CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage VG-TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22r Hardenbergerweg 190 Langeveen.pdf

Gemeenteraad Tubbergen 17 maart 2026, gemeente TubbergenBij agendapunt: 10: TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22r Hardenbergerweg 190 Langeveen26.906 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Bestemmingsplan

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22r Hardenbergerweg 190 Langeveen

Status: vastgesteld

Status: Datum: IMRO-Code: Auteur(s):

vastgesteld NL.IMRO.0183.TAMBUIHRDNBWG190-VG01

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22r Hardenbergerweg 190 Langeveen

Inhoudsopgave Vaststellingsbesluit Hardenbergerweg 190

5

Motivering

7

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Inleiding en aanduiding plangebied 1.2 Beoordelingskader en belangenafweging 1.3 Leeswijzer

9 9 10 11

Hoofdstuk 2 Toekomstige situatie 2.1 Gewenste ontwikkeling 2.2 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving

13 13 13

Hoofdstuk 3 Toetsing aan omgevingsplan 3.1 Omschrijving nieuwe situatie 3.2 Toetsing aan omgevingsplan

15 15 15

Hoofdstuk 4 Toetsing aan visie en beleid, vooroverleg, participatie 4.1 Visie en beleid voor het plangebied 4.2 Voorbereidingsfase / Verkenningsfase met stakeholders

17 17 26

Hoofdstuk 5 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu 5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking

29 29

5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10 5.11 5.12 5.13

30 31 31 33 34 36 37 39 39 40 41 41

m.e.r.-beoordeling Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren Gebiedsbescherming en soortenbescherming Luchtkwaliteit Geluid Geur Omgevingsveiligheid Trilling Archeologie en Cultuurhistorie Bodem Waterbelang Spuitvrije zone gewasbeschermingsmiddelen

Hoofdstuk 6

Financiële haalbaarheid

43

Hoofdstuk 7 Toelichting planregels 7.1 Inleiding 7.2 Opzet van de regels 7.3 Verantwoording van de regels

45 45 45 46

Bijlagen bij de toelichting

47

Bijlage 1

48

Participatieverslag

Regels Hoofdstuk 1

2

51 Inleidende regels

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22r Hardenbergerweg 190 Langeveen

53

Artikel 1 Artikel 2 Artikel 3

Begripsbepalingen Meet- en rekenbepalingen Toepassingsbereik

53 54 55

Hoofdstuk 2 Artikel 4 Artikel 5

Functies en gebiedsaanwijzingen Agrarisch - 1 Waarde - Archeologie 4

57 57 63

Hoofdstuk 3 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene ruimtelijke bouwregels Planologische gebruiksactiviteiten Regels parkeren Overige regels

65 65 66 67 68 69

Hoofdstuk 4 Artikel 11

Overgangsrecht Overgangsrecht

71 71

Bijlagen bij de regels

73

Bijlage 1

Begripsbepalingen

74

Bijlage 2

lijst evenementen

92

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22r Hardenberge rweg 190 Langeveen

3

4

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22r Hardenbergerweg 190 Langeveen

Vaststellingsbesluit Hardenbergerweg 190

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22r Hardenberge rweg 190 Langeveen

5

Motivering

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22r Hardenberge rweg 190 Langeveen

7

8

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22r Hardenbergerweg 190 Langeveen

Hoofdstuk 1

Inleiding

1.1 Inleiding en aanduiding plangebied Aan de Hardenbergerweg 190 in Langeveen ligt een agrarisch erf, waar momenteel 2 bedrijfswoningen, verschillende stallen, een bijgebouw voor berging en een zorgboerderij aanwezig zijn. De zorgboerderij, genaamd 'Erve Tijhuis' is een bedrijf met dagbesteding en kleinschalige woonvormen voor zorg voor ouderen. In de tweede bedrijfswoning woont op dit moment een familielid waar op termijn de vraag is of er verbondenheid met het agrarisch bedrijf blijft bestaan. Tevens is het denkbaar dat deze woning in de toekomst ooit overgedragen wordt aan een andere eigenaar die ook geen verbondenheid heeft in het bedrijf. Het wonen anders dan bedrijfswonen is niet toegestaan met de huidige aanduiding als bedrijfswoning. De wens is dan ook om de bedrijfswoning te Hardenbergerweg 186 in Langeveen aan te wijzen als een zogenoemde plattelandswoning (onder de Omgevingswet bekend als woning met voormalige functionele binding), zodat het formeel toegestaan is om de woning te laten bewonen en over te dragen aan bewoners die niet direct belang hoeven te hebben bij het bedrijf. De plannen passen niet in het omgevingsplan van rechtswege. Daarom is met behulp van voorliggend plan een aanpassing van het planologisch kader noodzakelijk.

Voorliggend kader verschaft een goed juridisch en ruimtelijk kader voor de genoemde ontwikkeling en toont een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aan. Ligging plangebied De planlocatie ligt aan de rand van de kern van Langeveen. De dorpskern van Langeveen is ten noordwesten van de planlocatie gelegen. De locatie van de om te zetten woning staat kadastraal bekend als gemeente Tubbergen, sectie A met perceelnummer 7662. De rest van het agrarische bedrijf valt onder sectie A, perceelnummers 8461, 8007 en 8462. Een luchtfoto met daarop het plangebied rood aangegeven is onderstaand zichtbaar. De begrenzing van het plangebied voor de om te zetten woning is zichtbaar op de digitale verbeelding.

