Bijlagen Uitbreiding zaal Kottink Geesteren def.pdf
Tekst van het document
Gewone dwergvleermuizen zijn al wel actief op ‘warme’ voorjaarsavonden. Sommige vleermuissoorten bezetten de winterverblijfplaats op enige afstand (>100km) van de zomerverblijfplaats. Sommige vleermuizen in winterrust zitten diep weggekropen in gebouwen of bomen, maar er zijn ook vleermuizen die open en bloot aan de binnenzijde van gebouwen hangen, zoals op tochtvrije zolders. Er is in het plangebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- verblijfplaatsen van vleermuizen. Het plangebied is bezocht op een moment op de dag dat vleermuizen niet foerageren en geen lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute. De mogelijke betekenis van het plangebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. Amfibieën De onderzoeksperiode is matig geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën en onderzoek naar voortplantingswateren. De meeste amfibieën bezetten de winterrustplaats in deze tijd van het jaar en zitten dan weggekropen in de sliblaag van open water of diep weggekropen in holen en gaten in de grond, of onder strooisel, bladeren, takken, rommel of opgeslagen goederen. Soorten als gewone pad, heikikker, klein watersalamander en kamsalamander kunnen de voortplantingswateren al wel bezetten.
Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het plangebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten.
5.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en vermoedelijk nestelen er jaarlijks vogels in het plangebied. Vogels kunnen nestelen onder de dakpannen van de woning en in bomen, struiken en dichte vegetatie. Er zijn geen huismussen in het plangebied of de aangrenzende erven waargenomen, maar de aanwezigheid van een huismussennest onder de dakpannen van de woning kan niet uitgesloten worden. Andere vogelsoorten die 14
mogelijk in het plangebied nestelen zijn merel, houtduif, Turkse tortel, putter, winterkoning, heggenmus, roodborst, koolmees, pimpelmees, tjiftjaf en zwartkop. De overige gebouwen worden net als potentiële nestplaats voor huismussen beschouwd en de gebouwen in het plangebied worden niet als potentiële nestplaats van gierzwaluwen beschouwd. De bouwstijl maakt de gebouwen niet geschikt als voortplantingslocatie. Ook zijn tijdens eerder uitgevoerd vleermuisonderzoek door de auteur (2018) tegenover het plangebied, geen aanwijzingen gevonden dat gierzwaluwen in het plangebied nestelen. Door het slopen van de vrijstaande woning en het verwijderen van beplanting tijdens de voortplantingsperiode wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd en/of vernield. Als gevolg van het vernielen van een bezet vogelnest worden mogelijk eieren beschadigd of vernield of worden (jonge) vogels gedood. Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vogels niet af.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Beplanting verwijderen tijdens de voortplantingsperiode; - Woning slopen tijdens de voortplantingsperiode; Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen, maar het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende algemene- en weinig kritische grondgebonden zoogdiersoorten als huisspitsmuis, bosmuis en steenmarter. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten, huisspitsmuizen en bosmuizen er ook een vaste rust- en voortplantingsplaats. Deze soorten kunnen een rust- en voortplantingsplaats bezetten in holen en gaten in de grond. Een geschikte plek voor steenmarters, om een vaste rust- of voortplantingsplaats te bezetten, ontbreekt in het plangebied. Door het uitvoeren van grondverzet wordt mogelijk een grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en/of voortplantingsplaats beschadigd en vernield. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten neemt de geschiktheid van het plangebied als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren niet af.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Uitvoeren grondverzet; Vleermuizen • Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een rust- of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, maar de woning wordt wel als potentiële verblijfplaats van vleermuizen beschouwd. De woning beschikt over een luchtspouw en op de overgang van de bakstenen buitengevels met de betimmering van het overstek, zijn kieren zichtbaar die vleermuizen eenvoudig de kans bieden de luchtspouw of de holle ruimte achter de overstek te betreden. Ook is de holle ruimte onder de dakpannen toegankelijk voor vleermuizen. Vleermuissoorten als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis kunnen dergelijke verblijfplaatsen benutten als zomer-, winter-, kraam en/of paarverblijfplaats. Vleermuizen bezetten een dergelijke verblijfplaats maanden of slechts weken en doorgaans hebben de bewoners daar totaal geen weet van. De overige
15
Voorbeelden van potentiële invliegopeningen in de woning.
De overige gebouwen in het plangebied worden niet als potentiële verblijfplaats van vleermuizen beschouwd. Deze gebouwen beschikken wel over een luchtspouw, maar in de buitengevels zijn geen potentiële invliegopeningen waargenomen. Ook zijn in het plangebied geen potentiële verblijfplaatsen waargenomen, zoals een holle ruimte achter een vensterluik, gevelbetimmering, windveer, boeiboord, loodslab of zonnewering. Door het slopen van de vrijstaande woning wordt mogelijk een vleermuis verstoord of gedood en een vaste rust- of voortplantingsplaats verstoord, beschadigd en vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Slopen woning; • Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als een geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk foerageren verschillende soorten vleermuizen rond de gebouwen en beplanting in het plangebied. Gelet op de inrichting, het gevoerde beheer en de kleine oppervlakte, wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen niet af.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; • Vliegroute Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen;
16
Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als functioneel leefgebied voor sommige algemene en weinig kritische amfibieënsoorten beschouwd. Amfibieën als bruine kikker en gewone pad benutten de buitenruimte in het plangebied als foerageergebied en mogelijk bezetten ze er mogelijk een (winter)rustplaats. Amfibieën kunnen een (winter)rustplaats bezetten in holen en gaten in de grond, onder strooisel en bladeren en onder opgeslagen spullen en/of rommel. Het plangebied wordt niet als functioneel leefgebied van zeldzame amfibieënsoorten als kamsalamander, rugstreeppad of poelkikker beschouwd. Geschikt voortplantingsbiotoop ontbreekt in het plangebied. Door het verwijderen van opgeslagen spullen, rommel en afval en het uitvoeren van grondverzet wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rustplaats beschadigd en/of vernield. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten neemt de geschiktheid van het plangebied als foerageergebied van amfibieën niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Verwijderen opgeslagen spullen, rommel en afval; - Uitvoeren grondverzet; Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het onderzoeksgebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten.
