CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Weemselerveld fase 4, Albergen.pdf

Gemeenteraad Tubbergen 21 juni 2022, gemeente TubbergenBij agendapunt: 8: Bestemmingsplan 'Weemselerveld fase 4, Albergen'29.109 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

30

bestemmingsplan Weemselerveld fase 4, Albergen

Figuur 3.7: uitsnede waardenkaart omgevingsvisie, plangebied rood omcirkeld De waarden bij het kenmerk 'Gericht op ontwikkeling door lage waarde en hoge dynamiek' luiden als volgt: open met vergezichten; efficiënt agrarisch landschap; kavelsloten; wegen met bomenrijen; moderne erfopzet. Bij ontwikkeling dient ingespeeld te worden op: de schaal van het landschap; het agrarische karakter; gemengde functies; bouwwijze en inrichting die in de directe omgeving gebruikelijk is; opgeruimd landschap; geclusterde bebouwing; heldere structuren; verbeteren van de biodiversiteit; vasthouden van water. Het voorliggend plan is een invulling van een uitbreidingslocatie ten behoeve van woningbouw in Albergen. Het plan geeft hiermee invulling aan een lokale behoefte voor woningen. Het type woningen is afgestemd op de woonvisie en woningmarktanalyse van de gemeente Tubbergen. Qua ontwikkeling wordt zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de gebiedskenmerken zoals aangegeven voor het gebied. De ontwikkeling wordt op een passende wijze in de omgeving opgenomen en draagt bij aan een verbetering van ruimtelijke kwaliteit. Hiermee past het plan binnen de kaders en doelstellingen van de Omgevingsvisie Tubbergen. 3.3.2

Woonvisie 2021+

De 'Woonvisie 2021+' is op 6 juli 2021 door de gemeenteraad van de gemeente Tubbergen vastgesteld. De woonvisie bevat het woonbeleid van de gemeente Tubbergen voor de komende jaren en is gebaseerd op cijfers, trends en ontwikkelingen op de woningmarkt. Met het vaststellen van de woonvisie biedt de gemeenteraad een kwantitatief en kwalitatief kader voor woningbouwontwikkelingen in de gemeente Tubbergen. Woningbouwprogramma Voor de periode 2020-2030 gaat de gemeente uit van een woningbehoefte van 640 woningen. Vanwege de huidige druk op de markt wil de gemeente deze woningbouwopgave zoveel mogelijk tussen 2020 en 2025

bestemmingsplan Weemselerveld fase 4, Albergen

31

realiseren. Daarnaast houdt de gemeente een ruimere plancapaciteit aan dan enkel te koersen op de verwachte woningbehoefte. De ervaring leert dat een deel van de plannen vertraging oploopt of helemaal niet doorgaat. De gemeente wil hier tijdig op kunnen inspelen. Er wordt uitgegaan van een zachte plancapaciteit van 130%, zo'n 830 woningen. De prognose is vertaald in een woningbouwprogramma per kern. De gemeente geeft echter ruimte aan goede plannen die mogelijk de woningbehoefte per kern overstijgt. Hieronder is de woningbehoefte per kern opgenomen.

Figuur 3.8: overzicht behoefte en plancapaciteit kernen gemeente Tubbergen Inbreiding krijgt prioriteit boven uitbreiding In overeenstemming met de Ladder voor duurzame verstedelijking wil de gemeente de nieuwbouwopgave zoveel mogelijk binnen de bebouwde kom op inbreidingslocaties realiseren. Op die manier blijft het buitengebied zo groen mogelijk. In Provinciaal verband (Regionale Woonagenda) is al aangegeven dat voor inbreidingsplannen de komende jaren geen kwantitatieve limiet wordt gesteld. Wel moeten deze plannen kwalitatief getoetst worden. In een aantal kernen zijn de mogelijkheden voor inbreiding beperkt. Bijvoorbeeld omdat inbreiding te zeer ten koste gaat van het dorpse- en landelijke karakter, of omdat er niet of nauwelijks inbreidingslocaties voorhanden zijn. Daarom zet de gemeente zich er voor in dat het ook in de toekomst mogelijk blijft om -uiteraard zo zorgvuldig mogelijk- potentiële locaties aan de randen van de bebouwde kom te benutten. De Regionale Woonagenda biedt ook die ruimte. Kwaliteitskader Woningbouw 2021 Naast de woonvisie is separaat ook een Kwaliteitskader opgesteld. Het geeft een woningbehoefteprofiel per doelgroep op gemeenteniveau en uitgewerkt per kern. Deze profielen zijn richtinggevend voor de toekomstige woningbouwopgave. Voor Albergen is het profiel als volgt: Starters Er is behoefte aan goedkope koopwoningen.