Afbeelding 1.1: luchtfoto met planlocatie (in rood) ten opzichte van Langeveen (bron: Cyclomedia)

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22r Hardenberge rweg 190 Langeveen

9

Afbeelding 1.2: luchtfoto, ingezoomd op de planlocatie met betreffend perceel van de om te zetten woning in rood (bron: geo.overijssel.nl)

1.2 Beoordelingskader en belangenafweging Beoordelingskader De voorgenomen activiteit voldoet niet aan de regels van het omgevingsplan. Het initiatief kan alleen leiden tot een wijziging van het omgevingsplan als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader worden onderzocht en afgewogen. De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ligt primair bij de gemeente. De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie. De volgende regels en instructies van toepassing: de instructieregels van hoofdstuk 5 van het Bkl; de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; eventuele andere instructies van het Rijk en provincie. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld. Bij de beoordeling of wij een besluit willen nemen tot wijziging van het omgevingsplan is rekening gehouden met deze regels dan wel zijn de regels betrokken of in acht genomen.

Daarnaast heeft de gemeente haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving, zodat de de wijziging van het omgevingsplan ook hieraan wordt getoetst. Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen. De evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze zijn afgewogen. De aanvrager wenst de gevraagde activiteiten te realiseren. De gemeente wenst de doelen uit haar beleid te verwezenlijken. De belangen van de omwonenden zijn gelegen in een goed woon- en leefklimaat. De omliggende bedrijven hebben belang bij een ongehinderde bedrijfsvoering en een goed werkklimaat. Belangenafweging De raad heeft bij het bepalen om een besluit tot wijziging van het omgevingsplan vast te stellen beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoering vanuit het oogpunt van evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is. 10

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22r Hardenbergerweg 190 Langeveen

Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het projectgebied. Verder mag het project niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze worden afgewogen. Ondanks dat het initiatief in strijd is met het omgevingsplan kan worden besloten tot wijziging van het omgevingsplan, omdat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zoals uit de hierna opgenomen hoofdstukken blijkt draagt het initiatief bij aan de visie en beleid die de gemeente voor dit plangebied heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie. In de voorbereidingsfase heeft bestuurlijke afstemming plaatsgevonden. Provincie en het waterschap zijn akkoord met het project. Verder is het project afgestemd met omwonenden en heeft initiatiefnemer daarvan een verslag overgelegd. Voorts zijn in hoofdstuk 5 de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen.

Conclusie belangenafweging Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de wijziging van het omgevingsplan geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het wijzigen van het omgevingsplan is evenwichtig en geschikt om het project te realiseren.

1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een omschrijving gegeven van de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege en worden de strijdigheden in beeld gebracht. Hoofdstuk 4 omschrijft de toetsing van de ontwikkeling aan de visie en beleid voor het plangebied op rijks-, provinciaals en gemeentelijk niveau. Daarna wordt ingegaan op de resultaten van het (bestuurlijk) vooroverleg en het participatietraject. In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 6 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde. Tot slot is in hoofdstuk 7 een toelichting op de planregels opgenomen.

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22r Hardenberge rweg 190 Langeveen

11

12

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22r Hardenbergerweg 190 Langeveen

Hoofdstuk 2

Toekomstige situatie

2.1 Gewenste ontwikkeling Huidige erfindeling Het erf aan de Hardenbergerweg 190 in Langeveen bestaat uit een agrarisch bedrijf met twee bedrijfswoningen. Het erf is aan de oostkant voorzien van agrarische bedrijfsbebouwing. Richting de noordzijde is een bedrijfswoning gelegen met een zorgboerderij. In dit geval gaat het om de tweede bedrijfswoning, gelegen aan de zuidkant van het erf. De locatie zichtbaar op afbeelding 2.1 is de tweede bedrijfswoning, met het nummer 186.

Afbeelding 2.1: straataanzicht planlocatie Hardenbergerweg 186 (bron: Google Maps)

Gewenste ontwikkeling Voor de huidige bewoner van de woning nr. 186 is het de vraag of verbondenheid blijft met het aanwezige agrarische bedrijf en de wens is daarmee om de woning te scheiden van het agrarisch perceel en om te zetten in een plattelandswoning. Het is echter denkbaar dat de woning op enig moment over zal gaan op nieuwe bewoners. Om mogelijke discussie en onzekerheid weg te nemen willen initiatiefnemers dan ook een zogenoemde 'plattelandswoning' realiseren.

2.2 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving In de nieuwe situatie worden in fysiek opzicht geen wijzigingen beoogd. De woning aan de Hardenbergerweg 186 wordt door initiatiefnemers bewoond, maar betreft formeel een bedrijfswoning behorend bij het bedrijf aan de Hardenbergerweg 190. Van deze binding is in de toekomst hoogstwaarschijnlijk geen sprake meer, waardoor het wenselijk is om de Hardenbergerweg 186 aan te wijzen als zogenoemde plattelandswoning (in de Omgevingswet aangeduid als 'een gebouw dat eerder functioneel verbonden was met een activiteit'). De woning kent reeds een eigen inrit, tuin en aanverwante voorzieningen ten behoeve van het wonen. Het voorliggend plan voorziet dan ook enkel in een benodigde wijziging van functie. Voor wat betreft milieukundige aandachtspunten geldt dat de woning reeds enigszins afgezonderd ligt van de overige bedrijfsbebouwing op het perceel. In een omgevingsplan kan worden bepaald dat een geluidgevoelig gebouw dat voorheen functioneel verbonden was met een activiteit, niet beschermd wordt tegen het geluid, trilling, etc. dat veroorzaakt wordt door die (bedrijfsmatige) activiteit.