5.4 Toetsingskader Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Verder is het verboden om plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor sommige in de Wet natuurbescherming genoemde soorten geldt een ontheffing voor het opzettelijk doden en vangen en het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste rust- en voortplantingsplaats, als gevolg van werkzaamheden die uitgevoerd worden in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. In voorliggend geval is de vrijstellingsregeling van de Provincie Overijssel van kracht1. Ook gelden er bepaalde vrijstellingen voor het verbod op doden mits er gewerkt wordt volgens een door de Minister goedgekeurde gedragscode. Indien gebruik gemaakt wordt van een gedragscode, dienen de voorgenomen activiteiten opgenomen zijn in de desbetreffende gedragscode. Foerageergebied Foerageergebied voor veel beschermde soorten is niet expliciet beschermd in de Wet natuurbescherming.
Foerageergebied van soorten, beschermd volgens de Habitatrichtlijn is beschermd, evenals foerageergebied van vogels met een jaarrond beschermde nestplaats die niet of nauwelijks in staat zijn alternatief foerageergebied te zoeken, zoals huismus en steenuil. Het aantasten van foerageergebied van nationaal beschermde soorten, uitgezonder de soorten waarvoor een vrijstelling geldt in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling, leidt niet tot wettelijke consequenties, zolang de functionaliteit van de vaste rust- en voortplantingsplaats, niet wordt aangetast. Zorgplicht Artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voorziet in een algemene verplichting voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 1
Per 1-12-2019 is een aangepaste vrijstellingslijst van kracht. 17
De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11. In het tweede lid wordt de zorgplicht iets geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor in het wild levende dieren en planten: 1. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, 2. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of 3. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Wettelijk kader Voorgenomen activiteit wordt gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is het toegestaan om sommige soorten opzettelijk te doden en te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat. In het kader moet zorgplicht is de initiatiefnemer verplicht om schadelijke gevolgen voor in het wild levende dieren en planten zo veel mogelijk te voorkomen. Dit betreft maatwerk. Indien het mogelijk is om zinvolle concrete maatregelen m.b.t. de zorgplicht te benoemen, zijn deze opgenomen in dit rapport.
5.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Als gevolg van het verwijderen van beplanting en het slopen van de woning tijdens de voortplantingsperiode wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd en vernield. Van de meeste in het plangebied nestelende soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Dit geldt niet voor de huismus; de nestplaats van de huismus is jaarrond beschermd. Voor het beschadigen/vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen daarom buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridische beschouwd wel plaats vinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.
Om een nestplaats van de huismus te mogen verstoren, beschadigen of te vernielen dient een ontheffing verkregen te worden. Omdat de functie van de bebouwing voor huismussen niet vastgesteld kan worden, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Een volledig onderzoek naar de functie van het plangebied bestaat uit minimaal twee bezoeken in de periode april-mei. Aangezien één bezoek in deze periode al uitgevoerd is, dient één aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden in mei. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Beplanting verwijderen buiten de voortplantingsperiode (of broedvogelscan uitvoeren); - Nader onderzoek naar functie van de woning voor huismussen verplicht; Vleermuizen • Verblijfplaatsen Als gevolg van het slopen van de aanwezige bebouwing, wordt mogelijk een vleermuis verstoord of gedood en een vaste rust- en voortplantingsplaats verstoord, beschadigd en vernield. Vleermuizen en hun verblijfplaatsen zijn strikt beschermd en mogen alleen met een ontheffing negatief beïnvloed worden. 18
Omdat de aanwezigheid van een vaste rust- en voortplantingsplaats van vleermuizen niet uitgesloten kan worden op basis van het uitgevoerde onderzoek, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden conform het daarvoor geldende onderzoeksprotocol, in dit geval het vleermuisprotocol 20212. Indien vleermuizen een verblijfplaats bezetten in het plangebied, dient een ontheffing aangevraagd te worden. Om alle functies van de bebouwing in het plangebied te onderzoeken, dient het onderzoek uitgevoerd te worden in de periode half mei-half september. Op basis van het vervolgonderzoek kunnen de wettelijke consequenties bepaald worden. Indien vleermuizen een verblijfplaats bezetten in het plangebied, dient een ontheffing aangevraagd te worden. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Nader onderzoek naar functie van bebouwing voor vleermuizen; • Essentieel foerageergebied Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt geen essentieel foerageergebied van vleermuizen aangetast. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van dit aspect van het functionele leefgebied van vleermuizen.
Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; • Essentiële Vliegroute Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op (essentiële) vliegroutes3 van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Grondgebonden zoogdieren Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier beschadigd en vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren die mogelijk gedood worden en waarvan mogelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats beschadigd en vernield wordt, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen en vernielen van de vaste rust- en voortplantingsplaats’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling.
Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. 2
Netwerkgroenebureaus.nl
3
Vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd wanneer deze essentieel zijn voor het kunnen functioneren van de verblijfplaats van een vleermuis. Niet ieder lijnvormig element waar langs vleermuizen vliegen is een essentiële vliegroute. 19
Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Amfibieën Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd amfibie gedood en wordt mogelijk een (winter)rustplaats beschadigd of vernield. Voor de beschermde amfibieën, die een (winter)rustplaats in het plangebied bezetten, en die mogelijk gedood worden, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `doden’ en het `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaats’ Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Overige soorten Het onderzoeksgebied behoort niet tot functioneel leefgebied van andere beschermde flora- of faunasoorten. Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk. In onderstaande tabel worden de wettelijke consequenties samengevat weergegeven.
