Bijlage Was-wordt tabel.pdf
Tekst van het document
GR SON oud Art. 44 Toetreding en fusie 1. In geval van een door een niet deelnemend college kenbaar gemaakt verzoek aan de voorzitter, inhoudende te willen deelnemen aan de gemeenschappelijke regeling, benoemt het algemeen bestuur een commissie die de financiële verplichtingen als gevolg van de toetreding, alsmede de overige gevolgen van de toetreding onderzoekt. De commissie brengt hieromtrent advies uit aan het algemeen bestuur. Toetreding door andere gemeenten kan plaatsvinden wanneer het algemeen bestuur daarin bewilligt bij een met ten minste tweederde der uitgebrachte stemmen vastgesteld besluit. Hierbij wordt het voorbehoud gemaakt dat de colleges instemmen met de eventuele wijziging van de tekst van de gemeenschappelijke regeling die hieruit voortvloeit en dat de gemeenteraden toestemming verlenen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de wet. 2. In een besluit van het algemeen bestuur als bedoeld in het vorige lid, kan de toetreding afhankelijk worden gesteld van de voldoening aan bepaalde voorwaarden door de betrokken gemeente. 3. Het college van de toegetreden gemeente benoemt zo spoedig mogelijk een lid van het algemeen bestuur.
Ingeval van een voorgenomen fusie tussen een deelnemende gemeente en een niet aan de regeling deelnemende gemeente benoemt het dagelijks bestuur een commissie die de financiële verplichtingen als gevolg van de fusie, alsmede de overige gevolgen van de fusie onderzoekt. De commissie brengt hieromtrent advies uit aan het algemeen bestuur. Artikel 45 Uittreding 1. Een deelnemende gemeente kan uittreden door toezending aan het algemeen bestuur van
GR SON nieuw Art. 44 Toetreding 1. Een college kan tot de regeling toetreden mits de wet zich daartegen niet verzet. 2. Toetreding tot de regeling vindt plaats bij besluit van het algemeen bestuur. 3. Het algemeen bestuur kan voorwaarden verbinden aan de toetreding
Toelichting Artikel 44 van de GR SON 2015 (oud) bevat een uitgebreid artikel waarin gedetailleerd de toetreding en fusie worden geregeld. Het nieuwe artikel 44 bevat een bondige regeling waarmee het algemeen bestuur een toetreding van een gemeente (of fusie) door middel van een op maat toegesneden oplossing kan regelen. Daarbij kan het algemeen bestuur gebruik maken van de in de GR SON genoemde instrumenten zoals commissies.
Artikel 45 Uittreding 1. Uittreding van één der gemeenten vindt niet eerder plaats dan per 1 januari van enig
Deze bepaling sluit aan bij de procedure die is gevolgd bij het uittreden van de gemeente Aalten uit de GR SON. Het algemeen
een daartoe strekkend besluit van het college van die gemeente. 2. De uittreding kan slechts plaatsvinden tegen 1 januari, doch niet eerder dan tegen 1 januari van het tweede jaar volgende op dat waarin het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen. In geval van het uittreden van een deelnemende gemeente benoemt het dagelijks bestuur een commissie die de financiële verplichtingen van de uittreder als gevolg van de uittreding, alsmede de overige gevolgen van de uittreding onderzoekt. De commissie brengt hieromtrent advies uit aan het algemeen bestuur.
Artikel 46 Wijziging gemeenschappelijke regeling 1. Het dagelijks bestuur kan aan het algemeen bestuur voorstellen doen inzake wijziging van de regeling. 2. Indien het algemeen bestuur wijziging wenselijk acht, doet het een daartoe strekkend voorstel aan de colleges van de deelnemende gemeenten. 3. Een wijziging is tot stand gekomen indien de colleges van
jaar, met inachtneming van een termijn van aanzegging aan de andere gemeenten van minimaal 12 maanden. 2. Na ontvangst van het besluit tot uittreding worden door de gemeenten een in overleg met de uittredende gemeente aan te wijzen onafhankelijke externe deskundigen, waarvan minimaal één financieel onderlegde deskundige en één juridisch onderlegde deskundige, opdracht verleend een plan op te stellen dat ten minste inzicht geeft in alle kosten, die direct of indirect samenhangen met de uittreding. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de uittredende gemeente naar redelijkheid en billijkheid: • de (frictie)kosten draagt die het rechtstreekse gevolg zijn van de uittreding inclusief overheadkosten die daarvan het gevolg zijn en dat de overige gemeenten geen financieel nadeel van de uittreding ondervinden; • aansprakelijk blijft voor alle schulden en de overige verplichtingen van het openbaar lichaam op het tijdstip van uittreden, zulks in verhouding van de verdeling van de gemeentelijke bijdragen als bedoeld in artikel 33, in het laatste jaar van deelname, mits dit niet is verdisconteerd in het plan. 3. Het algemeen bestuur stelt het hierboven genoemde plan vast. De in het plan vastgelegde afspraken zijn voor alle partijen bindend.
bestuur van de SON heeft destijds aangegeven dat deze procedure ook gevolgd zou moeten worden indien een andere deelnemende gemeente zou besluiten uit te treden. De in Twents verband geredigeerde modelbepaling hanteert een opzegtermijn van 24 maanden. Er is echter gekozen om de opzegtermijn van 12 maanden die de Stadsbank in haar huidige GR SON aanhoudt te handhaven.