Het bevoegd gezag kan in het omgevingsplan de waarden voor geluid, geur, trillingen en slagschaduw vanwege een activiteit niet laten gelden voor een woning met een voormalige functionele binding met die activiteit (artikel 5.62 (geluid), 5.85 (trilling), 5.89e (windturbines) en 5.96 (geur) van het Bkl). Voor de locatie Hardenbergerweg 186 wordt voor geur en geluid gekozen om de bepalingen uit de bruidschat niet te laten gelden. Voor luchtkwaliteit geldt dat middels een bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22r Hardenberge rweg 190 Langeveen

13

andere beschouwing de evenwichtige toedeling van functies aan locaties is aangetoond. De omgevingsaspecten zijn nader uitgewerkt in Hoofdstuk 5.

14

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22r Hardenbergerweg 190 Langeveen

Hoofdstuk 3 Toetsing aan omgevingsplan 3.1 Omschrijving nieuwe situatie Zoals in Hoofdstuk 1 reeds aangegeven is er een plan voor het omzetten van een tweede bedrijfswoning naar een plattelandswoning aan de Hardenbergerweg 186 in Langeveen. Deze ontwikkeling is niet mogelijk binnen de huidige planregels ter plaatse van de locatie. Een aanpassing van het omgevingsplan is daarvoor noodzakelijk.

3.2 Toetsing aan omgevingsplan 3.2.1

Strijdigheden met bestemmingsplan ‘Tubbergen Buitengebied 2016’

Het geldend planologisch kader ter plaatse van de planlocatie is het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Tubbergen met onderdelen 'Buitengebied 2016' en 'Buitengebied 2016 Veegplan'. De locatie is voorzien van de functie ‘Agrarisch - 1’ en een bouwvlak. Daarnaast geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Ten slotte gelden in het agrarisch bouwvlak een tweetal functieaanduidingen 'specifieke vorm van maatschappelijk - bijzondere woonvormen en 'specifieke vorm van maatschappelijk dagverblijf'.

Afbeelding 3.1: uitsnede verbeelding omgevingsplan van rechtswege (bron: RuimtelijkePlannen) Zoals in de aanleiding reeds aangegeven past de gewenste ontwikkeling voor het gebruiken van de tweede bedrijfswoning Hardenbergerweg 186 als plattelandswoning niet binnen de huidige planregels ter plaatse van de locatie. Een aanpassing van het omgevingsplan van rechtswege is daarvoor noodzakelijk. 3.2.2

Bruidsschat

De bruidsschat bevatten regels over onderwerpen die tot het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet in nationale regelgeving waren opgenomen (door het Rijk opgestelde regels). Onder de Omgevingswet worden deze door gemeenten geregeld. De bruidsschat maakt onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De bruidsschat bevat regels op het gebied van bouwen, milieubelastende activiteiten en overige activiteiten en is opgenomen in hoofdstuk 22 van de regels van het omgevingsplan. Het grootste gedeelte van deze regels is gericht op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit geldt bijvoorbeeld voor milieuregels (zoals regels over geurnormen en de afstand tot een geurgevoelig object). Voor dat deel van de regels geldt dat het mogelijk is om van het omgevingsplan af te wijken.

De regels van afdeling 22.3 zijn relevant voor zover sprake is van milieubelastende activiteiten. De Omgevingswet definieert een milieubelastende activiteit als: 'een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22r Hardenberge rweg 190 Langeveen

15

kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit'. De in dit TAM-omgevingsplan mogelijk gemaakte activiteiten betreffen geen milieubelastende activiteiten. Indien dit wel het geval blijkt te zijn, dan worden de regels van afdeling 22.3 van toepassing. Voor de overige in de bruidsschat opgenomen regels geldt dat op de relevante artikelen nader wordt in gegaan in Hoofdstuk 4, waar dat noodzakelijk wordt geacht. 3.2.3

Gemeentelijke verordeningen

Voor zover sprake is van gemeentelijke verordeningen in het Omgevingsplan van rechtswege wordt aan deze verordeningen getoetst in Hoofdstuk 4 van dit TAM-omgevingsplan.

16

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22r Hardenbergerweg 190 Langeveen

Hoofdstuk 4 Toetsing aan visie en beleid, vooroverleg, participatie 4.1 Visie en beleid voor het plangebied 4.1.1

Nationale Omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen.

Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Beoordeling van het plan: De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Een tweede bedrijfswoning kan daarbij ingezet worden als plattelandswoning om toekomstige leegstand te voorkomen en de bewoners een verbeterde uitgangspositie te geven, zonder dat het naastgelegen agrarisch bedrijf in de ontwikkelingsmogelijkheden beperkt wordt. Het plan past daarmee binnen de prioriteiten van de NOVI. 4.1.2

Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel

Provinciale Omgevingsvisie De omgevingsvisie is het overkoepelende provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving in Overijssel. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden.

Provinciale Omgevingsverordening De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22r Hardenberge rweg 190 Langeveen

17

Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied. Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan en/of passend is binnen de ambities van de provincie Overijssel, wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt.

Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: generieke beleidskeuzes (OF); ontwikkelingsperspectieven (WAAR); gebiedskenmerken (HOE). Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.

1. Of - generieke beleidskeuzes (themagerichte artikelen met criteria waaraan (omgevings)plannen dienen te voldoen) 2. Waar - ontwikkelingsperspectieven 3. Hoe - gebiedskenmerken (conform lagenbenadering: natuurlijke laag, agrarische laag, stedelijke laag)

Generieke beleidskeuzes (OF) Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel 2024.