20
Soortgroep
Functie
Beschermde soorten planlocatie
Verbodsbepalingen (Wet natuurbescherming)
Aandachtspunt
Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdieren Vogels
Foerageergebied
Diverse soorten
Geen
Vaste rust- en voortplantingsplaats Doden van dieren
Diverse soorten
Foerageergebied
Diverse soorten
Vogels
Bezette nesten (niet jaarrond beschermd)
Diverse soorten
Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Niet van toepassing; functie is niet beschermd (de gunstige staat van instandhouding van geen enkele vogelsoort wordt aangetast) Art. 3.1 lid 2
Vogels
Mogelijk huismus
Art. 3.1 lid 2
Vogels
Jaarrond beschermde nest- en rustplaats Doden van dieren
Diverse soorten
Art. 3.1 lid 1
Vleermuizen
Verblijfplaats
Art. 3.5 lid 4
Vleermuizen
Foerageergebied
Onbekend, vermoedelijk diverse soorten Diverse soorten
Vleermuizen Vleermuizen
Vliegroute Doden van dieren
Amfibieën
Foerageergebied
Niet aanwezig Onbekend, vermoedelijk diverse soorten Diverse soorten
Amfibieën
Vaste rustplaats
Diverse soorten
Amfibieën Amfibieën
Voortplantingsplaats Doden van dieren
Niet aanwezig Diverse soorten
Overige soorten
Dieren en overige functies
Niet aanwezig
Diverse soorten
Geen Geen Geen
Geen bezette nesten negatief beïnvloeden of ontheffing aanvragen Nader onderzoek verplicht Geen bezette nesten negatief beïnvloeden of ontheffing aanvragen Nader onderzoek verplicht
Niet van toepassing; functie wordt niet aangetast Niet van toepassing Art. 3.5 lid 1
Geen
Niet van toepassing; functie wordt niet aangetast Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Niet van toepassing Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Niet van toepassing
Geen
Geen Nader onderzoek verplicht
Geen Geen Geen Geen
Samenvatting van de wettelijke consequenties. Soortgroep
Vaste rust- Voortplanplaats tingsplaats
Vliegroute Essentieel (vleermuizen) foerageergebied
Wettelijke consequenties
Nader onderzoek vereist
Ontheffing vereist
Grondgebonden zoogdieren Vogels
ja
ja
n.v.t.
nee
nee
nee
nee
mogelijk
ja
n.v.t.
nee
ja
ja
Vleermuizen
mogelijk
mogelijk
nee
nee
ja
ja
Nee, tenzij vogels gedood, bezette nest verstoord, beschadigd of vernield wordt mogelijk
Amfibieën
ja
nee
n.v.t.
nee
nee
nee
Nee, vrijstelling
Vereenvoudigde samenvatting van de wettelijke consequenties per diergroep.
5.6 Historische gegevens en overige bronnen Er zijn geen historische gegevens van het plangebied bekend. 5.7 Volledigheid van het onderzoek Het onderzoek is volledig uitgevoerd met geschikte weersomstandigheden.
21
HOOFDSTUK 6
CONCLUSIES De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’, en het opzettelijk ‘verstoren, beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd4. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verstoren of te doden en om opzettelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel.
Uitvoering van voorgenomen activiteiten, met uitzondering van stikstof, heeft geen negatief effect op kwalificerende soorten of habitats in Natura 2000-gebied. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, zoals de toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten vast te kunnen stellen dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde dieren. Beschermde dieren benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten beschermd grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- en voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en nestelen er vogels in het plangebied. Vleermuizen bezetten geen vaste rust-of voortplantingsplaats. Van de meeste in het plangebied nestelende vogelsoorten is het bezette nest beschermd, niet de nestplaats, maar van de huismus is ook de nestplaats beschermd buiten de voortplantingsperiode. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden zonder ontheffing. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten.
Geadviseerd wordt de beplanting en bebouwing te verwijderen buiten de voortplantingsperiode. Om vast te kunnen stellen of er mussen onder de dakpannen van de woning nestelen, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Conform het daarvoor geldende protocol, dient dit uitgevoerd te worden in de maanden april-mei. Op basis van nader onderzoek kunnen de wettelijke consequenties bepaald worden. Vleermuizen en hun vaste rust- en voortplantingsplaatsen zijn beschermd en mogen alleen met een ontheffing negatief beïnvloed worden. Om de functie van de bebouwing voor vleermuizen vast te kunnen stellen dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Geadviseerd wordt dit onderzoek uit te voeren conform het vleermuisprotocol 2021. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden in de periode half mei-half september (half oktober). Voor de amfibieën en grondgebonden zoogdieren, die vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen en vernielen van vaste rust- en/of voortplantingsplaats’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling.
4
De lijst met soorten waarvoor een vrijstelling geldt in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling, is per 1-12-2019 aangepast. Egel en kleine marterachtigen vallen vanaf die datum niet meer onder de vrijstellingsregeling van de provincie Overijssel. 22
Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de in het plangebied foeragerende grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, amfibieën en vogels niet af.
23
Bijlagen Bijlage 1. De natuurkalender (indicatie voor het uitvoeren van werkzaamheden het kader van de zorgplicht) Bijlage 2. Toelichting Wet natuurbescherming Bijlage 3. Fotobijlage Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen:
24
Bijlage 2 Toelichting Wet Natuurbescherming Drie beschermingsregimes De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Alle vogels (ruim 700 soorten), zijn beschermd. Daarnaast worden ongeveer 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: -
-
Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort.
Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Soortenbescherming en het ‘nee, tenzij principe’ De verbodsbepalingen voor vogels en Habitatrichtlijnsoorten in de Wet natuurbescherming sluiten vrijwel één op één aan bij de bepalingen uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De verbodsbepalingen zijn gericht op de bescherming van individuen van soorten. Ook voor de andere soorten, die niet op grond van de Vogel- of Habitatrichtlijn maar vanuit nationaal oogpunt beschermd worden, geldt dat de verbodsbepalingen zien op het individu, maar of ontheffing verleend kan worden, wordt afgewogen tegen het effect van de ingreep op het populatieniveau van de soort. Zorgplicht voor dieren en planten Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. De Memorie van Toelichting zegt het zo: “De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving.
Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Vrijstelling regelgeving Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. In (veel) gevallen kunt u gebruik maken van een vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgesteld voor een van te voren bepaalde categorie van gevallen. Er zijn verschillende vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk. Een bekende en reeds in de praktijk toegepaste vorm van vrijstelling is die van de gedragscode. In de Wet natuurbescherming zijn voor beschermde soorten ook andere vormen van vrijstelling geïntroduceerd, zoals door middel van een Programmatische Aanpak of via een provinciale verordening. Overigens is ook een vrijstelling in de vorm van een ministeriële regeling mogelijk. Provinciale staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Dit moet worden geregeld in een provinciale verordening. 25
Gedragscodes die zijn opgesteld onder de Flora- en faunawet kunnen worden uitgebreid ten aanzien van soorten die op grond van de Wet natuurbescherming beschermd worden maar dat op grond van de Flora- en faunawet nog niet waren. Goedkeuring van een gedragscode op grond van de Flora- en faunawet blijft ook onder de Wet natuurbescherming geldig, voor de duur van de goedkeuring. Daarna dient de gedragscode voor goedkeuring getoetst te worden aan de Wet natuurbescherming.
Welke soorten zijn beschermd? De Wet natuurbescherming kent drie categorieën beschermde soorten: 1. Ten eerste worden alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. 2. Ten tweede worden soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. 3. Tenslotte is er een beschermingsregime voor ‘andere soorten’ waaronder soorten vallen die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven.
Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming
26
Vrijgestelde soorten In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet is het toegestaan de onderstaande soorten opzettelijk te doden, en te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat. De vrijstelling is van kracht wanneer de handeling verband houdt met de volgende activiteiten: -
de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; het bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer.
# #
#
#
27
Lijst met soorten waarvoor een vrijstelling van de verbodsbepalingen geldt als gevolg van handelingen die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd.
#
Deze soorten zijn per 1-12-2019 van de vrijstellingslijst gehaald.
28
Bijlage 3. Fotobijlage
29
30
Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen: Internet: https://www.verspreidingsatlas.nl https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ https://www.regelink.net/kenniscentrum/beschermde-soorten-wet-natuurbescherming/ http://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/vleermuisprotocol (vleermuisprotocol) https://calculator.aerius.nl http://www.ruimtelijkeplannen.nl https://pdokviewer.pdok.nl/
31
Bijlage 2
Bodemonderzoek
bestemmingsplan Uitbreiding zaal Kottink Geesteren
79
RAPPORT VERKENNEND (ASBEST)BODEMONDERZOEK conform NEN 5740 en NEN 5707 Dorpsstraat 30-38A - Geesteren
Opdrachtgever: Ad Fontem Locatie: Dorpsstraat 30-38A 7678 AW Geesteren Mei 2021
Kruse Milieu BV Adres: Huyerenseweg 33 7678 SC Geesteren
Internet: info@krusegroep.nl www.krusegroep.nl
Tel: 0546 - 63 96 63 KvK: 06068751 BTW-nr: NL 8019.25.125.B01
Bankgegevens: ABN AMRO: NL34ABNA0501538739
Rapport Verkennend (asbest)bodemonderzoek conform NEN 5740 en NEN 5707 Dorpsstraat 30-38A - Geesteren
Opdrachtgever: Ad Fontem Stationsstraat 37 7622 LW Borne Locatie: Dorpsstraat 30-38A 7678 AW Geesteren Projectcode: 21021416 Rapportagedatum: 18 mei 2021 Auteur: Mevr. ing. H. Stevelink
Kruse Milieu BV
INHOUD Pagina 1
Inleiding
1
2.1 2.2 2.1
Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie Vooronderzoek Bodemsamenstelling en geohydrologie
2 2 2 3
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie Veldwerkzaamheden Analyses Toetsing chemische analyses Toetsing asbestanalyses
4 4 5 5 6 7
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5
Resultaten Algemeen Veldwerkzaamheden Resultaten en toetsing van de chemische analyses Bespreking resultaten chemische analyses Resultaten asbestanalyses
8 8 8 10 10 11
5
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
12
6
Literatuur en bronvermelding
14
2
3
4
Bijlagen I
IV V
Regionale ligging locatie Boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu BV, mei 2021 Boorstaten Legenda boorstaten Resultaten chemische analyses Toetsing chemische analyses Resultaten asbestanalyses Verklaring van enkele gebruikte termen en afkortingen
Kruse Milieu BV
Project: 21021416
II III
1
Inleiding
Dit rapport beschrijft het verkennend (asbest)bodemonderzoek, dat in opdracht van Ad Fontem op enkele terreindelen aan de Dorpsstraat 30-38A in Geesteren door Kruse Milieu BV is uitgevoerd. De aanleiding van dit onderzoek zijn de geplande verbouwings- en nieuwbouwplannen. Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van de omgevingsvergunning. Hiervoor dient de milieukundige kwaliteit van de bodem bekend te zijn. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN 5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat op de bovengrond van de onderzoekslocatie verdacht is voor de aanwezigheid van asbest. De onderzoekslocatie is onverdacht voor chemische componenten. De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN 5725, “Bodem.
Leidraad bij het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek”, NNI Delft, oktober 2017; - NEN 5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” NNI Delft, januari 2009; - de aanvulling NEN 5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016; - NEN 5707 + C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017. De doelstelling van het onderzoek op een onverdachte locatie is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater. De doelstelling van het onderzoek op een asbestverdachte locatie is vast te stellen of de vooronderstelde verontreinigingskern ook daadwerkelijk op de vermoede plaats aanwezig is en in hoeverre de verontreinigde stoffen in de grond de normwaarden overschrijden. Het veldwerk is uitgevoerd in april en mei 2021 conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001, 2002 en 2018, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Hierbij wordt verklaard dat Kruse Milieu BV financieel en juridisch onafhankelijk is van de opdrachtgever.
In dit rapport worden de resultaten besproken van het veld- en het laboratoriumonderzoek. De gemeten gehalten in de grond worden vergeleken met de achtergrondwaarden (AW 2000) en de interventiewaarden om vast te stellen of er al dan niet verontreinigingen aanwezig zijn. De in het grondwater gemeten gehalten worden vergeleken met de streef- en interventiewaarden. Tevens worden de resultaten met betrekking tot asbest vergeleken met de wetgeving inzake asbest in bodem en puin, welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen.