Artikel 46 Wijziging gemeenschappelijke regeling 1. Zowel het algemeen bestuur, op voorstel van het dagelijks bestuur, als de colleges, kunnen voorstellen doen tot wijziging van de regeling. 2. De regeling wordt gewijzigd indien de colleges van ten minste tweederde van het aantal deelnemende gemeenten daarmee hebben ingestemd, met inachtneming van artikel 1,
Er is bij de herziening van artikel 46 lid 2 aansluiting gezocht bij de stemverhouding zoals deze altijd al werd gehanteerd in het wijzigingsartikel van de vorige gemeenschappelijke regelingen van de Stadsbank.
ten minste tweederde van het aantal deelnemende gemeenten daarmee hebben ingestemd en de vereiste toestemming van de gemeenteraden als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de wet, is verleend. 4. In afwijking van het bepaalde in het derde lid, is voor de totstandkoming van een wijziging die de uitbreiding van de bevoegdheden van de regeling inhoudt, instemming van alle colleges en de toestemming van alle gemeenteraden vereist.
tweede tot en met vierde lid van de wet. 3. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, is voor de totstandkoming van een wijziging die de uitbreiding van de bevoegdheden van de regeling inhoudt, instemming van alle colleges met inachtneming van artikel 1, tweede tot en met vierde lid van de wet vereist.
Artikel 47 Opheffing gemeenschappelijke regeling 1. De regeling wordt opgeheven wanneer de colleges van ten minste tweederde van het aantal deelnemende gemeenten zich daarvoor hebben verklaard. 2. In geval van opheffing van de regeling besluit het algemeen bestuur tot liquidatie en stelt het daarvoor de nodige regelen vast. Hierbij kan van de bepalingen van de regeling worden afgeweken. 3. Het liquidatieplan wordt door het algemeen bestuur, de colleges van de deelnemende gemeenten gehoord, vastgesteld. 4. Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemende gemeenten tot deelneming in de financiële gevolgen van de beëindiging. Het liquidatieplan voorziet ook in de gevolgen die de opheffing heeft voor het personeel. 5. Zo nodig blijven de organen van de bank, ook na het tijdstip van de opheffing in functie totdat de liquidatie is beëindigd.
Artikel 47 Opheffing 1. De regeling kan worden opgeheven als tweederde van de deelnemers daartoe besluiten, mits de wet zich daartegen niet verzet. 2. Een besluit als bedoeld in het eerste lid, kan niet eerder worden genomen dan nadat het algemeen bestuur daarover zijn mening kenbaar heeft gemaakt. 3. In geval van een opheffing wordt het dagelijks bestuur belast met het opstellen van een liquidatieplan. Bij het opstellen van dit plan kan zo nodig worden afgeweken van de bepalingen in deze regeling. In het plan wordt voorzien in de personele gevolgen van de opheffing. 4. Het algemeen bestuur stelt het liquidatieplan vast nadat de deelnemers en de raden van de gemeenten hun zienswijzen daarop hebben kunnen inbrengen. Artikel 35 eerste tot en met vierde lid van de wet is hierop van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de termijn acht weken bedraagt. 5. Het dagelijks bestuur wordt belast met de uitvoering van het liquidatieplan. 6. Het openbaar lichaam blijft voortbestaan zolang dit voor de liquidatie van het vermogen nodig is. De bestuursorganen blijven zolang functioneren.
