Bijlage Verordening jeugdhulp Tubbergen 2026.pdf
Tekst van het document
Het pgb mag niet worden besteed aan de kosten voor: - bemiddeling (tussenpersonen of belangbehartigers), - het voeren van een pgb-administratie, - ondersteuning bij het aanvragen en beheren van het pgb, - contributie voor lidmaatschappen (bijvoorbeeld van Per Saldo), - het volgen van cursussen over het pgb, - van informatiemateriaal, - het vervoer (reiskosten) van de derde aan wie het pgb wordt besteed. 3. Het college maakt geen gebruik van een verantwoordingsvrij bedrag. 4. Het college verleent geen éénmalige uitkering in geval van overlijden van de jeugdige of de budgethouder. 5. Declaraties op basis van een vast bedrag per maand zijn niet toegestaan. 6. De jeugdige met een indicatie voor jeugdhulp in de vorm van specialistische ondersteuning of behandeling, kan het pgb alleen besteden aan een daartoe gekwalificeerde beroepskracht. In dat kader worden de ouder(s) of personen uit het sociaal netwerk niet als gekwalificeerde beroepskracht aangemerkt.
20
7. Het pgb mag slechts worden besteed aan personen uit het sociaal netwerk, waaronder de ouder(s) als dit naar oordeel van het college leidt tot aantoonbare betere en effectievere ondersteuning en aantoonbaar doelmatiger is. 8. Het pgb wordt binnen drie maanden na toekenning aangewend voor de bekostiging van het resultaat waarvoor de verstrekking heeft plaatsgevonden. Artikel 6.4 Kwaliteit derde aan wie het pgb wordt besteed 1. De vakbekwaamheidseisen die gelden voor de gecontracteerde jeugdhulpaanbieders zijn ook van toepassing als het pgb aan een professional wordt besteed. Daaronder valt een afgeronde zorggerelateerde opleiding of een gelijkwaardig EVC-certificaat verkregen volgens de procedure van het Nationaal Kenniscentrum EVC op minimaal Mbo4 niveau. 2. Professionals, personen uit het sociaal netwerk en anderen die als niet-professional worden aangemerkt beschikken over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) als bedoeld in artikel 4.16 van de wet, tenzij het een ouder in de zin van de wet betreft. De VOG is niet ouder dan drie maanden voor het tijdstip waarop de ondersteuning wordt geboden. Het college kan de duur van de indicatie afstemmen op het opnieuw aanvragen van de VOG. 3.
De kwaliteitseisen die gelden voor een professional, zijn onder meer: - gebruik maken van bewezen effectieve jeugdinterventies en methodisch werken, - beschikken over een keurmerk of werken volgens een protocol, - het voeren van een deugdelijke bedrijfsvoering, - naleving van Governance zorg code 2022 rekening houdend met het aantal medewerkers dat in dienst is, gebaseerd op kwaliteitseisen voor de door het college gecontracteerde jeugdhulpaanbieders. Artikel 6.5 Hoogte persoonsgebonden budget 1. Voor de goedkoopst passende individuele voorziening hanteert het college gedifferentieerde tarieven die zijn afgeleid van ofwel de tarieven waarvoor het college de geïndiceerde jeugdhulp heeft ingekocht (hierna: het tarief) dan wel van andere bedragen. 2. a. Voor individuele jeugdhulp geldt: 1 80% van het tarief voor jeugdhulpverleners die in dienst zijn van een professionele organisatie of als Zzp’er werkzaam zijn; 2 het bedrag zoals genoemd in artikel 5.22, eerste lid, van de Regeling langdurige zorg voor personen uit het sociaal netwerk of die niet als personen onder 1 kunnen worden aangemerkt; b.
voor groepsgerichte jeugdhulp geldt: 1 80% van het tarief per dagdeel voor jeugdhulpverleners die in dienst zijn van een professionele organisatie of als Zzp’er werkzaam zijn; 2 het bedrag per dagdeel zoals genoemd in artikel 5.22, eerste lid, van de Regeling langdurige zorg voor personen uit het sociaal netwerk of die niet als personen onder 1 kunnen worden aangemerkt. 3. Voor wonen en verblijf geldt: a. 80% van het tarief voor jeugdhulpverleners die in dienst zijn van een professionele organisatie of als Zzp’er werkzaam zijn; b. het bedrag per etmaal zoals genoemd in artikel 5.22, eerste lid, van de Regeling langdurige zorg voor personen uit het sociaal netwerk of die niet als personen onder a kunnen worden aangemerkt. 4. Voor het bedrag als bedoeld in artikel 5.22, eerste lid, van de Regeling langdurige zorg geldt het bedrag geldend op 1 januari van elk kalenderjaar en als vakantiebijslag van toepassing is, dan is in het bedrag de vakantiebijslag als bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag verdisconteerd. 5. Het college stelt de tarieven die het verschuldigd is aan de (gecontracteerde) jeugdhulpaanbieders en de andere bedragen vast in het Financieel besluit.
21
6. In afwijking van het tarief kan de hoogte van het pgb lager worden vastgesteld als dat in het Budgetplan is opgenomen. Het college hanteert geen lager bedrag dan genoemd in het tweede lid onder a sub 2, onder b sub 2 of het derde lid onder b dit artikel.
HOOFDSTUK 7. BESTRIJDING MISBRUIK OF ONEIGENLIJK GEBRUIK Artikel 7.1 Bevoegdheid 1. Ter voorkoming van het onterecht ontvangen van individuele voorzieningen of pgb’s, en ter bestrijding van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet is het college bevoegd controles uit te voeren die betrekking hebben op de naleving van: a. de regels uit de wet, tenzij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd bevoegd is; b. de regels uit deze verordening; c. de voorwaarden die voortvloeien uit overeenkomsten met jeugdhulpaanbieders, waaronder de kwaliteit van de geboden jeugdhulp. 2. Onverminderd paragraaf 6b van de Regeling Jeugdwet kunnen de controles als bedoeld in het eerste lid betrekking hebben op de rechtmatigheid als ook op de kwaliteit en effectiviteit van de geboden jeugdhulp door derden in geval van een pgb. 3. Het college wijst een toezichthoudende ambtenaar aan voor de controle op de rechtmatige verstrekking van jeugdhulp (natura en pgb). 4. Het college kan: a. de besteding van pgb’s, al dan niet steekproefsgewijs, controleren en beoordelen. Tevens beoordeelt het college of de budgethouder nog voldoet aan de criteria om voor een pgb in aanmerking te komen. b. bij de controle als bedoeld in onderdeel a ook de derde betrekken aan wie het pgb wordt besteed. Onder de derde wordt tevens een aan die derde gelieerde (rechts)persoon verstaan; c.