Daarbij moet gestreefd worden naar een grondgebonden woning of woning met grondgebonden uitstraling (boven- / benedenwoning). Daarnaast zoekt een deel van de starters een ruime koopwoning in het (middel)dure segment. Gezinnen/doorstromers Men zoekt vooral een vrijstaande koopwoning. Deze zijn er in potentie voldoende, maar komen nu slechts beperkt beschikbaar. Op dit vlak ligt geen grote nieuwbouwopgave. Senioren Deze groep groeit het sterkst de komende jaren. Men wenst vooral een grondgebonden woning, maar er is ook een substantiële vraag naar appartementen, mits deze op een goede plek staan. Toets Prognoses laten zien dat in de kern Albergen behoefte is aan 95 extra woningen. Met dit bouwplan (45 32

bestemmingsplan Weemselerveld fase 4, Albergen

woningen) wordt het plangebied omgevormd naar een woonlocatie aansluitend op de bestaande kern. Het realiseren van de woningen past binnen de beschikbare contigenten. Ook in kwalitatieve zin moet het voorliggende plan in een behoefte voorzien. Nagenoeg helft van de woonkavels heeft een omvang tot en met 300 m2 (22 kavels). Deze kavels zijn geschikt als kavels voor een starterswoning of seniorenwoning. Het gaat hierbij om de rijwoningen en twee-onder-een-kapwoningen. De prijs per m² is bij dergelijke kavels verhoudingsgewijs lager dan bij de overige ruimere kavels. Het plan bestaat daarnaast deels uit twee-onder-een-kapwoningen (16 kavels) met kaveloppervlakten van 300 m2 tot maximaal 403 m2, daarmee geschikt voor starters die een woning zoeken in het middeldure segment. Op basis van het kwaliteitskader is vraag naar deze kavels. De overige woningen (7 woningen) betreffen woningen voor doorstromers/gezinnen met ruime kavels tot maximaal 604 m2. Ook voor dit segment is kwantitatief beperkt uitbreiding mogelijk op basis van het Kwaliteitskader. In dit geval gaat het om kavels op prominente locaties in het plan, waarop een ruime woning gerealiseerd kan worden. Geconcludeerd wordt dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met het gemeentelijk woonbeleid. 3.3.3

Nota 'De casco benadering in Noordoost-Twente'

De gemeente heeft de beleidsnota 'De casco-benadering in Noordoost-Twente' vastgesteld. Het Nationaal Landschap Noordoost Twente is een gebied met zeldzame en unieke landschapskwaliteiten. Het is een gebied met stuwwallen, bronnen, beken en fraaie cultuurlandschappen. Kernkwaliteit is het waardevolle cultuurlandschap met een variatie in open en een kleinschalig besloten landschap. Schaalvergroting in de grondgebonden landbouw staat op gespannen voet met deze kleinschaligheid. Het verdwijnen van landschapselementen op perceelsgrenzen tast het kleinschalige groene karakter aan en leidt tot een afname van landschapsdiversiteit. De gemeente heeft samen met de provincie Overijssel en de Noordoost-Twentse gemeenten de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Om vorm en inhoud te geven aan deze ambitie is een generieke methode ontwikkeld: de casco benadering. Voor de gemeente is de casco-benadering te gebruiken als beoordelingskader voor ingrepen in het landschap. Aan de hand van de casco-kaart (figuur 3.9) kan bezien worden of landschappelijke structuren deel uitmaken van het casco.

bestemmingsplan Weemselerveld fase 4, Albergen

33

Figuur 3.9: Fragment casco-kaart (bron: www.overijssel.nl/cascokaart) Op basis van de casco-kaart kan vastgesteld worden of het landschapselement tot het casco behoort of niet; daaruit volgen drie mogelijk aanvragen op basis van het casco, dit zijn: 1. Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de cascokaart. 2. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de cascokaart. 3. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de cascokaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie). Toets Het plangebied voor de nieuwe woningen raakt geen van de bestaande elementen op de casco-kaart. De bestaande waardevolle landschapselementen blijven behouden en worden waar mogelijk versterkt. Op de Casco-kaart een nieuw element aangegeven waar mogelijk een versterking plaats kan vinden. Op deze specifieke locatie wordt geen landschapselement gerealiseerd, maar wel ten zuidoosten hiervan op een vergelijkbare strekking in het landschap. Daarmee wordt de karaktistiek van de landschapslementen voortgezet. Realisatie van dit plan heeft geen gevolgen voor de belangrijke landschapselementen. 3.3.4

Welstand

Er is een beeldkwaliteitsplan als bedoeld in artikel 12a van de Woningwet opgesteld (beeldkwaliteitsplan Woningbouw Weemselerweg Albergen), waaraan aanvragen om omgevingsvergunning zullen worden getoetst. In het beeldkwaliteitsplan is onder andere het stedenbouwkundige plan en de gewenste sfeer beschreven, evenals criteria met betrekking tot het uiterlijk (massa, vorm, gevels) van de woningen. Het beeldkwaliteitsplan zal gelijktijdig met onderliggend bestemmingsplan in procedure worden gebracht.

