CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bjilage TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ab Fleringen Eikenhof_vastgesteld_1_Bijlagen toelichting.pdf

Raadscommissie 12 mei 2026, gemeente TubbergenBij agendapunt: 9: TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ab Fleringen Eikenhof19.652 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

1,0 m 0,002 MW 0,5 m

Koude start verkeer X:251417,01 Y:489122,93 0,23 ha

Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer

3 Verkeer | Rijdend verkeer Naam Verkeer Locatie X:251532,09 Y:489063,03 Lengte 249,88 m Wegtype Binnen bebouwde kom (normaal) Rijrichting Beide richtingen Tunnelfactor 1 Type hoogteligging Normaal Weghoogte t.o.v. maaiveld 0 m Verkeer Maximum snelheid

Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer

Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren

NOₓ NH₃

2,1 kg/j 0,3 kg/j

Koude starts

22,0 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal Links Rechts NOₓ Type scherm - - NO₂ Hoogte - - NH₃ Afstand tot de weg - -

Aantal voertuigbewegingen

41,0 /etmaal 0,0 /etmaal 0,1 /etmaal 0,0 /etmaal

0,9 kg/j 0,1 kg/j 44,8 g/j

In file

0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %

Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van AERIUS versie 2025.0.1_20251007_db4f14956b Database versie 2025.0.1_db4f14956b_calculator_nl_stable Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://link.aerius.nl/website

RobXw6XUd7CV (20 oktober 2025)

6/6

Bijlage 4

48

Natuurwaardenonderzoek

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ab Fleringen Eikenhof

Natuurwaardenonderzoek

.2 MEI

OLDENZAALSEWEG 90

FLERINGEN Natuurwaardenonderzoek Omgevingswet

Ontwikkeling:

Datum:

30-09-2025

Sloop / nieuwbouw

Project:

NWO54523

NATUURWAARDENONDERZOEK 54523– OLDENZAALSEWEG 90 FLERINGEN

Colofon Onderzoek

Natuurwaardenonderzoek

Document

NWO54523

Datum

30 september 2025

Locatie

Oldenzaalseweg 90; Fleringen

Opdrachtgever

BJZ.nu B.V.

Opdrachtnemer

Ecofect B.V.

Ecoloog

Dhr. W. Kolk

Collegiale beoordeling

Dhr. P. Smits

Adres

Laan 21, 8071 JG Nunspeet

Telefoon

06-41737676

Email

info@ecofect.nl

Internet

www.ecofect.nl

KvK-nummer

87036487

Btw-identificatienr.

NL864184311B01

Rekeningnummer

NL39 RABO 0198 8908 69

2

NATUURWAARDENONDERZOEK 54523– OLDENZAALSEWEG 90 FLERINGEN

INHOUD Colofon

2

INHOUD

3

Samenvatting en advies

4

1. Inleiding

6

1.1 1.2 1.3

Aanleiding en doelstelling Planlocatie (huidige situatie) Voorgenomen ontwikkelingen

2. Wettelijk kader 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5

Wettelijk kader Gebiedsbescherming Soortbescherming Bescherming houtopstanden Toepasbaarheid

6 6 7

9 9 9 12 15 16

3. Methode

17

4. Gebiedsbescherming

19

4.1. 4.2 4.3 4.4

5.

Natura 2000 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Nationaal landschap Overige beschermde gebieden

19 22 23 24

Houtopstanden

25

6. Soortbescherming

26

6.1 Flora 6.2 Fauna 6.2.1 Vogels 6.2.2 Vleermuizen 6.2.3 Grondgebonden zoogdieren 6.2.4 Amfibieën 6.2.5. Reptielen 6.2.5 Vissen 6.2.6 Vlinders 6.2.7 Libellen

26 26 26 29 30 34 36 36 36 37

7. Conclusie

38

Verantwoording

39

Verklarende woordenlijst

40

Bijlage

41 3

NATUURWAARDENONDERZOEK 54523– OLDENZAALSEWEG 90 FLERINGEN

Samenvatting en advies Uit dit Natuurwaardenonderzoek is gebleken dat bij het uitvoeren van de geplande werkzaamheden mogelijk schadelijke handelingen flora & fauna activiteit (soorten) Omgevingswet zullen plaatsvinden. Tevens dient nadere toetsing plaats te vinden of er een vergunningplicht geldt voor Natura 2000-activiteit (stikstof). Gebiedsbescherming Natura 2000 Ten aanzien van stikstof wordt er in de aanleg- en nieuwe gebruiksfase mogelijk depositie verwacht. Een Aerius (stikstof) berekening wordt daarom ook noodzakelijk geacht. Voor de overige storingsfactoren wordt geen externe werking verwacht. Een Voortoets Natura 2000 wordt niet noodzakelijk geacht. Natuurnetwerk Nederland De planlocatie is gelegen buiten Natuurnetwerk Nederland. Aangezien het plangebied buiten het Natuurnetwerk valt wordt het niet noodzakelijk geacht dat een verdere toetsing, in de vorm van ja, mits toets, aan de orde is. Nationaal landschap Beoogde ontwikkelingen vinden plaats binnen de grenzen van gebied dat is aangemerkt als Nationaal landschap. Omdat kernkwaliteiten gewaarborgd blijven zijn wettelijke consequenties met betrekking op het Nationaal landschap niet aan de orde. Soortbescherming Flora Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Vogels Mogelijk schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet.

Een nader onderzoek huismus wordt noodzakelijk geacht. Tevens moeten de sloopwerkzaamheden buiten het broedseizoen van algemene broedvogels plaatsvinden. Vleermuizen Mogelijk schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Nader onderzoek gebouwbewonende vleermuizen wordt noodzakelijk geacht. Zoogdieren Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet.

4

NATUURWAARDENONDERZOEK 54523– OLDENZAALSEWEG 90 FLERINGEN

Overige soorten Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Houtopstanden Er worden geen bomen gekapt zoals bedoeld in de omgevingswet die vallen onder het onderdeel houtopstanden. Geen herplant- of meldingsplicht. Specifieke zorgplicht Ten alle tijden geldt bij het uitvoeren van flora- en fauna-activiteiten dient de initiatiefnemer / uitvoerder van de activiteit te kunnen aantonen hoe tegemoetgekomen wordt aan de specifieke zorgplicht (art. 11.27, Bal). Zie bijlagen.

5

NATUURWAARDENONDERZOEK 54523– OLDENZAALSEWEG 90 FLERINGEN

1. Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling Met de voorgenomen ontwikkelingen betreffende het plangebied gelegen aan de Oldenzaalseweg 90 in Fleringen heeft BJZ.nu B.V. aan Ecofect B.V. opdracht gegeven een Natuurwaardenonderzoek Omgevingswet (voorheen QuickScan Flora & Fauna) uit te voeren t.b.v. het vergunning traject en inzicht te verschaffen of de geplande uit te voeren werkzaamheden conflicteren met de Omgevingswet (Ow). Doel van dit Natuurwaardeonderzoek is om te onderzoeken of de ruimtelijke ontwikkeling effect heeft op beschermde soorten en gebieden en duidelijkheid te geven in welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. Voorliggend rapport geeft inzicht in het wettelijk kader, de gebruikte methodiek en de resultaten van het uitgevoerde onderzoek en eventuele vervolgstappen.

1.2 Planlocatie (huidige situatie) De planlocatie is gelegen aan de Oldenzaalseweg 90 in Fleringen. De planlocatie ligt aan de rand van Fleringen, ten noorden is bebouwing aanwezig. Aan de zuidzijde is een kleine bosschage aanwezig met daarnaast een begraafplaats. De opstal van de planlocatie is een Rooms Katholieke Basisschool het Heilig Hart met een fysio praktijk. De opstal is opgebouwd uit bakstenen buitengevels met luchtspouw. Aan de randen van het pand zijn boeidelen aanwezig waarbij de ruimtes achter de boeidelen toegankelijk zijn door kieren bij de muren. Vrijwel rondom het pand zijn deze boeidelen aanwezig. Het dak is deels plat dak en deels pannendak. Het platte dak is bedekt met dakleer. De ruimtes onder het pannendak is toegankelijk bij de dakgoot. Aan de zuidwestzijde is een speelveldje aanwezig. Aan de voorkant is een schoolplein met enkele speeltoestellen en een zandbak aanwezig. Ook staan er enkele bomen. Het schoolplein is omheind met een hek. Op planlocatie zijn nog wel twee nesten aangetroffen, een in de boom aan de voorzijde van de school en een nest in een vogelhuisje aan de school. Voor een impressie van de planlocatie wordt verwezen naar de bijlage.