Kruse Milieu BV
Project: 21021416
Pagina 1 van 14
2
Locatiegegevens 2.1
Beschrijving huidige situatie
Algemeen De onderzoekslocatie is gelegen aan de Dorpsstraat 30-38A, binnen de bebouwde kom van Geesteren. Het centrale punt van het te onderzoeken terreindeel heeft de RD-coördinaten x = 246.863 en y = 493.463 en is kadastraal bekend als: gemeente Tubbergen, sectie K, nummers 8259, 8258 (ged.), 6580 (ged.), 6581 en 5177 (ged.). De Dorpsstraat bevindt zich ten zuiden van de onderzoekslocatien de Mensinkkamp bevindt zich ten noorden van de onderzoekslocatie. Bebouwing en verharding De onderzoekslocatie is deels bebouwd met een te slopen woning (huisnummer 30), een bedrijfsgebouw (huisnummer 36) en een te verbouwen bedrijfspand (huisnummer 38 en 38A). De onbebouwde terreindelen zijn in gebruik als tuin en parkeerplaats en zijn deels verhard met klinkers en tegels. Onderzoekslocatie In het kader van de bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van de omgevingsvergunning is een bodemonderzoek noodzakelijk. De onderzoekslocatie is deels bebouwd en deels verhard (klinkers en tegels) en omvat circa 3200 m². In bijlage I zijn de regionale ligging van de locatie weergegeven en is het boorplan van Kruse Milieu BV van mei 2021 opgenomen. 2.2
Vooronderzoek
In het vooronderzoek komt naast informatie uit het huidige gebruik het vroegere gebruik van het terrein aan de orde evenals de vraag of er in het verleden reeds bodemonderzoeken zijn verricht op het terrein. Het vroegere gebruik van het terrein is van belang, omdat bronnen van verontreiniging aanwezig geweest kunnen zijn. Er is navraag gedaan bij de opdrachtgever, de eigenaar en de gemeente Tubbergen. De heer P. Haverkort van Kruse Milieu BV heeft op 22 april 2021 archiefonderzoek bij gemeente Tubbergen gedaan. De volgende informatie is verzameld: - De onderzoekslocatie heeft al jaren de huidige bestemmingen (wonen, horeca en detailhandel). De gebouwen op de onderzoekslocatie dateren van 1935, 1976, 1985 en 2002 (bron: BAG-viewer). - Voor Dorpsstraat 36 is op 15 september 1992 een Hinderwetvergunning verleend voor een cafe-restaurant, slijterij en feestzaal en is op 20 maart 1997 een melding gedaan voor de uitbreiding van het cafe. Voor Dorpsstraat 38 is in 1983 een aanvraag voor een snackbar gedaan. De snackbar is nooit gerealiseerd. - Voor zover bekend is er de onderzoekslocatie nooit sprake geweest van opslag in tanks van chemicaliën of brandstoffen, zoals huisbrandolie of diesel. - De onderzoekslocatie is voor zover bekend nooit gebruikt voor werkzaamheden of (bedrijfs)activiteiten, die verontreinigend kunnen zijn.
Op circa 15 meter van de onderzoekslocatie is een vetvangput (Dorpsstraat 36) aanwezig. Voor zover bekend hebben er geen calamiteiten op de onderzoekslocatie plaatsgevonden. - Voor zover bekend is het te onderzoeken terreindeel in het verleden niet opgehoogd en hebben er geen dempingen van lager gelegen delen of sloten plaatsgevonden. - Voor zover bekend bevindt zich geen asbest op of in de bodem op de onderzoekslocatie. Er bevinden zich geen asbesthoudende dakplaten, beschoeiingen of sloopafval direct naast of op de onderzoekslocatie. Tevens is de locatie niet gelegen aan een asbestweg. - Vanwege de ouderdom van de kern van het dorp Geesteren wordt de bodem van de onderzoekslocatie beschouwd als verdacht voor asbest. Kruse Milieu BV
Project: 21021416
Pagina 2 van 14
- Er zijn op de huidige onderzoekslocatie niet eerder bodemonderzoeken uitgevoerd. Uit het bodemonderzoek van De Bondt van 1 maart 2000 direct ten oosten van de huidige onderzoekslocatie (Dorpsstraat 26-28) bleek dat de bovengrond licht verontreinigd was met PAK (bron: Bodematlas Overijssel). 2.1
Bodemsamenstelling en geohydrologie
Op basis van literatuurstudie is de onderstaande regionale geohydrologische situatie afgeleid: - Het maaiveld bevindt zich ongeveer 17 meter boven NAP. - De deklaag bestaat uit kwartair zand, een door de wind afgezet dekzandpakket, dat behoort tot de Formatie van Boxtel, Drente en Oosterhout. Deze laag bestaat uit grof tot matig fijn zand en is ter plekke circa 18 meter dik. Het doorlatend vermogen is naar schatting maximaal 250 m²/dag. - Vanaf circa 18 meter is klei aanwezig van de formaties van Breda, Rupel en Van Dongen. - De grondwaterspiegel bevindt zich op circa 2.0 meter onder het maaiveld. Het freatische grondwater stroomt in noordwestelijke richting met een verhang van circa 2 m/km. - In de directe omgeving bevindt zich geen waterwingebied of omvangrijk oppervlaktewater.
Kruse Milieu BV
Project: 21021416
Pagina 3 van 14
3
Uitvoering bodemonderzoek 3.1
Onderzoeksstrategie
De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN 5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” NNI Delft, januari 2009; - de aanvulling NEN 5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016; - NEN 5707 + C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017. In de norm NEN 5740 en NEN 5707 zijn voor onverdachte en verdachte locaties richtlijnen gegeven voor een systematisch veldonderzoek, de bemonsteringsstrategie en de uit te voeren analyses. De gekozen onderzoeksstrategie is voldoende intensief voor het verkrijgen van inzicht in de bodemkwaliteit ten behoeve van de omgevingsvergunning, bestemmingsplanwijziging of eigendomsoverdracht. De hypothese “onverdachte locatie” uit de norm NEN 5740 (ONV-NL) wordt voor de onderzoekslocatie en asbestverdacht uit norm NEN 5707 (verdacht, heterogeen verdeeld, VEDHE) wordt voor de bovengrond gebruikt. Beide strategieën worden gecombineerd. De boringen worden tot 0.5 meter diepte vervangen door inspectiegaten. Tijdens het veldwerk zal visueel worden gelet op de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal op en in de bodem.