34

bestemmingsplan Weemselerveld fase 4, Albergen

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.

4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets Er wordt middels dit bestemmingsplan een woningbouwontwikkeling voor 45 extra woningen en bijbehorende voorzieningen mogelijk gemaakt. De ontwikkeling is concreet beschreven in hoofdstuk 2 Het huidige gebruik van het plangebied is agrarisch.

Woningbouw wordt in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage aangemerkt als de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject. De m.e.r.- plicht geldt bij projecten van een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De genoemde maximum oppervlakken gelden als drempelwaarden. Het ruimtebeslag van het onderhavige project ligt ruimschoots beneden de drempelwaarde. Conclusie die op grond hiervan getrokken kan worden is dat het onderhavige project niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is. In de nota van toelichting op het Besluit mer wordt het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' geduid. Hier wordt het volgende over gezegd: “Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Er kan overigens geen misverstand over bestaan dat ook «dorpen» hieronder vallen. Wat «stedelijke ontwikkeling» inhoudt kan van regio tot regio verschillen. Van belang hierbij is of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn. Indien bijvoorbeeld een woonwijk wordt afgebroken en er komt een nieuwe voor in de plaats, zal dit in de regel per saldo geen of weinig milieugevolgen hebben.

Bij een uitbreiding zal er eerder sprake kunnen zijn van aanzienlijke gevolgen.” Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder andere de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen daarbij een rol. Of de ontwikkeling per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kan hebben, is daarbij niet relevant. Hoewel de gemeente Tubbergen (het bevoegd gezag) zelf initiatiefnemer is, is volledigheidshalve een aanmeldnotitie m.e.r. opgesteld. De aanmeldnotitie m.e.r. is als Bijlage 3 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Gelet op de uitkomsten van deze aanmeldnotitie, waaruit blijkt dat er als gevolg van het bestemmingsplan geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden is het niet noodzakelijk om een milieueffectrapport op te stellen. Het besluit hiertoe is opgenomen in Bijlage 4.

bestemmingsplan Weemselerveld fase 4, Albergen

35

4.2 Milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In het voorliggende geval is er sprake van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets In de nabijheid van het plangebied zijn de volgende functies aanwezig Adres

Activiteit

richtafstand (m)

Ootmarsumseweg 182

Restaurants, cafetaria's, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d. Buurt- en clubhuizen kinderopvang

10

Weemselerweg 3 Weemselerweg 24 Externe werking

30 30

Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De gewenste woonfunctie betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving. Van onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden, als gevolg van het voornemen, is dan ook geen sprake. Interne werking

36

bestemmingsplan Weemselerveld fase 4, Albergen

Aan de Weemselerweg 3 in Albergen ligt het terrein waarop de incidentele ijsbaan (wanneer weersomstandigheden het toelaten) en de multifuntionele accommodatie Albergen is gelegen. Gezien het incidentele karakter van de ijsbaan is een specifieke milieuzonering niet van toepassing. De betreffende activiteiten op het terrein worden derhalve gezien als 'buurt- en clubhuizen', waarvoor milieucategorie 2 en een grootste richtafstand van 30 meter geldt voor het aspect geluid. De afstand tussen de dichtstbijzijnde nieuwe woning in het plangebied ten opzichte van de gevel van de multifunctionele accommodatie is 57 meter. De onderlnge afstand is daarmee ruim voldoende. Echter is het op basis van het bestemmingsplan mogelijk om ook elders te bouwen binnen het terrein. Daarom wordt in overleg met de gebruikers een beperking aangebracht op het bestemmingsvlak Maatschappelijk, zodat binnen de richtafstand geen bebouwing kan worden opgericht en voldoende afstand tussen woonwijk en maatschappelijk terrein ook planologisch is gewaarborgd. Dit is zichtbaar op de verbeelding van onderhavig bestemmingsplan. De locatie Ootmarsumseweg 182 betreft een horecagelegenheid. De locatie ligt op minimaal 45 meter van het plangebied, waardoor geen sprake is van belemmeringen. Weemselerweg 24 is de locatie van kinderopvang Bambino.

