Bijlage toelichting bp Hooidijk te Vasse.pdf
Tekst van het document
Toetsing Archeologie In september en oktober 2009 heeft Ingenieursbureau Oranjewoud B.V. een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 7 bijgevoegd. Op basis van de resultaten van veldonderzoek werd geadviseerd om nader karterend proefsleuvenonderzoek uit te voeren binnen het plangebied. Door RAAP is in mei 2021 een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 8. Tijdens het onderzoek zijn verspreid over het plangebied drie proefsleuven aangelegd met een totaal oppervlak van 300 m2. Dit komt neer op een dekkingsgraad van 10,4% van het te onderzoeken gebied. In het plangebied is onder een meer dan een meter dik plaggendek een klein aantal grondsporen aangetroffen, waaronder twee twijfelachtige paalsporen met een sterk gebioturbeerde vulling. Mogelijk stammen deze sporen uit de prehistorie. Een kuil of de kopse zijde van een greppel is vanuit het plaggendek ingegraven. Dit spoor zal uit de late middeleeuwen de nieuwe tijd stammen. De overige sporen zijn van recente of van natuurlijke origine. Verder zijn slechts enkele vondsten gedaan: een scherf handgevormd aardewerk uit de prehistorie, Romeinse tijd of vroege middeleeuwen en een paar brokjes houtskool. De sporen en de vondsten bevinden zich in de periferie van een omvangrijk vroegmiddeleeuws nederzettingsterrein.
Ten tijde van de bewoning aldaar was het huidige plangebied mogelijk als akker in gebruik. bestemmingsplan Hooidijk te Vasse
31
De conclusie is dat er in het plangebied geen sprake is van behoudenswaardige archeologische resten. De regioarcheoloog heeft in juni 2021 besloten om de conclusies van RAAP over te nemen. het plangebied wordt, op archeologische gronden, vrijgegeven. Het uitvoeren van archeologisch vervolgonderzoek is niet noodzakelijk.
Cultuurhistorie In het plangebied zijn geen monumenten of andere cultuurhistorische waarden aanwezig.
Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.
4.9 Ecologie Algemeen Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet, in het kader van de Wet natuurbescherming, in beeld worden gebracht of er sprake is van invloeden op natuurwaarden en beschermde soorten. Toetsing Gebiedsbescherming Ruimtelijke ingrepen in of nabij Natura 2000-gebieden en beschermde natuurmonumenten zijn niet toegestaan wanneer deze significante negatieve effecten op de kernkwaliteiten veroorzaken. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat is aangewezen als Natura 2000-gebied. Door Buro SRO is in januari 2021 een AERIUS berekening uitgevoerd, die is bijgevoegd als Bijlage 9. De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op een afstand van circa 265 meter en betreft het 'Springendal en Dal van de Mosbeek'. Andere Natura 2000-gebieden op minder dan 10 kilometer afstand zijn 'Hügelgräberheide Halle-Hesingen' (ca. 2,95 km), 'Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek' (ca. 6,9 km) en 'Itterbecker Heide' (ca. 8,4 km). Gezien de ligging van het projectgebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden en de aard van de werkzaamheden kunnen direct negatieve effecten op voorhand worden uitgesloten. Indirecte negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie kunnen echter niet op voorhand worden uitgesloten.
Het is dus niet op voorhand uit te sluiten of er sprake is van een significante toename van stikstof-depositie op het nabijgelegen Natura 2000-gebied. De uitvoering van een stikstofdepositieonderzoek is daarom noodzakelijk en moet middels AERIUS-berekening uitgevoerd worden. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat in de realisatiefase de stikstofdepositie door het gebruik van intern salderen niet groter is dan 0,00 mol/ha/jaar. Verder blijkt uit de AERIUS-berekening dat er geen stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar plaatsvindt in de gebruiksfase. De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt ook niet in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland, gelegen. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 66 meter ten oosten van de onderzoekslocatie. Het Natuurnetwerk Nederland betreft een planologische bescherming, de bestemming van het aangrenzende natuurnetwerk blijft gelijk. Aanvullende maatregelen of aanvullend advies ten aanzien van het natuurnetwerk zijn in onderhavige situatie niet benodigd.
Soortenbescherming Door Buro Ontwerp & Omgeving is in februari 2021 een quickscan natuurtoets uitgevoerd, die is bijgevoegd als Bijlage 10. Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in onderstaande tabel. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.
32
bestemmingsplan Hooidijk te Vasse
Egel Tijdens het veldbezoek werden een konijnenhol en diverse ophopingen van takken en bladeren aangetroffen die mogelijk door de egel worden gebruikt als verblijfplaats. Het konijnenhol bevindt zich op het westelijke veld en de bosschages liggen in het noordelijke deel van het projectgebied. Het verwijderen van het konijnenhol en het weghalen van de bosschages kan daarom een negatief effect hebben op de egel. Nader onderzoek naar de egel is daarom noodzakelijk om vast te kunnen stellen of deze soort voorkomt in het projectgebied.