6

NATUURWAARDENONDERZOEK 54523– OLDENZAALSEWEG 90 FLERINGEN

Figuur 1 - Plan- en onderzoeksgebied

1.3 Voorgenomen ontwikkelingen De Initiatiefnemer heeft het voornemen om de opstal te slopen, om er vervolgens vijf woningen te realiseren. De bomen op en aan de rand van de planlocatie zullen behouden blijven. Ook zal er een wadi worden gecreëerd in het noordoosten van het plangebied. Er zal ook erfverharding en parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Voor inhoudelijke vragen over het ontwerp of de inrichting wordt verwezen naar de opdrachtgever.

7

NATUURWAARDENONDERZOEK 54523– OLDENZAALSEWEG 90 FLERINGEN

Figuur 2 - Inrichting/ ontwerp planlocatie

De volgende activiteiten hebben mogelijk effect en worden getoetst op relevantie in het kader van de Omgevingswet: •

Sloop- en Bouwwerkzaamheden

•

Afvoer sloopmateriaal

•

Verwijderen van verharding

•

Perceel bouwrijp maken

•

Egaliseren terrein

•

Aanleggen wadi

•

Herinrichting terrein waarbij toekomstige functie wonen verwacht kan worden

•

Aan- en afvoer materiaal

8

NATUURWAARDENONDERZOEK 54523– OLDENZAALSEWEG 90 FLERINGEN

2. Wettelijk kader 2.1 Wettelijk kader Voor het uitvoeren van ruimtelijke ontwikkelingen is o.a. Omgevingswet van kracht. Deze wetgeving vervangt de Wet natuurbescherming. In deze wet is de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden geregeld. Dit onderzoek beperkt zich tot de gebiedsbescherming en de soortenbescherming. In dit Natuurwaardenonderzoek worden de verschillende onderdelen van de omgevingswet getoetst. Omdat een veld- en bureauonderzoek geen zekerheid geeft of de omgevingswet wordt overtreden, wordt de potentie van het object ingeschat voor wat betreft beschermde soorten. Indien het object potentie heeft, zal een aanvullend onderzoek vast moeten stellen of uit moeten sluiten of er beschermde soorten gebruik maken van de opstallen. Potentie-inschatting vindt plaats op basis van habitatkenmerken, habitatseisen en ervaring van de ecoloog. De Omgevingswet is een wet die alle regels omvat met betrekking tot alle activiteiten in de fysieke leefomgeving. De wet bundelt 26 wetten die gaan over de regels met betrekking tot onder meer infrastructuur, bouwwerken, water, lucht, bodem, milieu, cultureel erfgoed en natuur. Het doel van de nieuwe wet is een vereenvoudiging van de regels voor de fysieke leefomgeving en een duurzame ontwikkeling en beschermen en verbeteren van het leefmilieu.

Om alle regels voor de fysieke leefomgeving op een gestructureerde manier te regelen, is er sprake van een stelsel Omgevingswet. Het stelsel Omgevingswet kent een bepaalde opbouw, die bepalend is voor waar de relevante onderdelen terug te vinden zijn met betrekking tot de verschillende onderwerpen van de fysieke leefomgeving, waaronder natuurbescherming. Het stelsel bestaat uit een algemene wettekst – de Omgevingswet zelf – dat per procesonderdeel nader is uitgewerkt in zogenaamde uitvoeringswetten (Algemene Maatregelen van Bestuur, of AMvB’s) en de Omgevingsregeling.

2.2 Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming in de Ow bestaat uit een beschermingsregime voor Natura 2000- gebieden, regels voor de aanwijzing en bescherming van het Natuurnetwerk Nederland en bijzondere natuurgebieden en landschappen. Hieronder zijn per gebiedscategorie de regels beknopt toegelicht. In het Bal is een specifieke zorgplicht opgenomen voor Natura 2000-gebieden en bijzondere nationaal natuurgebieden (art. 11.6 Bal). Iedereen die activiteiten uitvoert die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kunnen hebben, moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (art. 11.6, 1e lid Bal). In het tweede lid staat de nadere uitwerking van de specifieke zorgplicht. Er moet worden nagegaan of nadelige gevolgen op voorhand op grond van objectieve gegevens verslechterende of significant verstorende gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen kunnen worden uitgesloten. Als nadelige gevolgen niet te voorkomen zijn, dan verplicht de specifieke zorgplicht om met betrekking tot deze gevolgen passende preventieve maatregelen te nemen (art. 11.6, 2e lid onder d), of, als dit niet gaat, om passende herstelmaatregelen te treffen (art. 11.6, 2e lid onder f). Daarnaast verplicht de zorgplicht ook dat de effectiviteit van deze maatregelen worden gemonitord.

De specifieke zorgplicht geldt altijd, dus voor Natura 2000-activiteiten (zie hierna) maar ook voor

9

NATUURWAARDENONDERZOEK 54523– OLDENZAALSEWEG 90 FLERINGEN

activiteiten die conform een Natura 2000-beheerplan worden uitgevoerd of activiteiten die géén kans hebben op een significant gevolg. Natura 2000-activiteit Het is overigens niet zo dat als in het kader van de specifieke zorgplicht passende preventieve of herstelmaatregelen worden genomen, onder de vergunningplicht van een Natura 2000-activiteit uit kan worden gekomen. Mitigatie mag namelijk niet worden meegenomen in de voortoets van een project om te bepalen of het project leidt tot een kans op een significant gevolg en het project om die reden als een Natura 2000-activiteit moet worden beschouwd. De volgorde van toetsing van een voornemen aan de specifieke zorgplicht en de vergunningplicht zijn daarom van groot belang. Hierna wordt daar nader op ingegaan. Als de invulling van de specifieke zorgplicht niet helder is of het onduidelijk is of gedragingen onder de zorgplicht vallen, heeft het bevoegd gezag de ruimte om deze nader te duiden in een maatwerkvoorschrift, vergunningvoorschrift (indien vergunning) of maatwerkregel. Te denken valt aan een maatwerkregel in een provinciale Omgevingsverordening waarin staat hoe aan de specifieke zorgplichtbepaling kan worden gehouden. Er is een onderscheid tussen een ‘Natura 2000-activiteit’ en andere type activiteiten. Een ‘Natura 2000-activiteit’ is volgens de definitie van het begrip zoals uitgewerkt in de bijlage bij art.

1.1 Omgevingswet een: ‘activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied’ Een Natura 2000-activiteit is vergunning plichtig (art. 5.1, lid 1 Ow), tenzij er sprake is van een ‘vergunningsvrij geval’ (art. 11.16 t/m 11.21 Bal, zie hierna). Activiteiten die nodig zijn voor het beheer van Natura 2000-gebieden (om de doelstellingen te kunnen halen) of geen significante gevolgen hebben, vallen niet onder de regels voor een Natura 2000-activiteit. Er moet dan eerst worden getoetst wat de effecten zijn van een activiteit op Natura 2000-gebieden voordat duidelijk is hoe de activiteit moet worden aangeduid. Gezien de huidige praktijk, blijft er daarmee de noodzaak voor het uitvoeren van een voortoets die deze helderheid kan bieden. De uitslag van deze toets is van belang voor het vervolg van de behandeling van de activiteit. Is er sprake van een Natura 2000-activiteit dat niet vergunningsvrij is, dan is er een nader onderzoek nodig in de vorm van een passende beoordeling voordat een vergunning kan worden verleend. De regels waar een Passende Beoordeling aan moet voldoen staan in art. 16.53c Ow en art. 8.74b Bkl.