De onderlinge afstand tussen het terrein van de kinderopvang en de dichtstbijzijnde woning betreft minimaal 68 meter. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de benodigde milieuzonering. Op het aspect 'milieuzonering' is er geen sprake van belemmeringen voor uitvoering van het bestemmingsplan. In paragraaf 4.3 wordt nader ingegaan op het aspect geur.

4.3 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.

Toets Er is sprake van een agrarisch bedrijf in de nabijheid (Kloosteresweg 21 in Albergen), waarbij geen sprake is van intensieve veehouderij. De vaste afstanden zijn daardoor relevant. De agrarische bedrijfsgebouwen dienen op grond van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2016' binnen het bouwvlak te worden gerealiseerd. Voor het houden van dieren en het berekenen van de benodigde afstand is daarom de grens van het bouwvlak bepalend. De geurgevoelige objecten binnen het plangebied (de woningen) liggen in de bebouwde kom van Albergen, waardoor uitgegaan dient te worden van een minimale afstand van 100 meter, gemeten vanaf het agrarische bouwvlak. De afstand van de rand van het agrarische bouwvlak tot het plangebied bedraagt meer dan 100 meter, namelijk minimaal circa 137 meter. Buiten het bouwvlak liggen diverse sleufsilo's/kuilvoerplaten. Ook hiervoor gelden specifieke afstanden, die zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer. In het Activiteitenbesluit milieubeheer is bepaald dat het opslaan van kuilvoer plaatsvindt op ten minste 50 meter afstand van een geurgevoelig object. Indien de afstand van het opgeslagen kuilvoer tot een geurgevoelig object minder dan 50 meter bedraagt, is het opslaan van kuilvoer afgedekt, met uitzondering van de periode dat veevoeder aan de veevoederopslag wordt toegevoegd of onttrokken.

Indien de opslag van veevoeder in de open lucht, van gras, snijmaïs of de opslag van veevoederproducten met een droge stofgehalte lager dan 60%, niet zijnde knol of wortelgewassen of fruit, op minder dan 50 meter afstand plaatsvindt van een gevoelig object, is de veevoederopslag afgedekt. De gevoelige objecten (woningen) liggen ruim buiten de 50 meter contour, namelijk minimaal op 200 meter. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan 'Buitengebied 2016' is het bij recht toegestaan om silo's, platen en mestbassins op een afstand van maximaal 75 meter uit het bouwvlak te plaatsen. Ook indien het bestemmingsplan Weemselerveld fase 4, Albergen

37

agrarische bedrijf in de toekomst van deze mogelijkheid gebruikt maakt bedraagt de afstand tot de gevoelige objecten nog altijd minimaal 100 meter. Overigens liggen in het tussengelegen gebied reeds meerdere woningen. Geconcludeerd kan worden dat de woningbouwontwikkeling (zowel de woningen als de daarbij behorende buitenruimte) niet binnen de geurcontour van het agrarische bedrijf aan de Kloosteresweg 21 in Albergen ligt. De agrarische bedrijfsvoering wordt als gevolg van de woningbouwontwikkeling niet belemmerd. Daarnaast kan door de afstand van de woningbouwontwikkeling tot het agrarische bouwvlak en de sleufsilo's/kuilvoerplaten aangenomen worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.4 Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. 4.4.1

Verkennend bodemonderzoek

In opdracht van Gemeente Tubbergen heeft Geofoxx, als onafhankelijk adviesbureau, een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Weemselerweg te Albergen. Ten behoeve van het onderzoek zijn medio januari 2018 veldwerkzaamheden uitgevoerd op het terrein. Het onderzoek heeft tot doel om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) te bepalen. Dit rapport is opgenomen als Bijlage 5. Onderzoeksresultaten: Bij het chemisch onderzoek is in de grond barium aangetoond in een gehalte boven de achtergrondwaarde en een gehalte aan arseen boven de tussenwaarde. Het aangetroffen gehalte aan arseen komt in deze regio vaker voor en is van nature aanwezig. De exacte oorzaak voor het licht verhoogde gehalte aan barium is niet bekend. In het grondwater komen in het gehele onderzoeksgebied licht tot sterk verhoogde concentraties zware metalen voor (nikkel en kobalt). Van zware metalen is het bekend dat deze in de regio vaker in verhoogde concentraties worden aangetroffen in het grondwater. Er is geen reden om aan te nemen dat activiteiten op de locatie hebben geleidt tot een verontreiniging van het grondwater met zware metalen. De verhoogde concentratie zware metalen in het grondwater wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van ijzeroer in de bodem.

