CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage VTSBP Geesteren, Denekamperweg 2.pdf

Gemeenteraad Tubbergen 15 maart 2022, gemeente TubbergenBij agendapunt: 7: Bestemmingsplan Geesteren, Denekamperwerg 220.365 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan

Geesteren, Denekamperweg 2

Status: vastgesteld

Status: Datum: IMRO-Code: Auteur(s):

vastgesteld NL.IMRO.0183.GEEBPDENEKAMPERWG2VG01

Geesteren, Denekamperweg 2

Inhoudsopgave Vaststellingsbesluit

5

Toelichting

7

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 De bij het plan behorende stukken 1.5 Leeswijzer

9 9 9 10 11 11

Hoofdstuk 2 Het plan 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie

13 13 14

Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid Overijssel 3.3 Gemeentelijk beleid

17 17 18 23

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.2 Milieuzonering

27 27 28

4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11

29 29 30 30 31 32 33 34 35

Geur Bodem Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Water Ecologie Archeologie en Cultuurhistorie Verkeer en parkeren

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting 5.1 Planopzet en systematiek 5.2 Toelichting op de regels

39 39 39

Hoofdstuk 6

41

Economische uitvoerbaarheid

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg 7.2 Zienswijzen

43 43 43

Bijlagen bij toelichting

45

Bijlage 1

Erfinrichtingsplan

46

Bijlage 2

watertoets

48

Regels 2

bestemmingsplan Geesteren, Denekamperweg 2

51

Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2

Inleidende regels Begrippen Wijze van meten

53 53 60

Hoofdstuk 2 Artikel 3

Bestemmingsregels Bedrijf

61 61

Hoofdstuk 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Overige regels

65 65 66 67 68 69

Hoofdstuk 4 Artikel 9 Artikel 10

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

71 71 72

Bijlagen bij regels

73

Bijlage 1

Staat van Bedrijfsactiviteiten

74

Bijlage 2

Landschapsplan

81

bestemmingsplan Geesteren, Denekamperweg 2

3

4

bestemmingsplan Geesteren, Denekamperweg 2

Vaststellingsbesluit

bestemmingsplan Geesteren, Denekamperweg 2

5

Dummy: te vervangen door het vaststellingsbesluit van burgemeester en wethouders

Toelichting

bestemmingsplan Geesteren, Denekamperweg 2

7

8

bestemmingsplan Geesteren, Denekamperweg 2

Hoofdstuk 1

Inleiding

1.1 Aanleiding Initiatiefnemers hebben inmiddels ongeveer 2 jaar geleden besloten om het voormalig agrarisch erf Erve Mensman in Geesteren aan te kopen. Het betreffende erf aan de Denekamperweg 2 was in eerste instantie beoogd om dienst te doen naast de TriviumMeulenbeltZorg-woonzorglocatie (TMZ) Erve Mensman. Deze beoogd functie als horecavoorziening en dagopvang heeft echter geen gestalte gekregen, waardoor gekozen is voor verkoop van de locatie door TMZ. Initiatiefnemers hebben deze kans aangegrepen, zodat de prominente locatie voor Geesteren behouden kan blijven. Daarom is het plan opgevat om de vrijkomende locatie te gaan benutten voor de bedrijfsactiviteiten van Hemmer Groen, e.e.a. met respect voor het waardevolle karakter van het erf. Om dit mogelijk te maken in een bestemmingsplanherziening noodzakelijk. Het voorliggend bestemmingsplan voorziet in een planologisch-juridisch kader voor deze ontwikkeling.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Ligging Het plangebied bestaat uit het erf aan de Denekamperweg 2 in Geesteren. Het plangebied ligt in de oostelijke dorpsrand van de kern Geesteren. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Tubbergen, sectie K, perceelsnummer 10254. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.

Figuur 1.1: Ligging plangebied aan de rand van Geesteren (bron: Arcgis.com, opentopo viewer)

bestemmingsplan Geesteren, Denekamperweg 2

9

Figuur 1.2: begrenzing plangebied (bron: Atlas van Overijssel, bewerkt) De begrenzing van het plangebied is in figuur 1.2 weergegeven (rood gearceerd). In dit figuur is een topografische kaart weergegeven waarop de planlocatie te zien is. De gronden die tot het plangebied behoren zijn de om te zetten bestemmingen 'Horeca en 'Maatschappelijk'. Zie de digitale verbeelding voor de exacte begrenzing van het plangebied.

