02a - Bijlage 2.13 - Nota van zienswijzen VG
Tekst van het document
Nota van zienswijzen bestemmingsplan Tytsjerk, Noarderein 1, MFC
stuknr : versie : datum : auteur: afdeling:
S2022-20722 1 16 juni 2023 P.W. Rienstra OAR
Inhoud pag.
1.
Inleiding ........................................................................................ 1
1.1 1.2 1.3 1.4
Inleiding ....................................................................................................... 1 Bestemmingsplanprocedure.......................................................................... 1 Ontvangen zienswijzen ................................................................................. 2 Algemene verordening persoonsgegevens .................................................... 2
2.
Zienswijzen ................................................................................... 2
2.1 2.1.1 2.1.2 2.1.3 2.1.4 2.1.5 2.1.6 2.1.7
Zienswijze 1 ................................................................................................. 2 Opmerking 1 – “inleidende opmerkingen” .................................................................. 3 Opmerking 2 – “strijd met een goede ruimtelijke ordening” ....................................... 3 Opmerking 3 – “afstand tot woonbestemming; overlast van beoogd gebruik” ............ 4 Opmerking 4 – “toename van verkeers- en parkeerbewegingen” ........................... 111 Opmerking 5 – “onvoldoende afweging van belangen van indiener” ....................... 144 Opmerking 6 – “conclusie” ..................................................................................... 155 Opmerking 7 – “verzoek”........................................................................................ 155
3.
Ambtelijke wijzigingen .............................................................. 166
Bijlagen 1. 2. 3. 4. 5.
Bekendmaking ter inzage ligging ontwerpbestemmingsplan Zienswijze Reactie aanvrager op zienswijzen Aanvulling zienswijze 1 Memo AERIUS-calculatie MFC Tytsjerk
1.
Inleiding
1.1 Inleiding De gemeente Tytsjerksteradiel bereidt een bestemmingsplan voor, voor de gronden binnen het perceel aan de Noarderein 1 in Tytsjerk. Op grond hiervan wil de gemeente het gebruik voor een mulitfunctioneel centrum (MFC) en de (ver)bouw van een gebouw hiervoor mogelijk maken. Onderdeel van de voorbereiding van het bestemmingsplan is het ter inzage liggen van het ontwerp van het plan. In de periode van het ter inzage liggen kan iedereen een zienswijze op het plan indienen. In deze nota is een verslag opgenomen van deze ter inzage ligging en een reactie op de ontvangen zienswijze. 1.2 Bestemmingsplanprocedure De regels voor de procedure voor het voorbereiden van een bestemmingsplan zijn opgenomen in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in samenhang met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Het ter inzage liggen van het ontwerp van het bestemmingsplan is op 16 maart 2022 bekend gemaakt in het Gemeenteblad en de Actief. De bekendmakingen zijn in bijlage 1 bij deze nota opgenomen. Het ontwerpbestemmingsplan heeft in de periode van 17 maart 2023 tot en met 27 april 2023 ter inzage gelegen voor zienswijzen (de zienswijzenperiode). In deze periode was het plan in te zien op de internetpagina https://www.ruimtelijkeplannen.nl/?planidn=NL.IMRO.0737.06BPIV-ow01.
In de periode van ter inzage liggen kon iedereen schriftelijk of mondeling een zienswijze indienen. Na het ter inzage liggen van het ontwerpbestemmingsplan neemt de raad van de gemeente Tytsjerksteradiel – op grond van artikel 3.8, lid 1, onder d. van de Wro gebruikelijk binnen twaalf weken – een besluit over het vaststellen van het plan. In de voor dit besluit te maken belangenafweging neemt de raad ook de ontvangen zienswijzen in overweging. Op grond van artikel 3.8, lid 3 van de Wro wordt dit besluit gebruikelijk binnen twee weken bekend gemaakt. Vanaf de dag na deze bekendmaking ligt het besluit voor zes weken ter inzage. In deze periode kunnen belanghebbenden beroep instellen tegen het besluit bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Ook nietbelanghebbenden die een ontvankelijke zienswijze hebben ingediend op het ontwerpbestemmingsplan kunnen beroep instellen. Het vastgestelde bestemmingsplan treedt in werking op de dag na de periode waarin het besluit over het vaststellen van het plan ter inzage lag voor het instellen van beroep. Alleen wanneer bij het instellen van een beroep ook een verzoek voor het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend treedt het plan nog niet in werking. De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet dan eerst beslissen of hij een voorlopige voorziening treft.
1
1.3 Ontvangen zienswijzen Op het ontwerpbestemmingsplan is één zienswijze ontvangen. De zienswijze is in bijlage 2 bij deze nota opgenomen. De zienswijze is op 28 april 2023 ontvangen. Dit is na het einde van de zienswijzenperiode. Op grond van artikel 6:9, lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht is een schriftelijke zienswijze op tijd ingediend als deze voor het einde van de zienswijzenperiode ter post is bezorgd en niet later dan een week na het einde van de periode is ontvangen. Op de zienswijze staat de datum van 26 april 2023. Zoals opgemerkt hebben wij de zienswijze op 28 april 2023 ontvangen. Op basis hiervan gaan wij ervan uit dat de zienswijze op zijn laatst op 27 april 2023 ter post is bezorgd. Hiermee is de zienswijze op tijd ingediend. 1.4 Algemene verordening persoonsgegevens Op 25 mei 2018 is de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) in werking getreden. De AVG is gericht op ‘de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en het vrije verkeer van die gegeven’. Voor de voorliggende nota betekent dit dat (in beginsel) alle informatie over en van natuurlijke personen en de informatie waaruit een natuurlijk persoon is af te leiden “zwart” gemaakt is: de nota is in die zin anoniem. Dit is alleen anders als voor een voldoende beoordeling van de ontvangen zienswijzen en dergelijke de informatie of delen hiervan nodig is.
2.