de jeugdhulp geboden door jeugdhulpaanbieders, al dan niet steekproefsgewijs, controleren en beoordelen of de aanbieder of de hulp nog voldoen aan de contractuele eisen die daaraan gesteld zijn. 5. Voor de controle als bedoeld in het eerste lid heeft het college geen specifieke aanleiding nodig. Het college kan bij de controles een thematische aanpak hanteren. 6. De controles kunnen worden uitgevoerd door het college en/of de toezichthoudende ambtenaar als bedoeld in het derde lid. 7. In dit hoofdstuk van de verordening worden onder de budgethouder en/of de derde ook de ouder(s) van de jeugdige verstaan. Artikel 7.2 Informatieplicht en fraudepreventie Het college informeert jeugdigen, ouder(s) of wettelijk vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening (in natura of in de vorm van een pgb) zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik. Artikel 7.3 Medewerkingsplicht De jeugdhulpaanbieder, jeugdhulpverlener, budgethouder of de derde aan wie het pgb wordt besteed zijn desgevraagd verplicht aan de toezichthoudende ambtenaar of het college verantwoording af te leggen over de geboden jeugdhulp. Onder de derde wordt tevens een aan die derde gelieerde (rechts)persoon verstaan. Artikel 7.4 Weigeringsgronden persoonsgebonden budget 1.
Het college weigert het pgb als de budgethouder of diens wettelijk vertegenwoordiger geen Budgetplan indient of een bespreking van het Budgetplan weigert of, na daartoe te zijn opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt.
22
2. Het college kan het pgb weigeren als een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de door de budgethouder ingeschakelde derde: a. bij een eerdere verstrekking waarbij deze derde jeugdhulpverlener was of als vertegenwoordiger optrad niet heeft ingestaan voor nakoming van de aan het pgb verbonden verplichtingen, b. blijkens de Basisregistratie Personen niet beschikt over een woonadres, c. rechtens zijn vrijheid is ontnomen, d. anderszins naar oordeel van het college geen of onvoldoende sprake is van gewaarborgde hulp wat betreft het nakomen van de voor de budgethouder aan het pgb verbonden verplichtingen. Artikel 7.5 Opschorting betaling persoonsgebonden budget aan Sociale Verzekeringsbank 1. Het college kan de betaling van het pgb aan de Sociale Verzekeringsbank of de derde geheel of gedeeltelijk opschorten voor ten hoogste 13 weken als er een gegrond vermoeden bestaat dat niet of onvoldoende wordt voldaan aan verplichtingen die voortvloeien uit artikel 8.1.4, eerste lid aanhef en onder a, d of e, van de wet. 2. Een gegrond vermoeden als bedoeld in het eerste lid kan betrekking hebben op de budgethouder als ook op de derde aan wie het pgb wordt besteed. Onder de derde wordt tevens een aan die derde gelieerde (rechts)persoon verstaan. 3.
Gedurende de periode waarin de betaling van het pgb is opgeschort, voert het college en/of de toezichthoudende ambtenaar een onderzoek uit. Artikel 7.6 Verzoek aan Sociale Verzekeringsbank opschorting betaling uit het persoonsgebonden budget 1. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank verzoeken tot een geheel of gedeeltelijke opschorting voor ten hoogste 13 weken van een betaling uit het pgb als er een gegrond vermoeden bestaat dat niet of onvoldoende wordt voldaan aan verplichtingen die voortvloeien uit artikel 8.1.4, eerste lid aanhef en onder a, d of e, van de wet. 2. Een gegrond vermoeden als bedoeld in het eerste lid kan betrekking hebben op de budgethouder als ook op de derde aan wie het pgb wordt besteed. Onder de derde wordt tevens een aan die derde gelieerde (rechts)persoon verstaan. 3. Gedurende de periode waarin de betaling van het pgb is opgeschort voert het college en/of de toezichthoudende ambtenaar een onderzoek uit. Artikel 7.7 Opschorting inzet individuele voorziening 1. Het college kan de inzet van een individuele voorziening geheel of gedeeltelijk opschorten voor ten hoogste 13 weken als er een gegrond vermoeden bestaat dat door de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet of onvoldoende wordt voldaan aan verplichtingen die voortvloeien uit artikel 8.1.4, eerste lid aanhef en onder a, d of e van de wet. 2.
Gedurende de periode waarin de inzet van de individuele voorziening is opgeschort voert het college en/of de toezichthoudende ambtenaar een onderzoek uit.
HOOFDSTUK 8. BEEINDIGING, HERZIENING, INTREKKING EN TERUGVORDERING Artikel 8.1 Beëindiging Behoudens artikel 8.1.4 van de wet kan het college een toegekende aanspraak op een individuele voorziening dan wel pgb in ieder geval geheel of gedeeltelijk beëindigen, als: a. niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld op grond van de wet of bij of krachtens de verordening; b. de jeugdige en/of zijn ouder(s) zich niet houdt aan de verplichtingen verbonden aan de individuele voorziening of die rechtstreeks voortvloeien uit het toegekende pgb;
23
c. de jeugdige is overleden. Artikel 8.2 Herzien of intrekken van besluiten 1. Naar analogie van artikel 8.1.2 van de wet, doet de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel wettelijke vertegenwoordiger aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten of omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij aanleiding kunnen zijn tot een heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3 van de wet. 2. Het college kan een besluit als bedoeld in het eerste lid herzien of intrekken als blijkt dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet of onvoldoende heeft voldaan aan de verplichtingen genoemd in de wet of die bij of krachtens deze verordening van toepassing zijn waaronder inbegrepen het niet nakomen van de verplichtingen die rechtstreeks voortvloeien uit het pgb of de dienstverleningsovereenkomst. Artikel 8.3 Terugvordering 1. Het college kan de kosten van een individuele voorziening dan wel pgb terugvorderen als het besluit is herzien of ingetrokken op grond van artikel 8.1.4, eerste lid aanhef en onder a, d of e, van de wet. 2. Het college kan de kosten van een individuele voorziening dan wel pgb van de jeugdige en/of zijn ouder(s) terugvorderen in geval van een onverschuldigde betaling. 3.
De wijze waarop de terugvordering geïnd wordt, kan verrekening zijn met de uitkering die de jeugdige en/of de ouder(s) van het college ontvangt voor zijn levensonderhoud op grond van de Participatiewet, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of gewezen zelfstandigen. 4. Het college kan de terugvordering als bedoeld in het eerste en tweede lid invorderen bij dwangbevel overeenkomstig artikel 8.1.4, derde lid, van de wet.