Er wordt in artikel 9 van de Wgr geregeld dat een bepaling dient te worden opgenomen omtrent de opheffing en te volgen procedures. In de GR SON 2015 wordt in de artikelen 47 en 48 de opheffing van de gemeenschappelijke regeling en met name de verdeling van het vermogen redelijk gedetailleerd geregeld. Beide artikelen zijn samengevoegd in artikel 47. Het nieuwe artikel 47 biedt dusdanige flexibiliteit dat bij een eventuele opheffing van de regeling 25 maatwerk kan worden geleverd doordat de deelnemende gemeenten de opheffingsmodaliteiten grotendeels zelf kunnen bepalen. Er is bij de herziening van artikel 47 lid 1 aansluiting gezocht bij de stemverhouding zoals deze altijd al werd gehanteerd in het opheffingsartikel van de vorige gemeenschappelijke regelingen van de Stadsbank
-
Artikel 14 Zienswijzen 1. Bij besluiten met een aanzienlijk financieel belang, politiek gevoelige besluiten of beleidsmatige keuzes, besluit het algemeen bestuur hoe en wanneer de raden in het besluitvormingsproces betrokken worden. 2. Indien het algemeen bestuur besluit dat de raden in het besluitvormingsproces om zienswijzen zullen worden gevraagd, dan is op de zienswijzeprocedure artikel 35 eerste tot en met vierde lid van de wet van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de termijn acht weken bedraagt. 3. Indien een meerderheid van de raden van de deelnemende gemeenten hierom verzoekt, dan vindt er een zienswijzeprocedure plaats.
-
Artikel 15 Inspraak Er wordt in deze regeling niet voorzien in de mogelijkheid tot het verlenen van inspraak aan ingezetenen van de deelnemende gemeenten en belanghebbenden.
In artikel 10 lid 5 en 6 Wgr wordt de verplichting geïntroduceerd om in de gemeenschappelijke regeling afspraken te maken over besluiten waarop door het bestuur van de regeling een zienswijze aan de raden wordt gevraagd. Hiermee wordt bereikt dat gemeenteraden hun opvatting kenbaar kunnen maken over bepaalde voorgenomen besluiten voordat het besluit is genomen. De verplichting om een zienswijze te vragen aan de raden gold voor de wijziging van de Wgr alleen voor de begrotingsprocedure. Het is door het gewijzigde artikel 10 Wgr mogelijk dit ook voor andere besluiten te regelen, zoals besluiten met een aanzienlijk financieel belang, politiek gevoelige besluiten of beleidsmatige keuzes. Hiermee is invulling gegeven aan het bepaalde in de artikel 10, vijfde lid van de Wgr passend bij enerzijds een beleidsarme uitvoeringsorganisatie die de Stadsbank is en anderzijds de versterking van de democratische legitimiteit. In artikel 10 lid 7 van de Wgr wordt bepaald dat de gemeenschappelijke regeling van het openbaar orgaan bepalingen dient te bevatten omtrent de wijze waarop ingezetenen van de deelnemende gemeenten en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid op grond van deze regeling betrokken worden. Er kan ook worden gekozen om ingezetenen en belanghebbenden geen inspraak te verlenen.
Hiermee is invulling gegeven aan het bepaalde in de artikel 10, zevende lid van de Wgr. Stadsbank Oost Nederland voert voor de deelnemende gemeenten de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) uit. De schuldhulpverlening binnen de gemeente wordt vorm en richting gegeven door het door de raad vastgestelde Wgs beleidsplan. De raad heeft hiermee een
Artikel 48 Verdeling vermogen 1. Van het op het tijdstip van de opheffing aanwezige vermogen van de bank wordt bij voorrang een bedrag gereserveerd dat nodig is voor de afwikkeling van de overeenkomsten, voor dekking van de kosten van de liquidatie en kosten met betrekking tot wachtgelden en/of uitkeringen. 2. Resteert er, nadat alle uitgaven zijn gedaan, een voordelig verschil, dan wordt dit uitgekeerd aan de op het tijdstip van de opheffing deelnemende gemeenten, naar rato van de inwonertallen per 1 januari van het kalenderjaar waarin de datum van opheffing valt. 3. Indien het voldoen aan alle verplichtingen tot een nadelig verschil zal leiden, wordt dat verschil aan alle deelnemende gemeenten toegerekend volgens de in het tweede lid van dit artikel aangegeven verhouding.
Artikel 48 Evaluatie 1. Het algemeen bestuur zal tenminste eens in de 6 jaar de regeling met de deelnemers evalueren en daarvan verslag uitbrengen aan de colleges en de raden van de gemeenten, vergezeld van conclusies en aanbevelingen. 2. De onderzoeksvraagstelling voor de uit te voeren evaluatie wordt door het dagelijks bestuur aan de deelnemers aan deze gemeenschappelijke regeling voor advies voorgelegd. Het algemeen bestuur stelt aansluitend de onderzoeksvraagstelling vast.