Zienswijzen
2.1 Zienswijze 1 Samengevat begrijpen wij de zienswijze van indiener als dat ‘in de voorgenomen besluitvorming onvoldoende rekening gehouden is met de belangen van hem als direct omwonende’ Daarbij is opgemerkt dat indiener ‘van mening is dat de beoogde ontwikkelingen niet in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening’ omdat deze ‘ten koste gaat van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat’. In de zienswijze vraagt indiener om: 1. het besluit over de coördinatie en het ter inzage leggen van het ontwerp-bestemmingsplan en ontwerp-omgevingsvergunning “te herstellen en opnieuw bekend te maken”. In de bekendmaking van 16 maart 2023 is namelijk per vergissing omschreven dat zienswijzen op de ontwerp-omgevingsvergunning bij onze raad ingediend kunnen worden; 2. een periode van ten minste twee weken om zijn zienswijze aan te vullen ‘nadat hem bekend is gemaakt op welke wijze een zienswijze kan worden ingediend en nadat alle stukken die ten grondslag liggen aan het ontwerpbesluit aan hem bekend zijn gemaakt’. Reactie
In een brief van 1 mei 2023 van ons college van burgemeester en wethouders hebben wij indiener hierop antwoord gegeven. De brief is in bijlage 3 bij deze nota opgenomen. Samengevat zijn wij van oordeel dat het herstellen en opnieuw bekend maken van het besluit niet nodig is. Daarbij boden wij indiener een periode van twee weken om de zienswijze aan te vullen. Onze overwegingen hierover zijn in de brief opgenomen.
2
Op 16 mei 2023 hebben wij een aanvulling op de zienswijze ontvangen (en op 15 mei 2023 bij een e-mail). De aanvulling op de zienswijze is in bijlage 4 bij deze nota opgenomen. Op de aanvulling staat de datum van 15 mei 2023. Op basis hiervan gaan wij ervan uit dat de aanvulling op zijn laatst op 15 mei 2023 ter post is bezorgd. Op basis van onze overweging hiervoor onder 1.3 is de aanvulling hiermee op tijd ingediend. Los van ons oordeel dat de aanvulling op tijd is ingediend overwegen wij ook dat de aanvulling een aanvullende onderbouwing van de zienswijze is. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: AbRvS) blijkt dat ‘er geen rechtsregel is die zich er tegen verzet dat een zienswijze na afloop van de termijn nader wordt gemotiveerd’1. 2.1.1 Opmerking 1 – “inleidende opmerkingen”
“Het woonperceel van mevrouw Riedstra, gelegen aan Hanenburg 5, grenst aan de projectlocatie. Het voorgenomen gebruik van de projectlocatie ziet op intensivering van de gronden. Mevrouw Riedstra zal gevolgen ondervinden van verwezenlijking van het beoogde gebruik en meent daarom belang te hebben bij het indienen van deze zienswijze. Mevrouw Riedstra brengt de volgende zienswijzen tegen de ontwerpbesluiten naar voren.” Reactie
Deze opmerking nemen wij voor kennisgeving aan. 2.1.2 Opmerking 2 – “strijd met een goede ruimtelijke ordening”
“Mevrouw Riedstra is van mening dat u er tot nu toe niet in bent geslaagd aan te tonen en te onderbouwen dat het project niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Alleen als het project niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening kan het bestemmingsplan worden vastgesteld en de omgevingsvergunning worden verleend. Mevrouw Riedstra licht aan de hand van onderstaande argumenten toe (genummerd van 1 t/m 3) waarom [hij] van mening is dat het project in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.” Reactie
Met indiener zijn wij van oordeel dat het vaststellen van het bestemmingsplan alleen mogelijk is als het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Op grond van artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening wordt namelijk ‘bij een bestemmingsplan ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemming van de in het plan begrepen gronden aangewezen’. Hierbij merken wij op dat de hier voorliggende omgevingsvergunning wordt verleend op grond van artikel 2.1, lid 1, onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Dit is een vergunning voor het bouwen van een bouwwerk. Voor het verlenen van een dergelijke omgevingsvergunning beoordeeld ons college altijd of deze niet in strijd is met het geldende bestemmingsplan. Wanneer een dergelijke vergunning niet in strijd is met het geldende bestemmingsplan is er ook geen sprake van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Dit is namelijk al door ons beoordeeld bij het vaststellen van het betreffende bestemmingsplan.
Zie onder andere rechtsoverweging 4.2 van de uitspraak van 20 januari 2016, 201503125-1-r3. 1
3
Zoals opgemerkt in de bekendmaking van het ontwerp-bestemmingsplan en -omgevingsvergunning van 16 maart 2023 heeft ons college van burgemeester en wethouders op 15 januari 2023 besloten om de voorbereiding van het plan en de vergunning te coördineren. Dit betekent samengevat dat ons college beoordeeld of de voorliggende vergunning niet in strijd is met het voorliggende bestemmingsplan. Uit de ontwerp-omgevingsvergunning blijkt dat ons college van oordeel is dat deze niet in strijd is met het bestemmingsplan. Dit is ook logisch omdat de vergunning en het plan zijn opgesteld om het gebruik voor een MFC en de (ver)bouw van een gebouw hiervoor mogelijk te maken. Op basis hiervan beoordelen wij dat de zienswijze als alleen gericht is op het bestemmingsplan. De zienswijze richt zich namelijk alleen op de onderbouwing dat het plan ‘ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening’ is. Voor het andere nemen wij deze opmerking voor kennisgeving aan. 2.1.3 Opmerking 3 – “afstand tot woonbestemming; overlast van beoogd gebruik” Opmerking 3.1
De wijziging van de gronden, grenzend aan het perceel van mevrouw Riedstra van 'Groen - Groenvoorzieningen' naar 'Maatschappelijk - Sociaal Cultureel, Religie en Onderwijs' betekent een forse intensivering van het gebruik, hetgeen onevenredige gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat van mevrouw Riedstra. Deze nieuwe planologische ontwikkeling vindt ook plaats op een afstand van minder dan de voorgeschreven richtafstand van 30 meter. Mevrouw Riedstra heeft destijds juist bewust gekozen om te wonen op de huidige locatie vanwege de vele ruimte en de relatieve rust in de directe omgeving. Met de wijziging van de bestemming met daarbij een significante toename van het gebruik, wordt daar fors inbreuk op gemaakt. Met name de toename van het geluid afkomstig van het te realiseren speelplein en afkomstig van het te realiseren parkeerterrein baart mevrouw Riedstra zorgen. Mevrouw Riedstra is het niet eens met het voorlopige standpunt dat met de huidige plannen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De impact van de intensivering van het gebruik van het nu aanwezige groen achter de woning van mevrouw Riedstra is in het geheel niet onderzocht, reden waarom niet gesteld kan worden dat de ontwikkeling in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Hoewel parkeren op de gronden 'Groen - Groenvoorziening' nu ook al is toegestaan, is die mogelijkheid er uitsluitend als dat gebruik ten dienste staat van die bestemming. In de praktijk is daar natuurlijk nauwelijks tot niet sprake van, reden waarom mevrouw Riedstra nauwelijks tot geen parkeerhinder heeft ondervonden. Maar, met wijziging van de bestemming en met het daadwerkelijk realiseren van parkeervoorzieningen voor maatschappelijke doeleinden wordt structureel geparkeerd. Die gevolgen zijn niet, althans niet voldoende tegen het licht gehouden. Althans, de gevolgen voor mevrouw Riedstra zijn niet zichtbaar gemaakt en dus ook niet meegewogen.
