Bijlagen motivering Bijlage 2 M.e.r.-beoordeling
Tekst van het document
Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling Geesteren, Vriezenveenseweg BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 1 NOTITIE 1. INLEIDING Voorliggende aanmeldnotitie m.e.r-beoordeling heeft betrekking op de locatie aan de Vriezenveensweg te Geesteren. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, is een wijziging van het omgevingsplan voor een Tijdelijk Alternatieve Maatregel omgevingsplan vereist. Vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is een toets van de effecten van het plan op het milieu noodzakelijk. In dit document worden de mi lieueffecten van deze ontwikkeling beschouwd. Eerst wordt een nadere toelichting op de wetgeving omtrent de milieueffectrapportage gegeven. Milieueffectrapportage Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld . De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). In afdeling 16.4 van de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt in de plan -mer(beoordeling) (paragraaf 16.4 .1) en de project -mer(beoordeling) (paragraaf 16.4.2). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een project mer-plichtig of mer - beoordelingsplichtig is.
In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • In kolom 1 staan de projecten opgesomd; • In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; • In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; • Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer -verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. Indien een plan (meestal een wijziging van het omgevingsplan) wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project-mer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan -mer aan de orde (artik el 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als voor een plan of programma een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op l okaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan -mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.
Op grond van Artikel 11.8 (bijzonder heden bij besluiten bij mer -(beoordelings)plichtige projecten) van het Omgevingsbesluit wordt een omgevingsvergunning voor een Tijdelijke Alternatieve Maatregel omgevingsplan aangemerkt als het besluit, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, van de wet, in plaats van het besluit tot vaststelling van een omgevingsplan, bedoeld in bijlage V, kolom 4. In dat geval is de omgevingsvergunning kaderstellend en dus mer-(beoordelings)plichtig. Bij een plan -mer-beoordeling oordeelt het bevoegd gezag of er sprake is van een aanzienlijke milieugevolgen aan de hand van de criteria van bijlage II bij de smb -richtlijn (artikel 16.35 lid 5 Ow). Hiervoor worden de volgende instanties en bestuursorganen geraadpleegd: Onderwerp: Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling Vriezenveensweg Auteur: BJZ.nu Datum: 20 november 2025 Status: Ontwerp
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 2 a. de bestuursorganen en instanties die op grond van een wettelijk voorschrift adviseren over de besluiten, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, waarvoor het plan of programma het kader vormt, en b. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, Onze Minister v oor Natuur en Stikstof, Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of in plaats van de betrokken minister een door hem aangewezen bestuursorgaan. Inhoudelijk mag de plan -mer-beoordeling echter gelijk zijn aan de project -mer-beoordeling (AbRS 19 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1054). Inhoud en doel van de m.e.r.-beoordeling Inhoudelijk gaat de m.e.r.-beoordeling in op de mogelijke aanzienlijke milieueffecten als gevolg van het initiatief. Deze aanzienlijke milieueffecten worden beoordeeld aan de hand van de selectiecriteria opgesomd in Bijlage III van de EEG-richtlijn Milieueffectbeoordeling, die drie hoofdthema’s noemt: • De kenmerken van het project; • De plaats van het project (ligging en samenhang met andere activiteiten (cumulatie)); • De kenmerken van de potentiele nadelige effecten voor het milieu die het project kan hebben. Het doel van de notitie is om op objectieve wijze informatie over mogelijke, relevante milieugevolgen van het project te verzamelen en te presenteren. Betrokken partijen Bij het pr oject zijn diverse partijen betrokken.
De ontwikkeling is een gemeentelijk initiatief. Voor het vaststellen van het wijzigingsbesluit van de omgevingsvergunning is de gemeenteraad van de gemeente Tubbergen het bevoegd gezag. Daarnaast worden de provincie Overijssel., het waterschap Vechtstromen en eventueel andere vooroverlegpartners gedurende het proces bij het project betrokken en zal het concept wijzigingsbesluit in het kader van vooroverleg naar deze partijen worden toegezonden. Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt het voor genomen project beschreven. Daarbij komen aanleiding, achtergronden en uitgangspunten aan bod. Hoofdstuk 3 gaat in op de mogelijke milieueffecten van het project. In hoofdstuk 4 wordt bij wijze van samenvatting de beoordeling gedaan van de omstandigheden van het voorgenomen project . Hierin wordt tevens de conclusie van de vormvrije m.e.r. -beoordeling beschreven. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 3 2. KENMERKEN VAN HET VOORGENOMEN PROJECT Dit hoofdstuk gaat in op de voorgenomen ontwikkeling, het plangebied en eventuele (samenhangende) ontwikkelingen in de omgeving waarmee rekening dient te worden gehouden. Voorgenomen ontwikkeling Overnemen uit ruimtelijke onderbouwing Locatiekenmerken Het plangebied bevindt zich ten westen van de kern Geesteren, in het buitengebied van de gemeente. De gronden staan kadastraal bekend als gemeente Tubbergen, sectie K met perceelnummers 9213, 9490 en 10538.