Artikel 11 Informatieplicht algemeen bestuur 1. Het algemeen bestuur verstrekt aan de gemeenteraad van een deelnemende gemeente de door één of meer leden overeenkomstig het reglement van orde van die gemeenteraad verlangde inlichtingen, een en ander voor zover zulks niet in strijd is met het openbaar belang. 2. Een verzoek om inlichtingen kan schriftelijk of mondeling worden ingediend bij het algemeen bestuur. 3. Het algemeen bestuur verstrekt de gevraagde inlichtingen binnen
Artikel 11 Informatieplicht 1. Een verzoek om inlichtingen wordt schriftelijk ingediend bij het betreffende bestuursorgaan. 2. Het betreffende bestuursorgaan geeft de raden de door een of meer leden van die raden gevraagde inlichtingen: a. binnen één maand na ontvangst van het verzoek en b. overeenkomstig het reglement van orde van die raad voor zover dit niet in strijd is met het openbaar belang. 3. Een lid van het algemeen bestuur geeft het college dat hem heeft aangewezen en de raad van
instrument in handen om invloed uit te oefenen op de gemeentelijke schuldhulpverlening. De beleidsruimte van de Stadsbank is beperkt waardoor het verlenen van inspraak aan ingezetenen van de deelnemende gemeenten en belanghebbenden weinig toevoegt aan het democratische legitimatie van de gemeenschappelijke regeling. Met deze nieuwe wettelijke verplichting wordt een verplichting gecreëerd om afspraken te maken over de evaluatie van de gemeenschappelijke regeling. De meerwaarde van een evaluatie is dat periodiek wordt stilgestaan bij het functioneren van de gemeenschappelijke regeling. Daarnaast kan een evaluatiemoment een ijkpunt in de samenwerking zijn. Er is in de gewijzigde gemeenschappelijke regeling gekozen voor de optie waarin sprake is van een periode van 6 jaren aangezien een dergelijke termijn het beste aansluit bij de zittingstermijn van de raden en past bij een beleidsarme organisatie zoals de Stadsbank.
Hiermee wordt invulling gegeven aan het bepaalde in artikel 17 tweede en derde lid van de Wgr. De artikelen 11 en 12 GR SON 2015 (oud) kunnen hiermee vervallen. Bij de wijziging van de Wgr wordt naast de al bestaande informatiestromen tussen raad en algemeen bestuur van de GR een nieuwe mogelijkheid toegevoegd namelijk de actieve informatieplicht van het algemeen bestuur aan de raden Het bestuur van de gemeenschappelijke regeling heeft een actieve informatieplicht over wat er binnen de regeling
een maand na ontvangst van het verzoek.
zijn gemeente mondeling of schriftelijk de door een of meer leden van het college onderscheidenlijk de raad gevraagde inlichtingen, op de in die gemeente gebruikelijke wijze. 4. Inlichtingen als bedoeld in artikel 17, tweede lid van de Wgr, worden mondeling, schriftelijk of digitaal verstrekt.
speelt. Deze informatieplicht komt overeen met de informatieplicht die het college van B&W heeft ten opzichte van de gemeenteraad. In de GR SON zijn afspraken opgenomen over de wijze waarop deze informatie wordt aangeleverd.
Artikel 20 Informatieplicht dagelijks bestuur 1. Het dagelijks bestuur verstrekt aan de gemeenteraad van een deelnemende gemeente de door één of meer leden overeenkomstig het reglement van orde van die gemeenteraad verlangde inlichtingen, een en ander voor zover zulks niet in strijd is met het openbaar belang. 2. Een verzoek om inlichtingen kan schriftelijk of mondeling worden ingediend bij het dagelijks bestuur. 3. Het dagelijks bestuur verstrekt de gevraagde inlichtingen binnen een maand na ontvangst van het verzoek.
Artikel 21 Informatie- en verantwoordingsplicht Artikel 11 (Paragraaf 3 van hoofdstuk 4) is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 20 van de GR SON 2015 (oud) kan vervallen aangezien deze verplichtingen al in hoofdstuk 4, paragraaf 3 van de GR SON 2023 worden geregeld.
Artikel 25 Informatieplicht voorzitter 1. De voorzitter verstrekt aan de gemeenteraad van een deelnemende gemeente de door één of meer leden overeenkomstig het reglement van orde van die gemeenteraad verlangde inlichtingen, een en ander voor zover zulks niet in strijd is met het openbaar belang. 2. Een verzoek om inlichtingen kan schriftelijk of mondeling worden ingediend bij de voorzitter. 3. De voorzitter verstrekt de gevraagde inlichtingen binnen een maand na ontvangst van het verzoek.
Artikel 26 Informatie- en verantwoordingsplicht Artikel 11 (Paragraaf 3 van hoofdstuk 4) is van overeenkomstige toepassing.
De artikelen 25 en 26 van de GR SON 2015 (oud) kunnen vervallen aangezien deze verplichtingen al in hoofdstuk 4, paragraaf 3 van de GR SON 2023 worden geregeld.
Artikel 26 Verantwoordingsplicht voorzitter Het voorgaand artikel is van overeenkomstige toepassing op
de voorzitter voor het door hem gevoerde bestuur.