Is er ondanks mitigatie nog steeds sprake van een significant gevolg, dan kan de vergunning voor het project worden verleend als de zogenaamde ADC-toets met succes is doorlopen (art. 8.74b, lid 2 en 3 Bkl). Voor nadere informatie m.b.t. ADC-toets wordt verwezen naar de bijlage. Natuurnetwerk Nederland De wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN worden vastgesteld per Omgevingsverordening door de provincie conform artikel 7.7 Bkl. In de Omgevingsverordening is daartoe een natuurbeheerplan vastgesteld waar in de regel de bestaande natuurwaarden en het ambitieniveau zijn aangegeven middels natuurbeheertypen. Het hangt echter per provincie af hoe zij de wezenlijke kenmerken en waarden hebben gedefinieerd; in tegenstelling tot het Barro ontbreekt een definitie van de wezenlijke kenmerken en waarden in de Ow. In artikel 7.7, 2e lid Bkl wordt aangegeven dat deze waarden worden bepaald met inachtneming van de doelstellingen bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder g, van de wet. Hiermee wordt gedoeld op de verantwoordelijkheid van de provincies om, op het gebied van natuur, zorg te dragen voor het behoud of herstel van dier- en plantensoorten die van nature in Nederland in het wild voorkomen, van hun biotopen en habitats, en

van

in

Nederland

voorkomende

typen

natuurlijke

habitats,

in

overeenstemming

met

de

10

NATUURWAARDENONDERZOEK 54523– OLDENZAALSEWEG 90 FLERINGEN

internationaalrechtelijke verplichtingen. Hieruit kan worden gehaald dat het NNN mede als doel heeft om deze taken te bereiken. Daarnaast heeft de provincie zelf de ruimte om te bepalen of zij ook potentiële natuurwaarden (en de daarvoor vereiste bodem- en watercondities) meenemen in de definiëring van de wezenlijke kenmerken en waarden (art. 7.7, 2e lid Bkl). Dit komt min of meer overeen met de definitie van wezenlijke kenmerken en waarden in het Barro, die ook aangeeft dat de potentiële waarden worden meegenomen ‘voor zover deze natuurwaarden en condities in het licht van de internationale biodiversiteitdoelstellingen relevant zijn’. Beschermingsregime NNN Het beschermingsregime voor het NNN is uitgewerkt in art.

7.8, 2 e lid Bkl, dat een instructieregel betreft voor uitwerking van het beschermingsregime in de Omgevingsverordeningen van provincies: ‘De regels verzekeren in ieder geval dat de kwaliteit en oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland niet achteruitgaan, dat de samenhang tussen de gebieden van het natuurnetwerk wordt behouden en dat, als binnen het natuurnetwerkactiviteiten worden toegelaten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden van het natuurnetwerk, deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven.” Een vergelijkbare instructieregel voor de bescherming van het NNN is opgenomen voor projectbesluiten die door het Rijk wordt vastgesteld in art. 9.3, 1 e lid Bkl. Voor nadere informatie met betrekking tot het beschermingsregime NNN wordt verwezen naar de bijlage. Bijzondere natuurgebieden en landschappen Het Rijk kan op basis van art. 2.44, lid 2 Ow zogeheten bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. De bijzondere nationale natuurgebieden kunnen worden aangewezen vooruitlopend op de aanwijzing of begrenzing als Natura 2000-gebied, bijvoorbeeld als het gaat om compensatie voor handelingen die leiden tot een significant gevolg of als het gaat om gebieden die nodig zijn om de doelstellingen van de Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn te bereiken (art.

3.63 Bkl). Daarnaast kan het Rijk ook bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen als de bescherming van het gebied nodig is voor de instandhouding of herstel van biotopen en leefgebieden van in Nederland van nature in het wild voorkomende soorten genoemd in bijlage I Vogelrichtlijn of Bijlage I, II, IV of V Habitatrichtlijn. In die gevallen bevat het aanwijzingsbesluit instandhoudingsdoelstellingen (art. 3.64 Bkl). Het ministerie van LNV heeft de taak zorg te dragen dat de maatregelen worden getroffen voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen van deze type natuurgebieden (art. 2.19, lid 5 Ow), tenzij Gedeputeerde Staten is aangewezen om deze taak uit te voeren (art. 2.18, lid 1, onder g, 2°, tweede streepje Ow). Voor de bescherming van bijzondere nationale natuurgebieden geldt, naast een mogelijke toegangsbeperking, de specifieke zorgplicht zoals genoemd in art. 11.6 Bal (zie hiervoor). De provincies kunnen zogeheten bijzondere provinciale natuurgebieden of bijzondere provinciale landschappen aanwijzen (art. 2.44, lid 5 Ow). Niet iedere provincie hanteert dezelfde juridische bescherming. Sommige hanteren alleen een predicaat, anderen hanteren een soort ADC-criteria (‘nee, tenzij’-principe) en daarmee juridische beschermingsregime naast NNN en Natura 2000. Kijk voor de geldende regels in de van toepassing zijnde provinciale Omgevingsverordening.

11

NATUURWAARDENONDERZOEK 54523– OLDENZAALSEWEG 90 FLERINGEN

2.3 Soortbescherming Een ‘flora- en fauna-activiteit’ is volgens de definitie van het begrip zoals uitgewerkt in de bijlage bij art. 1.1 Omgevingswet een: ‘activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’ Anders dan bij een ‘Natura 2000-activiteit’, waarvan pas sprake is als een activiteit leidt tot een kans op significante gevolgen op beschermde Natura 2000-gebieden (zie hiervoor), is er al sprake van een ‘flora- en fauna-activiteit’ als het een mogelijk gevolg heeft voor één van nature in het wild levend dier of plant, ongeacht of deze soort beschermd is volgens de Omgevingswet. Doordat in de definitie wordt verwezen naar ‘van nature’ in het wild levende soorten, gaat de definitie niet op voor niet-van nature voorkomende soorten. Met andere woorden, de regels voor flora- en fauna-activiteiten gelden niet voor soorten die buiten het natuurlijk verspreidingsgebied voorkomen of exoten, tenzij specifiek vermeld. Als er sprake is van een flora- en fauna-activiteit, dient er rekening te worden gehouden met de regels in art. 11.27 Bal (specifieke zorgplicht), art. 11.28 Bal (voorkomen onnodig lijden dieren) en de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal (vergunningplicht bij schadelijke handelingen, regels vergunningsvrije gevallen).

Hoewel de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal alleen betrekking hebben op de bij wet beschermde soorten, gelden de artikelen 11.27 en 11.28 ook met betrekking tot de niet-beschermde soorten. Ten alle tijden geldt bij het uitvoeren van flora- en fauna-activiteiten dient de initiatiefnemer / uitvoerder van de activiteit te kunnen aantonen hoe tegemoetgekomen wordt aan de specifieke zorgplicht. Ten alle tijden geldt bij het uitvoeren van flora- en fauna-activiteiten dient de initiatiefnemer / uitvoerder van de activiteit te kunnen aantonen hoe tegemoetgekomen wordt aan de specifieke zorgplicht (art. 11.27, Bal). Voor nadere informatie met betrekking tot de specifieke zorgplicht wordt verwezen naar de bijlage. Het benoemen hoe aan de zorgplichtbepalingen in de Omgevingswet getoetst is in een rapportage, is voldoende om aan de algemene en specifieke zorgplichtbepalingen te voldoen. De zorgplichten zijn niet vergunning plichtig, dus het is niet noodzakelijk om het voor te leggen aan bevoegd gezag. Voor nadere informatie met betrekking tot de zorgplicht wordt verwezen naar de bijlage. De soortenbeschermingsregimes In de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.4 Bal zijn de verschillende soortenbeschermingsregimes opgenomen: •

§ 11.2.2 Bal: omgevingsvergunning soorten Vogelrichtlijn

•

§ 11.2.3 Bal: omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn

•

§ 11.2.4 Bal: omgevingsvergunning andere soorten

Onder iedere paragraaf zijn de vergunning plichtige gevallen en de vergunningsvrije gevallen aangegeven. In de Omgevingswet wordt niet meer gesproken over verbodsbepalingen waarvoor een ontheffing of vrijstelling kan worden verleend, maar over schadelijke handelingen die leiden tot een vergunning plichtig geval. De inhoud

van

de

schadelijke

handelingen

komen

overeen

met

de

verbodsbepalingen

van

de

soortenbeschermingsregimes uit de Wnb, aangezien deze rechtstreeks voortkomen uit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn en internationale Verdragen en betreffen de volgende schadelijke gevallen:

12

NATUURWAARDENONDERZOEK 54523– OLDENZAALSEWEG 90 FLERINGEN

Tabel 1 - Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn

Schadelijke handelingen Vogelrichtlijn (art. 11.37 Bal):

Schadelijke handelingen Habitatrichtlijn (art. 11.46 Bal):

Schadelijke handelingen andere soorten (art. 11.54 Bal)

Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in art. 1 Vrl

Het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren Hrl bijlage IV, onder a, Bern bijlage II, Bonn bijlage I (ex. vogels art. 1 Vrl);

Het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A

Het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels

Het opzettelijk verstoren van dieren

Het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren

Het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels

Het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren

Het opzettelijk storen van vogels*

Het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren

Het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B

Het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b Hrl of bijlage I verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied

13

NATUURWAARDENONDERZOEK 54523– OLDENZAALSEWEG 90 FLERINGEN

Vrijstelling schadelijke handelingen vogelrichtlijn Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, geldt niet, •

Als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort:

•

Het verbod geldt niet als de activiteit uitvoering geeft aan een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel

Vrijstelling schadelijke handelingen habitatrichtlijn Het verbod geldt niet als de activiteit uitvoering geeft aan een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel Vrijstelling schadelijke handelingen andere soorten Per provincie zijn enkele ‘nationaal’ beschermde soorten vrijgesteld van de schadelijke handelingen die voor andere soorten gelden (tabel 1) Rode Lijstsoorten Rode Lijstsoorten zijn soorten planten, dieren en paddenstoelen die in hun voortbestaan worden bedreigd en opgenomen zijn op de officiële Rode Lijst. Deze lijst, opgesteld door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV), is gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek en internationale criteria. Soorten worden geclassificeerd in verschillende categorieën, variërend van "kwetsbaar" tot "ernstig bedreigd", afhankelijk van factoren zoals populatietrend, verspreidingsgebied en bedreigingen. De aanwezigheid van Rode Lijstsoorten binnen een onderzoeksgebied is een belangrijke indicator van de ecologische waarde. Het beschermen en bevorderen van deze soorten is essentieel voor het behoud van biodiversiteit. Dit onderzoek heeft tot doel een inventarisatie te maken van aanwezige Rode Lijstsoorten en de condities te beoordelen die van invloed zijn op hun voortbestaan.

Bij het inventariseren van Rode Lijstsoorten wordt rekening gehouden met specifieke levensvereisten, zoals voedselbronnen, broedlocaties en schuilmogelijkheden. Eventuele verstoringen, zoals intensief grondgebruik, waterbeheer of infrastructuur, worden in kaart gebracht om potentiële risico's voor deze soorten te minimaliseren.

14

NATUURWAARDENONDERZOEK 54523– OLDENZAALSEWEG 90 FLERINGEN

2.4 Bescherming houtopstanden Een houtopstand beslaat een oppervlakte van 10 are of meer, of bestaat uit een beplanting van twintig bomen of meer in een rij, gerekend over het totaal aantal rijen. Buiten de bescherming houtopstanden (artikel 11.3 Bal) vallen de •

Houtopstanden binnen door de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom houtopstanden

•

Houtopstanden op erven of in tuinen en fruitbomen en windschermen om boomgaarden,

•

Naaldbomen bedoeld als kerstbomen en niet ouder dan twintig jaar en kweekgoed,

•

Uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen, beplantingen langs waterwegen en beplantingen langs landbouwgronden (enkele rij)

•

Het dunnen van een houtopstand, Uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa en die:

•

Minimaal eens per tien jaar worden geoogst,

•

Bestaan uit ten minste tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid bestaande uit een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter,

•

Zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Volgens artikel 5.165b Bkl is het verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen zonder daar melding van te doen bij Gedeputeerde Staten. Dit geldt niet voor het periodiek vellen van griend- of hakhout. Binnen drie jaar moet het gevelde deel weer zijn herplant. Vrijstellingen gelden er wanneer het vellen gebeurt middels

een

goedgekeurde

gedragscode

of

de

werkzaamheden

voortvloeien

uit

instandhoudingsdoelstellingen voor Natura2000-gebieden of nodig zijn voor aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen.

15

NATUURWAARDENONDERZOEK 54523– OLDENZAALSEWEG 90 FLERINGEN

2.5 Toepasbaarheid Dit Natuurwaardenonderzoek is gericht op de mogelijke overtreding van de omgevingswet, niet aan andere (natuur)wetgeving. De resultaten van het onderzoek zijn 3 jaar geldig. Dit onderzoek kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen dat natuuronderzoek is verricht. Deze rapportage kan dan ook ingediend worden aan belanghebbende partijen zoals gemeente en provincie. Op basis van in de deze rapportage opgenomen projectgegevens (zie hoofdstuk 1; september 2025) is dit onderzoek uitgevoerd en een inschatting gemaakt van de effecten hiervan op de beschermde soorten en gebieden. Latere wijzigingen van het project kunnen invloed hebben op deze effecten en zijn dus niet opgenomen in deze rapportage. Er zal dan een nieuwe beoordeling plaats moeten vinden. Deze verstrekte natuurinformatie is ten behoeve van de initiatief- en ontwerpfase van de planontwikkeling. Om in de uitvoerings- en beheerfase overtreding van de omgevingswet te voorkomen, wordt – indien nodig- in deze rapportage aangegeven wanneer het noodzakelijk is om te werken volgens één van de volgende standaarden: •

Algemeen zorgvuldig handelen

•

Gedragscode ruimtelijke ontwikkeling

•

Ecologisch werkprotocol

•

Vergunning/vrijstelling omgevingswet

16

NATUURWAARDENONDERZOEK 54523– OLDENZAALSEWEG 90 FLERINGEN

3. Methode Werkwijze 1.

Door middel van bureauonderzoek is onderzocht welke beschermde flora en fauna in de omgeving van het plangebied de afgelopen 5 jaar zijn waargenomen. Hierbij is gebruik gemaakt van waarnemingen uit de Nationale Databank Flora en Fauna binnen een straal van 1 (directe invloed) en 5 (indirecte invloed) kilometer van de planlocatie. Op basis van deze en overige beschikbare natuurinformatie (zie b, is een inschatting gemaakt welke soorten te verwachten zijn in het plangebied.

2.

Op 29 september 2025 is het plangebied door dhr. W. Kolk bezocht. Daarbij werden de, in het plangebied aanwezige, natuurwaarden geïnventariseerd en beoordeeld met behulp van een verrekijker en zaklamp. Weersomstandigheden waren ±18°C, zonnig met matige wind. Er is gekeken naar landschapskenmerken van de planlocatie, naar (aanwijzingen van) mogelijke groeiplaatsen van beschermde flora en naar (aanwijzingen van) vaste rust- en verblijfplaatsen, verbindingszones en foerageergebieden van de beschermde fauna. Relevante waarnemingen zijn vastgelegd met behulp van foto’s.

3.

Op basis van de bevindingen van het bureauonderzoek en het veldonderzoek zijn de relevante soorten benoemd en onderbouwd in het hoofdstuk Soortbescherming (hoofdstuk 6). a.

Beschermde soorten waarvan waarnemingen bekend zijn bij de NDFF, waarvoor het habitat op basis van ecologische expertise geschikt geacht wordt en/of waarvan waarnemingen in de vorm van aanwezige individuen of sporen worden gedaan tijdens het veldonderzoek, worden nader toegelicht in het hoofdstuk Soortbescherming (zie hoofdstuk 6).

b.

Beschermde soorten waarvan geen waarnemingen bekend zijn bij de NDFF, maar waarvoor het habitat op basis van ecologische expertise wel geschikt geacht wordt en/of waarvan waarnemingen van individuen of sporen worden gedaan tijdens veldonderzoek, worden nader toegelicht in het hoofdstuk Soortbescherming (zie hoofdstuk 6).

c.

Beschermde soorten waarvan waarnemingen bekend zijn bij het NDFF, maar waarvoor het plangebied dusdanig ongeschikt is dat op voorhand de soort op basis van ecologische kennis kan worden uitgesloten worden niet nader toegelicht.

d.