In afbeelding 1.1 is de ligging van het plangebied ten opzichte van Tubbergen en de (directe) omgeving weergegeven. Het plangebied is met een rode ster en rode omlijning aangeduid. Afbeelding 1: Ligging van het plangebied (Bron: PDOK Viewer) Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen De ontwikkeling van de voorziene activiteiten legt geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen. Tijdens de sloopfase, het bouw- en woonrijp maken van de gronden is grondverzet nodig. Tijdens de gebruiksfase zullen elektriciteit en water nodig zijn. De nieuw te bouwen woningen zullen gasloos gebouwd worden, conform de Wet Voortgang Energietransitie. De woningen zullen in de gebruiksfase leiden tot afvalstoffen (huisvuil, snoeiafval e.d.). Deze afvalstoffen zullen op de daarvoor van toepassing zijnde regelementen worden afgevoerd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 4 Verontreiniging en hinder Tijdens de sloop- en aanlegfase zal sprake zijn van tijdelijke verkeers- en geluidhinder van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden op locatie. Het gaat dan om geluid en stof vanuit de bouwplaats en bouwverkeer van en naar het projectgebied. Vanwege de ligging is er geen noodzaak om verkeer tijdelijk om te leiden, met de daarbij behorende effecten. Na afronding van de bouwwerkzaamheden zal de genoemde tijdelijke hinder volledig vervallen. In de gebruiksfase zullen ten gevolge van de activiteiten geen aanzienlijke milieueffecten plaatsvinden. Voor meer informatie met betrekking tot milieu zie hoofdstuk 3. Er is voor dit project een ecologische quickscan uitgevoerd. Daaruit is gebleken dat er met dit project geen afbreuk is van de natuur. Tevens is er een stikstofberekening uitgevoerd . Uit onderzoek is gebleken dat er geen sprake is van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000- gebieden. Meer informatie over natuur en stikstof staat bes chreven in hoofdstuk 3 van deze aanmeldnotitie. Risico op ongevallen, specifiek met gevaarlijke stoffen of technologieën De beoogde ontwikkeling zorgt niet voor een toename van risico’s voor de omgeving. Er worden geen gevaarlijke stoffen geproduceerd, opgeslagen of vervoerd. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 5 3.
BESCHRIJVING VAN DE MILIEUEFFECTEN Voor de vormvrije m.e.r. -beoordeling zijn de mogelijk negat ieve milieueffecten van het voor genomen project relevant. Zoals in het vorige hoofdstuk is aangegeven, gaat het om de bouw van 20 woningen. Relevante milieuaspecten zijn verkeer, geluid, luchtkwaliteit, wat er, trillingen, ecologie, waaronder ook specifiek de stikstofdepositie op Natura 2000 -gebieden. In dit hoofdstuk worden de te verwachten (tijdelijke) effecten per aspect beschreven. Verder wordt ingegaan op tijdelijke hinder als gevolg van de ontwikkeling. Voor een aantal van deze aspecten zijn onderzoeken uitgevoerd. De conclusies van deze onderzoeken zijn samengevat in onderstaande alinea’s. Verkeer Om de verkeersgeneratie te bepalen wordt aangesloten bij de CROW -publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)'. Op basis van dez e publicatie kan per functie de verkeersgeneratie als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling worden berekend. Bij iedere functie wordt in de CROW -publicatie een maximum en minimum genoemd. Dit is de bandbreedte. In voorliggend geval zal van het gemiddelde worden uitgegaan. Om de verkeersgeneratie te berekenen dienen ten eerste de stedelijkheidsgraad en de stedelijke zone te worden bepaald. De mate van stedelijkheid is gebaseerd op de omgevingadressendichtheid (oad) van het CBS.