Bunzing, hermelijn en wezel Van de bunzing, hermelijn en wezel is de aanwezigheid in het projectgebied niet uit te sluiten. In het projectgebied is tenminste één konijnenhol aanwezig die als verblijfplaats kan worden gebruikt en de bosschages aan de noordelijke rand van het projectgebied kunnen behoren tot het functioneel leefgebied. Het verwijderen van het konijnenhol en het weghalen van de bosschages kan daarom een negatief effect hebben op de bunzing, hermelijn of wezel. Nader onderzoek naar de bunzing, hermelijn en wezel is daarom noodzakelijk om vast te kunnen stellen of de soorten voorkomen in het projectgebied.
Algemene diersoorten Het kan zijn dat er tijdens de werkzaamheden algemene diersoorten in het projectgebied voorkomen. Zo werden tijdens het veldbezoek een konijnenhol, muizenholen, molshopen en een nest van een muis of woelmuis aangetroffen. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden moet de algemene zorgplicht in acht worden genomen (artikel 1.11 Wnb). Handelingen die nadelige effecten hebben moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Indien dit niet mogelijk is moeten maatregelen worden genomen om negatieve effecten te beperken of ongedaan te maken. Overigens moeten de werkzaamheden plaatsvinden buiten het vogelbroedseizoen omwille de bestemmingsplan Hooidijk te Vasse
33
aanwezigheid van algemene broedvogelsoorten.
Nader ecologisch onderzoek Er is, na aanleiding van de quickscan natuurtoets, een nader ecologisch onderzoek uitgevoerd in en rondom het plangebied. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 11. Van de eerder genoemde soorten is de vaste rust-en verblijfplaats van zowel de egel als de wezel aangetroffen. Er dient een activiteitenplan te worden opgesteld ten behoeve van de ontheffingsaanvraag Wet natuurbescherming voor de egel en de wezel. Met het nemen van maatregelen uit het activiteitenplan wordt de ontheffing van de Wet natuurbescherming voor deze soorten naar verwachting verleend.
Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
4.10
Verkeer en parkeren
Algemeen Bij ruimtelijke plannen moet worden aangetoond dat de ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor de verkeer- en parkeersituatie ter plaatse.
Toetsing Verkeer Voor wat betreft het te verwachten aantal verkeersbewegingen van de woningen is uitgegaan van de kengetallen van het CROW. Uitgaande van vier keer 'koop, huis, twee-aaneen' en vijf keer 'koop, huis, tussen/hoek', met een van de verstedelijkingsgraad 'niet stedelijk' en het gebiedstype 'rest bebouwde kom' is het aantal verkeersbewegingen van het plangebied maximaal 71,8 per dag. Dit geeft een toename in het aantal verkeersbewegingen. Het toekomstig plangebied wordt op de Hooidijk ontsloten. Deze weg heeft voldoende capaciteit om de beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen op te vangen.
Parkeren Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door de aard en omvang van de activiteit waarin het plan voorziet. Om de parkeerbehoefte te bepalen, is gebruik gemaakt van de kengetallen van de beleidsnotitie 'Bouwen en Parkeren 2018' van de gemeente Tubbergen. Bij de berekening van de parkeerbehoefte is uitgegaan van vier woningen in de categorie 'twee-onder-een-kap' en vijf woningen in de categorie 'tussenwoning of rijtje' in de 'rest bebouwde kom'. Hiervoor wordt een parkeernorm van respectievelijk 2,2 en 2,0 parkeerplaatsen per woning gehanteerd. In totaal is er behoefte aan (18,8) afgerond 19 parkeerplaatsen binnen het plangebied. Binnen het toekomstig plangebied is voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in de parkeerbehoefte die ontstaat als gevolg van de ontwikkeling. Er zullen negen parkeerplaatsen worden gerealiseerd door parkeren mogelijk te maken op de woonpercelen en dus op eigen terrein. De overige tien parkeerplaatsen zullen aan in de openbare ruimte worden aangelegd in de vorm van haaksparkeren aan de noordzijde van het plangebied. Tot slot zullen er nog twee extra parkeerplaatsen worden aangelegd in de openbare ruimte aan de straat. Hiermee worden er meer voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd voor de ontwikkeling. Onderstaande afbeelding geeft weer waar de parkeerplaatsen in het plangebied worden gerealiseerd.
De parkeerplaatsen zijn hierbij rood weergegeven.
34
bestemmingsplan Hooidijk te Vasse
Locatie parkeerplaatsen in plangebied
Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.