HOOFDSTUK 9. KWALITEIT EN INSPRAAK Artikel 9.1 Kwaliteitseisen jeugdhulp 1. Jeugdhulpaanbieders en jeugdhulpverleners zorgen voor een goede kwaliteit van jeugdhulp, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. 2. Voor jeugdhulp gelden verder in ieder geval de volgende uitgangspunten: a. de jeugdhulp die geïndiceerd is, wordt in samenspraak met de jeugdige, zijn ouder(s) en/of zijn vertegenwoordiger besproken; b. de jeugdhulp is veilig: de relatie tussen de jeugdige en/of zijn ouder(s) en beroepskracht is vertrouwd en stabiel waarbij de privacy in acht wordt genomen; c. de jeugdhulp garandeert continuïteit, samenhang en resultaten: de beroepskracht is deskundig en gericht op het behalen van resultaten en werkt waar nodig samen met andere jeugdhulpverleners dan wel andere professionals en onderhoudt contacten met de personen uit het sociaal netwerk van de jeugdige; d. de leefomgeving (wonen en verblijf) past bij de leeftijd en ondersteuningsbehoefte van de jeugdige. 3. Behoudens andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de eisen door periodieke overleggen met de jeugdhulpaanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de jeugdige en/of zijn ouder(s) ter plaatse controleren van de geleverde jeugdhulp. Artikel 9.2 Verhouding prijs en kwaliteit 1.
Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met: a. de kosten van beroepskrachten (cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden);
24
c. redelijke overheadkosten; d. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; e. reis- en opleidingskosten; f. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; en g. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 2. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat. 3. Het college is verplicht om bij door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen te bedingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden indien zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen, bedoeld in het eerste lid van dit artikel. Artikel 9.3 Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1. Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval jeugdigen, hun ouder(s) of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2.
Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4. Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van dit artikel.
HOOFDSTUK 10. SLOTBEPALINGEN Artikel 10.1 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige en/of zijn ouder(s) afwijken van hetgeen in deze verordening is bepaald, voor zover toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 10.2 Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2026. 2. De Verordening jeugdhulp gemeente Tubbergen 2025 wordt met ingang van 1 januari 2026 ingetrokken. 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening jeugdhulp gemeente Tubbergen 2025 en waarop nog niet is beslist bij het inwerking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens de verordening jeugdhulp gemeente Tubbergen 2026. 4. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp gemeente Tubbergen 2026. 5. Het college heeft de bevoegdheid een besluit op grond van aan deze verordening voorafgaande verordeningen in te trekken met toepassing van deze verordening. Het college kan daarvoor een ander besluit in de plaats stellen. Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 16 december 2025. De raadsgriffier, E.C.B. Hoitink
De voorzitter, drs. A.H. Postma
25
26
Bijlage. Richtlijn gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp betreft verzorging, begeleiding en opvoeding van ouders voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel in verschillende levensfasen van het kind in relatie tot een kind met een behoefte aan jeugdhulp. Deze uitgangspunten zijn gebaseerd op de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014 en uitgewerkt in de CIZ indicatiewijzer versie 7.1. Het college neemt de leeftijd van het kind, de aard van de zorghandeling, de frequentie van de zorghandeling en de tijd die daarvoor nodig is als uitgangspunt. Bandbreedte gebruikelijke hulp Voor kinderen geldt dat er een bandbreedte is in het normale ontwikkelingsprofiel. Ook tussen kinderen van dezelfde leeftijd zonder behoefte aan jeugdhulp kan de omvang van de verzorging, begeleiding en opvoeding (per dag) verschillen. Het ene kind is nu eenmaal gemakkelijker of sneller zelfstandig dan het andere kind. Gebruikelijke hulp bij kinderen kan ook activiteiten omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen. Boven-gebruikelijke hulp Van boven-gebruikelijke hulp bij kinderen in chronische situaties is pas sprake wanneer de omvang van de verzorging, begeleiding en opvoeding, waaronder toezicht meer is dan een gezond kind van dezelfde leeftijd gemiddeld nodig heeft.
Kinderen van 0 tot 3 jaar hebben bij alle activiteiten zorg van een ouder nodig; ouderlijk toezicht is 24 uur per dag zeer nabij nodig; zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen; hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Kinderen van 3 tot 5 jaar
• kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer);
• • • • •
hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen; hebben hulp, toezicht, stimulans, zindelijkheidstraining en controle nodig bij de toiletgang; hebben hulp en volledig stimulans en toezicht nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen;
• hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding; • zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven; • hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Kinderen van 5 tot 12 jaar
• hebben vanaf 5 jaar een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week; • kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv. kind kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is);
27
• hebben toezicht, stimulans en controle nodig en vanaf 6 jaar tot 12 jaar geleidelijk aan steeds minder hulp nodig bij hun persoonlijke verzorging zoals het zich wassen en tanden poetsen;
• hebben hulp nodig bij het gebruik van medicatie; • zijn overdag zindelijk, en 's nachts merendeels ook; ontvangen zonodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers;
• hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische, geestelijke en emotionele ontwikkeling; • hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; • hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrije tijdsbesteding gaan;
• hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Kinderen van 12 tot 18 jaar
• • • • • • • •
hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen; kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden; kunnen vanaf 16 jaar dag en nacht alleen gelaten worden; kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen; hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig; hebben bij gebruik van medicatie tot hun 18e jaar toezicht, stimulans en controle nodig; hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding; hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen);
• hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; • hebben tot 17 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
28
Toelichting Verordening Jeugdhulp gemeente Tubbergen 2026 Algemene toelichting Met de Jeugdwet is in 2015 het verzekerd recht op zorg vervangen door een jeugdhulpplicht voor gemeenten als ouders en jeugdigen er (eenvoudig gezegd) samen niet uitkomen. Dit nieuwe jeugdstelsel heeft het uiteindelijke doel het versterken van de eigen kracht van de jongere en van het zorgend en probleemoplossend vermogen van diens gezin en sociale omgeving (TK 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 2). Verantwoordelijkheid van ouders Ouders en jeugdigen moeten leren (weer) op eigen vaardigheden te vertrouwen zodat zij zelf verder kunnen, zonder hulp van de overheid. Deze verplichting voor ouders is terug te zien in de artikelen 1:82 en 1:247 van het Burgerlijk Wetboek. Het moet voor ouders en professionals vanzelfsprekend zijn dat ouders zelf de regie nemen en houden over de opvoeding van hun kinderen, tenzij dit een onverantwoord risico voor het kind oplevert. Dat vraagt een vraaggerichte houding van hulpverleners, waarbij uitgegaan wordt van de eigen kracht van jongeren en ouders en het besef dat zij verantwoordelijk zijn voor zichzelf en, in het geval van ouders, ook voor hun kinderen. Hierop zijn zij ook aanspreekbaar. De overheid dient ervoor te waken de zorgtaken van mensen en hun verbanden over te nemen.