Beschermde soorten waarvan geen waarnemingen bekend zijn bij het NDFF en waarvoor het plangebied dusdanig ongeschikt is dat op voorhand de soort op basis van ecologische kennis kan worden uitgesloten worden niet nader toegelicht.

4.

De ligging van het plangebied ten opzichte van nabijgelegen beschermde gebieden (Natura 2000, NNN en Nationale Landschappen en overige beschermde gebieden) werd opgezocht en beoordeelt of er sprake is van negatieve effecten. Dit is uitgewerkt in het hoofdstuk gebiedsbescherming.

5.

Door middel van een nauwkeurige analyse van deze data en waarnemingen is: a.

bepaald of negatieve effecten op beschermde gebieden op voorhand zijn uit te sluiten of dat hiervoor een aanvullend onderzoek noodzakelijk is,

17

NATUURWAARDENONDERZOEK 54523– OLDENZAALSEWEG 90 FLERINGEN

b.

een inschatting gemaakt van de redelijkerwijs te verwachten negatieve effecten op de (potentieel) aanwezige beschermde soorten en functies,

c. 6.

bepaald of de bescherming van houtopstanden aan de orde is.

De opgestelde rapportage is gecontroleerd en beoordeeld door een tweede lezer

18

NATUURWAARDENONDERZOEK 54523– OLDENZAALSEWEG 90 FLERINGEN

4. Gebiedsbescherming 4.1. Natura 2000 In Europa is een netwerk van beschermde gebieden opgezet. Dit zijn de zogenoemde Natura 2000-gebieden. Deze gebieden zijn in de Omgevingswet strikt beschermd. Volgens de Omgevingswet is het volgens artikel 2.7 lid 2 verboden zonder vergunning projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Nabijgelegen Natura 2000-gebied(en) Dit geldt ook voor projecten die fysiek buiten het Natura 2000-gebied gelegen zijn maar wel een effect kunnen hebben op het gebied (externe werking). Het plangebied ligt nabij het Natura 2000-gebied Springendal & Dal van de Mosbeek op een afstand van 4.240 meter (Figuur 3). En nabij het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek op een afstand van 5.308 meter (Figuur 4).

Figuur 3 – 4.240 meter t.o.v. Natura 2000-gebied Springendal & Dal van de Mosbeek

19

NATUURWAARDENONDERZOEK 54523– OLDENZAALSEWEG 90 FLERINGEN

Figuur 4 – 5.308 meter t.o.v. Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek

Springendal & Dal van de Mosbeek Het gebied Springendal en Dal van de Mosbeek ligt op de stuwwal van Ootmarsum. Het gebied dankt zijn grote verscheidenheid voor een groot deel aan het aanwezige reliëf met opgestuwde heuvelruggen, waarin een aantal erosiedalen is uitgeschuurd. In de dalen is het oude kleinschalige cultuurlandschap met een afwisseling van bos, heide en beekjes herkenbaar. Keileem afzettingen en glauconiethoudende kleien in de ondergrond maken het gebied zeer gevarieerd en rijk aan bronnen. In het Springendal, het dal van de Mosbeek en Hazelbekke vinden we natte schraalgraslanden (waaronder kalkmoeras en trilveenvegetaties), bronnetjesbos, jeneverbesstruweel, droge en vochtige heiden en heischrale graslanden. De graslanden en heiden worden afgewisseld met bos, struweel en houtwallen. Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek zijn drie loofbosgebieden in Twente. Door de plaatselijke aanwezigheid van kalkrijke leem in de ondergrond en door het waterregime zijn dit vanouds zeer soortenrijke gebieden. Achter de Voort bestaat uit twee deelgebieden. Het Loomanskamp is een eiken-haagbeukenbos en vogelkers-essenbos, Asbroek is een natter bos met tussenliggende graslandjes en enkele poelen. Agelerbroek is een elzenbroekbos met daarin enkele graslandjes, moerassen en een voormalige eendenkooi.

Voltherbroek bevat een uitgestrekt moerasbos (elzenbroekbos) en vochtige graslanden. Externe werking De sloop/aanleg- en nieuwe gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling kan mogelijk zogenoemde externe werking op het Natura 2000-gebied tot gevolg hebben. Daarbij kan er gedacht worden aan mogelijke effecten op de waterhuishouding, uitstoot van stikstof of effecten die het gevolg zijn van een groot project, zoals aanleg van windmolens, zandwinning, een woonwijk of industrie. Om te bepalen of dit het geval is moet een voortoets Natura 2000 worden uitgevoerd door een deskundig bureau. Als de activiteit een negatief effect heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied is een vergunning nodig, voor meer info zie: vergunning Natura 2000-gebieden.

20

NATUURWAARDENONDERZOEK 54523– OLDENZAALSEWEG 90 FLERINGEN

Gezien de aard en geringe omvang van de voorgenomen ontwikkeling in relatie tot de afstand tot het Natura 2000-gebied Springendal & Dal van de Mosbeek is het redelijkerwijs uitgesloten dat er van externe werking sprake is. De planlocatie is immers gelegen in een bebouwd gebied waardoor verstoring door mogelijke effecten zoals licht, geluid en trilling niet aan de orde zijn. Het plangebied is gelegen nabij het Natura 2000gebied Springendal & Dal van de Mosbeek. Deze is ter plaatse begrensd als Vogel- en habitatrichtlijngebied. Voor de Natura 2000-gebieden zijn instandhoudingsdoelen opgesteld voor habitattypen, habitatsoorten, broedvogelsoorten en niet-broedvogels. Omdat de werkzaamheden van het plangebied buiten het Natura 2000-gebied plaatsvinden heeft dit geen invloed op de oppervlakte van het Natura 2000-gebied. Stikstofdepositie Met betrekking tot de bepaling van mogelijke nadelige gevolgen als gevolg van de depositie van stikstof, is er met betrekking tot de toetsing van Natura 2000-activiteiten in de wet een verplichting opgenomen tot het gebruik van Aerius Calculator (artikel 4.15 Or). Voor toelichting m.b.t. het juridische kader wordt verwezen naar de bijlagen. De planlocatie is gelegen op +/- 4.240 meter van het depositiegevoelige Natura 2000-gebied Springendal & Dal van de Mosbeek (figuur 3).

Gezien de afstand tot het depositiegevoelige Natura 2000-gebied in relatie tot de geplande ontwikkelingen wordt er mogelijk stikstofdepositie verwacht in de sloop/aanleg- en nieuwe gebruiksfase. Conclusie Natura 2000 Gezien de (effect) afstand tot het Natura 2000-gebied, in relatie tot de geplande ontwikkelingen, worden er geen significante invloeden op de beschermde natuurwaarden of aangewezen (beheer)doelstellingen door effecten zoals licht, trilling geluid enz. verwacht. Een voortoets Natura 2000 wordt niet noodzakelijk geacht. In relatie tot de geplande ontwikkelingen wordt er mogelijk stikstofdepositie verwacht in de aanleg- en nieuwe gebruiksfase. Een Aeriusberekening wordt noodzakelijk geacht.

21

NATUURWAARDENONDERZOEK 54523– OLDENZAALSEWEG 90 FLERINGEN

4.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: •

Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken;

•

Nationale landschappen;

•

Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt (Groene ontwikkelingszone);

•

Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer;

•

Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee;

•

Alle Natura 2000-gebieden.

Figuur 5 - Gelegen buiten Natuurnetwerk Nederland

Conclusie Natuurnetwerk Nederland Aangezien het plangebied is gelegen buiten het NNN van Overijssel (Figuur 5), is nadere toetsing niet aan de orde. Een Ja, mits toetsing wordt niet noodzakelijk geacht. .

22

NATUURWAARDENONDERZOEK 54523– OLDENZAALSEWEG 90 FLERINGEN

4.3 Nationaal landschap De Nationale Landschappen zijn gebieden met specifieke kenmerken zoals flora en fauna, beekdalen, terpen, landbouw en waterbeheersing. In diverse regelingen is vastgelegd dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in deze gebieden alleen mogelijk zijn als deze kernkwaliteiten van het landschap behouden blijven of doorontwikkeld worden. De provincies zijn verantwoordelijk voor het aanhouden van grenzen en de kernkwaliteiten.