1.3 Vigerend bestemmingsplan De betreffende locatie van initiatiefnemers ligt binnen de grenzen van het bestemmingsplan 'Geesteren, TMZ Geesteren', het 'facetbestemmingsplan parkeren Tubbergen' en het '(veeg)Bestemmingsplan kernen gemeente Tubbergen'. Het eerstgenoemde bestemmingsplan is daarin het meest van belang. In figuur 1.3 is een fragment uit de verbeelding van dit bestemmingsplan opgenomen.

Figuur 1.3: Uitsnede bestemmingsplan 'Geesteren, TMZ Geesteren' (bron: ruimtelijkeplannen.nl) De locatie kent in het bestemmingsplan 'Geesteren, TMZ Geesteren' de bestemmingen 'Horeca' en 'Maatschappelijk'. Binnen de bestemming Horeca zijn tevens de aanduidingen 'bedrijfswoning' en 'specifieke bouwaanduiding - te handhaven hoofdvorm' geprojecteerd. Binnen de maatschappelijke bestemming geldt de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - dagopvang'. Het geldende bestemmingsplan biedt daarmee geen mogelijkheden om het perceel in te zetten voor de bedrijfsactiviteiten van Hemmer Groen. Een herziening van het geldende bestemmingsplan is noodzakelijk om het voornemen mogelijk te maken.

10

bestemmingsplan Geesteren, Denekamperweg 2

1.4 De bij het plan behorende stukken Het onderhavige bestemmingsplan 'Geesteren, Denekamperweg 2' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken. Verbeelding (identificatie NL.IMRO.0183.GEEBPDENEKAMPERWG2-VG01); Bijlagen bij de toelichting; Regels; Bijlagen bij de regels.

1.5 Leeswijzer De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.

bestemmingsplan Geesteren, Denekamperweg 2

11

12

bestemmingsplan Geesteren, Denekamperweg 2

Hoofdstuk 2

Het plan

2.1 Huidige situatie Op het adres Denekamperweg 2 in Geesteren is het historische Erve Mensman gesitueerd. Dit oude (voormalig) agrarisch erf is een markant element in de oostelijke dorpsrand van Geesteren. Ingepast in een forse groenstructuur ligt het erf met haar opstallen. Inmiddels al weer enkele jaren geleden is ten oosten hiervan de Trivium MeulenbeltZorg (TMZ) locatie Erve Mensman gerealiseerd. Aan de westzijde van de locatie ligt een paardenhouderij en aan de noordzijde wordt de locatie begrensd door de Dorpsstraat/Denekamperweg met aan de overzijde overwegend woningbouw en een enkele winkel. Een weergave van de huidige situatie middels een luchtfoto is zichtbaar in figuur 2.1. Aanzichten van het erf in figuur 2.2 en 2.3.

Figuur 2.1: huidige situatie Denekamperweg 2 in Geesteren (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

bestemmingsplan Geesteren, Denekamperweg 2

13

Figuur 2.2: aanzicht bestaande boerderij Erve Maathuis, Denekamperweg 2 (bron: oozo.nl)

Figuur 2.3: aanzicht vanaf achterzijde huidig erf (bron: oozo.nl)

2.2 Toekomstige situatie Initiatiefnemers zijn voornemens om het erf in gebruik te nemen ten behoeve van de bedrijfsactiviteiten van Hemmer Groen BV, het hoveniersbedrijf van initiatiefnemers. Deze stap is in de ogen van initiatiefnemers als zeer logisch en passend te beschouwen. De familie Hemmer is afkomstig uit Geesteren en voelt zich dan ook nauw verbonden met het dorp Geesteren. De locatie van Erve Maathuis kan zich uitstekend lenen voor de bedrijfsactiviteiten van Hemmer Groen, doordat het bedrijf hoofdzakelijk werkzaamheden verricht bij klanten op locatie. De thuislocatie voor het bedrijf moet dan 14