Conclusie en advies Bij het chemisch onderzoek zijn verontreinigingen met kobalt en nikkel in het grondwater aangetoond, in concentraties die de interventie/tussenwaarde overschrijden. Op basis van het uitgevoerde onderzoek blijken de verhoogde concentraties te relateren aan het voorkomen van oer in de bodem. In het rapport ‘omgaan met zware metalen in grondwater binnen de provincie Overijssel’ is een beslisschema opgenomen. Wanneer het beslisschema wordt doorlopen, kan bepaald worden welk bevoegd gezag (provincie of gemeente) verantwoordelijk is voor de besluitvorming omtrent de verhoogde concentraties. Gezien het feit dat de verontreiniging veroorzaakt wordt door natuurlijke processen, is de gemeente Tubbergen bevoegd gezag. Als gevolg van deze bevindigen wordt door het bevoegd gezag geadviseerd om terughoudend te zijn met grondwaterontrekkingen binnen het plangebied. 4.4.2

Conclusie

Met inachtneming van de bevindingen vormt het aspect 'bodem' geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig bestemmingsplan.

38

bestemmingsplan Weemselerveld fase 4, Albergen

4.5 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toetsing Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b.

in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). In het kader van de woningbouwontwikkeling is door Munsterhuis Geluidsadvies een akoestisch onderzoek uitgevoerd betreffende het bepalen van de geluidbelasting ter plaatse van de gevels van de geplande woningen aan de Weemselerweg te Albergen, gemeente Tubbergen. Het onderzoek is noodzakelijk inzake de bestemmingsplanwijziging. De volledige rapportage van het akoestisch onderzoek is in Bijlage 6 opgenomen. Initiatiefnemer heeft het voornemen 45 woningen te realiseren binnen het bouwplan Weemselerveld, fase 4 te Albergen. Het onderzoek richt zich op het bepalen van de geluidbelastingen ten gevolge van wegverkeerslawaai op de Ootmarsumseweg (N349) en de Weemselerweg.

De geluidbelastingen zijn vastgesteld door middel van Standaard Rekenmethode II, zoals beschreven in het ‘Reken- en meetvoorschrift Geluid 2012. Uit het onderhavig onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken. Het blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ten gevolge van het wegverkeer op de N349 ter plekke van de gevels ruimschoots onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ligt. De hoogste geluidbelasting bedraagt 41 dB. Daarmee wordt ook voldaan aan de ambitiewaarde uit het gemeentelijk geluidbeleid; Het blijkt dat de gecumuleerde geluidbelasting exclusief aftrek ten gevolge van wegverkeer ter plaatse van de gevels lager is dan 53 dB. Geluidwerende voorzieningen zijn niet noodzakelijk. Railverkeerslawaai Er zijn geen spoorwegen in de omgeving van het plangebied aanwezig. Industrielawaai Ten aanzien van het aspect geluid zijn er geen belemmeringen, aangezien er ruimschoots voldaan wordt aan de benodigde afstand tussen activiteiten en de nieuw te realiseren woningen. In paragraaf 4.2 is dit beschreven. Geconcludeerd wordt dat voor het aspect geluid sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect 'geluid' geen belemmeringen zijn voor uitvoering van het plan.

bestemmingsplan Weemselerveld fase 4, Albergen

39

4.6 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets Met de realisatie van de woningen worden geen nieuwe gevoelige bestemmingen gerealiseerd. Het besluit gevoelige bestemmingen is derhalve niet relevant. Er worden 45 nieuwe woningen, waarvan 24 twee onder een kap woningen, 14 rijwoningen en 7 vrijstaande woningen gerealiseerd.

Dit betekent worst-case dat per dag afgerond 385 extra verkeersbewegingen zullen plaatsvinden.

40

bestemmingsplan Weemselerveld fase 4, Albergen

Figuur 4.2: worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl) Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen op 385 per dag gesteld worden. Er zal geen sprake zijn van vrachtverkeer, waardoor het percentage vrachtverkeer op 0 gezet kan worden. In figuur 4.2 is de worst-case berekening weergegeven met de extra voertuigbewegingen. Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig.

4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Per 1 januari 2010 moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRvgs). Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing.

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op bestemmingsplan Weemselerveld fase 4, Albergen

41

een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Toets Aan de hand van de risicokaart Overijssel (figuur 4.3) is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. De dichtsbijzijnde risicofactor is een buisleiding van de Gasunie, gelegen op een afstand van minimaal 647 meter van het plangebied.

Figuur 4.3: uitsnede risicokaart, plangebied ten opzichte van buisleiding (bron: risicokaart.nl) Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van circa 647 m van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen, Deze dichtstbijzijnde risicobron betreft een buislieiding van de gasunie, met een invloedsgebied dat niet tot het plangebied reikt. Derhalve geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.

4.8 Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld

42

bestemmingsplan Weemselerveld fase 4, Albergen

die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Waterbeheerplan 2016-2021 Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend.

Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst.

Watertoetsproces Door Geofoxx is een waterhuishoudingsplan opgesteld (Bijlage 7), waarin de uitgangspunten ten aanzien van water zijn bepaald. Doelstelling van het waterhuishoudingsplan is om een duurzaam hemelwater- en afvalwaterstelsel te realiseren dat aan de geldende normen en uitgangspunten voldoet en in goede samenhang met de de andere functies van het gebied kan worden aangelegd. In het proces rondom de watertoets zijn afspraken gemaakt met Waterschap Vechtstromen en de gemeente Tubbergen met betrekking tot de watergerelateerde aspecten. De resultaten zijn verwerkt in het waterhuishoudingsplan. Aanleiding en doel De aanleiding voor het laten uitvoeren van het onderzoek wordt gevormd door de voorgenomen nieuwbouw op de locatie en de voorgenomen bestemmingsplanwijziging van de locatie. In verband met de bestemmingsplanwijziging en de geplande woningbouw is het nodig om de lokale waterhuishouding en de gevolgen van de herontwikkeling op de huidige waterhuishoudkundige situatie in kaart te brengen. Onderhavig plan wordt aangeloten op de bestaande woonwijk ten zuiden van de Weemselerweg. Hierdoor ontstaat een verbinding van zowel het hemelwater- als vuilwatersysteem van de nieuwe fase en de bestaande bebouwing. Resultaten Binnen het plangebied zal het hemelwater en vuilwater (droogweerafvoer) gescheiden worden afgevoerd.

Hierbij is gekozen om het hemelwater over het maaiveld en via natuurlijk afschot te laten afstromen naar een wadi’s verspreid over het plangebied. Door de ontwikkeling is binnen Weemselerveld in het openbaar gebied straks circa 13.525 m2 verharding aanwezig. In lijn met de beringseis (37 mm) is binnen het plangebied 500 m3 bergingscapaciteit benodigd. Binnen de woonwijk Weemselerveld is in de toekomstige situatie ruim voldoende bergingscapaciteit aanwezig om de extra hoeveelheid hemelwater de kunnen bergen.

bestemmingsplan Weemselerveld fase 4, Albergen

43

Op basis van de toekomstige inrichting van het plangebied is er voldoende ruimte aanwezig om vloerpeilen aan te sluiten op de bestaande peilen op aangrenzende percelen, echter wordt aanbevolen om bij de verdere (civiele) uitwerking van het plan aandacht te hebben voor de hoogteverschillen welke ontstaan. Watertoets De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de normale procedure van de watertoets is toegepast. De bestemming en de grootte van het plan hebben invloed op de waterhuishouding. Met inachtneming van het vorenstaande betreffende water voldoet het plan aan een goede ruimtelijke ordening.

4.9 Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (de voormalige Ecologische hoofdstructuur, afgekort NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet Natuurbescherming, Barro) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toetsing Bij dit bestemmingsplan wordt hiervoor gebruik gemaakt van een quickscan natuurwaarden (Natuurbank Overijssel, 22 februari 2021, project 3200, versie 1.0), zie ook Bijlage 8. De resultaten zijn in de volgende paragrafen opgenomen. Er zijn concrete plannen voor het uitbreiden van het de woonkern in Albergen. De uitbreiding is gesitueerd aan de oostzijde van de woonkern Albergen en ligt tussen de Weemselerweg, Morsdijk en Brakenweg. De uitbreidingslocatie bestaat grotendeels uit intensief beheerd agrarisch cultuurland. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen.

In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 15 februari 2021 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland. Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Het plangebied behoort niet tot Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de uitvoering van voorgenomen activiteiten, kan op voorhand niet volledig uitgesloten worden. Indien (juridische) zekerheid verkregen moet worden over de wettelijke consequenties, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. Stikstofdepositie Natura 2000-gebieden Onderhavig plan maakt woningbouw mogelijk.

Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling wordt stikstof en mogelijk ammoniak uitgestoten, zoals bij de verbranding van fossiele brandstof, welke kan neerslaan in kwetsbare natuur. Door Ad Fontem is een onderzoek uitgevoerd om de effecten van deze emissie op kwetsbare natuur in Natura 2000-gebieden te onderzoeken (projectnummer 20AF236, versie d.d. 10 februari 2022). De rapportage is in Bijlage 9 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Voor een woningbouwontwikkeling aan de Weemselerweg in Albergen wordt een bestemmingsplan ontwikkeld. Het huidige plan bestaat uit het realiseren van 44 woningen bestaande uit verschillende woningbouwtypen (o.a. 2-onder-1-kap woningen, vrijstaande woningen en tussen- en hoekwoningen). Het woningbouwprogramma is nog niet definitief qua woningtypen. Om wat flexibiliteit in te bouwen is in deze AERIUS daarom uitgegaan dat er 50 woningen worden gerealiseerd. Daarbij wordt uitgegaan dat de woningen allemaal gasloos gerealiseerd zullen worden. Voor wat betreft de werkelijke doorlooptijd van het project wordt uitgegaan van ongeveer drie jaar. Omdat in de AERIUS calculator niet met een doorlooptijd van drie jaar gerekend kan worden, wordt voorzichtigheidshalve uitgegaan dat het project binnen één jaar wordt afgerond (worst-case). De berekeningen zijn uitgevoerd met het programma AERIUS Calculator 2021.