De oad wordt uitgedrukt in het aantal adressen per vierkante kilometer. Geesteren wordt hierin getypeerd als niet stedelijk gebied. Het plangebied ligt aan de rand van de kern Geesteren, waardoor wordt uitgegaan van de stedelijke zone ‘rest bebouwde kom’ . Op basis van te hanteren uitgangspunten ontstaat er het volgende beeld voor wat betreft de verkeersgeneratie: Type woning Verkeersgeneratie per woning Aantal woningen Totaal Koop, huis, tussen 2,4 11 82 Gelet op het vorenstaande is er sprake van een verkeersgeneratie van afgerond 145 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. Zoals in hoofdstuk 3 van de motivering is uitgewerkt zal ter plaatse van het plangebied twee ontsluitingen op de Vinckenweg worden gerealiseerd. De Vinckenweg is een doorgaande weg waarbij het verkeer eenvo udig in verschillende richtingen op kan gaan. Daarnast dient te worden opgemerkt dat de Vinckenweg een verkeersveilige en overzichtelijke weg is. Het effect van het voorgenomen project op het aspect ‘verkeer’ wordt op niet significant ingeschaald. Geluid Woningen zijn niet opgenomen in de VNG -uitgave bedrijven en milieuzonering , omdat ze in beginsel niet aan te merken zijn als milieubelastende objecten. In voorliggend geval zal wel sprake zijn van enig geluid als gevolg van de woonfuncties (leefgeluiden). Voor dergelijke geluiden gelden echter geen normen.
Gelet op de afstand van het plangebied ten opzichte van omliggende woningen zal dit verder niet voor belemmeringen zorgen. Daarnaast zal de aanlegfase (de bouw van de woningen) gepaard gaan met de productie van geluid. Deze geluidproductie is tijdelijk van aard en zal zoveel mogelijk worden beperkt. Uit het onderzoek is gebleken dat met name het gebruik van de geluidinstallatie voor hoge geluidniveaus zorgt. Daarbij worden de g renswaarden volgens de Bruidsschat overschreden. De mogelijkheden om de overschrijdingen weg te nemen zijn beperkt. Met een betere verdeling van de geluidboxen kan d e situatie zoveel als mogelijk worden geoptimaliseerd, maar er blijft sprake van overschrijdingen. Het is mogelijk om met maatwerkvoorschriften hogere langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus toe te staan. In dat geval moet wel aandacht worden besteed aan de geluidwering van de gevels. Deze geluidwering moet, bij een geoptimaliseerde verdeling van de geluidboxen, 26 dB(A) zijn bij de hoogst belaste nieuwe woning. Een dergelijke geluidwering is realiseerbaar bij nieuwe woningen. Het bevoegd gezag kan, op grond van het incidentele karakter van de overschrijdingen door muziekgeluid afwegen dat de overschrijdingen alsnog aanvaardbaar zijn en maatwerkvoorschriften hanteren.
Het is van belang dat daarvoor ook overeenstemming met de vereniging wordt bereikt over een geoptimaliseerde verdeling van de geluidboxen. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 6 In de regels van dit TAM omgevingsplan i s aangegeven dat er 20 maal per jaar een overschrijding wordt toegestaan. Geconcludeerd wordt dat het aspect geluid niet leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan besch reven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de b uitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • er is geen sprake van een f.;;eitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de l uchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook komen te vervallen.
De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM -tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bi jdraagt aan de luchtverontreiniging.
Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. Aandachtsgebieden (toevoegen indien van toepassing in de gemeente) Aandachtsgebieden zijn locaties met h ogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worde n beoordeeld: • bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit’ • bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; • bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. Beoordeling Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de standaardgevallen NIBM (artikel 5.54 Bkl), kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging als effect op de omgeving. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 7 Water Door de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling kan samengaan met effecten op de waterhuishouding. Het voorliggend gaat niet gepaard met negatieve effecten op de waterhuishouding, zoals hieronder wordt weergegeven per relevant wateraspect.
Wateroverlast Het hemel zal in de grond infiltreren toestromen. Waterkwaliteit Er worden geen materialen geloosd waardoor het afstromende hemelwater verontreinigd zou kunnen worden. Riolering en Afvalwaterketen Het afvalwater zal worden aangesloten op de bestaande riolering ter plaatse. Regenwater wordt gescheiden van het afvalwater afgevoerd. Grondwaterbeheer Het plangebied bevind zich niet in de zonering waterwingebieden Drenthe of Overijssel óf in grondwaterbeschermingsgebieden Overijssel. Het effect van het voorgenomen project op de waterhuishouding wordt op ‘niet significant.’ ingeschaald. Ecologie In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000 -gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl. Gebiedsbescherming Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000 -gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Een ruimtelijk plan dat sign ificante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000 -gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verk regen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000- activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Beoordeling Het plangebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Engbertsdijksvenen” ligt op circa 4,3 kilometer afstand van het projectgebied.
Gezien de afstand van het projectgebied tot Natura 2000 en de aard en omvang van voorliggend initiatief wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van direct significant negatieve effecten, zoals geluidshinder en lichthinder. Wel is in het kader van Natura 2000 de stikstofdepositie van belang. Om de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor Natura 2000-gebieden in kaart te brengen is een AERIUS berekening uitgevoerd door ruimtelijk adviesbureau BJZ.nu1. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. 1 Stikstofrapportage BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 8 Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natu ra 2000-gebieden. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het plangebied ligt niet binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gezien het feit dat sprake is van een ontwikkeling buiten het NNN en gezien de aard en omvang van dit plan wordt geconcludeerd dat er met de voorgenomen ontwikkeling geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier - en plantsoorten beschermd.