4
Reactie 3.1
Wij begrijpen de zorgen die worden geuit en het aangehaalde verschil tussen de werkelijk bestaande situatie en de nieuwe situatie. Echter, achten wij de opmerking van indiener dat ‘de impact van de intensivering van het gebruik van het nu aanwezige groen achter de woning van indiener in het geheel niet is onderzocht’ en dat dit ‘reden is waarom niet gesteld kan worden dat de ontwikkeling in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening’ niet juist. Daarvoor overwegen wij het volgende. Het oordeel of er met het vaststellen van een bestemmingsplan sprake is van “een aanvaardbaar woon- en leefklimaat” als onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is een absoluut oordeel. Van een relatief oordeel waarbij de nieuwe situatie wordt vergeleken met de bestaande situatie is dan ook geen sprake. Daarbij merken wij op dat uit uitspraken van de AbRvS blijkt dat de “representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden” het uitgangspunt moet zijn bij het beoordelen of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.2 Dit betekent ook dat bij het beoordelen van de effecten van het geldende bestemmingsplan deze “invulling” het uitgangspunt was en is. Op grond van de bestemming “Groen – Groenvoorzieningen” van het geldende bestemmingsplan zijn de gronden ook bestemd voor speelvoorzieningen.
Het gebruiken van de gronden voor speelvoorzieningen kan dan ook een “representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden” van het geldende bestemmingsplan zijn. In de regels van het geldende plan is niet een omschrijving van het begrip speelvoorzieningen opgenomen. Uit uitspraken van de AbRvS blijkt dat in deze situatie – in aansluiting op het normale spraakgebruik – een speelvoorziening “een in de openbare ruimte buitengelegen gelegenheid om te kunnen spelen” wordt begrepen. Uit de uitspraken blijkt ook dat onder andere een voetbalkooi en een kunstgrasvoetbalveld als speelvoorzieningen worden beoordeeld.3 Naar ons oordeel zijn dergelijke speelvoorzieningen voor wat betreft de aard en het effect op de omgeving te vergelijken met het door indiener bedoelde speelplein. Dat er in de werkelijk bestaande situatie geen sprake is van dergelijke speelvoorzieningen maakt dit op basis van wat wij hiervoor hebben overwogen over de “representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden” niet anders. Voor wat betreft de door indiener bedoelde parkeervoorzieningen maken wij een overeenkomstige overweging. Hierbij merken wij dat op grond van het geldende alsook het voorliggende bestemmingsplan het parkeren als ondergeschikte activiteit mogelijk is/wordt gemaakt, waarbij sprake is en blijft van parkeren in de openbare ruimte.
In aanvulling hierop verwijzen wij ook nog naar onze reactie op opmerking 4 hierna.
Zie onder andere rechtsoverweging 4.2 van de uitspraak van 26 september 2012, 201206937/1/R1 3 Zie onder andere rechtsoverweging 3 en verder van de uitspraak van 30 mei 2018, 201704917/1/A1. 2
5
Opmerking 3.2
Omdat het voorgenomen gebruik van parkeren met maatschappelijke doeleinden en het gebruik van het speelplein, eveneens voor maatschappelijke doeleinden op minder dan 30 meter van het perceel van mevrouw Riedstra is gesitueerd, zal onderzocht moeten worden of de ontwikkeling aanvaardbaar is. Volgens mevrouw Riedstra is daar geen sprake van. Uit het akoestisch onderzoek is gebleken dat de toegestane geluidsbelasting op de gevel van mevrouw Riedstra in de dag periode wordt overschreden. Maar, dat is volgens de Raad toch aanvaardbaar omdat de etmaalwaarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 50db(A) niet wordt overschreden. De Raad dient echter te motiveren waarom de geluidsbelasting in deze situatie acceptabel is. Deze motivering ontbreekt, althans is onvolledig en niet toereikend. In de toelichting bij het bestemmingsplan wordt voor de onderbouwing verwezen naar hoofdstuk 5.5. van het akoestisch onderzoek, behorend bij het bestemmingsplan. Maar, in dat akoestisch onderzoek is uitsluitend getoetst of de geluidsbelasting op de gevel van het geluidsgevoelige gebouw (lees: de woning) aanvaardbaar is. Daarbij wordt een waarde van 20db(A) aftrek genomen vanwege geluidsabsorptie door de gevel zelf. Maar, het gaat hier om een klinische berekening, zonder dat hierbij een belangenafweging heeft plaatsgevonden.
Daar komt bij dat onvoldoende rekening is gehouden met de mogelijkheid van (vergunningsvrije) (bouw)activiteiten op het perceel van mevrouw Riedstra, zoals de eventuele aanwezigheid van een mantelzorgwoning of andere geluidsgevoelige objecten. Door de vrijheid in de plaatsing op het perceel is de richtafstand tot gevoelige objecten nog kleiner, waardoor niet gesteld kan worden dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau niet wordt overschreden. Daarnaast zegt uitsluitend een klinische berekening niets over het feitelijke woon- en leefklimaat zelf. En, ook is onvoldoende duidelijk of de in het akoestisch advies voorgenomen maatregelen, waaronder het te plaatsen geluidsscherm van 2,25 meter hoog, voldoende is om geluidsoverlast en overschrijding van de geluidsnormen tegen te gaan. De Raad kiest er kennelijk bewust voor geluidsoverlast aanvaardbaar te achten. Want, gesteld wordt dat maatregelen aan de bron (stemgeluid van kinderen op het plein) niet genomen kunnen worden. Dat is niet helemaal juist, in die zin dat wijzigingen aangebracht kunnen worden aan de locatie van het plein. Het plein kan ook elders gesitueerd worden. Dat zou de meest logische maatregel zijn om overlast te voorkomen en het plan in te passen in de bestaande omgeving. Als dat niet lukt, dan is realisatie van het gewenste niet mogelijk en dient een andere oplossing te worden gezocht.