Ze komt pas in beeld als de ouders problemen ondervinden, als de opvoeding- en leefsituatie de ontwikkeling van kinderen bedreigt en de overheid de ouders dient te helpen om deze voorwaarden te vervullen of als de jeugdige verdacht wordt of veroordeeld is voor een strafbaar feit (TK 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 19-20, 128). Actieve rol van ouders Hierbij past een actieve rol van de ouders en het kind om in eerste instantie te trachten de op hun weg komende problemen zelf of met behulp van hun eigen netwerk op lossen (TK 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 136). Deze uitgangspunten zijn (ook) in artikel 2.1 van de Jeugdwet verankerd; de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf en er moet worden uitgegaan van de eigen kracht van de jeugdige, zijn ouders en het sociaal netwerk. Jeugdhulp Onder jeugdhulp (art. 1.1, eerste lid, van de wet) wordt verstaan: 1°. ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen; 2°.
het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en 3°. het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht. Opdracht gemeenteraad Artikel 2.9 van de wet geeft de gemeenteraad de opdracht om een verordening vast te stellen met de regels die noodzakelijk zijn ter uitvoering van de wet. Deze verordening is dan ook een essentieel document voor de concrete uitwerking van het beleid van de gemeente Tubbergen. Voor de jeugdige en/of zijn ouder(s) van Tubbergen biedt deze verordening duidelijkheid over wat zij van de gemeente mogen verwachten, maar ook wat 29
bij de beoordeling van de aanspraak (redelijkerwijs) van hen wordt verwacht. Voor de professionals van de gemeente Tubbergen biedt de verordening de benodigde kaders en criteria om op een resultaatgerichte manier tot maatwerk te komen in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouder(s) die zich meldt met een hulpvraag en een aanvraag indient. Met een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, is gewaarborgd dat de jeugdige in staat wordt gesteld: a. gezond en veilig op te groeien; b. te groeien naar zelfstandigheid, en c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. Centrale Raad van Beroep Volgens de Centrale Raad van Beroep (CRvB) moet in de verordening (ook) een regelstellend kader zijn opgenomen wanneer sprake is van eigen kracht en welke afwegingskaders daarbij een rol spelen. Is de eigen kracht toereikend, dan mag een aanvraag om individuele jeugdhulp worden afgewezen (art. 2.3 Jw). Het gaat bij het regelstellend kader, eenvoudig gezegd, over de betekenis die de gemeenteraad van Tubbergen van de ouderlijke verzorgings- en opvoedingsplicht (hierna: zorgplicht) is die voortvloeit uit het Burgerlijk Wetboek.
Daarnaast moet de verordening bepalingen bevatten hoe de deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening is gewaarborgd (CRVB:2024:1095, CRVB:2024:1096 en CRVB:2024:1097). Verordening gemeente Tubbergen In hoofdstuk 2 is de waarborg over de deskundigheid uitgewerkt. De toeleiding naar en advisering over de aanspraak op een individuele voorziening wordt gedaan onder de verantwoordelijkheid van een SKJ of BIG geregistreerde persoon. In hoofdstuk 3 van deze verordening is het regelstellend kader over eigen kracht uitgewerkt. Uitgaande van zorgplicht van ouders wordt onderscheid gemaakt tussen gebruikelijke hulp en bovengebruikelijke hulp van ouders. Om te weten wat deze begrippen inhouden zijn ze uitgewerkt in begripsbepalingen. Bij gebruikelijke hulp gaat het om de zorgplicht van ouders voor hun kind(eren) ongeacht het ondervinden van problemen, rekening houdend met de leeftijd. Daarvoor bevat de verordening een bijlage met een richtlijn. Ook worden in hoofdstuk 3 andere situaties beschreven die onder de eigen kracht kunnen vallen. Een voorbeeld is het vervoer van en naar de jeugdhulplocatie. In hoofdstuk 4 zijn de individuele jeugdhulpvoorzieningen en bijbehorende criteria opgenomen om daarvoor in aanmerking te komen.
Resultaatverplichting en maatwerk jeugdhulp Ingeval de eigen kracht ontoereikend is kunnen ouders en jeugdigen een beroep doen op de (mede) door gemeente Tubbergen georganiseerde jeugdhulp. Bij de jeugdhulpplicht hoort een resultaatverplichting. Dat wil zeggen dat passende jeugdhulp moet worden geboden (art. 2.5, vierde lid, van de wet). De gemeente Tubbergen voert de regie op het te behalen resultaat zoals dat in het besluit is vastgesteld. Persoonsgebonden budget Als de jeugdige en/of zijn ouder(s) dat wenst, kan de noodzakelijke jeugdhulp ook in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) worden verstrekt. Samen met de professional van de gemeente Tubbergen bespreekt de jeugdige en/of zijn ouder(s) de mogelijkheden om voor een pgb in aanmerking te komen.
30
Artikelsgewijze toelichting HOOFDSTUK 1. BEGRIPSBEPALINGEN EN VORMEN VAN JEUGDHULP Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder a: algemene voorziening Het gaat bij een algemene voorziening om een vrij toegankelijke voorziening voor degene die zich hiertoe wendt voor ondersteuning of hulp. Er vindt geen toegangsbeoordeling plaats. Dit betekent dat voorafgaand ook geen onderzoek wordt gedaan naar de eigen kracht van de jeugdige en/of zijn ouder(s). Een algemene voorziening wordt dus niet op aanvraag verleend. Artikel 2.9 onder a van de wet spreekt van 'overige voorzieningen'. In de parlementaire geschiedenis op de wet wordt echter ook gesproken over een ‘algemene’ of ‘vrij toegankelijke voorziening’. Omdat het begrip 'algemene voorziening' ook binnen de Wmo 2015 wordt gehanteerd, is deze overgenomen in de verordening. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder b: andere voorziening Een andere voorziening verwijst naar artikel 1.2, eerste lid, van de wet (voorliggende voorziening). Het kan gaan om een aanspraak die de jeugdige heeft op grond een andere wet dan de Jeugdwet, bijvoorbeeld de Wmo 2015, de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz). Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder c: BIG-register Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.
Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder d: boven-gebruikelijke hulp Deze begripsbepaling moet worden bezien in samenhang met de begripsbepaling van gebruikelijke hulp. Het gaat bij boven-gebruikelijke hulp niet om normale oudertaken waar, in beginsel, geen individuele voorziening voor wordt verleend maar om oudertaken die in het kader van de eigen kracht (zorgplicht van ouders) toch door ouders geboden zouden kunnen worden. Dat geldt ook voor echtgenoten jegens elkaar. Zij zijn verplicht de tot het gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen en op te voeden en de kosten van die verzorging en opvoeding te dragen. In hoofdstuk 3 zijn de afwegingsfactoren over boven-gebruikelijke hulp opgenomen. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder e: budgethouder Het pgb wordt toegekend aan de jeugdige of zijn ouder(s). Een jeugdige kan vanaf 16 jaar budgethouder zijn. De budgethouder is uiteindelijk verantwoordelijk voor een juiste uitvoering van de taken verbonden aan het pgb en de aan het pgb verbonden verplichtingen (overeenkomsten aangaan, declareren en verantwoorden). Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder f: budgetperiode De budgetperiode is afhankelijk van de geïndiceerde individuele voorziening waar de hoogte van het pgb op is gebaseerd. Het college stelt de budgetperiode vast in het besluit op de aanvraag.
Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder g: budgetplan Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder h: eigen kracht Bij het begrip eigen kracht gaat het om de invulling van de zorgplicht van ouders op grond van het Burgerlijk Wetboek. Dat geldt ook voor echtgenoten jegens elkaar. Zij zijn verplicht de tot het gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen en op te voeden en de kosten van die verzorging en opvoeding te dragen. In hoofdstuk 3 is de eigen kracht nader uitgewerkt. Ook is bepaald dat eigen kracht niet alleen van toepassing is op gezaghebbende ouders. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder i: Familiegroepsplan
31
Het familiegroepsplan is een hulpverleningsplan of plan van aanpak dat de ouders opstellen samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren (art. 1.1 van de wet). Voor de jeugdhulpaanbieder geldt de verplichting om de jeugdige en/of zijn ouder(s) bij het bieden van jeugdhulp als eerste de mogelijkheid te bieden een familiegroepsplan op te stellen. Bij een ondertoezichtstelling geldt dat ook voor de gecertificeerde instelling (art. 4.1.2 van de wet). Zo’n familiegroepsplan moet gebruikt worden bij het bieden van de jeugdhulp omdat namelijk gewerkt moet worden volgens dat plan. De bedoeling van het familiegroepsplan is dat alle direct betrokkenen de mogelijkheid krijgen mee te denken en te helpen aan een oplossing voor gedwongen of vrijwillige jeugdhulp. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder j: Financieel besluit Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder k: gebruikelijke hulp Met gebruikelijk hulp worden oudertaken, in het kader van de zorgplicht, bedoeld die elke ouder biedt aan hun kind, ongeacht het ondervinden van problemen in de zin van de Jeugdwet rekening houdend met de leeftijd. In de verordening is een bijlage opgenomen voor hoe het college dat beoordeelt. In hoofdstuk 3 zijn de afwegingsfactoren over gebruikelijke hulp opgenomen.
Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder l: gewaarborgde hulp Ouders of jeugdigen kunnen afhankelijk zijn van anderen ter compensatie van het gebrek aan capaciteiten of bekwaamheden om zelf de regie te voeren over de aan het pgb verbonden taken. Uit onderzoek moet blijken dat dergelijke hulp gewaarborgd is. Dat wil zeggen dat deze persoon moet kunnen instaan voor de nakoming van de aan het pgb verbonden verplichtingen zoals: de keuze van de jeugdhulpverlener, de kwaliteit en het behalen van het te bereiken resultaat en de financiële verantwoording rondom het pgb. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder m: gezinssysteem Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder n: hulpvraag Onder de hulpvraag wordt een aanvraag van de jeugdige of zijn ouder(s) verstaan van de behoefte aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet. De aanvraag wordt schriftelijk gedaan op een daarvoor bestemd formulier. Na ontvangst van de aanvraag voert het college een onderzoek uit (zie artikel 2.5 van de verordening). Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder o: individuele voorziening Bij een individuele voorziening gaat het om een op de jeugdige of zijn ouders toegesneden vorm van jeugdhulp die alleen op aanvraag wordt verleend.
Een individuele voorziening is dus niet vrij toegankelijk. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder p: nadere regels Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder q: pgb Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.
Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder r: professionele organisatie
32
De definitie is van belang om de hoogte van het pgb te bepalen. In de verordening worden gedifferentieerde tarieven gebruikt. Ook de kwaliteitseisen die gelden spelen een rol. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder s: SKJ Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder t: sociaal netwerk De wet kent geen definitie van het sociaal netwerk. Daarom wordt aangesloten bij de definitie die is opgenomen in de Wmo 2015. Het gaat om personen uit de huiselijke kring zoals een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen met wie de jeugdige of zijn ouder(s) een sociale relatie onderhoudt. De ouders vallen in ieder geval onder het sociaal netwerk (TK 2012/13, 33 684, nr. 11, p. 17). Deze personen kunnen een bijdrage leveren aan de oplossing van de hulpvraag. Of dat zo is, komt aan de orde bij het onderzoek dat het college verricht als een jeugdige en/of zijn ouder(s) zich meldt met een hulpvraag. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder u: spoedeisende situatie De wet bepaalt in artikel 2.6, eerste lid onder b, dat het college er voor zorg draagt dat de jeugdhulp te allen tijde bereikbaar en beschikbaar is en ingezet wordt als dat nodig is. Daarnaast kan het college, als daar aanleiding voor is, ook vragen om een machtiging voor gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet.
Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder v: vaktherapie Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder w: wet Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder x: Zzp’er De definitie is van belang om de hoogte van het pgb te bepalen. In de verordening worden gedifferentieerde tarieven gebruikt. Ook de kwaliteitseisen die gelden spelen een rol. Artikel 1.1 tweede lid Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 1.2 Reikwijdte verordening Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 1.3 Vormen van jeugdhulp Algemeen Dit artikel geeft een nadere uitwerking van artikel 2.9, onder a, van de wet, waarin is bepaald dat bij verordening regels worden gesteld over de door het college te verstrekken individuele voorzieningen en algemene voorzieningen. Op deze manier wordt een duidelijk beeld gegeven van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente. Eerste lid Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een vrij-toegankelijke algemene voorziening. Hier kunnen de jeugdige en/of zijn ouder(s) gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. Tweede lid
33
Dit lid bepaalt welke individuele voorzieningen in ieder geval beschikbaar zijn en door het college kunnen worden verstrekt. Het is dus geen limitatief stelsel. Een belangrijke (lokale) opgave is onder andere het verder (door)ontwikkelen van basisvoorzieningen. Het is mogelijk dat in de toekomst pilots worden gestart die bijdragen aan deze opgave. Ook kunnen andere pilots, lokaal of regionaal, worden gestart in het sociaal domein.
HOOFDSTUK 2 TOEGANG TOT JEUGDHULP § 1. Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon Artikel 2.1 Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon Eerste lid Artikel 2.2.4 van de Wmo 2015 draagt het college op in ieder te geval te zorgen voor cliëntondersteuning. Het gaat in alle gevallen om onafhankelijke ondersteuning voor ingezetenen waarbij hun belang het uitgangspunt moet zijn. Cliëntondersteuning is domeinoverstijgend en heeft ook betrekking op de Jeugdwet. Dit maakt integrale dienstverlening aan ingezetenen nog beter mogelijk. Na de melding van de hulpvraag informeert het college de jeugdige en zijn ouder(s) over deze mogelijkheid. Het college kan deze cliëntondersteuning aanbieden, maar de jeugdige en zijn ouder(s) kunnen zich ook laten bijstaan door andere (externe) ondersteuners. Denk aan een bestaande cliënten- of belangenorganisatie. Van belang is verder nog dat het college moet zorgen dat cliëntondersteuning en het beslissen op een aanvraag niet in één hand kunnen liggen. De cliëntondersteuner moet immers onpartijdig (kunnen) zijn en alleen in het belang van de jeugdige en zijn ouder(s) handelen. Tweede en derde lid Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Zie verder toelichting bij artikel 2.3, tweede lid, van de verordening. § 2.