Tevens dient te worden vermeld dat geen inpandige boringen worden verricht, aangezien de gebouwen nog in gebruik zijn. Inpandig zijn geen potentieel bodembedreigende (bedrijfs)activiteiten uitgevoerd en er is geen aanleiding om te veronderstellen dat de inpandige bodemkwaliteit afwijkt van de uitpandige bodemkwaliteit. Bij percentages bodemvreemd materiaal van meer dan 50% is er geen sprake van bodem. Eventuele funderingslagen (asfalt- en puingranulaat) vallen buiten de scope van dit onderzoek. Het opgeboorde materiaal wordt wel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. In geval er sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal/puin is norm NEN 5897+C2 van toepassing: “Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat” NNI Delft, december 2017. Bij het verkennend bodemonderzoek worden de volgende uitgangspunten in acht genomen: - in door mensen bewoonde gebieden kunnen door jarenlang gebruik van de grond verhoogde gehalten aan PAK en/of zware metalen voorkomen. Deze worden over het algemeen aangeduid als lokale achtergrondwaarden. Deze gehalten zijn vaak gerelateerd aan het voorkomen van puin- en/of kooldeeltjes in de bodem - in humeuze of veenhoudende bodems worden regelmatig verhoogde gehalten minerale olie waargenomen.
Deze gehalten worden veroorzaakt door humuszuren en overig organisch materiaal, dat van nature aanwezig is en door een florisilbehandeling niet geheel wordt verwijderd. Tijdens chemische analyses worden deze verbindingen gedetecteerd als de zware fractie van minerale olie (C27 tot C40). Bij veenbodems betreft het gehalten van 50 tot 100 mg/kg droge stof; bij humeuze bodemlagen gaat het om bijdrages van 10 tot 50 mg/kg droge stof. Deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden - in het grondwater kunnen van nature verhoogde gehalten aan zware metalen en fenolen voorkomen. Deze worden doorgaans aangeduid als natuurlijke achtergrondwaarden. Een voorbeeld wordt gevormd door (sterk) verhoogde arseengehalten in gebieden, die zeer ijzerrijk zijn. Door kwel kunnen bij hoge grondwaterstanden eveneens verhoogde gehalten aan arseen in de grond ontstaan. Ook deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden. Kruse Milieu BV
Project: 21021416
Pagina 4 van 14
3.2
Veldwerkzaamheden
Bij de boringen en monsternemingen is gewerkt volgens de geldende NEN- en NPR-voorschriften, alsmede conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001 en 2002, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Op een terreindeel met een oppervlakte van circa 3200 m² worden in totaal 13 inspectiegaten gegraven met een lengte en een breedte van minimaal 0.3 meter (er wordt doorgeboord tot op de ondergrond (ongeroerde bodem) met een maximum diepte van 2.0 meter minus maaiveld). Het opgegraven materiaal wordt uitgezeefd over 20 mm en visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbest. De gaten worden handmatig met een schop gegraven. De inspectiegaten worden over het te onderzoeken terreindeel verdeeld. Drie inspectiegaten worden met behulp van een Edelmanboor doorgezet in de ondergrond tot maximaal 2.0 m-mv. Voor het meten van het grondwaterpeil en het nemen van grondwatermonsters op de locatie wordt één diepe boring overeenkomstig NEN 5766 afgewerkt tot peilbuis. Van elk monsterpunt wordt de samenstelling van de bodem beschreven volgens NEN 5104. Het opgeboorde materiaal wordt tevens beoordeeld door zintuiglijke waarneming op verontreinigingskenmerken zoals afwijkende geur en/of kleur. 3.3
Analyses
De chemische analyses worden uitgevoerd door Eurofins Analytico BV te Barneveld, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor analyses conform de AS3000-protocollen. De asbestmonsters worden onderzocht door Eurofins Omegam in Amsterdam, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor vezelonderzoek. Voor het uitvoeren van deze analyses worden in dit verkennend onderzoek 6 grondmengmonsters samengesteld (waarvan 3 mengmonsters van de fijne fractie) en er worden 2 grondwatermonsters genomen. De samenstelling van de mengmonsters vindt plaats op basis van de zintuiglijke waarnemingen, de bodemopbouw en/of posities van de boringen. De samenstelling van de mengmonsters staat vermeld in paragraaf 4.2 in tabel 3. De monsters worden volgens de voorschriften uit NEN 5740 en NEN 5707 onderzocht. In tabel 1 is weergegeven welke analyses worden uitgevoerd. Tabel 1: Analysepakket per (meng)monster Monster
Analysepakket
Bovengrond (2x) Ondergrond (1x)
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, PCB, PAK (10), organisch stof, lutum en droge stof
Bovengrond (3x)
Asbest en droge stof
Grondwater (1x)
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX), naftaleen, styreen en gechloreerde koolwaterstoffen (oplosmiddelen standaardpakket), zuurgraad (pH), elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting
Algemene opmerkingen - Op de grondmengmonsters wordt standaard een florisilbehandeling uitgevoerd om verstoring van de analyse op minerale olie door natuurlijke humuszuren tegen te gaan. - De zuurgraad (pH), het elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting, van het grondwater worden in het veld gemeten. Filtratie van het grondwater voor de metalenanalyse vindt eveneens in het veld plaats. Kruse Milieu BV
Project: 21021416
Pagina 5 van 14
3.4
Toetsing chemische analyses
De resultaten van de chemische analyses uit het bodemonderzoek worden beoordeeld aan de hand van de gecorrigeerde achtergrond-, streef- en interventiewaarden voor verontreinigingen in de bodem uit de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en tabel 1 van bijlage B, Regeling bodemkwaliteit van het ministerie van I&M. De achtergrondwaarden voor grond zijn vastgelegd in de Regeling bodemkwaliteit (Staatsblad, 22 november 2012). De interventiewaarden voor grond en grondwater zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering. De toetsing aan de eisen in de Wet Bodembescherming en de Circulaire Bodemsanering is beoogd om te beoordelen of er sprake is van een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en/of het milieu. Hierbij worden de volgende waarden onderscheiden: achtergrondwaarde (AW) voor grond: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van de grond; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; streefwaarde (S) voor grondwater: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van het grondwater; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; interventiewaarde bodem (I): het niveau waarbij de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, plant of dier ernstig verminderd zijn of ernstig bedreigd worden; bij overschrijding wordt gesproken van een sterke verontreiniging.