De Raad loopt dan tegen de grenzen aan van wat inpasbaar is in dit gebied. In feite komt het er op neer dat de wens van de Raad te grootschalig is voor de beoogde locatie en dat de plannen niet gerealiseerd kunnen worden, zonder ernstige inbreuk te maken op de belangen van omwonenden. Het had in elk geval op de weg van de Raad gelegen om alternatieve mogelijkheden te onderzoeken. De motivering waarom wél aan stap 3 VNG kan worden voldaan is daarom te summier en niet voldoende.
6
Reactie 3.2
Zoals ook in hoofdstuk 4.3 van de toelichting bij het voorliggende bestemmingsplan samengevat is opgemerkt is: − de afstand tussen de gronden binnen het perceel aan de Hanenburg 5 en het bestemmingsplangebied minder dan 30 meter; − het waarborgen van deze afstand in de voorliggende situatie niet mogelijk; − om inzicht te krijgen in het geluid vanwege de activiteiten die op grond van het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt bij de woningen in de directe omgeving van het bestemmingsplangebied in maart 2022-januari 2023 door DGMR een geluidsonderzoek uitgevoerd. Om te beoordelen of er sprake is van “een aanvaardbaar woon- en leefklimaat” is in het geluidsonderzoek gebruik gemaakt van het in bijlage 5.3 bij de uitgave Bedrijven en milieuzonering, versie 2009, van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten opgenomen stappenplan. In hoofdstuk 5 van het rapport van het uitgevoerde geluidsonderzoek is dit stappenplan voor de voorliggende situatie uitgewerkt.
Uit de resultaten van het uitgevoerde geluidsonderzoek blijkt dat wanneer de in het onderzoek opgenomen maatregelen worden uitgevoerd er vanwege de activiteiten van het MFC op het beoordelingspunt op de gronden binnen het perceel aan de Hanenburg 5: − een overschrijding van 3 dB(A) wordt verwacht van de in stap 2 opgenomen geluidgrenswaarde van 45 dB(A) voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr;LT) voor de dagperiode; − een overschrijding van 2 dB(A) wordt verwacht van de in stap 2 opgenomen geluidgrenswaarde van 60 dB(A) voor het maximale geluidsniveau (LAmax) voor de avondperiode. Andere overschrijdingen van de in stap 2 opgenomen geluidgrenswaarden worden niet verwacht. Ook blijkt dat overschrijdingen van de in stap 3 opgenomen geluidgrenswaarden niet worden verwacht. Zoals indiener juist opmerkt vraagt ‘een ruimtelijke inpassing van een geluidbelasting hoger dan de in stap 2 opgenomen geluidgrenswaarden en lager dan de in stap 3 opgenomen waarden van ons te motiveren waarom wij deze geluidbelasting in de concrete situatie acceptabel achten’. De stelling van indiener dat ‘deze motivering ontbreekt’ is niet juist. Zoals indiener juist opmerkt wordt voor deze onderbouwing in hoofdstuk 4.3 van de toelichting bij het voorliggende bestemmingsplan verwezen naar hoofdstuk 5.5 van het rapport van het uitgevoerde geluidonderzoek.
Wij gaan er dan ook vanuit dat indiener alleen van oordeel is dat de gegeven onderbouwing “onvolledig en niet toereikend” is. Wij begrijpen de opmerking van indiener samengevat zo dat hij van oordeel is dat de in hoofdstuk 5.5 van het rapport van het uitgevoerde geluidonderzoek opgenomen onderbouwing “onvolledig en niet toereikend” is omdat: 1. ‘uitsluitend is getoetst of de geluidsbelasting op de gevel van de bestaande woning aanvaardbaar is’; 2. alleen ‘een klinische berekening’ is uitgevoerd ‘zonder dat hierbij een belangenafweging heeft plaatsgevonden’; 3. ‘wijziging van de locatie van het plan als maatregel aan de bron’ niet in het onderzoek zijn opgenomen’.
7
Ad 1. Voor wat betreft de onder 1. opgenomen opmerking merken wij op dat de opmerking in die zin juist is dat in het uitgevoerde geluidsonderzoek de keuze is gemaakt om de beoordelingspunten op de naar het bestemmingsplangebied gekeerde gevels van de geluidsgevoelige gebouwen in de omgeving van het plangebied te leggen. Dit betekent alleen niet dat in het geluidonderzoek de geluidsbelasting ter plaatse van de gronden tussen de woning op de gronden binnen het perceel aan de Hanenkamp 5 en het bestemmingsplangebied niet is overwogen. In de voorbereiding op het geluidsonderzoek hebben wij namelijk een advies van onze geluidsadviseur ontvangen. Hierin merkt onze adviseur op dat ‘het kiezen van beoordelingspunten op erfgrenzen componenten van schijnnauwkeurigheid creëert’ omdat ‘het positioneren van een beoordelingspunt achter een nader te bepalen geluidscherm er namelijk voor kan zorgen dat tussen het beoordelingspunt en de gevel van de woning een hogere geluidbelasting optreedt’. Op basis hiervan is de keuze gemaakt om de beoordelingspunten op de gevels te leggen. Aangegeven wordt dat in het akoestisch onderzoek uitsluitend is getoetst of de geluidsbelasting op de gevel van het geluidsgevoelige gebouw (lees: de woning) aanvaardbaar is. [. .
.] Daar komt bij dat onvoldoende rekening is gehouden met de mogelijkheid van (vergunningsvrije) (bouw)activiteiten op het perceel van mevrouw Riedstra, zoals de eventuele aanwezigheid van een mantelzorgwoning of andere geluidsgevoelige objecten. Door de vrijheid in de plaatsing op het perceel is de richtafstand tot gevoelige objecten nog kleiner, waardoor niet gesteld kan worden dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau niet wordt overschreden. Deze reactie heeft aanleiding gegeven om het akoestisch onderzoek op dit punt aan te passen. Dit betekent dat het huidig in het bestemmingsplan opgenomen akoestisch onderzoek van 12 januari 2023, wordt vervangen door het akoestisch onderzoek van 14 juni 2023. Immers, wordt niet ontkent dat het geldende bestemmingsplan ruimte biedt aan vergunningsvrij bouwen op achtererven van omliggende woonpercelen. Derhalve is in het nieuwe akoestisch onderzoek wel uitgegaan van beoordelingspunten op de (achter) perceelgrenzen / bestemmingsgrens. Uit het onderzoek blijkt dat de maximale geluidniveaus op de perceelgrenzen van de ten zuiden gelegen woningen niet voldoen aan de toetswaarden uit stap 3 van de VNG-publicatie. De maatgevende bron betreft het sluiten van portieren.