Wettelijke verwijzers Artikel 2.2 Via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts Eerste lid De wet regelt dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist (art. 2.6, eerste lid onder g, van de wet). Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige precies nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft gecontracteerd. In de praktijk zal het - mede gelet op de professionele standaard als bedoeld in artikel 453 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek - de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Dit vanzelfsprekend in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouder(s). Bij deze beoordeling zal de jeugdhulpaanbieder zich wel moeten houden aan de afspraken die daarover met de gemeente zijn gemaakt in het contract en/of de verordening. Tweede lid Om te zorgen dat het college de jeugdhulp kan afstemmen op andere wetten is het nodig om afspraken. Derde en vierde lid In dit lid is bepaald dat het college afspraken kan maken met de jeugdhulpaanbieder over de inzet van jeugdhulp.
In artikel 2.7, vierde lid, van de wet is nog de verplichting neergelegd dat het college afspraken maakt met de wettelijke verwijzers en zorgverzekeraars over de invulling van het verwijsrecht en de voorwaarden die hieraan kunnen worden gesteld. Daarbij dienen in ieder geval afspraken gemaakt te worden over de wijze waarop de regierol van de gemeenten vanuit het uitgangspunt «1 gezin, 1 plan, 1 regisseur» geborgd wordt en het voorschrijf- en verwijsgedrag van huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen. De gemeente kan hierdoor
34
niet alleen de kosten beheersen, maar ook de regie houden op het gehele hulpverleningsproces dat rondom de jeugdige en zijn ouders plaatsvindt en wordt niet «buitenspel» gezet. Gemeenten kunnen, zoals de verzekeraars dat ook doen, spiegelinformatie leveren aan huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen. Dit houdt in dat zij worden geïnformeerd over hun cliëntenbestand, de aandoeningen en de doorverwijzingen en dat dit in relatie wordt gebracht met de gegevens van andere huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen. Het doel hiervan is dat zij zich bewust worden van hun handelen en eventueel hun handelen hierop aanpassen in een door de verzekeraar en de gemeente gewenste richting (TK 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 149). Omdat de zogeheten wettelijke verwijzers alleen kunnen verwijzen naar gecontracteerde jeugdhulp, betaalt het college alleen die hulp. Overige toegang In de verordening hoeven geen regels te worden vastgesteld over de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering of Veilig Thuis Twente (VTT). De gecertificeerde instelling bepaalt zelfstandig of jeugdhulp nodig is en zo ja, welke jeugdhulp (art. 3.5, eerste lid, van de wet).
Bij jeugdreclassering heeft niet alleen de gecertificeerde instelling deze bevoegdheid, maar kunnen ook andere instanties besluiten dat jeugdhulp nodig is zoals: de rechter, de officier van justitie en de directeur van de justitiële jeugdinrichting. De gemeente is verantwoordelijk dat de benodigde (gecontracteerde) jeugdhulp wordt ingezet. Ook VTT vormt een toegang tot (onder andere) jeugdhulp. VTT geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt als dat nodig is op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening. § 3. Via de gemeente: Aanvraag Artikel 2.3 Aanvraag Eerste lid Een melding van een hulpvraag is een aanvraag (verzoek om een besluit te nemen, art. 1:3, derde lid, Awb). Omdat een aanvraag schriftelijk wordt gedaan, stelt het college jeugdigen of ouders in de gelegenheid de aanvraag in te dienen middels een formulier. Op grond van de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer kan een aanvraag mogelijk ook via de digitale weg worden gedaan. Tweede lid Nadat de aanvraag is ingediend worden jeugdigen en ouders voorgelicht over de mogelijkheid om gebruik te maken van cliëntondersteuning en van de diensten van een vertrouwenspersoon (onderdeel a).
Daarnaast kan de jeugdige en/of zijn ouder(s) een familiegroepsplan opstellen en overhandigen aan het college (onderdeel b). Daarbij kan het college ondersteuning bieden in de zin van faciliteren. Het spreekt voor zich dat het college deze plannen betrekt bij het onderzoek. Derde lid Voor er wordt beslist op de aanvraag wordt een onderzoek gedaan naar de hulpvraag (zie ook art. 2.6 van de verordening). Vierde lid De beslistermijn voor de aanvraag is acht weken (art. 4:13 Awb). Het kan echter voorkomen dat het college in verband met de zorgvuldige voorbereiding van dat besluit bijvoorbeeld deskundigenadvies nodig heeft (zie art. 2.7 van de verordening). Doorgaans zal het college niet over een dergelijk advies kunnen beschikken binnen de beslistermijn van acht weken. Het college heeft daarom de bevoegdheid de beslistermijn van de aanvraag te verlengen onder toepassing van artikel 4:14, eerste lid, van de Awb en laat weten binnen welke termijn de aanvrager het besluit kan verwachten. Het college kan de beslistermijn ook opschorten als bijvoorbeeld de
35
jeugdige en/of zijn ouder(s) niet de benodigde gegevens of bescheiden heeft aangeleverd of medewerking heeft verleend aan het onderzoek, voor zover dat van belang is voor de beoordeling van de aanvraag. In die gevallen is artikel 4:15, tweede lid onder b, van de Awb van toepassing. Wanneer de gevraagde medewerking niet wordt verleend, kan het college het recht op jeugdhulp niet vaststellen (CRVB:2019:276, CRVB:2021:410, CRVB:2021:510, CRVB:2022:693) Vijfde lid Een uitzondering geldt voor spoedeisende situaties, zie begripsbepaling van de verordening. Het college zet in voorkomende gevallen (zo spoedig als nodig blijkt) een tijdelijke maatregel in, dit in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek. Dit laat onverlet dat het college ook zonder aanvraag als bedoeld in de verordening met spoed jeugdhulp kan (moet) inzetten. Ook kan het college een machtiging voor gesloten jeugdhulp bij de kinderrechter vragen. In deze gevallen gaat het om jeugdhulp in natura gelet op het spoedeisende karakter. Zesde lid Tijdens de procedure kan ook gebruik worden gemaakt van de Jeugd Beschermingstafel (JBT). De JBT is niet alleen gekoppeld aan gesloten jeugdhulp. Aan de JBT wordt besproken of een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming noodzakelijk is. Dat gebeurt altijd samen met de ouder(s), betrokken professionals en de Raad voor de Kinderbescherming.