bestemmingsplan Geesteren, Denekamperweg 2

vooral kunnen fungeren als kantoor, stalling en opslaglocatie voor het hoveniersbedrijf. Doordat aan de Denekamperweg 2 reeds opstallen aanwezig zijn die hierin kunnen voorzien, is de gedachte ontstaan om de voormalig agrarische opstallen hiervoor her te gebruiken. Bijkomstige intentie is om overeenkomstig de reeds toegestane maximale oppervlakte aan gebouwen van 900 m2 (huidige bestemming 'Horeca') een extra bijgebouw van circa 100 m2 op te richten voor extra stallingscapaciteit (zichtbaar met letter h in figuur 2.4). Met de komst van het hoveniersbedrijf op de cultuurhistorisch waardevolle plek is tevens de kennis en kunde in huis om de houtwallen en groenelementen op en rond het erf op passende wijze te onderhouden. Het is wenselijk om de voormalig agrarische karakteristieken van het erf en haar bebouwing zoveel mogelijk in stand te blijven houden. Tevens moet het een invulling van het erf zijn die zich verenigt met de naastgelegen woonzorglocatie en de paardenhouderij. Het voorliggende plan geeft een passende invulling aan het Erve Mensman. Initiatiefnemers hebben daarvoor ook een inrichtingsplan gemaakt voor de locatie met een beoogde indeling van het bedrijfsperceel. Deze is onderstaand zichtbaar, eveneens opgenomen in Bijlage 1.

Figuur 2.4: Toekomstige situatie Denekamperweg 2 Geesteren (bron: Ad Fontem ruimtelijk avies)

bestemmingsplan Geesteren, Denekamperweg 2

15

16

bestemmingsplan Geesteren, Denekamperweg 2

Hoofdstuk 3

Beleid

3.1 Rijksbeleid 3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen.

Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het mogelijk maken van een sterke en gezonde regio vanwege het hergebruik van een bestaande locatie ten behoeve van lokale bedrijvigheid. Het plan past daarmee binnen de prioriteiten van de NOVI. 3.1.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd. De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.

Onderhavig plan Bij de beantwoording van de vraag of een stedelijke ontwikkeling die een bestemmingsplan mogelijk maakt een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro behelst, moet in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre het plan, in vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan, voorziet in een functiewijziging en welk planologische beslag op de ruimte het nieuwe plan mogelijk maakt in bestemmingsplan Geesteren, Denekamperweg 2

17

vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan (uitspraken van 6 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:915 (Oldenzaal), en van 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1064 (Waalre)). Een bestemmingsplan dat bij recht een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, maar ten opzichte van het voorgaande planologische regime niet voorziet in een groter planologisch beslag op de ruimte en niet voorziet in een functiewijziging, voorziet niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro (uitspraak van 25 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2294 (Weert)). Een bestemmingsplan dat bij recht een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, maar ten opzichte van het voorgaande planologische regime geen nieuw planologisch ruimtebeslag mogelijk maakt, maar alleen een planologische functiewijziging, voorziet in beginsel niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Van dit uitgangspunt wordt afgeweken indien die planologische functiewijziging een zodanige aard en omvang heeft dat desalniettemin sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (uitspraak van 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1075 (Amersfoort)). Hierbij komt betekenis toe aan de ruimtelijke uitstraling van de in het nieuwe plan voorziene functie en die van hetgeen onder het vorige plan mogelijk was (uitspraak van 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1503 (Zundert)).

Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een juridische regeling voor de wijziging van de bestemming 'horeca' naar de bestemming 'Bedrijf'. De bedrijven die zijn toegelaten zijn genoemd in de Staat van Bedrijfsactiviteiten en betreffen de categorieën 1 en 2. Voorts is ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf hoveniersbedrijf' tevens een hoveniersbedrijf toegelaten. Tenslotte is ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf uitgesloten - bedrijfsactiviteiten' niet toegestaan om bedrijfsactiviteiten uit te oefenen. Het plangebied voor de nieuwe functie is ongewijzigd ten opzichte van oude functie. Er is daarmee geen sprake van een nieuw ruimtebeslag. De bouwmogelijkheden in het voorgaande bestemmingsplan is gemaximaliseerd op 900 m2 in de bestemming horeca. Binnen het plangebied was ook een gebouw voorzien van de bestemming maatschappelijk en de oppervlakte van dat betreffende gebouw is 170 m2. Planologisch was er in totaal 1.070 m2 aan bebouwing toegelaten en dit neemt dan ook niet toe. Als het gaat om de functiewijziging is in de huidige situatie de toegestane horecafunctie binnen het plangebied niet specifiek afgebakend. Afgaande op de informatie hierover op infomil is horeca gecategoriseerd van milieucategorie 1 t/m categorie 3.1. Er had bijvoorbeeld een discotheek of vakantiecentra binnen het plangebied uitgeoefend kunnen worden.

In het voorliggend geval wordt de horecafunctie gewijzigd naar een hoveniersbedrijf (milieucategorie 3.1 activiteit), daarnaast wordt lichte bedrijvigheid in de categorieën 1 en 2 toegestaan. Het plan voorziet hiermee niet in een verzwaring van toegestane milieucategorieën. Er is geen sprake van een planologische wijziging van zodanige aard en omvang dat er gesproken kan worden over een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wanneer een ruimtelijke ontwikkeling niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt, is artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing. Dit neemt niet weg dat aan de eisen van het eerste lid van artikel 3.1.6 van het Bro dient te worden voldaan. Bij de toets of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening dient onder meer beoordeeld te worden of de in het plan voorziene bestemmingen passende bestemmingen zijn (uitspraak van 25 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2294 (Weert) en of de mogelijk gemaakte ontwikkeling voorziet in een behoefte (uitspraak van 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:943 (Ermelo)). De behoefte aan de mogelijk gemaakte ontwikkeling dient met het oog op de uitvoerbaarheid van het plan te zijn onderbouwd (uitspraak van 18 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2471 (Weststellingwerf)).

Uit de volgende paragrafen volgt dat er sprake is van een behoefte aan deze functiewijziging en is de uitvoerbaarheid van het plan onderbouwd.

3.2 Provinciaal beleid Overijssel 3.2.1

Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.

18

bestemmingsplan Geesteren, Denekamperweg 2

3.2.2

Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. 3.2.3

Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: generieke beleidskeuzes; ontwikkelingsperspectieven; gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts.

De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel. Ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.

bestemmingsplan Geesteren, Denekamperweg 2

19

Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel) Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. Generieke beleidskeuzes Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. In Hierbij is onder andere het principe van 'zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik' (artikel 2.1.3) van belang die er voor staat dat in eerste instantie bestaande bebouwing en stedelijk gebied wordt benut, voordat er nieuwbouw in de groene omgeving plaatsvindt. Artikel 2.1.2 Principe van concentratie Lid 1 Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in woningbouw, aanleg van bedrijventerreinen voor lokaal gewortelde bedrijvigheid en het realiseren van stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen om te voldoen aan de lokale behoefte en de behoefte van bijzondere doelgroepen. Doorwerking voor voorliggend plan: Het plan betreft het wijzigen van de bestemming zodat een hoveniersbedrijf zich hier kan vestigen. Het bestaande erf blijft hiermee behouden en nieuwe bebouwing vindt plaats op het bestaande erf. Het verzoek om de bestemming te wijzigen is een behoefte van lokale bedrijvigheid, wat past binnen het principe van concentratie.

artikel 2.1.3 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik lid 1 Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie; 20

bestemmingsplan Geesteren, Denekamperweg 2

dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. lid 2 Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt: dat (her)benutting van bestaande erven en/of bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut. Doorwerking voor voorliggend plan: Het wijzigen van de bestemming legt geen nieuw ruimtebeslag op de groene omgeving en voldoet daarmee aan het principe voor zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. Doorwerking voor voorliggend plan: Het plan van initaitiefnemers voorziet in een hergebruik van het erf aan de Denekamperweg 2 in Geesteren. Een passende functie voor het erf is inmiddels een aantal jaren niet aanwezig geweest. De bedrijfsfunctie zorgt ervoor dat het erf in gebruik en onderhouden wordt, waarbij ook de karakteristieken zoveel mogelijk behouden blijven.