Naar aanleiding van de overschrijding van de toetswaarden op de perceelgrens is een aanvullende maatregel (absorberend scherm 30 x 2 m) voorzien op de zuidzijde van het parkeerterrein. Zie verder reactie 3.4. Hierbij merken wij ook op dat in artikel 3.3, onder E. van de regels van het voorliggende bestemmingsplan samengevat is bepaald dat de geluidsbelasting op de in dit artikel opgenomen beoordelingspunten niet hoger mag zijn dan de bij die punten opgenomen geluidgrenswaarden.
8
Ad 2. Voor wat betreft de onder 2. opgenomen opmerking is ons niet helemaal duidelijk wat indiener hiermee bedoeld. Het is juist dat er een geluidsonderzoek is uitgevoerd op basis van een geluidmodel. Dat indiener een dergelijk onderzoek als “klinisch” ervaart kunnen wij ons op zichzelf wel voorstellen maar bij stap 2 van het stappenplan in bijlage 5.3 bij de uitgave Bedrijven en milieuzonering, versie 2009, van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten is opgemerkt dat ‘vanaf deze stap een geluidonderzoek noodzakelijk is’. Ten aanzien van de aangehaald 20db(A) aftrek wordt opgemerkt dat het hier gaat om een geaccepteerde te gebruiken waarde waarbij de staat en leeftijd van de woningen een rol speelt. Ad 3. De Raad kiest er kennelijk bewust voor geluidsoverlast aanvaardbaar te achten. Want, gesteld wordt dat maatregelen aan de bron (stemgeluid van kinderen op het plein) niet genomen kunnen worden. Dat is niet helemaal juist, in die zin dat wijzigingen aangebracht kunnen worden aan de locatie van het plein. Het plein kan ook elders gesitueerd worden. Dat zou de meest logische maatregel zijn om overlast te voorkomen en het plan in te passen in de bestaande omgeving. Als dat niet lukt, dan is realisatie van het gewenste niet mogelijk en dient een andere oplossing te worden gezocht. De Raad loopt dan tegen de grenzen aan van wat inpasbaar is in dit gebied.
In feite komt het er op neer dat de wens van de Raad te grootschalig is voor de beoogde locatie en dat de plannen niet gerealiseerd kunnen worden, zonder ernstige inbreuk te maken op de belangen van omwonenden. Het had in elk geval op de weg van de Raad gelegen om alternatieve mogelijkheden te onderzoeken. De motivering waarom wél aan stap 3 VNG kan worden voldaan is daarom te summier en niet voldoende. De locatiekeuze van het schoolplein en het parkeerterrein is op zorgvuldige wijze tot stand gekomen. In eerste instantie is gekeken waar het schoolplein vanuit ruimtelijk oogpunt, het beoogde gebruik en akoestiek het beste zou kunnen worden gesitueerd. Vervolgens is doorgerekend of deze inrichting ten aanzien van geluid aanvaardbaar is. Uiteindelijk heeft dit geleid tot een aanpassing waarbij het schoolplein is verplaatst naar het noorden en het parkeerterrein is verplaatst naar het zuiden. Ook deze situatie is doorgerekend en als geschikt bevonden. Wel is ervoor gekozen om extra geluidswerende maatregelen te treffen door het plaatsen van absorberende geluidsschermpen. Deze maatregel is expliciet als uitvoeringsverplichting in de regels opgenomen. Opmerking 3.3
En, in het aannemelijke geval dat de grenswaarden worden overschreden, is dat dan vervolgens niet te handhaven. Want, zoals de Raad stelt kunnen geen maatregelen aan de bron genomen worden. Het is aan kinderen niet uit te leggen dat zij bij het buiten spelen niet te luidruchtig mogen zijn, of zelfs dat zij, omwille van voorkoming van geluidsoverlast, niet buiten mogen spelen. Hieruit volgt dat overtredingen van de geluidsnormen niet te handhaven zijn. Dan is dus maar de vraag of inpassing in de bestaande omgeving wel zo wenselijk en mogelijk is. Naar de mening van mevrouw Riedstra helaas niet.
9
Reactie 3.3
In het bestemmingsplan zijn extra regels opgenomen en een voorwaardelijke verplichting om handhavend te kunnen optreden. Daarnaast blijkt uit het akoestisch onderzoek niet dat er niet aan de geluidseisen voldaan kan worden. Immers, leidt de conclusie tot een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Opmerking 3.4
Het is vervolgens ook onbegrijpelijk dat de door het akoestisch adviesbureau geadviseerde en voorgestelde maatregel van het plaatsen van geluidsschermen niet als voorwaardelijke verplichting is opgenomen in het bestemmingsplan. De geluidsdeskundige is met het onderzoek uitgegaan van het gegeven van plaatsing van geluidschermen. In het licht van dit gegeven is de overweging gegeven dat de situatie aanvaardbaar is. Het is in het geheel niet duidelijk of de deskundige de situatie ook aanvaardbaar zou achten indien geen geluidsschermen worden geplaatst. In elk geval volgt uit de onderbouwing van de geluidsdeskundige dat het plaatsen van de geluidsschermen noodzakelijk is. Omdat zoals wordt gesteld geen maatregelen aan de bron getroffen kunnen worden, dan wel dat er niet gehandhaafd kan worden, biedt een geluidsscherm de enige waarborg tot reductie van geluid en daarmee het verminderen van geluidsoverlast. Daarom ligt het ook op de weg van de Raad, als men de situatie al aanvaardbaar vindt, als voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan op te nemen dat een geluidsscherm wordt geplaatst. Dat staat los van de inhoud van de huidige vergunningsaanvraag. Ook al zou een geluidsscherm nu worden aangevraagd, een verplichting volgens het bestemmingsplan is dat niet. Dat betekent dus ook dat het geluidsscherm, zonder gevolgen weer verwijderd kan worden.