Doorwerking plan: In voorliggende geval zijn in het kader van de generieke beleidskeuzes de volgende artikelen relevant: artikel 4.5 (zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik); artikel 4.55 (Nationaal landschap Noordoost-Twente). Onderstaand worden de beleidskeuzes benoemd en beoordeeld op welke wijze in het plan hiermee rekening is gehouden. Artikel 4.5: Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik Lid 2 Omgevingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt: a. dat (her)benutting van bestaande erven en/of bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; b. dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut.

18

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22r Hardenbergerweg 190 Langeveen

Beoordeling van de plannen In dit geval is er geen sprake van nieuwbouw, enkel van wijziging van een functie. Hiermee wordt bestaande bebouwing benut en blijft bewoonbaar wanneer er wijzigingen zullen plaatsvinden van bewoners. Het gebruik geeft invulling aan zuinig en toekomstbestendig ruimtegebruik. De ontwikkeling voldoet aan 'zuinig en zorgvuldig' ruimtegebruik.

Artikel 4.55: Nationaal landschap Noordoost-Twente Lid 1 Een omgevingsplan voorziet alleen in nieuwe ontwikkelingen binnen het Nationaal Landschap Noordoost-Twente als die nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten van dat landschap. Lid 2 De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente zijn: het samenhangend complex van beken, essen, kampen en moderne ontginningen; de grote mate van kleinschaligheid; het groene karakter. Lid 3 Het omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt rekening is gehouden met het Ontwikkelperspectief Nationaal Landschap Noordoost-Twente en met bijlage IX van deze verordening (Nader uitgewerkte kernkwaliteiten Nationaal Landschap Noordoost-Twente) waarin de kernkwaliteiten nader zijn uitgewerkt. Beoordeling van het plan: Het plan is niet in strijd of doet geen afbreuk aan de kenmerken van het nationaal landschap Noordoost-Twente. Het betreft een planologische omzetting zonder relevante gevolgen voor de fysieke omgeving of voor het ruimtebeslag van bebouwde omgeving. Zo is er bijvoorbeeld geen strijd met de het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik aangezien het plan betrekking heeft op een bestaand erf. Het landschap wordt hierbij niet aangetast, waarmee ook de kernkwaliteiten van het nationaal landschap blijven behouden.

Ontwikkelingsperspectieven (WAAR) Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven

Afbeelding 4.1: ontwikkelingsperspectief, plangebied is rood gearceerd (bron: overijssel.tercera-ro.nl) Woon- en werklocaties buiten stedelijke netwerken Van de ruimtelijke kwaliteitsambities staat in dit ontwikkelingsperspectief de ambitie Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen voorop. Daarnaast gelden - net als voor alle andere ontwikkelingsperspectieven - de ruimtelijke kwaliteitsambities: zichtbaar en beleefbaar mooi landschap; sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor Overijssel; continu en beleefbaar watersysteem. Het ontwikkelingsperspectief 'Woon- en werklocaties buiten stedelijke netwerken' richt zich op herstructurering en transformatie van binnenstedelijke gebieden. Rond de binnensteden liggen de diverse woon- en werklocaties, elk met hun eigen woon-, werk- of mixmilieu. Herstructurering en transformatie moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur of water te reserveren).

Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld door in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening te houden met risico’s op bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22r Hardenberge rweg 190 Langeveen

19

overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten). Omdat verschillende woon- en werkfuncties bij elkaar zitten kunnen diensten, voorzieningen, bedrijven en kennisinstellingen het meest van elkaar profiteren; dit bevordert de werkgelegenheid, arbeidsproductiviteit en komt de rentabiliteit van bedrijfsleven en investeerders ten goede. Dit levert agglomeratievoordelen die de concurrentiekracht in stedelijke netwerken in Overijssel kunnen versterken. Cultuur en (boven)regionale functies krijgen hierin de prioriteit.

De plannen van initiatiefnemers dienen er juist voor te zorgen dat er geen belemmeringen voor het agrarisch ondernemen ontstaan door de betreffende woning aan te duiden als plattelandswoning. Het initiatief is passend in de wet- en regelgeving voor plattelandswoningen en levert geen extra belemmeringen op voor functies in de omgeving. De plannen van initiatiefnemers doen geen afbreuk aan het eigen karakter van het gebied.

Gebiedskenmerken (HOE) Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.

Afbeelding 4.1: Uitvoeringsmodel omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) Voor het plangebied gelden de volgende gebiedskenmerken, op onderstaande afbeeldingen is dit weergegeven: natuurlijke laag: dekzandvlakte en ruggen; laag van het agrarisch cultuurlandschap: Jonge heide- en broekontginningslandschap; stedelijke laag: Informele trage netwerk en Woonwijken 1955-nu laag van de beleving: donkerte

20

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22r Hardenbergerweg 190 Langeveen

Het voornemen heeft betrekking op de planologische omzetting van een (2e) agrarische bedrijfswoning naar een plattelandswoning op een bestaand agrarisch bedrijfsperceel. Er treden dan ook geen relevante effecten op ten aanzien van de gebiedskenmerken van het plangebied.