Figuur 6 - Gelegen binnen Nationaal landschap

Kernkwaliteiten Het kleinschalige landschap van Noordoost-Twente ligt ten noordoosten van de Twentse stedenband. Het gebied kent grote hoogteverschillen. De hoge stuwwallen van Ootmarsum en Oldenzaal gaan over in een lichtgolvend dekzandgebied dat wordt doorsneden door het beekdal van de rivier de Dinkel. De indicatoren voor kernkwaliteiten die medesturend zijn voor de ruimtelijke ontwikkeling in Noordoost-Twente zijn:

•

Historische landschapselementen: stuwwal, essen, kampen, beken, bronnen en landgoederen;

•

Het groene, kleinschalige karakter.

Conclusie Nationaal landschap Beoogde ontwikkelingen vinden plaats binnen de grenzen van gebied dat is aangemerkt als Nationaal landschap (Figuur 6). Omdat kernkwaliteiten gewaarborgd blijven, zijn wettelijke consequenties met betrekking op het Nationaal landschap niet aan de orde. Verdere toetsing is niet noodzakelijk.

23

NATUURWAARDENONDERZOEK 54523– OLDENZAALSEWEG 90 FLERINGEN

4.4 Overige beschermde gebieden Naast de alreeds beschreven gebieden, zijn er nog diverse planologisch beschermde gebieden. Deze gebieden worden om uiteenlopende redenen beschermd. Om de invloed van de voorgenomen ontwikkeling op deze gebieden te kunnen bepalen, is de ligging van de planlocatie en de aard / omvang van de voorgenomen ontwikkeling in relatie tot de deze beschermde gebieden onderzocht. Beschermde gebieden Gebied / beleid Weidevogelgebied Ganzenrustgebied Oude bosgroeiplaatsen

Beschermde natte landnatuur

Kernkwaliteit Rust, Dekking, Voedsel Rust, Voedsel, Ruimte, Openheid, Nabij water Behoud oppervlakte, Behouden bomen, Bodemkwaliteit waarborgen Habitat, waterkwaliteit, bodemstructuur

Invloed voorgenomen ontwikkeling N.v.t. N.v.t. N.v.t.

N.v.t.

Conclusie beschermde gebieden De planlocatie is niet gelegen binnen de grenzen of nabij ‘overige beschermde gebied’. Het is dan ook uitgesloten dat de voorgenomen ontwikkeling de kernkwaliteiten van deze gebieden beïnvloedt. Omdat kernkwaliteiten gewaarborgd blijven, zijn wettelijke consequenties met betrekking op ‘overige beschermde gebieden’ niet van toepassing.

24

NATUURWAARDENONDERZOEK 54523– OLDENZAALSEWEG 90 FLERINGEN

5. Houtopstanden Op de planlocatie worden geen bomen gekapt zoals bedoeld in het onderdeel houtopstanden van de Omgevingswet (zie paragraaf 2.4). Overtreding op dit onderdeel Omgevingswet is niet aan de orde.

25

NATUURWAARDENONDERZOEK 54523– OLDENZAALSEWEG 90 FLERINGEN

6. Soortbescherming In dit hoofdstuk worden de waarnemingen van het bureauonderzoek en veldbezoek besproken en onderbouwd. Daarnaast wordt een effectbeoordeling uitgevoerd, waaruit de mogelijke vervolgstappen volgen. Het onderdeel fauna is gesplitst in enkele subgroepen, namelijk: vogelsoorten, vleermuizen, grondgebonden zoogdieren, en overige soorten. Binnen deze subgroepen zijn enkele soorten door de provincie vrijgesteld. Deze vrijgestelde soorten vallen onder de specifieke zorgplicht, en dienen op diervriendelijke en zorgvuldige wijze te worden behandeld (zie bijlage). Daarnaast worden ‘rode lijst’ soorten ook beschreven wanneer deze hinder ondervinden van de voorgenomen ontwikkeling. Binnen dit hoofdstuk worden meerdere ecologische vaktermen gebruikt. Voor de betekenis van deze begrippen wordt verwezen naar de verklarende woordenlijst in de bijlage.

6.1 Flora Op basis van NDFF zijn geen waarnemingen bekend van beschermde flora nabij de planlocatie (2020-2025). Het perceel is nauwkeurig onderzocht op habitatsgeschiktheid van inheemse beschermde vegetatie. De planlocatie bestaat voornamelijk uit verharding. Op plaatsen waar vegetatie aanwezig is wordt deze getypeerd als monotoon gras. Er zijn geen (groeiplaatsen van) beschermde flora aangetroffen. Vanwege het voedselrijke versteende milieu wordt de aanwezigheid van beschermde flora uitgesloten van de planlocatie. Effectbeoordeling Aangezien beschermde flora niet aanwezig zijn op de planlocatie is een effect van de ingreep op beschermde flora in relatie tot de Omgevingswet uitgesloten. Advies / conclusie Ten aanzien van flora worden schadelijke handelingen flora en fauna activiteit zoals bedoeld in de Omgevingswet uitgesloten. Een nader onderzoek flora niet noodzakelijk geacht.

6.2 Fauna

6.2.1 Vogels Alle van nature voorkomende vogelsoorten en hun bezette nestplaatsen in Nederland zijn beschermd. Daarnaast geldt voor nestplaatsen van diverse vogelsoorten dat deze door de wetgever in provincie Overijssel jaarrond beschermd zijn Conform provinciale beleidsregel natuur 2024 provincie Overijssel, titel 4.3 en bijlagen 4.1 en 4.2 (zie tabel 2). Deze jaarrond beschermde broedvogels zijn in een vijftal categorieën opgedeeld, waarvoor de verbodsbepalingen van de omgevingswet het gehele seizoen gelden: Categorie 1: Jaarrond gebruikte nesten. (Hoewel de steenuil in de Beleidsregels Natuur versie 2024 staat aangegeven als categorie 2, staat in de toelichting op de beleidsregels de soort aangegeven als categorie 1. Vanwege de toelichting in de beleidsregels is categorie 1 aangehouden.)

26

NATUURWAARDENONDERZOEK 54523– OLDENZAALSEWEG 90 FLERINGEN

Categorie 2. Zeer plaats trouwe koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden of afhankelijk van bebouwing of biotoop Categorie 3. Zeer plaats trouwe broedvogel die ieder jaar terugkeert naar specifiek nest of afhankelijk is van bebouwing Categorie 4. Vogels die jaarlijks terugkeert naar specifiek nest en die niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen. Categorie 5. Nesten van vogels die over voldoende flexibiliteit beschikken om zich elders te vestigen. Echter, dusdanig kwetsbaar dat aangetoond moet worden dat er voldoende alternatieve leefomgeving in de omgeving aanwezig is om zich te kunnen vestigen. Tabel 2 – Jaarrond beschermde nesten Overijssel Nederlandse naam