Hiertoe is ook een erfinrichtingsplan opgesteld dat ik bijgevoegd in Bijlage 1. Het plan voorziet hiermee in een verbetering van ruimtelijke kwaliteit. Artikel 2.3.2 Nieuwe bedrijventerreinenlocaties Lid 1 Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in de totstandkoming van nieuwe bedrijventerreinen indien de nieuwe bedrijventerreinen naar aard, omvang en locatie in overeenstemming zijn met de gemeentelijke bedrijventerreinenvisie waarover overeenstemming is bereikt met de buurgemeenten en met Gedeputeerde Staten. Doorwerking voor voorliggend plan: Het voorliggend plan vooziet in de vestiging van een lokaal hoveniersbedrijf op een bestaande (bedrijfs)locatie binnen Geesteren. Deze locatie is momenteel bestemd ten behoeve van horeca. In de visie voor bedrijventerrein voor de gemeente Tubbergen wordt aangegeven dat ontwikkeling van bedrijventerrein voornamelijk in Geesteren, Albergen en Tubbergen mogelijk wordt gemaakt. Tevens wordt aangegeven dat in Geesteren nog een aanvullende behoefte voor nieuwe werklocaties beschikbaar is. Het voorliggend initiatief geeft invulling aan deze lokale behoefte. Met de provincie Overijssel worden specifieke afspraken gemaakt omtrent de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen.

Deze zijn vastgelegd in het document ‘Prestatieafspraken bedrijventerreinen 2017-2020’ en onlangs geactualiseerd in 'Afspraken Regionale Bedrijventerreinen Programmering Twente 2019-2022'. Voor de gemeente Tubbergen geldt dat er vraag is naar 10 hectare bedrijventerrein, waarvan 1 hectare wordt afgestaan in het kader van het XL bedrijvenpark in de gemeente Almelo. Het huidige aanbod bedraagt 2,7 hectare, waarmee sprake is van een extra behoefte van 6,3 hectare. Tubbergen houdt hiermee de mogelijkheid om, indien er sprake is van een concrete marktvraag, nieuwe hectares bedrijventerrein toe te voegen. Voorliggend plan voorziet hiermee in een concrete behoefte voor werklocaties in gemeente Tubbergen. Ontwikkelingsperspectieven De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de stedelijke omgeving van belang. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.

bestemmingsplan Geesteren, Denekamperweg 2

21

Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel, de locatie is omlijnd (bron: provincie Overijssel) Aan het plangebied is het ontwikkelingsperspectief 'woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken' toegewezen. Steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid (mits onderbouwd en regionaal afgestemd). Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Daarnaast biedt dit kansen om te anticiperen op klimaatverandering en het opwekken van duurzame energie. De plannen van de initiatiefnemers doen geen afbreuk aan het eigen karakter van het gebied en leveren geen extra belemmeringen op in de omgeving. Gebiedskenmerken Voor wat betreft de gebiedskenmerken wordt onderstaand een opsomming verricht van de van toepassing zijnde kenmerken. Denekamperweg 2, Geesteren Natuurlijke laag: Beekdalen en natte laagtes Laag van het agrarisch cultuurlandschap: Essenlandschap Stedelijke laag: Woonwijken 1955 - nu Laag van de beleving: nabij historische infrastructuur Het onderhavig plan betreft de functiewijziging van horeca naar bedrijf aan de Denekamperweg 2 in Geesteren.

Het gaat daarom niet om een grote impact op het landschap bij de desbetreffende locatie. Het bestaande erf wordt hiervoor benut en passend in de erfstructuur wordt één bedrijfsgebouw voor stalling toegevoegd. Daarbij geldt dat reeds sprake van een erf dat zoveel mogelijk landschappelijk is ingepast, waarbij de nadruk ligt op het behouden van de waardevolle kenmerken . De ontwikkelingen doen daarmee geen afbreuk aan de aanwezige gebiedskenmerken. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid. 22