Natuurlijke laag

Afbeelding 4.2: uitsnede van de natuurlijke laag, plangebied rood aangekruist (bron: overijssel.tercera-ro.nl) Laag van het agrarisch cultuurlandschap

Afbeelding 4.3: uitsnede van de laag van het agrarisch cultuurlandschap, plangebied rood aangekruist (bron: overijssel.tercera-ro.nl) Stedelijke laag

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22r Hardenberge rweg 190 Langeveen

21

Afbeelding 4.4: uitsnede van de stedelijke laag, plangebied rood aangekruist (bron: overijssel.tercera-ro.nl) Laag van de beleving

Afbeelding 4.5: uitsnede van de laag van de beleving, plangebied rood aangekruist (bron: overijssel.tercera-ro.nl) Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende TAM-omgevingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

22

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22r Hardenbergerweg 190 Langeveen

4.1.3

MijnOmgevingsvisie Tubbergen

MijnOmgevingsvisie gaat over de toekomst van de leefomgeving; de visie van samenleving én gemeente. De visie gaat namelijk over leefbaarheid van de kernen én over het buitengebied , gezondheid, veiligheid en duurzaamheid. De visie geeft aan hoe de gemeente, samenleving en gemeenteraad, willen sturen; wat men wil behouden, versterken en ontwikkelen.

MijnOmgevingsvisie gaat in op: 1. 2. 3. 4.

de uitdagingen die op de gemeente afkomen (het verhaal achter de speerpunten); hoe men daarop kan inspelen (speerpunten); hoe plannen die bewoners of ondernemers inbrengen worden afgewogen (stappenplan); welke waarden daarbij belangrijk zijn (waardenkaart).

Mijn Omgevingsvisie gaat uit van vier kernprincipes. Kernprincipes zijn manieren van werken; werkwijzen die altijd gelden. Als keuzes worden gemaakt, als plannen worden gemaakt en gewoon als we wonen, leven, ondernemen of verblijven past men de kernprincipes toe. De vier kernprincipes zijn: We doen het samen; We geven het goed voorbeeld; We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt. We wentelen niet af op volgende generaties. Speerpunten In de omgevingsvisie zijn speerpunten opgenomen op de thema's Buitengebied in balans, Leefbare kernen, Leefomgeving van de toekomst. In voorliggend geval is gezien de ontwikkeling met name het thema 'Leefbare kernen' en 'Buitengebied in Balans' van belang. Daarbij gelden de volgende speerpunten: Voldoende voorzieningen Aantrekkelijk wonen Ruimte voor ondernemen Toekomstbestendige agrarische sector Goede staat van landschap en natuur Kwalitatief toerisme

Aangezien de planlocatie is gelegen in een overgangszone van de kern van Langeveen en het buitengebied, zijn in het vervolg 'Buitengebied in Balans' en 'Leefbare kernen' nader toegelicht. Buitengebied in Balans De gemeente Tubbergen wenst een economisch sterk buitengebied met veel verschillende functies, waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen. Het Twentse landschap van Tubbergen is een uniek coulisselandschap met houtwallen, singels, essen, ontginningen, natuurgebieden en landgoederen. Dit bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22r Hardenberge rweg 190 Langeveen

23

landschap draagt in grote mate bij aan de identiteit van de streek. De houtwallen en singels vormen verbindingen van natuurgebied naar natuurgebied die voor veel planten en dieren belangrijk zijn. Kortom zowel mensen als dieren voelen zich hier thuis. Het is voor iedereen belangrijk om een sterk en mooi buitengebied te behouden. In het buitengebied van Tubbergen komen veel verschillende functies voor die allemaal ruimte nodig hebben. Zoals landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en wonen. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Dit zijn bijvoorbeeld de hernieuwbare opwekking van energie en de vraag naar voldoende waterberging. Al deze functies leggen samen veel druk op het buitengebied. Daarom het uitgangspunt: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. De gemeente Tubbergen streeft naar een buitengebied met een mooie balans tussen het landgebruik, de leefbaarheid en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht. toekomstgerichte agrarische sector waarbij duurzamere landbouw wordt gestimuleerd; goede staat van (cultuur)landschap en biodiversiteit waarbij samenwerking moet worden gezocht met de landbouw; kwalitatief toerisme en toerismespreiding waarbij groei mogelijk is met respect voor landschap en natuur.

Leefbare kernen De kernen van de gemeente Tubbergen dragen sterk bij aan leefbaarheid en positieve gezondheid. Kernen bevatten namelijk de meeste voorzieningen, zoals ontmoetingsplekken, winkels, sportvelden en er is ruimte voor culturele activiteiten. Elk dorp heeft hierbij andere wensen voor de ontwikkeling van hun kern. De gemeente Tubbergen speelt hierop in en biedt tevens genoeg ruimte voor ontwikkelingen van bedrijven. Rondom het aspect wonen worden de soort en het aantal woningen aangepast op de vraag in een gemeente. Deze moeten voor elke doelgroep bereikbaar en toegankelijk zijn. Samengevat ligt de focus op leefbare woon- en werklocaties met ruimte voor zowel ontwikkeling als behoud van de lokale identiteit. Hierbij wordt er ingespeeld op de vraag van de bewoners. Voor kernen gelden de volgende speerpunten: voldoende voorzieningen met aandacht voor wensen in de verschillende kernen aantrekkelijk wonen met focus op inbreiding en toekomstbestendigheid ruimte voor ondernemen waarin er ruimte is voor duurzame, kansrijke initiatieven en er nadruk ligt op het behouden en versterken van het lokale bedrijfsleven Beoordeling van de plannen: Met voorliggend plan wordt de mogelijkheid geboden aan derden om de huidige bedrijfswoning aan Hardenbergerweg 186 in Langeveen te bewonen in de vorm van een plattelandswoning.