Bescherming

Nederlandse naam

Bescherming

Nederlandse naam

Bescherming

Steenuil

Categorie 1

Blauwe reiger

Categorie 5

Kleine bonte specht

Categorie 5

Gierzwaluw

Categorie 2

Boerenzwaluw

Categorie 5

Kleine vliegenvanger

Categorie 5

Huismus

Categorie 2

Bonte vliegenvanger

Categorie 5

Koolmees

Categorie 5

Roek

Categorie 2

Boomklever

Categorie 5

Kortsnavelboomkruiper

Categorie 5

Grote gele kwikstaart

Categorie 3

Boomkruiper

Categorie 5

Oeverzwaluw

Categorie 5

Kerkuil

Categorie 3

Bosuil

Categorie 5

Pimpelmees

Categorie 5

Oehoe

Categorie 3

Brilduiker

Categorie 5

Raaf

Categorie 5

Ooievaar

Categorie 3

Draaihals

Categorie 5

Ruigpootuil

Categorie 5

Slechtvalk

Categorie 3

Eidereend

Categorie 5

Spreeuw

Categorie 5

Boomvalk

Categorie 4

Ekster

Categorie 5

Tapuit

Categorie 5

Buizerd

Categorie 4

Gekraagde roodstaart

Categorie 5

Torenvalk

Categorie 5

Havik

Categorie 4

Glanskop

Categorie 5

Zeearend

Categorie 5

Ransuil

Categorie 4

Grauwe vliegenvanger

Categorie 5

Zwarte kraai

Categorie 5

Sperwer

Categorie 4

Groene specht

Categorie 5

Zwarte mees

Categorie 5

Wespendief

Categorie 4

Grote bonte specht

Categorie 5

Zwarte roodstaart

Categorie 5

Zwarte wouw

Categorie 4

Huiszwaluw

Categorie 5

Zwarte specht

Categorie 5

IJsvogel

Categorie 5

Op basis van NDFF zijn waarnemingen bekend van blauwe reiger, boerenzwaluw, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, boomvalk, bosuil, buizerd, draaihals, gekraagde roodstaart, gierzwaluw, glanskop, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, grote gele kwikstaart, grutto, havik, huismus, huiszwaluw, ijsvogel, kerkuil, kleine bonte specht, middelste bonte specht, ooievaar, raaf, ransuil, ringmus, roek, sperwer, spreeuw, steenuil, tapuit, torenvalk, tureluur, veldleeuwerik, wespendief, wulp, zomertortel, zwarte mees, zwarte roodstaart en zwarte specht binnen 1km van de planlocatie (NDFF, 2020-2025). Op basis van habitatvoorkeuren, broedgedrag en verspreidingspatronen kan worden gesteld dat de meeste soorten uit de bovenstaande lijst kunnen worden uitgesloten als broedvogel op de planlocatie. Deze soorten geven doorgaans de voorkeur aan natuurlijke, agrarische of bosrijke omgevingen. Daarom worden alleen de soorten die mogelijk op planlocatie zouden broeden, hieronder nader toegelicht.

27

NATUURWAARDENONDERZOEK 54523– OLDENZAALSEWEG 90 FLERINGEN

Huismus Op basis van NDFF zijn waarnemingen bekend van huismus binnen 1km van de planlocatie (NDFF, 2020-2025). De huismus maakt gebruik van bebouwing als nestplaats. De opstal heeft toegankelijke ruimtes onder de pannen waar de huismus een nest kan bezetten. Het kan daarom niet worden uitgesloten dat huismussen broeden in de te slopen opstal. Ringmus Op basis van NDFF zijn waarnemingen bekend van ringmus binnen 1km van de planlocatie (NDFF, 2020-2025). De ringmus is een rode lijst soort en geeft de voorkeur voor boomrijke agrarische cultuurland. Ook aan de rand van een dorp en bij boerderijen broeden ringmus in de bebouwing. Het is daarom niet uit te sluiten dat ringmus broedt op planlocatie. Deze soort kan worden meegenomen met het nader onderzoek huismus. Gierzwaluw Op basis van NDFF zijn waarnemingen bekend gierzwaluw binnen 1km van de planlocatie (NDFF, 2020-2025). De gierzwaluw maakt ook gebruik van menselijke bebouwing als nestplaats en heeft een voorkeur voor stedelijk versteend gebied. De aanwezige bebouwing is uitvoerig onderzocht op de potentie voor nestplaatsen van gierzwaluwen. Vanwege het ontbreken van grote kieren waardoor de gierzwaluw naar binnen kan is het uitgesloten dat gierzwaluw broedt op planlocatie. Huiszwaluw Op basis van NDFF zijn waarnemingen bekend huiszwaluw binnen 1km van de planlocatie (NDFF, 2020-2025).

De huiszwaluw maakt zijn nesten tegen gevels en heeft een voorkeur voor open en waterrijk gebied. De aanwezige bebouwing is uitvoerig onderzocht op nestplaatsen van huiszwaluwen, deze zijn niet aangetroffen. Het is daarom uitgesloten dat huiszwaluw broedt op planlocatie. Boerenzwaluw Op basis van NDFF zijn waarnemingen bekend van boerenzwaluw binnen 1km van de planlocatie (NDFF, 20202025). De opstal is uitvoerig geïnspecteerd op de kenmerkende komvormende nesten aan de dakconstructies van de te slopen opstal. Deze nesten zijn niet aangetroffen op de planlocatie. Het kan daarom worden uitgesloten dat boerenzwaluw broedt op planlocatie. Algemene broedvogels Op basis van NDFF zijn waarnemingen bekend van algemene broedvogels, zoals houtduif, heggenmus, roodborst en merel binnen 1km van de planlocatie (NDFF. 2020-2025). De planlocatie is uitvoerig geïnspecteerd op aanwijzingen van nesten van algemene broedvogels. Aan de gevel van de school in een open nestkastje is nest aangetroffen. Naast de aangetroffen nestplaatsen is het mogelijk dat vogels in de omliggende bomensingel broeden. Effectbeoordeling Uit de bevindingen van het soortenonderzoek naar vogelsoorten op de planlocatie kunnen vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen van huismus, ringmus en algemene broedvogels, zoals merel en houtduif niet worden uitgesloten.

28

NATUURWAARDENONDERZOEK 54523– OLDENZAALSEWEG 90 FLERINGEN

Voor nestplaatsen van algemene broedvogels geldt dat enkel het bezette nest beschermd is. Werkzaamheden met schadelijke effecten op nestplaatsen van algemene broedvogels wordt veelal geen vergunning verleend, omdat het uitvoeren van de werkzaamheden buiten het broedseizoen (15 maart- 15 juli) over het algemeen een goed alternatief vormt met inachtneming van dat vogelsoorten jaarrond tot broeden kunnen komen. In het kader van de Omgevingswet zijn alle in gebruik zijnde nesten van inheemse vogelsoorten beschermt, ongeacht de periode of tijd van het jaar. Bij aanwezigheid van broedende vogels moet worden gewacht met het uitvoeren van werkzaamheden totdat betreffende broedende vogel uitgebroed is en jongen uitgevlogen zijn. Mogelijk bevinden onder de pannen van de opstal enkele nesten van huismus Het is niet uitgesloten dat huismussen worden verwond of gedood als gevolg van de sloopwerkzaamheden. De geplande werkzaamheden zijn daarmee mogelijk in strijd met de Omgevingswet. Wanneer huismussen een vaste rust en voortplantingsplaats bezetten in de opstal kunnen werkzaamheden enkel plaatsvinden onder vergunning. Deze vergunning dient te worden aangevraagd bij het bevoegd gezag, in dit geval de Provincie Overijssel. Om uit te kunnen sluiten of huismussen een nestplaats bezetten in de opstal zal een nader onderzoek naar huismus en ringmus moeten plaatsvinden.

Advies / conclusie Ten aanzien van vogels worden mogelijk schadelijke handelingen flora en fauna activiteit zoals bedoeld in de Omgevingswet verwacht. Een nader onderzoek huismus/ringmus wordt noodzakelijk geacht. Ook moet gewerkt worden buiten de broedperiode van algemene broedvogels (15 maart- augustus).

6.2.2 Vleermuizen Het leefgebied van beschermde vleermuizen (artikel 3.5 Habitatrichtlijn bijlage IV) bestaat uit verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden. In de verklarende woordenlijst (zie bijlage) worden deze onderdelen nader toegelicht. Vleermuizen zijn in staat om zich aan te passen, en om gebruik te maken van een verblijfplaats die niet voldoet aan de ideale omstandigheden. Echter, bij alle typen verblijfplaatsen zijn onder andere de volgende aspecten relevant en geven dan ook een richtlijn: •

Microklimaat: temperatuur, verschillende temperaturen binnen één object (gradiënten), snelheid van opwarmen of afkoelen (bufferwaarde) en vochtigheid. Essentieel is dat de verblijfplaats tochtvrij is in verband met de temperatuurregulatie en het voorkomen van uitdroging in de winter. Winterverblijven moeten daarnaast grotendeels vorstvrij zijn.

•

Licht: er mag geen lichtbron vlakbij zijn.

•

Locatie en eigenschappen van de in- en uitvliegopeningen: de aanvliegroute moet vrij van obstakels als takken of bomen zijn. Ook mag de verblijfplaats niet via bijvoorbeeld een afdakje bereikbaar zijn voor katten en dergelijke. Geen obstakels, zoals steigers, steigerdoek of hoge begroeiing, voor de ingang.