bestemmingsplan Geesteren, Denekamperweg 2

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1

Omgevingsvisie Tubbergen

De gemeenteraad van de gemeente Tubbergen heeft op 16 maart 2021 'MijnOmgevingsvisie Tubbergen' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving van de gemeente Tubbergen, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Tubbergen en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld. De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Tubbergen' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manieren van werken: werkwijzen die altijd gelden. De vier principes zijn: 1. We doen het samen; 2. We geven het goed voorbeeld; 3. We wentelen niet af op volgende generaties; 4. We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt. Kern Geesteren Geesteren is een van de drie grote kernen in de gemeente. Eén van de speerpunten is "leefbare kernen'. Daarin is belangrijk: voldoende voorzieningen; aantrekkelijk wonen; ruimte voor ondernemen; leefbare openbare ruimte. Waardenkaart Op de waardenkaart van de omgevingsvisie Tubbergen is de locatie als volgt aangeduid:

Figuur 3.3: waardenkaart Omgevingsvisie Tubbergen, plangebied in rood aangegeven De waarden van dit gebied 'gericht op behouden door hoge waarde en beperkte dynamiek' zijn als volgt gedefineerd: passend in de schaal van het landschap; veel variatie in beplanting; open – gesloten; licht - donker; hoge ecologische waarde; hoge biodiversiteit; veel beleefbare cultuurhistorie: bestemmingsplan Geesteren, Denekamperweg 2

23

1. landgoederen; 2. kleinschalig agrarisch landschap; 3. essen; 4. oude boerderijtjes; 5. watermolens; hoge belevingswaarde. Bij ontwikkeling kan ingespeeld worden op: de oorspronkelijke schaal van het landschap; het versterken van natuurwaarden; behoud van cultuurhistorie en erfkarakteristieken; het vasthouden van water; het verbeteren van biodiversiteit; natuurinclusieve bouwwijze; inrichting die in de directe omgeving gebruikelijk is; belevingswaarde gericht op natuur en cultuurhistorie. Toets Door de fucntiewijziging op de locatie Denekamperweg 2 in Geesteren wordt een historisch erf en haar bebouwing behouden en wordt bijgedragen aan leefbaarheid en werkgelegenheid in de kern Geesteren. Er wordt hiermee ruimte geboden aan lokale ondernemers om bedrijfsactiviteiten uit te kunnen oefenen. De plannen passen binnen de omgevingsvisie Tubbergen. 3.3.2

Nota 'De casco benadering in Noordoost-Twente'

De gemeente Tubbergen heeft de beleidsnota 'De casco-benadering in Noordoost-Twente' vastgesteld. Het Nationaal Landschap Noordoost Twente is een gebied met zeldzame en unieke landschapskwaliteiten. Het is een gebied met stuwwallen, bronnen, beken en fraaie cultuurlandschappen. Kernkwaliteit is het waardevolle cultuurlandschap met een variatie in open en een kleinschalig besloten landschap. Schaalvergroting in de grondgebonden landbouw staat op gespannen voet met deze kleinschaligheid. Het verdwijnen van landschapselementen op perceelsgrenzen tast het kleinschalige groene karakter aan en leidt tot een afname van landschapsdiversiteit. De gemeente Tubbergen heeft samen met de provincie Overijssel en de gemeenten Dinkelland, Losser en Oldenzaal de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Om vorm en inhoud te geven aan deze ambitie is een generieke methode ontwikkeld: de casco benadering. Voor de gemeente is de casco-benadering te gebruiken als beoordelingskader voor ingrepen in het landschap. Aan de hand van de casco-kaart (figuur 3.4) kan bezien worden of landschappelijke structuren deel uitmaken van het casco.

Figuur 3.4: Fragment casco-kaart (bron: www.overijssel.nl/cascokaart) 24

bestemmingsplan Geesteren, Denekamperweg 2

Op basis van de casco-kaart kan vastgesteld worden of het landschapselement tot het casco behoort of niet; daaruit volgen drie mogelijk aanvragen op basis van het casco, dit zijn: 1. Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de cascokaart. 2. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de cascokaart. 3. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de cascokaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie). Toets Ten behoeve van dit plan is een erfinrichtingsplan opgesteld. Hierop is zichtbaar dat de bestaande groenstructuren rondom het erf behouden blijven. Het plan heeft geen gevolgen voor het casco.

bestemmingsplan Geesteren, Denekamperweg 2

25

26

bestemmingsplan Geesteren, Denekamperweg 2

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.