Vanwege de aanduiding plattelandswoning gaat dit niet ten koste van ontwikkelingsmogelijkheden voor het grondgebonden bedrijf aan de Hardenbergerweg 190, aangezien een plattelandswoning evenveel bescherming geniet als een bedrijfswoning. Daarbij is voor wat betreft luchtkwaliteit aantoonbaar gemaakt dat er geen belemmeringen te verwachten zijn. Daarmee wordt geacht dat er een goede functie op een goede plek in het buitengebied wordt gerealiseerd. 4.1.4

Buitengebied met kwaliteit

Op 25 januari 2022 is de beleidsregel 'Buitengebied met kwaliteit' vastgesteld door de raad van de gemeente Dinkelland. Dit beleidsstuk bundelt en vervangt diverse beleidsregelingen zoals bijvoorbeeld Rood voor Rood, Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving, Schuur voor Schuur en het VAB+ beleid. Mede vanwege de opgaven in het buitengebied zijn bepaalde onderdelen geactualiseerd en aangevuld. Het doel van deze beleidsregel is meervoudig. Enerzijds is deze beleidsregeling bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied in stand te houden en te verbeteren. Anderzijds is het doel van deze beleidsregeling om (economische) ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk te maken om zo een bijdrage te leveren aan een vitaal en leefbaar buitengebied. De volgende passages uit het beleid zijn relevant: - 2. Algemene Randvoorwaarden - 4.6 Plattelandswoning

Algemene randvoorwaarden 24

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22r Hardenbergerweg 190 Langeveen

Voor elke ontwikkeling in het buitengebied gelden bepaalde algemene randvoorwaarden waar aan voldaan moet worden. Naast dat voldaan moet worden aan het van toepassing zijnde Rijks- en provinciaal beleid en de van toepassing zijnde wet- en regelgeving, betreffen dit bijvoorbeeld randvoorwaarden die zijn opgesteld met het oog op een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Daarnaast moet bij de toepassing van deze beleidsregel in elk geval voldaan worden aan de hierna weergegeven voorwaarden. De gemeente bepaalt na een afweging van alle relevante belangen of aan deze voorwaarden voldaan wordt. Voor de beantwoording van de vraag of wordt voldaan aan de voorwaarden 1 tot en met 4, kan de gemeente het gemeentelijk kwaliteitsteam (Q-team) om advies vragen.

1. Elke ontwikkeling moet per saldo leiden tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit; 2. Bij elke ontwikkeling hoort een basisinspanning in de vorm van een goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing: vorm en situering van gebouwen en erfbeplanting (uiteengezet in locatie, sortiment, aantallen, plantmaat en indien van toepassing plantverband/ onderlinge afstand); 3. De geboden ontwikkelingsruimte dient in balans te zijn met de investeringen in de ruimtelijke kwaliteit; 4. De ontwikkeling dient naar aard en omvang passend te zijn op de locatie en de gebiedskenmerken van het type landschap; 5. De bestaande infrastructuur moet in principe toereikend zijn voor de nieuwe activiteit, er mag geen sprake zijn van een onevenredige toename van verkeer. Indien een aanpassing van de infrastructuur benodigd en aanvaardbaar is, komen de kosten hiervoor voor rekening van aanvrager; 6. Parkeren dient op eigen erf plaats te vinden; 7. De ontwikkeling mag niet leiden tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat; 8. Er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de in de omgeving aanwezige functies en waarden; 9. Er mag gaan onevenredige afbreuk worden gedaan aan de belangen van derden; 10. Indien dit nodig wordt geacht, kan een bedrijfsplan worden gevraagd ter onderbouwing van een verzoek; 11.

In het omgevingsplan/ de omgevingsvergunning worden verplichtingen opgenomen voor de aanleg en instandhouding van de verplichte landschappelijke inpassing. Daarnaast worden in een overeenkomst aanvullende voorwaarden opgenomen die van belang zijn voor de gemeentelijke juridische borging; 12. Een gecombineerde toepassing van de in deze beleidsregel opgenomen onderdelen is mogelijk, mits hierbij voldaan wordt aan de daarbij behorende voorwaarden; 13. Vergunningen die niet meer actueel zijn of die nog niet zijn benut, kunnen niet ingezet worden ter compensatie voor (extra) ontwikkelingsruimte en worden onherroepelijk ingetrokken. 4.6 Plattelandswoning Voor het toekennen van de status ‘plattelandswoning’ aan een agrarische bedrijfswoning binnen de functie ‘Agrarisch bedrijf’ gelden de volgende voorwaarden: 1. Er moet sprake zijn van een agrarische bedrijfswoning op een functionerend agrarisch bedrijf die ook als zodanig is bestemd; 2. De (oorspronkelijke) bedrijfswoning moet minimaal 10 jaar geleden zijn opgericht; 3. De betrokken partijen, de eigenaar van het agrarische bedrijf en de (toekomstige) eigenaar van de woning, moeten een schriftelijke akkoordverklaring hebben ondertekend dat men de voormalige agrarische bedrijfswoning van de status “plattelandswoning” wenst te voorzien; 4.

In afwijking van het bepaalde in lid 3 geldt dat als er geen sprake is van overeenstemming tussen de agrarische ondernemer en de eigenaar van de woning, maar de afsplitsing al langjarig gaande is (meer dan 10 jaar), er medewerking kan worden verleend voor het toekennen van een status ‘plattelandswoning’; 5. Indien het de enige bedrijfswoning betreft dan kan er alleen een status “plattelandswoning” worden toegekend als de situatie is ontstaan vóór 1 januari 2013. In dit geval is het niet meer mogelijk om bij de functie ‘Agrarisch bedrijf’ een nieuwe bedrijfswoning op te richten.