Dat kan en mag niet de bedoeling zijn en dat gaat bovendien ten koste van de rechtszekerheid. Derhalve dient het plaatsen van geluidsschermen te worden aangewezen in het bestemmingsplan en de daarbij behorende plankaart. Hoewel de Raad blijkens de toelichting bij het bestemmingsplan de geluidsbelasting acceptabel (stap 3) acht door te verwijzen naar de aanbevelingen van de geluidsdeskundige, neemt zij die aanbeveling niet volledig over door geen geluidsschermen te verplichten. Daarmee houdt én die motivering geen stand én is niet aantoonbaar sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het ontwerp is daarom ook in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Reactie 3.4
Zoals in hoofdstuk 4.3 van de toelichting bij het (ontwerp)bestemmingsplan is in de regels van het plan bepaald dat het gebruik waarbij sprake is van een overschrijding van de geluid(grens)waarden in strijd met de bestemming is. De betreffende regel is opgenomen in artikel 3, lid 3.3, onder E. In de voorbereiding van het (ontwerp)bestemmingsplan is namelijk de keuze gemaakt om waar mogelijk zogenoemde doelregels in het plan op te nemen. De in artikel 3, lid 3.3, onder E opgenomen regel is een voorbeeld van een dergelijke doelregel. Met de in deze regel opgenomen geluidgrenswaarde is deze regel namelijk de eerste afgeleide regel met een eenheid van het doel om een “aanvaardbaar woon- en leefklimaat” te waarborgen. Een doel dat weer een afgeleide is van het waarborgen van een goede ruimtelijke ordening.
10
In hoofdstuk 4.3 van de toelichting is ook opgemerkt dat in de regels niet is bepaald dat het bouwen van de geluidschermen nodig is omdat de schermen één van de maatregelen is die mogelijk zijn om overschrijdingen van de geluidgrenswaarden te voorkomen. Het bouwen van de geluidschermen is dan ook een middel om het doel van het voorkomen van overschrijdingen te bereiken. Gelet op het akoestisch onderzoek van 14 juni 2023 komen wij tegemoet aan de zienswijze door een voorwaardelijke verplichting op te nemen aan het bouwen en in stand houden van het geluidscherm / de geluidschermen. Om dit te waarborgen wijzigen wij de regels van het ontwerp van het plan en vullen artikel 3, lid 3.3 aan met het volgende onderdeel F.: “het gebruik van gronden en bouwwerken voor sport- en spel en parkeren ten behoeve van de in lid 3.1, onder A. bedoelde voorzieningen zonder dat het geluidscherm / de geluidschermen als bedoeld in bijlage 1 is / zijn gebouwd en in stand wordt / worden gehouden”. Daarbij wijzigen wij artikel 8 in die zin dat de verwijzing naar bijlage 1 bij de regels van het ontwerp van het plan wordt aangepast in een verwijzing naar bijlage 2 en bijlage 1 bij het ontwerp wordt aangepast naar bijlage 2.
Om ook het bouwen van andere geluidbeperkende maatregelen dan het geluidscherm / de geluidschermen mogelijk te maken vullen wij artikel 3 aan met het volgende lid 3.4: “burgemeester en wethouders kunnen, indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan: A. het straat- en bebouwingsbeeld; B. de milieusituatie; C. de woonsituatie; D. de cultuurhistorische waarden; E. de natuurwaarden; F. de verkeersveiligheid; G. de ontsluitingssituatie; H. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.3, onder F. in die zin dat een andere geluidbeperkende maatregel wordt aangelegd of gebouwd en in stand wordt gehouden, mits hiermee sprake is van ten minste een gelijk beschermingsniveau. De toelichting passen wij aan door in hoofdstuk 4.3 de tekst “Uit het geluidonderzoek [. . .] regels mogelijk gemaakt” te schrappen. Ook wordt bijlage 3 Akoestisch onderzoek van 12 januari 2023 vervangen door het nieuwe akoestisch onderzoek van 14 juni 2023. 2.1.4 Opmerking 4 – “toename van verkeers- en parkeerbewegingen”
Met de intensivering van het gebruik nemen de verkeers- en parkeerbewegingen significant toe, hetgeen ook inbreuk maakt op de woonsituatie van mevrouw Riedstra. Meer verkeersbewegingen leveren meer overlast op. Het college stelt dat in ruime mate wordt voorzien in de parkeerbehoefte. Kanttekening daarbij is wel dat mevrouw Riedstra de nadelige gevolgen van het parkeren op het beoogde parkeerterrein ondervindt. Het parkeerterrein wordt gesitueerd tegen de achtertuin van mevrouw Riedstra.
11
Daar komt bij dat nu bestaande extra parkeergelegenheid ten behoeve van het dorpshuis en het park Vijversburg worden opgeheven. Bij drukte leidt dit tot een toename van verkeers- en parkeerbewegingen in de straat van mevrouw Riedstra. Mevrouw Riedstra vreest daarmee voor onevenredige overlast. En, op grond van de huidige plannen is ook niet te voorkomen dat er ook door derden, bijvoorbeeld door bezoekers van park Vijversburg geparkeerd kan worden. Hoewel het toekomstige parkeerterrein de bestemming 'Maatschappelijk - Sociaal Cultureel, Religie en Onderwijs' heeft en er dus uitsluitend geparkeerd mag worden voor die doeleinden, lijkt het parkeerterrein voor een ieder vrij toegankelijk te zijn. Er is geen inzicht gegeven over de handhaafbaarheid voor het met het bestemmingsplan strijdige parkeren en hoe dat met de bestemming strijdige gebruik kan worden voorkomen. Volgens mevrouw Riedstra wordt niet voldaan aan de parkeerbehoefte. Want, met het verdwijnen van de extra parkeervoorzieningen voor bezoekers van bijvoorbeeld het Vijverburgspark is geen rekening gehouden. Die parkeerbehoefte verdwijnt niet, waardoor elders in de wijk geparkeerd wordt. Dientengevolge zal in meer parkeervoorzieningen moeten worden voorzien, in de nabijheid van het park, zodat geen sprake is van parkeeroverlast nabij het perceel van mevrouw Riedstra.
Mevrouw Riedstra is daarom van mening dat het terrein anders ingericht moet worden of dat er andere maatregelen genomen moeten worden die de overlast van onder andere niet-bestemmingsverkeer voor de maatschappelijke doeleinden voor mevrouw Riedstra fors beperkt. Reactie
Voor wat betreft de opmerking dat ‘met de intensivering van het gebruik de verkeers- en parkeerbewegingen significant toenemen, hetgeen inbreuk maakt op de woonsituatie van indiener’ en dat ‘meer verkeersbewegingen meer overlast opleveren’ verwijzen naar reactie op opmerking 3. Hierbij merken wij op dat uit de voor het voorliggende bestemmingsplan uitgevoerde onderzoeken alleen hinder van het geluid vanwege het verkeer en parkeren verwacht mag worden. Het betreffende geluid is opgenomen in het uitgevoerde en het in onze reactie op opmerking 3 bedoelde aanvullende geluidonderzoek. De opmerking van indiener dat “nu bestaande extra parkeergelegenheid ten behoeve van het dorpshuis en het park Vijversburg worden opgeheven is niet juist. De gronden ter plaatse van het hier betreffende parkeerterrein zijn op grond van het geldende bestemmingsplan bestemd als “Groen - Groenvoorziening”. Hiermee zijn de gronden bestemd voor onder andere “groenvoorzieningen en speelvoorzieningen” met daaraan ondergeschikt “parkeervoorzieningen”. Hiermee zijn de gronden uitdrukkelijk ook bestemd voor ‘het parkeren’ als een activiteit op zichzelf. De enige voorwaarde – op grond van artikel 3.1, lid 1 van de regels van het voorliggende bestemmingsplan – is, is dat dit ondergeschikt moet zijn.
