering van krachtens de bestemming(en) toegelaten bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden; C. het gebruik van de gronden voor de stalling en opslag van (aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken) voer-, vaar- of vliegtuigen, anders dan ten behoeve van de uitvoering van krachtens de bestemming(en) toegelaten bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden; D. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen; E. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting.

Artikel 10

Algemene aanduidingregels

10.1 geluidzone - industrie De functie van de gebiedsaanduiding “geluidzone – industrie” is het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting vanwege een industrieterrein van geluidsgevoelige objecten. 10.1.1

Bouwregels In afwijking van het bepaalde bij de daar voorkomende bestemming(en) geldt, ter plaatse van de aanduiding “geluidzone – industrie”, de volgende regel:  een op grond van de daar voorkomende bestemming(en) toelaatbaar gebouw, of de uitbreiding daarvan, welke aangemerkt kan worden als een geluidsgevoelig object, mag slechts worden gebouwd indien de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein van de gevels van dit gebouw niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde.

10.1.2

Specifieke gebruiksregels Tot een gebruik, strijdig met deze gebiedsaanduiding, wordt in ieder geval gerekend:  het gebruik van niet-geluidsgevoelige objecten als geluidsgevoelig object.

Artikel 11

Algemene afwijkingsregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in de specifieke gebruiksregels en toestaan dat gronden en gebouwen worden gebruikt voor een lichte horecafunctie, mits: A. de horecafunctie ondergeschikt is aan de bedrijfs- of woonfunctie; B. de de oppervlakte van de horecafunctie ten hoogste 50 m² bedraagt, met dien verstande dat ten hoogste 10 m² van de horecafunctie binnen een gebouw mag worden uitgeoefend; C. het aantal zitplaatsen maximaal 20 bedraagt; D. uitsluitend niet - alcoholische dranken en geringe etenswaren worden verstrekt; E. de locatie ligt aan of in de onmiddellijke nabijheid van een toeristische wandel-, fiets-, auto- en/of vaarroute.

Artikel 12

Algemene wijzigingsregels

Burgemeester en Wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat: A. de dubbelbestemming 'Leiding - Gas' wordt aangebracht, indien: 1. wordt voldaan aan de regels uit de van toepasing zijnde wettelijke regels; 2. hierdor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de woonsituatie, de landschappelijke waarden, de cultuurhistorische waarden, de archeologische waarden, de natuurwaarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; B. de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' wordt aangebracht, indien:  hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de woonsituatie, de landschappelijke waarden, de cultuurhistorische waarden, de archeologische waarden, de natuurwaarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; C. de dubbelbestemming 'Leiding - Riool' wordt aangebracht, indien: 1. wordt voldaan aan de regels uit de van toepasing zijnde wettelijke regels; 2. hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de woonsituatie, de landschappelijke waarden, de cultuurhistorische waarden, de archeologische waarden, de natuurwaarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; D.

de dubbelbestemming ‘Leiding - Water' wordt aangebracht, indien:  hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de woonsituatie, de landschappelijke waarden, de cultuurhistorische waarden, de archeologische waarden, de natuurwaarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; E. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' wordt aangebracht, indien:  door onderzoek archeologische waarden van terreinen naar voren komen; F. de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' wordt aangebracht, indien:  door onderzoek cultuurhistorische en (cultuur)landschappelijke waarden van terreinen naar voren komen; G. de gebiedsaanduding 'veiligheidszone - externe veiligheid' wordt aangebracht, indien: 1. de hoedanigheid van een risicovolle functie is gewijzigd; 2. de ligging van de zone moet worden afgestemd op de risicocontouren ingevolge de van toepassing zijnde wettelijke regels.

Artikel 13

Overige regels

Verwijzingsregel wijzigingsbevoegdheden

Voorzover in de bestemmingsregels, dubbelbestemmingsregels en/of de overige regels wordt verwezen naar bestemmingen en/of aanduidingen die daarin niet rechtstreeks zijn opgenomen, zijn de bestemmingsregels en/of de dubbelbestemmingsregels en/of de overige regels als bedoeld in het bestemmingsplan "Buitengebied 2013" van toepassing.

Hoofdstuk 4 OVERGANGS- SLOTREGELS Artikel 14

Overgangsrecht

14.1 Overgangsrecht bouwwerken A. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. B. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in sublid A. een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het sublid A. met maximaal 10 %. C. Sublid A. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

14.2 Overgangsrecht gebruik A. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. B. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in sublid A., te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. C. Indien het gebruik, bedoeld in sublid A., na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. D. Sublid A. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 15

Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan "Skûlenboargerwei 10 Eastermar", met imro code NL.IMRO.0737.16BPIX van de gemeente Tytsjerksteradiel. Aldus vastgesteld d.d

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Tytsjerksteradiel&id=26d1af6f-7049-41c9-8b0e-5b9b2633e61e