Beoordeling van de plannen: Algemene randvoorwaarden Met de ontwikkeling is er geen sprake van een fysieke wijziging. Daarmee wordt er geen afbreuk gedaan aan de ruimtelijke kwaliteit of aan de in omgeving aanwezige functies. Bovendien is een landschappelijke inpassing niet van belang, gezien het enkel gaat om een planologische wijziging. Er kan gesteld worden dat er is voldaan aan de algemene randvoorwaarden.

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22r Hardenberge rweg 190 Langeveen

25

Plattelandswoning ad 1. Er is sprake van huidige bedrijfswoning op een functionerend agrarisch bedrijf; ad 2. De woning is conform de BAG gebouwd in 1997 en daarmee ruim langer dan 10 jaar geleden opgericht; ad 3. Er is een akkoordverklaring ondertekend; ad. 4 n.v.t. ad 5. Het gaat om de tweede bedrijfswoning, daarmee n.v.t. Een toetsing aan de voorwaarden laat zien dat het plan voldoet aan de gestelde criteria voor de toewijzing van een plattelandswoning. Het plan past binnen het beleid buitengebied met kwaliteit. 4.1.5

Nota Omgevingskwaliteit

Op grond van artikel 4.114 Invoeringswet Omgevingswet, geldt de welstandsnota die is vastgesteld op basis van art. 12a Woningwet (oud), als een beleidsregel als bedoeld in 4.19 Omgevingswet. De aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt getoetst aan de Nota Omgevingskwaliteit. Beoordeling van de plannen: Artikel 22.29 lid 1 onder b BS bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. In onderhavig geval gaat het om een functiewijziging van bestaande bebouwing. Het is niet nodig andere welstandscriteria vast te stellen. De huidge welstandsnota blijft hier van toepassing.

4.2 Voorbereidingsfase / Verkenningsfase met stakeholders In de voorfase is er sprake geweest van een principeverzoek waarop het college een principe-uitspraak heeft gedaan. 4.2.1

Provinciaal vooroverleg

De provincie Overijssel heeft de ‘uitzonderingenlijst vooroverleg ruimtelijke initiatieven 2023’ vastgesteld. In dit document is opgenomen welke ruimtelijke initiatieven/ontwikkelingen de provincie niet hoeft te zien zolang geen ander provinciaal beleid en/of andere provinciale belangen zoals NNN en grondwaterbescherming geraakt worden. Het plan valt onder een plan voor het buitengebied onder een ontwikkeling voor woningbouw. Het gaat om een bestaande en bestemde bedrijfwoning die wordt aangewezen als plattelandswoning. Dit betreft een project waarover vooroverleg op basis van de uitzonderingslijst niet noodzakelijk is. 4.2.2

Waterschap Vechtstromen

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is op 20-03-2025 de digitale watertoets uitgevoerd voor de planlocatie. In de vragen is aangegeven dat er enkel sprake is van functiewijziging en geen extra verharding wordt aangebracht. Uit de vragen blijkt dat er geen waterschapsbelang is als gevolg van de plannen. Het waterschap Vechtstromen heeft daarom ook op 20-03-2025 aangegeven geen bezwaren te hebben tegen plannen en nader overleg is niet noodzakelijk. 4.2.3

Participatie omgeving

De gemeenteraad heeft het beleid ‘Inwonersparticipatie’ vastgesteld en daarin is een ‘Checklist Aan de slag met inwonersparticipatie’ opgenomen. Beschrijving van de wijze van participatie, de keuze waarom voor deze wijze van participatie is gekozen en wat het resultaat hiervan is: Een overzicht van de participatiestappen en opgehaalde resultaten van de participatie met een beschrijving van welke onderdelen van het plan of welke alternatieven van een plan kunnen rekenen op draagvlak en waarvoor minder of geen draagvlak is; Een beschrijving wat is gedaan met de resultaten van de participatie. Heeft de inbrengen van participanten bijvoorbeeld geleid tot een aanpassing van uw plan en op welke manier?; Een beschrijving van de overwegingen wat wel en niet is meegenomen en de onderbouwing. Beoordeling van de plannen:

26

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22r Hardenbergerweg 190 Langeveen

De initiatiefnemer is de buurt rondgeweest om het voornemen te bespreken. De volgende adressen zijn bezocht: Hardenbergerweg 190 Hardenbergerweg 189 Hardenbergerweg 178 Er zijn geen op- of aanmerkingen gekomen over de voorgenomen wijziging. Men begrijpt de wens en er zijn geen bezwaren of zorgen geuit. De bevindingen zijn uitgewerkt in een beknopt participatieverslag. Het verslag is bijgevoegd als Bijlage 1. Omwonenden vinden de plannen van initiatiefnemer begrijpelijk en hebben geen bezwaar tegen de plannen. Tevens zijn er geen suggesties voor planaanpassing. Daarmee heeft participatie met de direct betrokkenen voldoende plaatsgevonden.

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22r Hardenberge rweg 190 Langeveen

27

28

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22r Hardenbergerweg 190 Langeveen

Hoofdstuk 5 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt dat alleen een besluit tot wijziging van het omgevingsplan mogelijk is als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow). Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen. Voor de beoordeling van de wijziging van het omgevingsplan zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing: de instructieregels van hoofdstuk 5, met name afdeling 5.1 ‘Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ van het Bkl; de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; eventuele andere instructies van het Rijk en provincie. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.