Op grond van het voorliggende bestemmingsplan worden de betreffende gronden bestemd als “Maatschappelijk - Sociaal Cultureel, Religie en Onderwijs”. Deze gronden zijn bestemd voor onder andere “sociaal-culturele voorzieningen” met daaraan ondergeschikt “parkeervoorzieningen”. Voor wat betreft ‘het parkeren’ is hiermee in het voorliggende plan dan ook een overeenkomstige bestemming opgenomen als in het geldende plan.
12
De opmerking van indiener dat “het toekomstige parkeerterrein de bestemming ‘Maatschappelijk – Sociaal Cultureel, Religie en Onderwijs’ heeft en er dus uitsluitend geparkeerd mag worden voor die doeleinden’ is dan ook niet juist. Van ‘met het bestemmingsplan strijdige parkeren’ zoals indiener in zijn zienswijze bedoeld is dan ook geen sprake. Op basis hiervan is er dan ook geen sprake van het “opheffen van extra parkeergelegenheid ten behoeve van het dorpshuis en het park Vijversburg”. Hierbij merken wij voor wat betreft het parkeren vanwege dorpshuis nog op dat deze activiteit ook volledig in het uitgevoerde parkeeronderzoek is opgenomen. Uit de zienswijze blijkt ons niet waarom dit niet voldoende is. Voor wat betreft het parkeren vanwege het Park Vijversburg merken wij het volgende op. Ons college van burgemeester en wethouders heeft op 4 juli 2013 een omgevingsvergunning verleend voor een uitbreiding van Park Vijversburg4. Hiervoor is ook een parkeeronderzoek uitgevoerd. In de ruimtelijke onderbouwing voor deze vergunning is hierover samengevat het volgende opgemerkt. ‘Met het oog op de uitbreidingen van het park is een parkeerterrein aangelegd met 152 parkeerplaatsen. Op basis van de parkeernormen van het CROW moeten in de nieuwe situatie minimaal 120 parkeerplaatsen aanwezig zijn. Met de aanwezige parkeerplaatsen wordt dus voldaan aan de norm.
In de huidige normale situatie zijn op vrijdag, zaterdag en zondag (in het Hemelvaartweekeinde) op verschillende tijdstippen tellingen verricht. Gebleken is dat op het drukste moment 40 parkeerplaatsen bezet waren. Het kan op andere dagen in het jaar drukker zijn. Gezien de huidige overcapaciteit is een tekort aan parkeerplaatsen echter niet te verwachten. Door het jaar heen zullen enkele evenementen worden georganiseerd. De toestroom is dan incidenteel groter en om parkeeroverlast in Tytsjerk te voorkomen worden dan andere parkeerterreinen gebruikt en voor de regeling ervan, stewards ingezet. Bij exceptionele drukte kan gebruik worden gemaakt van de volgende parkeerterreinen: − dorpshuis (24 parkeerplaatsen); − sportvelden (74 parkeerplaatsen); − restaurant E10 (116 parkeerplaatsen); − parallelweg N355. Bij de uitbreiding richting Leeuwarden wordt een ingang aan die zijde gemaakt. In geval van grote evenementen biedt het een mogelijkheid om gebruik te kunnen maken van parkeervoorzieningen bij de Groene Ster.’ Naar ons oordeel is de situatie van het parkeren vanwege Park Vijversburg zoals omschreven in deze omgevingsvergunning niet echt anders dan de situatie omschreven in het voorliggende bestemmingsplan. Wij zijn dan ook van oordeel dat de in de vergunning opgenomen overwegingen ook van toepassing zijn op het voorliggende plan.
Besluitnummer: Z-HZ_WABO-2012-1466 OLO:441069, IDN: NL.IMRO.0737.06BP06OV01-vg01. 4
13
Hierbij merken wij op dat op grond van artikel 2:25, lid 1 in samenhang met artikel 2:25a, lid 2, onder b. van de geldende Algemene plaatselijke verordening Tytsjerksteradiel 2021 voor het organiseren van een evenement met meer dan 150 bezoekers of deelnemers een vergunning nodig is. Op grond van artikel 1:8 kan het verlenen van een vergunning worden geweigerd ‘in het belang van het voorkomen of beperken van overlast, de openbare orde, de bescherming van het woon- en leefmilieu en de verkeersveiligheid’. Op grond hiervan is het mogelijk om bij een vergunning voor een evenement regels te stellen over het parkeren om onaanvaardbare hinder vanwege het parkeren te voorkomen. Alles in overweging nemende is de opmerking van indiener dat ‘het voorliggende bestemmingsplan leidt tot een toename van de verkeers- en parkeerbewegingen in de straat van indiener en daarmee onevenredige overlast’ naar ons oordeel dan ook niet juist. Of anders: uit de zienswijze blijkt ons niet waarom dit verwacht mag worden op basis van wat wij hiervoor hebben overwogen. Ook blijkt ons op basis hiervan uit de zienswijze niet waarom ‘niet wordt voldaan aan de parkeerbehoefte’. 2.1.5 Opmerking 5 – “onvoldoende afweging van belangen van indiener”
Mevrouw Riedstra is van mening dat het college de aanwezige belangen onvoldoende heeft betrokken in de besluitvorming. Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat slechts is onderzocht of de plannen uitvoerbaar zijn. Daarbij zijn de belangen van mevrouw Riedstra niet aantoonbaar meegenomen, althans zijn deze onderbelicht gebleven. Mevrouw Riedstra exploiteert op haar perceel een bed & breakfast (Stee van Ypey), waar zij hoofdzakelijk gasten ontvangt die veel waarde hechten aan de rustige omgeving. Dat heeft een aantrekkende werking. Met de voorgenomen plannen wordt ernstige afbreuk gedaan op die rustige omgeving. Mevrouw Riedstra wordt dus niet alleen in haar eigen woon-en leefklimaat aangetast, ook haar bedrijfsbelangen worden aangetast. Hieruit volgt dat het realiseren van een school en een kindcentrum zich niet verdraagt in de buurt en met de aanwezige belangen. Op het college rust ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de plicht om de aanwezige belangen zorgvuldig te onderzoeken en deze vervolgens te betrekken in de besluitvorming. De inbreuk op het woon- en leefklimaat en de bedrijfsbelangen van mevrouw Riedstra dient daar een belangrijk onderdeel van uit te maken. Reactie
De opmerking van indiener dat ‘de belangen van indiener niet aantoonbaar zijn meegenomen’ is naar ons oordeel niet juist. Zoals omschreven in hoofdstuk 4 van de toelichting bij het voorliggende bestemmingsplan zijn voor het plan verschillende onderzoeken uitgevoerd. Deze onderzoeken zijn onder andere uitgevoerd om te kunnen beoordelen of er met het plan sprake is van een goede ruimtelijke ordening en als onderdeel daarvan of er in de omgeving van het bestemmingsplangebied sprake is of kan zijn van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu. De gronden binnen het perceel aan de Hanenburg 5 zijn in deze onderzoeken opgenomen als onderdeel van de omgeving van het plangebied. Geen van deze onderzoeken wijzen uit dat het bestemmingsplan niet door de gemeenteraad kan worden vastgesteld. Als willekeurig voorbeeld verwijzen wij naar het voor het plan uitgevoerde geluidonderzoek. Hierin is een beoordelingspunt op het perceel aan de Hanenburg 5 opgenomen en de conclusie getrokken dat met betrekking tot het aspect geluid sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat het voorgenomen plan inpasbaar is binnen de omgeving.