De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel - en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soor tenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet - en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2 .18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • er soorten aanwezig zijn; en • welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Om de wettelijke consequenties van de voorliggende in beeld te brengen, is door Ecofect een quickscan natuurwaardenonderzoek2 uitgevoerd. Op basis van de beschikbare informatie kan geconcludeerd worden dat aanvullend onderzoek wat betreft flora en fauna niet benodigd wordt geacht. Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Het effect van het voorgenomen project op de natuur wordt op ‘niet significant.’ ingeschat. Cumulatie Cumulatie van effecten treedt op wanneer werkzaamheden in direct omliggende gebieden vergelijkbare effecten veroorzaken met de hierboven beschreven effecten en in dezelfde periode worden uitgevoerd. In voorliggend geval zijn in de directe omgeving geen ruimtelijke ontwikkelingen gaande die belangrijke milieueffecten met zich meebrengen. Cumulatie is daarom niet aan de orde. 2 Quickscan ecologie BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 9 4. CONCLUSIE Dit hoofdstuk dient als samenvatting van de conclusies van de hoofdstukken 2 en 3. In dit hoofdstuk wordt de voorgenomen activiteit aan onderstaande criteria getoetst en een eindafweging gemaakt. 1. De kenmerken van de activiteit; 2. De plaats van de activiteit; 3. De samenhang met andere activiteiten (cumulatie); 4. De kenmerken van de aanzienlijke milieueffecten die het project kan hebben. Kenmerken van de activiteit Het voorgenomen project betreft het realiseren van 20 woningen. Bij de kenmerken van de activiteit dient in het bijzonder in overweging te worden genoemd: • De omvang van het project; • Hinder. Omvang Met een omvang van de woningbouw aan de Vriezenveenseweg te Geesteren betreft het een ontwikkeling die ruim beneden de gevallen/drempelwaarden van de plan m.e.r.-plicht blijft.
Hinder Tijdens de uitvoering van het voor genomen project kunnen flora en fauna hinder ondervinden van de (bouw)werkzaamheden. Geconstateerd is dat de hinder voor omwonenden slechts tijdelijk is. Uit het onderzoek naar stikstofdepositie is gebleken dat de voorgen omen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Plaats van de activiteit Het projectgebied ligt geheel binnen het grondgebied van de gemeente Tubbergen. Gezien de definitie uit de B kl kan worden geconcludeerd dat het projectgebied onderdeel uitmaakt van het bestaand stedelijk gebied. De voorgenomen activiteit is niet gelegen in beschermd gebied in het kader van natuur en er zijn geen waardevolle groenstructuren aanwezig. Samenhang met andere activiteiten ter plaatse Er vinden in de directe omgeving van het projectgebied geen andere (grootschalige) ontwikkelingen plaats waarmee rekening dient te worden gehouden. Kenmerken van de aanzienlijke milieueffecten Voor de beoordeling van eventuele aanzienlijke milieueffecten van het voorgenomen project moet, daar waar opportuun, rekenschap worden gegeven aan de volgende zaken: ▪ Het bereik van het effect (geografische zone en de grootte van de getroffen bevolking); ▪ Het grensoverschrijdende karakter van het effect; ▪ De waarschijnlijkheid van het effect; ▪ De duur, frequentie en de onomkeerbaarheid van het effect.
Uit hoofdstuk 3 is gebleken dat de ontwikkeling op de relevante milieuaspecten verkeer, geluid, luchtkwaliteit, water en stikstof geen belangrijke structurele nadelige en onomkeerbare milieugevolgen met zich meebrengt. De ontwikkeling gaat ten slotte gepaard met tijdelijke hinder als gevolg van bouwwerkzaamheden, maar deze zullen na afronding volledig vervallen. Maatregelen ter vermindering van potentiële effecten (samenvattend) Milieueffecten van de ontwikkeling van het projectgebied kunnen niet geheel worden voorkomen. De mate waarin de milieueffecten optreden kan wel gemitigeerd worden. De milieueffecten zijn zodanig ingeschat dat maatregelen niet noodzakelijk worden geacht. Conclusie vormvrije m.e.r.-beoordeling De vormvrije m.e.r.-beoordeling maakt duidelijk dat de milieueffecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beperkt zijn en dat er geen sprake is van een bijzondere o mstandigheid die het opstellen van een plan-m.e.r. noodzakelijk maakt.