5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking Algemeen De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik van de fysieke leefomgeving en het tegengaan van leegstand van gebouwen. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) verplicht om bij een wijziging van het omgevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening te houden met de behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Het bestuursorgaan heeft bij de toepassing van deze instructieregel beoordelingsvrijheid. Andere belangen dan het belang dat wordt gediend met de instructieregel kunnen de doorslag geven.

De ladder is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (ABRS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 en ABRS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579. De laddertoets is in ieder geval van toepassing op een stedelijk ontwikkeling of uitbreiding van o.a. bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening. De opsomming in het eerste lid is niet limitatief, ook andere dan de genoemde ontwikkelingen kunnen zich als een stedelijke ontwikkeling kwalificeren. Voorts geldt dat een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Of aan dit criterium wordt voldaan is in sterke mate afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.

Stedelijke ontwikkeling Voorliggend plan voorziet in een wijziging van een tweede bedrijfswoning naar een plattelandswoning. Per saldo is er dus geen toename in het aantal woningen. Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Conclusie Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling die moet worden getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking, gezien het gaat om een functiewijziging in de bestaande bebouwing.

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22r Hardenberge rweg 190 Langeveen

29

5.2 m.e.r.-beoordeling Afdeling 16.4 van de Ow bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. De regels voor de milieueffectrapportage (mer) staan in afdeling 16.4 van de Ow. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. Het gaat hier om de implementatie van 2 richtlijnen: de EU-richtlijn mer (mer-richtlijn): richtlijn over de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en private projecten. de EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling (smb-richtlijn): richtlijn over de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's. De regels schrijven voor bepaalde plannen, programma's en projecten een zogenoemde milieubeoordeling voor. Deze mer-procedure gaat vooraf aan het nemen van een besluit over het vaststellen van het plan of het toestaan van een project. In een aantal situaties is het mogelijk om een plan-mer-beoordeling te doen in plaats van een milieueffectrapportage. Voor een plan-mer-plicht gelden de volgende eisen: De eerste eis is dat het moet gaan om een wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven plan of programma (artikel 16.34 lid 1 Ow). In de Omgevingswet is opgenomen dat een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing aan die vereisten voldoen.

De tweede eis is dat het plan of programma een kader vormt voor besluiten voor mer(beoordelings)plichtige projecten (artikel 16.36 Ow) of dat er een passende beoordeling voor een plan of programma nodig is. In kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn de mer-(beoordelings)plichtige projecten opgenomen. De inhoud van een plan bepaalt mede de eventuele mer-plicht. In een aantal gevallen is het echter mogelijk om eerst een plan-mer- beoordeling te doen. Uit een plan-mer-beoordeling blijkt of het plan of programma aanzienlijke milieueffecten heeft. Als dat niet het geval is, kan een planmilieueffectrapportage achterwege blijven. Een plan-mer-beoordeling kan in de volgende twee situaties aan de orde zijn: 1. Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het gaat om projecten die niet in bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan. Het plan is niet direct plan-merplichtig, maar er moet wel een plan-mer-beoordeling worden uitgevoerd. De mer-(beoordelings)plichtige projecten zijn opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. 2. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarnaast komen de projecten waarvoor het omgevingsplan het kader vormt niet boven de drempel van kolom 2 uit bijlage V Omgevingsbesluit. Er kan dan volstaan worden met een plan-mer-beoordeling als: a.

het plan een kleine wijziging van een plan of programma is; b. het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is. In een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 en lid 4 Ow) toetst het bevoegd gezag of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke resultaten: Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan-mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt. Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-mer nodig en er wordt geen MER gemaakt. Beoordeling van de plannen: De voorgenomen activiteit heeft betrekking op het omzetten van een agrarische bedrijfswoning naar plattelandswoning. Dit plan heeft geen significante ruimtelijke gevolgen en ook geen effect op de milieusituatie ter plaatse. Een dergelijke ontwikkeling is dan ook geen activiteit zoals benoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Daarmee geldt er ook geen noodzaak tot een m.e.r.-beoordeling. Conclusie Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kenmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow).

30

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22r Hardenbergerweg 190 Langeveen

5.3

Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren

De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2019. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave ‘toekomstig parkeren’ (uitgave 381). De toename en de verkeersveiligheid wordt beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2019. Er moet worden beoordeeld of de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren wordt getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018. Verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en –afwikkeling) De verkeersgeneratie is bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave ‘Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)’. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. De planologische omzetting van bedrijfswoning naar plattelandswoning leidt niet tot extra verkeer. Het aantal woningen in het plangebied blijft gelijk. De verkeersdruk op de openbare weg neemt niet toe.

Parkeren Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' het toetsingskader. De planologische omzetting van bedrijfswoning naar plattelandswoning leidt niet tot extra parkeerbehoefte. Het aantal woningen in het plangebied blijft gelijk. Parkeren zal conform de bestaande situatie plaatsvinden op eigen terrein, waar voldoende ruimte is om in parkeergelegenheid te voorzien. Conclusie Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren geen belemmeringen vormt voor de ontwikkeling.

5.4 Gebiedsbescherming en soortenbescherming 5.4.1

Gebiedsbescherming

5.4.1.1 Natura 2000-gebieden Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000- gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning voor de Natura-2000-activiteit noodzakelijk. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: de leefgebieden van vogels; de natuurlijke habitats of habitats van soorten.

De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22r Hardenberge rweg 190 Langeveen

31

voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden.

Situatie plangebied Het plangebied behoort niet tot Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op minimaal 2,4 km afstand (gebied Engbertsdijkvenen). Conclusie Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningplichtig. De voortoets voor het plan voldoet ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 5.4.1.2 Natuurnetwerk Nederland In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/1407/documents/27243