tussenwaarde (T): Gelijk aan het gemiddelde van de achtergrond- of streefwaarde en de interventiewaarde, dus (A+I)/2 (grond) of (S+I)/2 (grondwater). Wanneer bij een verkennend onderzoek een component met concentratie boven deze waarde wordt gevonden is in principe een nader onderzoek nodig. Bij de toetsing van de analyseresultaten aan de landelijke achtergrondwaarden en de Interventiewaarden worden deze eerst omgerekend naar een gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD). Bij de toetsing van de grondresultaten wordt daarbij gebruik gemaakt van de gemeten percentages lutum en organische stof in de grond(meng)monsters. De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn volgens BoToVa getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden. Het toetsingsresultaat is overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner of gelijk aan AW of S; * concentratie groter dan AW of S en kleiner of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner of gelijk aan I. *** concentratie groter dan I. Een locatie wordt als verontreinigd beschouwd als de GSSD groter is dan de achtergrondwaarde of streefwaarde. Voor een aantal stoffen kan de rapportagegrens bepalend zijn voor de achtergrondwaarde of streefwaarde.
De locatie wordt niet verontreinigd verklaard als geen van de onderzochte stoffen in de bodem aanwezig is met een concentratie hoger dan de achtergrondwaarde of streefwaarde. De resultaten van eventuele PFAS-analyses worden getoetst aan de achtergrondwaarden in de landbodem genoemd in het “Tijdelijk Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” (geactualiseerde versie 2 juli 2020) van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, alsmede aan de sinds 5 maart 2020 door het RIVM afgeleide INEV’s (Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreinigingen) voor de stoffen PFOS, PFOA en GenX in grond en grondwater.
Kruse Milieu BV
Project: 21021416
Pagina 6 van 14
3.5
Toetsing asbestanalyses
De resultaten van de asbestanalyses worden getoetst aan de wetgeving inzake asbest in bodem en puin welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen. De restconcentratienorm beschrijft de concentratie asbest, waaronder hergebruik nog is toegestaan. De interventiewaarde beschrijft de concentratie asbest in bodem, waarboven in principe gesaneerd dient te worden. Voor asbest is de restconcentratienorm gelijk aan de interventiewaarde en deze waarde bedraagt 100 mg/kg gewogen asbest. De gewogen concentratie asbest is gelijk aan de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met 10 maal de concentratie amfiboolasbest. Voor puinverhardingen dient de asbestconcentratie te worden getoetst aan de normen uit het Besluit Asbestwegen Wet Milieugevaarlijke Stoffen (WMS). Hierin wordt tevens een restconcentratie van 100 mg/kg gewogen asbest genoemd. Bij boringen < 0.35 meter diameter: indien in het opgeboorde materiaal uit minimaal één boring binnen een (deel)locatie asbest wordt aangetroffen, dan is aanvullend asbestonderzoek verplicht. Indien in de boringen binnen een (deel)locatie geen asbest wordt aangetroffen, dan is aanvullend asbestonderzoek niet verplicht.
Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de interventiewaarde is bij een verkennend asbestonderzoek een nader onderzoek asbest verplicht. De hoogste bepaalde waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Bij een nader asbestonderzoek wordt getoetst aan de interventiewaarde. Alleen indien in het verkennend bodemonderzoek de onderzoeksintensiteit (hoeveelheid geïnspecteerde grond in de gaten en het aantal analyses) op hetzelfde niveau zit als het nader asbestonderzoek, dan is een directe toetsing aan de interventiewaarde mogelijk. Indien overschrijding van de restconcentratienorm plaatsvindt, dan dienen werkzaamheden met de betreffende bodem/puinverharding plaats te vinden onder asbestcondities. Bij asbestconcentraties lager dan de restconcentratienorm zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk bij be- en verwerking van de grond of puinverharding.
Kruse Milieu BV
Project: 21021416
Pagina 7 van 14
4
Resultaten 4.1
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de veldwerkzaamheden en de analyseresultaten. De uitgevoerde veldwerkzaamheden en waarnemingen, de samenstelling van de mengmonsters en de grondwatergegevens worden beschreven in paragraaf 4.2. De resultaten van de chemische analyses worden weergegeven in paragraaf 4.3 en in paragraaf 4.4 worden de resultaten besproken. De resultaten van de asbestanalyses worden weergegeven in paragraaf 4.5. 4.2
Veldwerkzaamheden
De veldwerkzaamheden zijn in april en mei 2021 uitgevoerd door de heren R. Veltmaat en N. Pepping. De veldwerkers zijn conform BRL SIKB 2000 gecertificeerd en erkend (certificaatnummer K44441/08). Er zijn op 26 april 2021, na maaiveldinspectie, in totaal 13 inspectiegaten met een schop gegraven (boring 1 tot en met 13). Drie boringen zijn met behulp van een Edelmanboor verdiept en 1 boring is met behulp van een zuigerboor doorgezet tot 3.4 m-mv en afgewerkt met een peilbuis (PB 1). Boring 2 is circa 8 meter ten zuiden van de geplande boring verplaatst in verband met beton. Boring 9 is op 0.6 m-mv gestaakt op kabels en leidingen. Opgemerkt dient te worden dat het maaiveld, vanwege de aanwezigheid van gras, planten, tegels, klinkers en beton, niet (goed) geïnspecteerd kon worden. Er is sprake van een indicatieve maaiveldinspectie. Eventuele kleine asbestverdachte fragmenten kunnen hierdoor niet zijn opgemerkt. De weersomstandigheden tijdens de inspectie waren goed (goed zicht, geen neerslag). De situering van de monsterpunten is weergegeven op de situatieschets van bijlage I. Tijdens de boorwerkzaamheden is de bodemopbouw beschreven en is de grond zintuiglijk beoordeeld op eventuele aanwezigheid van verontreinigingen. De boorbeschrijvingen zijn weergegeven in bijlage II. De bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat globaal uit matig fijn zand.