Voor de beoogde situatie is gerekend voor het rekenjaar 2023, omdat uitgegaan wordt dat de appartementen dan pas bewoond kunnen 44

bestemmingsplan Weemselerveld fase 4, Albergen

worden. De bijdrage aan de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden is in alle gevallen berekend voor een vergunning Wet natuurbescherming. Als bijlage bij deze rapportage behoort het AERIUS analysebestand (pdf) met rekenresultaten (bronnen, rekenpunten en resultaten) van de gebruiksfase van de beoogde situatie. Gebruiksfase De totale NOx-emissie in de gebruiksfase van de woningen bedraagt <0,1 ton/j. De totale NH3-emissie bedraagt <0,1 ton/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Conclusie Als gevolg van de realisatie en het gebruik van de woningen binnen het plangebied komt er NOx en NH3 vrij. Door uitvoering van de AERIUS berekening is aangetoond dat dit niet leidt tot een meetbare depositie van NOx of NH3 in Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor stikstof of ammoniak. In de gebruiksfase ligt de emissie niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. De ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000-gebieden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden. De AERIUS Calculator 2021 biedt voldoende inzicht in het effect van de voorgenomen activiteit op Natura 2000-gebieden voor het aspect stikstof en ammoniak. De uitkomsten van de berekeningen met de AERIUS Calculator zijn geldig en toepasbaar voor ruimtelijke plannen.

De Wet natuurbescherming vormt voor het aspect stikstof en ammoniak geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling. Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming: De inrichting van het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten beschermd grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- en voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en nesten er vogels in het plangebied. Vleermuizen bezetten geen vaste rust-of voortplantingsplaats. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de beplanting verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten.

Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd en vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, en die mogelijk gedood worden, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen `doden’ en het `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor sommige van de in het plangebied foeragerende beschermde dieren. Deze aantasting leidt echter niet tot wettelijke consequenties. Conclusie Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd dier gedood en een vaste rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd dier beschadigd en/of vernield en wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor sommige beschermde dieren aangetast. Voor de meeste beschermde dieren, die mogelijk gedood worden en waarvan de vaste rust- en/of voortplantingsplaats beschadigd of vernield wordt, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen omdat de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling.

Deze vrijstelling geldt echter niet voor vogels. Vogels mogen niet gedood worden en bezette vogelnesten mogen niet verstoord, beschadigd of vernield worden. Mits bij de uitvoering rekening wordt gehouden met mogelijk aanwezige bezette vogelnesten, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Wettelijke consequenties samengevat: Werkzaamheden afstemmen op voortplantingsperiode van vogels.

bestemmingsplan Weemselerveld fase 4, Albergen

45

4.10

Archeologie en Cultuurhistorie

Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2019 in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.

Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie

Figuur 4.4 uitsnede archeologische verwachtings- en advieskaart (bron: gemeente Tubbergen) Toets De locatie ligt in het kenmerk: "diepe erosiedalen met natte, zandige bodems" Archeologisch onderzoek noodzakelijk in plangebieden groter dan 5000 m² bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 5000 m² geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek. Gezien de omvang van de ontwikkeling is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. 4.10.1 Bureauonderzoek, verkennend en karterend booronderzoek Door Laagland Archeologie is archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 10 bij deze toelichting gevoegd.

46

bestemmingsplan Weemselerveld fase 4, Albergen

De aanleiding voor het onderzoek vormt de geplande bouw van nieuwe woningen aan de Weemselerweg Morsdijk te Albergen, gemeente Tubbergen (OV). Hiertoe is een bestemmingsplanwijziging vereist. De gemeente Tubbergen heeft een eigen archeologiebeleid. Op basis van het bestemmingsplan dient archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden om aan te tonen dat eventueel aanwezige archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad door de geplande bouwactiviteiten. De opdrachtgever beoogt met het onderzoek de gemeentelijke paraaf te krijgen voor het onderdeel archeologie. Samengevat zijn de resultaten van dit onderzoek als volgt: Het plangebied ligt in een erosiedal, aan de voet/lagere helling van een westelijk gelegen stuwwal. In het plangebied komen naar verwachting beek- en gooreerdgronden voor. Westelijk van het plangebied liggen hogere gronden, waar onder andere een es is aangelegd. Een historisch erf ligt ongeveer 50 m westelijk van het plangebied, aan de rand van de bouwlanden. In de omgeving zijn resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd bekend, vooral samenhangend met het klooster en de oude kern van Albergen. In de omgeving ontbreken vondsten uit oudere perioden. Het plangebied bleef tot circa 1899 onontgonnen en is aldoor onbebouwd gebleven.