•

Materiaal: de binnenkant moet ruw zijn (geen glad beton of hout), niet geverfd en niet op den duur gaan rafelen.

•

Ruimtegebruik en veiligheid (tegen predatoren).

29

NATUURWAARDENONDERZOEK 54523– OLDENZAALSEWEG 90 FLERINGEN

•

Ligging ten opzichte van de andere functies in het leefgebied.

Gebouwbewonende soorten Op basis van NDFF zijn waarnemingen bekend van baardvleermuis, bechsteins vleermuis, bosvleermuis, brandts

vleermuis,

franjestaart,

gewone

dwergvleermuis,

gewone

grootoorvleermuis,

laatvlieger,

meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, vale vleermuis en watervleermuis binnen 5km van de planlocatie (NDFF, 2020-2025). Tijdens het veldbezoek is de opstal uitvoerig onderzocht op de potentie van verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuissoorten. De opstal heeft kierende boeiplanken waar achter gebouwbewonende vleermuizen kunnen achter kruipen. Mogelijk staan deze ruimte ook in verbinding met de spouwmuur. Aanwezigheid van een vaste rust en/of voorplantingsplaats voor gebouwbewonende vleermuissoorten kan niet worden uitgesloten. Boombewonende soorten Op basis van NDFF zijn waarnemingen bekend van baardvleermuis, rosse vleermuis en gewone grootoorvleermuis binnen 5km van de planlocatie (NDFF, 2020-2025). Op en rondom de planlocatie zijn geen bomen aanwezig met vleermuispotentie. Hierbij kan gedacht worden aan holten en loshangende schors hetgeen niet aanwezig is op de planlocatie. Aanwezigheid van een vaste rust en/of voorplantingsplaats voor gebouwbewonende vleermuissoorten wordt uitgesloten. Onmisbare vliegroutes of essentieel foerageergebied Essentiele vliegroutes of leefgebied zijn niet aanwezig op de planlocatie. Lijnvormige laanbomen staan niet verbinding met andere elementen en het habitat bestaat enkel uit erfindeling en gras welke grotendeels behouden blijven.

Schade aan een essentiële vliegroute of foerageergebied wordt uitgesloten. Effectbepaling Mogelijk bevinden achter de boeiplanken van de opstal verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen. Het is niet uitgesloten dat gebouwbewonende vleermuizen worden verwond of gedood als gevolg van de sloopwerkzaamheden. De geplande werkzaamheden zijn daarmee mogelijk in strijd met de Omgevingswet. Wanneer gebouwbewonende vleermuizen een vaste rust en voortplantingsplaats bezetten in de opstal kunnen werkzaamheden enkel plaatsvinden onder vergunning. Deze vergunning dient te worden aangevraagd bij het bevoegd gezag, in dit geval de Provincie Overijssel. Advies / conclusie Een nader onderzoek gebouwbewonende vleermuizen wordt noodzakelijk geacht.

6.2.3 Grondgebonden zoogdieren Op basis van NDFF zijn de volgende soorten binnen 5km van de planlocatie waargenomen: bever, boommarter, bosmuis, bunzing, das, dwergspitsmuis, eekhoorn, egel, grote bosmuis, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, otter, ree, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, veldspitsmuis, vos, waterspitsmuis, wezel, woelrat en wolf (NDFF, 2020-2025) De haas, konijn, bosmuis, dwergspitsmuis, veldmuis, huisspitsmuis, ree, woelrat, rosse woelmuis en vos zijn door de provincie Overijssel vrijgesteld van ruimtelijke ingrepen. Voor deze soorten blijft de specifieke zorgplicht gelden.

30

NATUURWAARDENONDERZOEK 54523– OLDENZAALSEWEG 90 FLERINGEN

Wolf De planlocatie is dermate klein en bevat niet de rust en de schuilmogelijkheden voor deze dieren dat het is uitgesloten dat de wolf een vaste verblijfplaats bezet op of in de invloedsfeer van de planlocatie. Das De te slopen opstallen zijn niet geschikt als verblijfplaats voor das. Rondom de planlocatie is gezocht naar sporen in de vorm van gegraven pijpen, wissels, snuffelputjes en uitwerpselen welke niet zijn aangetroffen. Het is uitgesloten dat de das een vaste verblijfplaats bezet op of in de invloedsfeer van de planlocatie. Otter De otter is gebonden aan grote watergangen en/of waterpartijen welke niet in de nabijheid van de planlocatie aanwezig zijn. Het is uitgesloten dat de otter een vaste verblijfplaats bezet op of in de invloedsfeer van de planlocatie. Bever De bever is gebonden aan grote watergangen en/of waterpartijen welke niet in de nabijheid van de planlocatie aanwezig zijn. Het is uitgesloten dat de bever een vaste verblijfplaats bezet op of in de invloedsfeer van de planlocatie. Eekhoorn Tijdens het veldbezoek werden geen nesten van de eekhoorn (Sciurus vulgaris) of knaagsporen aangetroffen in de omliggende bomen. Bovendien blijven de bomen behouden. Het is uitgesloten dat de eekhoorn een vaste verblijfplaats bezet op of in de invloedsfeer van de planlocatie.

Egel De planlocatie is nauwkeurig onderzocht op potentiële vaste rust en/of voortplantingsplaatsen van egel. Een verblijfplaats van egel bestaat uit een nest tussen bladeren, onder dicht struikgewas, in holtes onder boomwortels of van konijnen. Als overwinteringsplaats maken ze een winternest uit bladeren, gras en/of mos op beschutte plaatsen. De enige plaats met enige onder begroeiing bevindt zich onder de bomen aan de noordzijde van het plangebied. Echter deze begroeiing blijft behouden. Boommarter Het habitat van de planlocatie is voor boommarter ongeschikt, er zijn geen boomholten of takkenhopen op planlocatie. Ook zijn er geen sporen aangetroffen zoals krabsporen, prenten, prooiresten of latrines. Vanwege de afwezigheid van sporen en potentiële verblijfplaatsen, kan het worden uitgesloten dat de boommarter een vaste verblijfplaats bezet op de planlocatie. Steenmarter Vaste verblijfplaatsen van steenmarter zijn doorgaans eenvoudig vast te stellen aan de hand van sporen. Mits de aanwezige opstal volledig te inspecteren is. De relevante opstal is niet toegankelijk voor steenmarter door het ontbreken van openingen in de opstal. Er is ook gezocht naar latrines, krabsporen, prenten en prooiresten. Deze sporen zijn niet aangetroffen. Vanwege de afwezigheid van sporen, toegangsopeningen en een

31

NATUURWAARDENONDERZOEK 54523– OLDENZAALSEWEG 90 FLERINGEN

grotendeels verharde planlocatie wordt de aanwezigheid van een vaste verblijfplaats van steenmarter uitgesloten op of in de invloedsfeer van de planlocatie. Wezel Op het perceel zijn geen sporen van wezel aangetroffen in de vorm van prooiresten, latrines, graafsporen of prenten. Potentiële holen waar de kleine marters gebruik van zou kunnen maken zijn niet waargenomen. Naar en van de planlocatie toe zijn wel verbindingszones aangetroffen in de vorm van verruigde oevers, heggen, houtwallen of grondwallen. Rondom de te slopen gebouwen bestaat het terrein enkel uit verharding wat intensief gebruikt wordt door kinderen. Het is uitgesloten dat de wezel een vaste verblijfplaats bezet op of in de invloedsfeer van de planlocatie. Bunzing Op het perceel zijn geen sporen van bunzing aangetroffen in de vorm van prooiresten, latrines, graafsporen of prenten. Potentiële holen waar bunzing gebruik van zou kunnen maken zijn niet waargenomen. Naar en van de planlocatie toe zijn wel verbindingszones aangetroffen in de vorm van verruigde oevers, heggen, houtwallen of grondwallen. Rondom de te slopen gebouwen bestaat het terrein enkel uit verharding wat intensief gebruikt wordt door kinderen. Het is uitgesloten dat de bunzing een vaste verblijfplaats bezet op of in de invloedsfeer van de planlocatie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/1490/documents/27465