Als vrijwillige jeugdhulp niet meer mogelijk is, stuurt de JBT aan op drang. Hierbij ontvangt het gezin hulp, maar moet het gezin wel meewerken en zich houden aan een aantal voorwaarden (niet vrijblijvende hulp). Voldoet het gezin daar niet aan, dan kan er besloten worden tot een raadsonderzoek. In dat geval start de Raad voor Kinderbescherming een onderzoek. Zevende lid Dit lid verduidelijkt de toegang tot de vrij-toegankelijke algemene voorzieningen als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van de verordening. Achtste lid Dit lid regelt de ingangsdatum van de individuele voorziening. Het kan voorkomen dat het college de jeugdhulpaanbieder toestemming geeft om de jeugdhulp in natura eerder te starten. De kosten van (zelf) gerealiseerde jeugdhulp worden in beginsel niet vergoed (zie art. 5.1 tweede lid van de verordening). Artikel 2.4 criteria deskundigheid De verordening moet voorzien in welke deskundigheid het college inzet bij een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening (art. 2.3,eerste lid, van de wet). Dit artikel voorziet in de benodigde waarborgen. Artikel 2.1 van het Besluit Jeugdwet bepaalt de aard van de deskundigheid.
Het gaat om deskundigheid op het gebied van: opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, opvoedingssituaties waardoor jeugdigen mogelijk in hun ontwikkeling worden bedreigd, taal- en leerproblemen, somatische aandoeningen, lichamelijke of verstandelijke beperkingen en kindermishandeling en huiselijk geweld. Artikel 2.5 Identificatie De wet kent geen regels over een identificatieplicht. Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om de identiteit vast te stellen voor de genoemde personen. Artikel 2.6 Het onderzoek Eerste en tweede lid
36
Het is van groot belang dat het onderzoek in goede samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouder(s) plaatsvindt, alleen dan kan de hulpvraag goed in kaart worden gebracht. Daarbij hanteert het college het zogeheten stappenplan (CRVB:2017:1477). Bij een verzoek om jeugdhulp gaat dat als volgt: 1. Allereerst wordt vastgesteld wat de hulpvraag van de jeugdige en/of zijn ouder(s) is. 2. Vervolgens moet het college vaststellen of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. En zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn. 3. Pas dan kan worden bepaald welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. 4. Is de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht, dan moet worden onderzocht of en in hoeverre de eigen kracht van de ouder(s) en van het sociaal netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden. 5. of, en zo ja welke individuele voorziening wordt verleend. Bij het gesprek kunnen ook andere personen dan de jeugdige en zijn ouders aanwezig zijn. Denk bijvoorbeeld aan personen uit het sociaal netwerk.
In het gesprek wordt in samenspraak met de jeugdige en zijn ouder(s) bekeken welk resultaat hij wil bereiken en welke oplossingen passend zouden kunnen zijn. Het college kan niet altijd alleen uitgaan van de hulpvraag van de jeugdige en/of zijn ouder(s). Het college moet daarom zelf actief onderzoek doen naar de problemen van het gezin en de hulp die zij hierbij wensen. Pas dan wordt een volledig beeld verkregen van de situatie (bijv. RBOBR:2021:53, RBOBR:2018:469, RBGEL:2017:3439). Het spreekt voor zich dat aanwezigheid van personen uit het sociaal netwerk van de jeugdige en zijn ouders een meerwaarde heeft. Denk ook aan de oplossingen die zij geheel of gedeeltelijk zouden kunnen bieden waarmee de problemen worden opgelost of verminderd. Als dat nodig is, moet het college zich bij de besluitvorming laten adviseren door een specifieke (jeugdhulp)deskundige (zie art. 2.8). Het is van belang dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) weet hoe de procedure na de aanvraag zal verlopen. Verder is het beschikken over bepaalde persoonsgegevens noodzakelijk om tot een goede uitvoering van het onderzoek te komen. Daarbij is het van belang dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) tijdens het onderzoek op de hoogte wordt gesteld van het verwerken of het uitwisselen van persoonsgegevens én dat het college aan de jeugdige en/of zijn ouder(s) daarvoor zonodig toestemming vraagt.
Derde lid Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Vierde lid In de aanvraagsituatie geldt de informatieplicht van de jeugdige en/of zijn ouder(s) jegens het college op grond van artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat artikel bepaalt dat een aanvrager alle gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Ook is de jeugdige en/of zijn ouder(s) gehouden om zo goed mogelijk mee te werken aan een benodigd onderzoek (bijv. CRVB:2019:276, CRVB:2021:410, CRVB:2021:510). Het gebruik van het blokkeringsrecht wordt als niet meewerken aangemerkt (CRVB:2025:1015). Als uitgangspunt geldt dat de jeugdige altijd wordt gezien dan wel wordt gesproken. Denk in dat kader ook aan het recht van de jeugdige om zijn mening te vormen en vrijelijk te uiten (art. 12 IVRK). Daarvoor geldt de leeftijdsgrens van 12 jaar, tenzij de jeugdige daartoe niet in staat is natuurlijk.
Artikel 2.7 Het verslag Voor de jeugdige en/of zijn ouder(s) wordt een schriftelijk verslag van het onderzoek opgesteld. Dit volgens het zogeheten stappenplan (CRVB:2017:1477). Het verslag vormt de belangrijkste basis voor de beslissing op de
37
aanvraag. Het spreekt voor zich dat het persoonlijk plan of familiegroepsplan wordt betrokken bij het verslag. Op die manier kan worden vastgesteld welke problemen en stoornissen er zijn en welke hulp van het college nodig is, tenzij naar oordeel van het college sprake is van eigen kracht (zie hoofdstuk 3 van de verordening). § 4. Advisering Artikel 2.8 Advisering bij melding of aanvraag Eerste, tweede en derde lid De wet sluit niet uit dat het college ook nog deskundigenadvies kan opvragen. Dat wil zeggen als dat nodig is. Dit advies wordt ingekocht bij een externe organisatie die ter zake deskundig. Het college kan ook advies vragen van een gecontracteerde jeugdhulpaanbieder (screening of advies en expertise). Vierde en vijfde lid Uit art. 8.1.2, derde lid, van de wet volgt de medewerkingsplicht voor de jeugdige en/of zijn ouder(s). Het gaat om de medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet als het college om die medewerking vraagt (bijv. CRVB:2022:693). Zoals meewerken aan het onderzoek door bijvoorbeeld gehoor te geven aan een oproep van de medisch adviseur, het -via een machtiging- toestemming verlenen om informatie te mogen inwinnen bij de huisarts of specialist en geen gebruik te maken van het blokkeringsrecht. Het uitgangspunt is dat de jeugdige wordt gezien en zonodig wordt gesproken.
Artikel 2.9 Advisering na wettelijke verwijzing Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.