4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets Er wordt middels dit bestemmingsplan een functiewijziging op een bestaand erf mogelijk gemaakt. De ontwikkeling is concreet beschreven in hoofdstuk 2. Het huidige gebruik van het plangebied is horeca en maatschappelijk.

Bedrijvigheid vindt in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage de meeste aansluiting bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject. De m.e.r.- plicht geldt bij projecten van een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De genoemde maximum oppervlakken gelden als drempelwaarden. Het ruimtebeslag van het onderhavige project ligt ruimschoots beneden de drempelwaarde. Conclusie die op grond hiervan getrokken kan worden is dat het onderhavige project niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is. In de nota van toelichting op het Besluit mer wordt het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' geduid. Hier wordt het volgende over gezegd: “Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Er kan overigens geen misverstand over bestaan dat ook «dorpen» hieronder vallen. Wat «stedelijke ontwikkeling» inhoudt kan van regio tot regio verschillen. Van belang hierbij is of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn. Indien bijvoorbeeld een woonwijk wordt afgebroken en er komt een nieuwe voor in de plaats, zal dit in de regel per saldo geen of weinig milieugevolgen hebben.

Bij een uitbreiding zal er eerder sprake kunnen zijn van aanzienlijke gevolgen.” Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder andere de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen daarbij een rol. Of de ontwikkeling per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kan hebben, is daarbij niet relevant. Als een project voorziet in een (gedeeltelijke) functiewijziging, maar de bebouwde oppervlakte hetzelfde blijft, lijkt gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) geen sprake te zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. Op basis van deze uitspraak lijken de volgende aspecten voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject relevant: (een uitbreiding) van de bebouwde oppervlakte, de opzet en de vormgeving van de ontwikkeling. Ten aanzien van de relevante aspecten kan tevens een verwijzing worden gemaakt naar de uitspraak van de Raad van State van 29 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1832). Gelet op de toename van de bebouwde oppervlakte kan aansluiting worden gezocht bij de uitspraak van de Raad

bestemmingsplan Geesteren, Denekamperweg 2

27

van State van 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1879). In deze uitspraak heeft de Raad van State geoordeeld dat de realisatie van twee woningen op voorheen (hobbymatige) agrarische gronden niet wordt aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Hoewel het plan betrekking heeft op de toevoeging van bebouwing binnen het bestaande erf, kan gelet op de uitspraak van 12 juni 2019 worden geconcludeerd dat het plan niet voorziet in een nieuw stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Daarbij is van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is en dat de voorziene ontwikkeling gepaard gaat met een beperkte uitbreiding van de bebouwing op het perceel. Uit voorgaande volgt dat de functiewijziging naar bedrijvigheid aan de Denekamperweg 2 in algemene zin niet te kwalificeren is als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. De kwalificatie is wel afhankelijk van specifieke omstandigheden van een project en de ruimtelijke gevolgen die het project met zich meebrengt. In die gevallen is het Besluit m.e.r. niet van toepassing en hoeft geen aanmeldnotitie te worden opgesteld. De ontwikkeling wordt daarbij op passende wijze in het landschap opgenomen.

De ruimtelijke uitstraling/de verandering die de ontwikkeling per saldo op de omgeving heeft is daardoor beperkt. Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als in de zin van het Besluit m.e.r.