Het gebruik als grasland sindsdien – en ook de aanwezigheid van een ijsbaan nabij het plangebied – wijst evenals de overige bronnen om zeer vochtige omstandigheden. Verwachtingsmodel De relatief lage ligging en hoge vochtigheid van de zandgronden in het plangebied maken dat dit terrein waarschijnlijk aldoor oninteressant is geweest voor bewoning, zeker omdat in de nabijheid hogere en drogere gronden hebben gelegen. Resten van bewoning worden daarom niet verwacht. Het plangebied kan mogelijk nog zogenaamde ‘off-site’ resten bergen. Deze resten variëren van sporen van vuursteenwinning (met name Mesolithicum – Neolithicum) tot depotgiften (voornamelijk Neolithicum – IJzertijd) en eventueel sporen van terreininrichting, samenhangend met het nabije historische erf. Omdat het plangebied pas tegen het begin van de vorige eeuw ontgonnen werd, is dat laatste niet erg waarschijnlijk. Votiefgiften zijn evenmin erg waarschijnlijk: dergelijke resten worden vooral aangetroffen in beekdalen en veengebieden. Daarvan is hier geen sprake. Vuursteenwinning vond plaats op locaties waar vuursteen aan het oppervlak lag. Ook daarvan is in het plangebied geen sprake: de gestuwde afzettingen zijn bedekt met een laagje dekzand. Wel kunnen in het plangebied sporen van ontginning worden aangetroffen (afwateringsslootjes). Deze dateren waarschijnlijk uit het einde van de 19e eeuw.

Voor wat betreft archeologie zijn ze zeldzaam noch relevant (subrecent) en worden daarom buiten beschouwing gelaten Off-site resten hebben met elkaar gemeen dat ze qua locatie meestal moeilijk te voorspellen zijn en ook moeilijk zijn op te sporen, doordat het om kleine, scherpbegrensde sporen gaat. Alleen door systematisch en intensief gravend archeologisch onderzoek zijn dergelijke resten op te sporen. De kans dat deze resten daadwerkelijk aanwezig zijn wordt echter klein geacht. Selectieadvies De regioarcheoloog onderschrijft de conclusies van Laagland Archeologie. Binnen het plangebied geldt een lage archeologische verwachting. Het plangebied kan, op basis van het uitgevoerde archeologische onderzoek, vrijgegeven worden. Mochten bij de graafwerkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen geldt, volgens de Erfgoedwet, art. 5.10 een meldingsplicht. Dit kan bij de gemeente Tubbergen, bij de regio-archeoloog of via het meldingsformulier van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: https://formulier.cultureelerfgoed.nl/archis/vondstmeldingsformulier Met inachtneming van deze bevindingen vormt archeologie geen belemmering voor de ontwikkeling. 4.10.2 Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn.

Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Erfgoedwet 1988. Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat er geen monumenten in of in de directe nabijheid van het plangebied gelegen zijn. Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.

bestemmingsplan Weemselerveld fase 4, Albergen

47

4.11

Verkeer / parkeren

Door Roelofs is een verkeersonderzoek voor het onderhavig plan uitgevoerd (kenmerk: N01-DO1-41090213-mhr). De rapportage is bijgevoegd in Bijlage 11. Een samenvatting van de belangrijkste conclusies is onderstaand weergegeven voor de verkeersgeneratie en parkeren 4.11.1 Verkeer Op basis van het voorgenomen ruimtelijk programma is met behulp van de CROW publicatie 317 de te verwachten verkeersgeneratie inzichtelijk gemaakt voor een gemiddelde weekdag. Met de CROW omrekenfactor van 1,11 is de verkeersgeneratie van de woningen omgerekend naar een maatgevende werkdag. Omdat de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie niet los van elkaar beschouwd kunnen worden, zijn voor het bepalen van de verkeersgeneratie dezelfde uitgangspunten als bij de berekeningen voor het parkeren gehanteerd. Dit betekent dat de ontwikkellocatie zich in de “rest bebouwde kom” in een “niet stedelijk” gebied bevindt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/806/documents/16555