HOOFDSTUK 3. ZORGPLICHT, EIGEN KRACHT EN UITGANGSPUNTEN Artikel 3.1 Zorgplicht en aanspraak op jeugdhulp Eerste lid De zorgplicht van ouders op grond van art. 1:82 en 1:247 van het Burgerlijk Wetboek vormt de basis voor het uitgangspunt van eigen kracht. Verwezen wordt naar de algemene toelichting bij deze verordening en de begripsbepaling van eigen kracht. De zorgplicht kan worden vertaald naar kernpunten voor goed ouderschap (Handelingen II 2018/19, 33836, nr. 45, p. 2). Ouders zijn primair verantwoordelijk voor het gezond en veilig opgroeien van hun het kind en om in eerste instantie ook te trachten de op hun weg komende problemen zelf of met behulp van hun eigen netwerk op lossen. Tweede lid Dit lid bepaalt dat het college geen individuele voorziening hoeft te verlenen als de eigen kracht toereikend is (onder a) en het gebruik van algemene voorzieningen passend zijn (onder b). Artikel 3.2 Criteria eigen kracht Dit artikel bepaalt in het eerste lid wat onder de eigen kracht valt. In tweede lid is bepaald dat de eigen kracht ook van toepassing is op ouders die de jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgen en opvoeden. Artikel 3.3 Afwegingsfactoren gebruikelijke hulp Bij de beoordeling wordt gebruik gemaakt van de richtlijn die als bijlage is opgenomen bij de verordening.
Er zijn (slechts) twee afwegingsfactoren bij gebruikelijke hulp omdat het normale oudertaken betreft, ongeacht het hebben van problemen van het kind(eren) in de zin van de Jeugdwet. De problemen die kunnen ontstaan bij de zorg en opvoeding zullen ouders zelf het hoofd moeten bieden. Beschikken ouders (tijdelijk) niet over de capaciteiten (onder a) om invulling te geven aan de ‘zorgplicht’, kan opvoedondersteuning aangewezen zijn. De beschikbaarheid van ouders is ook een criterium (onder b). Bij het niet beschikbaar kunnen zijn van ouders
38
moet sprake zijn van een acute situatie. Bijvoorbeeld het (plotseling) overlijden van één van de ouders. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Artikel 3.4 Afwegingsfactoren boven-gebruikelijke hulp Het gaat bij boven-gebruikelijke hulp niet om de normale oudertaken, maar om taken die omvangrijker en mogelijk intensiever zijn. Dat betekent echter niet dat geen sprake kan zijn van eigen kracht. Ook bovengebruikelijke hulp kan onder de eigen kracht (zorgplicht) van ouders vallen. In dit artikel staan de afwegingsfactoren om dat te boordelen. Verder wordt verwezen naar de algemene toelichting bij de verordening. Artikel 3.5 Afwegingsfactoren vervoer Ouders zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het vervoer van en naar de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt. Het is normaal dat ouders hun kinderen naar school, kinderopvang, sportclub brengen en ook naar een jeugdhulpaanbieder. Het vervoeren van je eigen kind is van belang voor het onderlinge contact, delen van bijzonderheden en betrokkenheid van ouders bij de situatie. In dit artikel staan afwegingsfactoren genoemd die een rol spelen bij de vraag of sprake is van eigen kracht. Uit de wet volgt dat het college eerst moet vaststellen of er een medische noodzaak is of dat de jeugdige beperkingen heeft in de zelfredzaamheid (art. 2.3 tweede lid van de wet).
Artikel 3.6 Afwegingsfactoren overig Van ouders wordt verwacht dat zij zich in hoge mate inspannen om hun sociaal netwerk aan te spreken (onder a). Ook organisaties of instellingen binnen de gemeente kunnen mogelijk hulp bieden (onder b). Denk bijvoorbeeld aan Scouting Denekamp. Beschikken ouders over een aanvullende zorgverzekering die voorziet in een oplossing, dan zullen zij die moeten aanspreken (onder c). In geval van letselschade (onrechtmatige daad) wordt van ouders verwacht dat in de procedure verzoeken om een tegemoetkoming verband houdend met inkomensderving (onder d). Artikel 3.7 Uitgangspunten jeugdhulp Eerste lid Het college is niet gehouden om jeugdhulp in te zetten als de jeugdige aanspraak kan maken op een andere wet (art. 1.2 van de wet). Hoewel het gaat om een generieke wettelijke bepaling is deze voor de volledigheid in de verordening opgenomen. Tweede lid Het uitgangspunt in dit lid sluit aan op het uiteindelijke doel van het jeugdwetstelsel: het versterken van de eigen kracht van de jongere en van het zorgend en probleemoplossend vermogen van diens gezin en sociale omgeving. Ouders en jeugdigen moeten leren (weer) op eigen vaardigheden te vertrouwen zodat zij zelf verder kunnen, zonder hulp van de overheid. Derde lid In dit lid zijn de wettelijke jeugdhulpdoelen opgenomen die het sluitstuk vormen van de beschikking.
Vierde lid Voor de kenbaarheid en rechtszekerheid is de verplichting van het college opgenomen zoals genoemd in artikel 2.3, vierde lid, van de wet. Vijfde lid
39
Het college is slechts gehouden de naar objectieve maatstaven gemeten goedkoopst passende individuele voorziening te bieden. Zijn er meerdere individuele voorzieningen die als passende jeugdhulp kunnen gelden, dan wordt de goedkoopste verstrekt. Het college moet zich wel op het standpunt kunnen stellen dat er sprake is van 'passende jeugdhulp' (art. 2.5 van de wet). Het kan voorkomen dat het college toch duurdere jeugdhulp moet toekennen omdat artikel 8 van het EVRM (Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens) een rol speelt. Op de overheid rust namelijk ook de plicht een ongestoord familie- en gezinsleven te bevorderen. Denk bijvoorbeeld aan jeugdhulp in de gezinssituatie in plaats van (goedkopere) jeugdhulp in een instelling (TK 2012/13, 33684, nr. 3, p. 17).
HOOFDSTUK 4 AFSTEMMING MET ANDERE DOMEINEN Artikel 4.1 Afstemming Zorgverzekeringswet en Wet langdurige zorg Als jeugdigen de leeftijd van 18 jaar bereiken, verandert meestal het wettelijk kader van waaruit zorg geleverd wordt. GGZ-zorg bijvoorbeeld komt na het 18e jaar voor rekening van de Zvw. Om zoveel mogelijk continuïteit van zorg te kunnen bieden, maakt het college afspraken met de zorgverzekeraars en het CIZ (uitvoerder van de Wlz). Gelet op deze afbakening is het van belang dat er afspraken gemaakt worden tussen de gemeente en de aanbieders van deze zorg (en hun financiers: de zorgverzekeraars/zorgkantoren). De Jeugdwet schrijft dit ook voor (art. 2.7, vierde en vijfde lid, van de wet). Uit de Jeugdwet volgt dat het college een voorziening op grond van de Jeugdwet mag weigeren als er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de jeugdige een Wlz-indicatie kan krijgen, maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van dit indicatiebesluit (art. 1.2, eerste lid 1 onder c, van de wet). Als dergelijke ‘gegronde redenen’ bestaan het college in ieder geval zorgdraagt voor ondersteuning van het gezin in het aanvraagproces bij het CIZ. Artikel 4.2 Afstemming met gecertificeerde instellingen De gecertificeerde instellingen besluiten welke jeugdhulp nodig is bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering (gedwongen kader).