4.2 Milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets Met de komst van het hoveniersbedrijf zal geen gevoelige functie worden toegevoegd aan de locatie. 28

bestemmingsplan Geesteren, Denekamperweg 2

Omliggende functies ondervinden dan ook geen hinder in de ontwikkelingsmogelijkheden als gevolg van de plannen. In de nabije omgeving bevindt zich een maatschappelijke functie, het woonzorg complex Erve Mensman, een paardenhouderij, enkele winkels en meerdere woningen. Op basis van de lijst van bedrijfstypen wordt een hoveniersbedrijf van meer dan 500 m2 geschaard onder categorie 3.1 met een grootste richtafstand van 50 meter voor geluid. Gezien de diversiteit aan functies in het gebied wordt uitgegaan van het type 'gemengd gebied' waardoor de richtafstand met één trede verlaagd kan worden. Daarmee wordt de grootste richtafstand 30 meter voor het aspect geluid en 10 m voor geur. Voor geur wordt voldaan aan de richtafstand van 10 m. De afstand van het bestemmingsvlak tot aan de dichtstbijzijnde woning betreft ca. 17 meter en voldoet daarmee niet aan de richtafstand voor geluid. Om de richtafstand in acht te kunnen nemen wordt binnen 30 meter afstand van omliggende woningen een zone opgenomen waarin bedrijvigheid anders dan opslag niet is toegestaan. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstanden voor bedrijven en milieuzonering.

Bovendien is het aannemelijk dat het bedrijf geen onevenredige geluidsoverlast zal veroorzaken, omdat de locatie Denekamperweg hoofdzakelijk gebruikt zal gaan worden ten behoeve van opslag van materiaal en het gebruik van een deel van het hoofdgebouw als kantoor en opslag ruimte. Het hoveniersbedrijf verricht enkel werkzaamheden op externe locaties. Met inachtneming van vorenstaande is voor wat betreft bedrijven en milieuzonering sprake van een goede ruimtelijke ordening.

4.3 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.

Toets Binnen het plangebied is in de bestaande situatie een bedrijfswoning aanwezig. Deze bedrijfswoning blijft ook in de toekomstige situatie gehandhaafd. Er worden hierin geen veranderingen aangebracht. Ten opzichte van de naastgelegen paardenhouderij treedt voor wat betreft het aspect geur dan ook geen wijziging op. De bestaande afstanden worden gerespecteerd. Hiermee blijft voor het aspect geur sprake van een aanvaardbare situatie.

4.4 Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets bestemmingsplan Geesteren, Denekamperweg 2

29

In voorliggend plan worden geen nieuwe bodemgevoelige objecten opgericht. Een bestaand perceel voor bedrijvigheid (Horeca) wordt omgevormd naar een bedrijfsperceel voor een hoveniersbedrijf. Deze functie is qua gebruik niet gevoeliger dan de horeca-functie. Bovendien worden er - behoudens het toevoegen van een opslaggebouw - geen bouwwerkzaamheden voorzien als gevolg van de ontwikkeling. Daarmee wordt voor het aspect bodem voldaan aan een goede ruimtelijke ordening. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.5 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b.

in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Het voorliggend plan voorziet niet in een nieuw geluidsgevoelig object. De bedrijfswoning wordt confrom de huidige situatie gehandhaafd. Er blijft hiermee sprake van een goede ruimtelijke ordening.

4.6 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: 30

bestemmingsplan Geesteren, Denekamperweg 2

woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets In paragraaf 4.11.1 is beschouwd wat de gevolgen zijn van het plan voor wat betreft het aspect wegverkeer. Geconcludeerd wordt dat een afname van de te verwachten verkeersbewegingen zal optreden. Hiermee wordt ook een postiieve bedrage geleverd aan het aspect luchtkwaliteit.

Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Er blijft sprake van een goede ruimtelijke ordening.

4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken.

Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart

bestemmingsplan Geesteren, Denekamperweg 2

31

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Toets

Figuur 4.2: uitsnede risicokaart plangebied en dichtstbijzijnde risico (bron: risicokaart.nl). Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van 1.18 km van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen, derhalve geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.

4.8 Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021.

De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en 32

bestemmingsplan Geesteren, Denekamperweg 2

het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Watervisie 2050 Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners. De drie belangrijkste opgaves zijn: de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering; de waterkwaliteit die onder druk staat: de transitie naar een duurzame ontwikkeling. De Watervisie zal worden doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2028 gaat werken aan haar opgaves. In het beheerprogramma zal het beleid en de maatregelen worden opgenomen. Totdat het beheerprogramma is uitgewerkt, gelden nog de beleidskaders van rijk en provincie die nader zijn uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. Waterbeheerplan 2016-2021 Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/785/documents/15372