14
2.1.6 Opmerking 6 – “conclusie”
Gelet op het bovenstaande is mevrouw Riedstra van mening dat sprake is van strijdigheid met een goede ruimtelijke ordening en het huidige ontwerpbestemmingsplan aldus teveel belemmeringen opwerpt om ongewijzigd vastgesteld te worden. Het plan is niet inpasbaar in de bestaande omgeving, nu dat teveel afbreuk afdoet aan de belangen van omwonenden. Het ontwerpbestemmingsplan en de ontwerpvergunning voorziet in teveel wensen die vanwege de beperkte grootte van de locatie niet verwezenlijkt kunnen worden zonder onevenredige gevolgen te veroorzaken. Reactie
Zoals ook in vorenstaande reactie aangehaald, zijn er diverse onderzoeken uitgevoerd om te kunnen beoordelen of er met het plan sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Geen van de onderzoeken wijzen uit dat hiervan geen sprake is. Aan deze onderzoeken hoeven wij niet te twijfelen. 2.1.7 Opmerking 7 – “verzoek”
Gelet op vorenstaande zienswijzen verzoekt mevrouw Riedstra u haar standpunten zorgvuldig en behoorlijk af te wegen en deze mee te nemen in de verdere ontwikkeling van het bestemmingsplan, met dien verstande dat Uw Raad aan de wensen van mevrouw Riedstra tegemoet zal komen. Reactie
In dit kader wordt verwezen naar alle voorgaande gemeentelijke reacties op de punten die zijn aangehaald in de zienswijze.
15
3.
Ambtelijke wijzigingen In november 2021 is een stikstofonderzoek uitgevoerd om inzicht te krijgen in de effecten van (mogelijke) stikstofdepositie op de op grond van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) beschermde natuur vanwege (mogelijke) stikstofemissie van het ontwerp van het voorliggende bestemmingsplan. In hoofdstuk 4.6 van de toelichting bij het ontwerp van het plan is hierover samengevat opgemerkt dat dit onderzoek moet worden aangepast omdat: − de zogenoemde “partiële bouwvrijstelling” op grond van artikel 2.9a van de Wnb “buiten toepassing [moet] worden gelaten”, en − gebruik gemaakt moet worden van de nieuwste versie van AERIUS Calculator. Naar aanleiding hiervan is door Aveco de Bondt in maart-april 2023 een nieuw stikstofonderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn opgenomen in de memo AERIUS-calculatie MFC Tytsjerk van 3 april 2023. De memo is in bijlage 5 bij deze nota opgenomen. Uit de resultaten van het stikstofonderzoek blijkt dat ‘de totale stikstofemissie tijdens de realisatiefase en de gebruiksfase niet leidt tot overschrijding van de toelaatbare stikstofdepositie in omliggende Natura 2000-gebieden (niet hoger dan 0,00 mol/ha/jaar)’.
Om een negatief effect van stikstofdepositie op de beschermde natuur vanwege het voorliggende bestemmingsplan te voorkomen en dit te waarborgen wijzigen wij de regels van het ontwerp van het plan en vullen artikel 3, lid 3.3 aan met het volgende lid G.: “het gebruik van gronden en bouwwerken en het bouwen van bouwwerken indien dit leidt tot een stikstofdepositie op een overbelast stikstofgevoelig Natura 2000-gebied hoger dan 0,00 mol/ha/j”. De toelichting passen wij aan door in hoofdstuk 4.6 de tekst “In november 2021 [. . .] van het bestemmingsplan” te vervangen door de volgende tekst. “In maart-april 2023 is door Aveco de Bondt een stikstofonderzoek uitgevoerd om inzicht te krijgen in de effecten van (mogelijke) stikstofdepositie op de op grond van de Wnb beschermde natuur vanwege (mogelijke) stikstofdepositie van het plan. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in de memo AERIUS-calculatie MFC Tytsjerk van 3 april 2023. De memo is in bijlage 5 bij deze toelichting opgenomen. Samengevat blijkt uit de resultaten dat ‘de totale stikstofemissie tijdens de realisatiefase en de gebruiksfase niet leidt tot overschrijding van de toelaatbare stikstofdepositie in omliggende Natura 2000gebieden (niet hoger dan 0,00 mol/ha/jaar)’”.
Hierbij wordt de in bijlage 5 bij de toelichting van het ontwerp van het bestemmingsplan opgenomen notitie vervangen door de memo AERIUS-calculatie MFC Tytsjerk.
16
Bijlage 1: Bekendmaking ter inzage ligging ontwerpbestemmingsplan
Bijlage 2 Zienswijze
Bijlage 3 Reactie aanvrager op zienswijzen
Bijlage 4 Aanvulling zienswijze 1 Bijlage 5 Memo AERIUS-calculatie MFC Tytsjerk