In de boven- en ondergrond zijn roesthoudende lagen aangetroffen. Er zijn bodemvreemde materialen waargenomen. Deze zijn in tabel 2 weergegeven. Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen in de bodem waargenomen. Tabel 2: Weergave bodemvreemde materialen. Boring
Diepte (m-mv) Waarneming
2
0 - 0.9
Sporen baksteen
10
0.05 - 0.6
Sporen baksteen
11
0.07 - 0.5
Sporen baksteen
12
0.2 - 0.6
Sporen baksteen
13
0.05 - 0.8
Sporen baksteen
Op basis van de zintuiglijke waarnemingen, bodemsamenstelling en/of geografische positie van de boringen zijn de (meng)monsters samengesteld, zoals in tabel 3 staat omschreven.
Kruse Milieu BV
Project: 21021416
Pagina 8 van 14
Tabel 3: Samenstelling (meng)monsters. (Meng)monster
Boringnummer
Traject (diepte in m -mv)
Analyse
BG I (sporen baksteen)
2 10 11 12 13
0 - 0.5 0.05 - 0.55 0.07 - 0.5 0.2 - 0.6 0.05 - 0.5
NEN 5740standaardpakket
BG II (visueel schoon)
3, 4, 5, 6, 7 en 8 9
0 - 0.5 0.05 - 0.55
NEN 5740standaardpakket
OG I (visueel schoon)
1 1 1 2 2 3
0.4 - 0.9 0.9 - 1.4 1.4 - 1.9 0.9 - 1.4 1.4 - 1.8 1.8 - 2.1
NEN 5740standaardpakket
MM FF - 01
3, 4, 5 en 6
0 - 0.5
Asbest
MM FF - 02
1 7 en 8 9
0.2 - 0.4 0 - 0.5 0.05 - 0.6
Asbest
MM FF - 03
2 10 11 12 13
0 - 0.5 0.05 - 0.6 0.07 - 0.5 0.2 - 0.6 0.05 - 0.5
Asbest
Boring 1 is doorgezet tot 3.4 m-mv. Wanneer het grondwater werd bereikt, werd een zuigerboor gebruikt om een PVC-peilbuis te kunnen plaatsen. Een peilbuis bestaat normaliter uit een filter met een lengte van 1.0 meter, gekoppeld aan een blinde stijgbuis. Ter hoogte van het filter, met een diameter van 28 x 32 mm, is filtergrind in het boorgat gestort. Rondom het filter is een filterkous aangebracht. Er is bentoniet in het boorgat gestort om directe indringing van hemelwater in het filter tegen te gaan. De rest van het boorgat is opgevuld met het oorspronkelijke bodemmateriaal. Vervolgens is de peilbuis doorgepompt. Op 3 mei 2021 is de peilbuis bemonsterd. Het voorpompen en bemonsteren heeft conform NEN 5744 plaatsgevonden met een laag debiet (tussen 100 en 500 ml/min). Er is op toegezien dat de grondwaterstand tijdens het voorpompen niet meer dan 50 cm is gedaald en dat er is bemonsterd met hetzelfde (of lager) debiet als waarmee is voorgepompt (bemonstering maximaal 200 ml/min in verband met vluchtige stoffen). De grondwatergegevens staan weergegeven in tabel 4. Tabel 4: Weergave gegevens grondwater. Peilbuis
Filterstelling (m-mv)
Grondwaterstand (m-mv)
pH (-)
PB 1
2.40 - 3.40
1.75
5.8
EC Troebelheid Toestroming (μS/cm) (NTU) 310
0.45
Goed
De waarden voor de pH, de EC en de troebelheid worden normaal geacht.
Kruse Milieu BV
Project: 21021416
Pagina 9 van 14
4.3
Resultaten en toetsing van de chemische analyses
In algemene zin dient opgemerkt te worden dat indien de analyses van de grondmonsters zijn uitgevoerd op mengmonsters, dit kan betekenen dat de gehaltes hoger kunnen zijn in de individuele monsters. De analyseresultaten en de toetsingstabellen zijn weergegeven in bijlage III. Bij de toetsing van de analyseresultaten aan de landelijke achtergrondwaarden en de interventiewaarden worden deze eerst omgerekend naar een gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD). Bij de toetsing van de grondresultaten wordt daarbij gebruik gemaakt van de gemeten percentages lutum en organische stof in de grond(meng)monsters. De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn volgens BoToVa getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden. In de bovengrond (BG I) en in het grondwater (PB 1) zijn zeer licht verhoogde concentraties aangetoond. Deze zijn weergegeven in tabel 5. In de bovengrond (BG II) en in de ondergrond (OG) zijn geen verhoogde gehalten gemeten. Tabel 5: Verhoogde concentraties (mg/kg droge stof of μg/l).
1
Monster
Component
Gemeten concentratie
GSSD
Achtergrondwaarde1 of Streefwaarde
Interventiewaarde
Bovengrond BG I
Kwik Lood
0.11 37
0.1572 * 57.71 *
0.15 50
36 530
Peilbuis 1
Barium Minerale olie
55 54
55 * 54 *
50 50
625 600
AW2000
In de vierde kolom van tabel 5 wordt het toetsingsresultaat overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner of gelijk aan AW of S; * concentratie groter dan AW of S en kleiner of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner of gelijk aan I; *** concentratie groter dan I. 4.4