4.11
Economische uitvoerbaarheid
Algemeen Gelet op het bepaalde in artikel 3.1 Wro moet in het kader van een bestemmingsplan onder andere inzicht worden verschaft in de economische uitvoerbaarheid van het plan. In verband daarmee is eerst onderzocht of voor het onderhavige bestemmingsplan op grond van artikel 6.12, eerste lid Wro de verplichting bestaat om één of meer exploitatieplannen vast te stellen. Op grond van artikel 6.12, lid 1 van de Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een in het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) aangewezen bouwplan is voorgenomen. Dit zijn de volgende bouwplannen: de bouw van één of meer woningen; de bouw van één of meer gebouwen; de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 of met één of meer woningen; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; bestemmingsplan Hooidijk te Vasse
35
de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.000 m2 bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2. Op grond van artikel 6.12, lid 2 Wro kan van deze verplichting worden afgezien, indien (globaal) sprake is van de volgende factoren: het verhaal van de kosten van de grondexploitatie anderszins verzekerd is, en; het bepalen van een fasering en/of het vastleggen van locatie-eisen niet noodzakelijk is. Voor de beoordeling van de vraag of het kostenverhaal anderszins verzekerd is, is de eigendomsituatie van belang. In het geval dat alle gronden binnen een exploitatiegebied eigendom zijn van de gemeente, kan de gemeente de kosten van de grondexploitatie verrekenen in de prijs van de uit te geven bouwrijpe kavels. In dat geval is het kostenverhaal afdoende anderszins verzekerd en is het vaststellen van een exploitatieplan niet verplicht. Een andere mogelijkheid is dat de gemeente in een overeenkomst met de ontwikkelaar heeft vastgelegd hoe de kosten van de grondexploitatie worden verrekend. Ook in dat geval is het vaststellen van een exploitatieplan niet verplicht.
Toetsing Tussen de gemeente en de ontwikkelaar is een anterieure overeenkomst gesloten. Het opstellen van een exploitatieplan is in dat geval niet noodzakelijk. De financiële haalbaarheid van het plan wordt hiermee geacht te zijn aangetoond.
Conclusie Het aspect economische uitvoerbaarheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.
4.12
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De omgeving is geïnformeerd middels begeleidend schrijven. Hier zijn tot op heden nog geen reacties op gekomen. Binnenkort zal de definitieve verkaveling worden gedeeld met de omgeving. Gezien het beperkt aantal belanghebbende in de buurt worden hier geen problemen verwacht.
36
bestemmingsplan Hooidijk te Vasse
Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 5.1 Plansystematiek De Wet ruimtelijke ordening bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Daarom stelt onder andere de Wro eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.
5.2 Opbouw regels De regels zijn onderverdeeld in inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. De inleidende regels vormen Hoofdstuk 1 en bevatten de begrippen en de wijze van meten. Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingsregels. Hierin zijn de regels bij de in het plan voorkomende bestemmingen opgenomen. Onder algemene regels, Hoofdstuk 3, zijn regels opgenomen die niet beperkt zijn tot een specifieke bestemming, maar gelden voor het gehele plangebied, zoals de anti-dubbeltelregel en algemene afwijkingsregels. Tot slot zijn in Hoofdstuk 4 de overgangsregels en de slotregel opgenomen.
5.3 Verbeelding In deze paragraaf worden de op de verbeelding voorkomende bestemmingen benoemd en wordt kort toegelicht wat hiervoor in de regels vastgelegd is.
Groen (Artikel 3) In de bestemming groen zijn plantsoenen, groenstroken, aanplanten, wandel- en fietspaden, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, water(lopen), waterberging, lichtmasten, verkeersborden en uitritten toegestaan. Ook is de aanduiding "waterberging" opgenomen voor de ondergrondse infiltratievoorzieningen. Er zijn geen gebouwen toegestaan, wel bouwwerken, geen gebouwen zijnde. De bouwhoogte hiervan varieert van maximaal 1,2 tot maximaal 8 meter.
Verkeer - Verblijf (Artikel 4) Binnen deze bestemming zijn wegen, wandel- en fietspaden, water(lopen), parkeer-, groen- en speelvoorzieningen toegestaan. De functie van deze doeleinden is gericht op verblijf en op verkeer ten behoeve van aangrenzende en nabijgelegen bestemmingen. Er zijn geen gebouwen toegestaan, wel bouwwerken, geen gebouwen zijnde. De bouwhoogte hiervan varieert van maximaal 1 tot maximaal 8 meter.
Wonen (Artikel 5) Binnen de bestemming wonen zijn woningen mogelijk, inclusief aan huis gebonden beroepen en vrije beroepen onder bepaalde voorwaarden. Er zijn bouwregels opgenomen voor hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en parkeren. Ten aanzien van de positionering van woningen is bepaald dat deze de op de verbeelding aangeduide gevellijn moeten raken, maar hier niet volledig in hoeven te worden gebouwd. Het is niet de bedoeling om de plaats van de voorgevel te fixeren. Wanneer een punt van de voorgevel de gevellijn raakt is dat voldoende. Onder voorwaarden mag bij een omgevingsvergunning afgeweken worden van de regels ten behoeve van het bouwen van erkers, afdaken, balkons, entreeportalen en veranda's, ten behoeve van een praktijkruimte voor een aan huis gebonden beroep of een vrij beroep en ten behoeve van een vermindering van de afstand tussen een bijgebouw en de zijdelingse perceelsgrens (tot 0 meter).
bestemmingsplan Hooidijk te Vasse
37
5.4 Procedure Het ontwerpbestemmingsplan 'Hooidijk te Vasse' heeft vanaf 19 oktober 2022 gedurende zes weken voor eenieder ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld zienswijzen kenbaar te maken aan de gemeenteraad. Ten aanzien van het ontwerpbestemmingsplan zijn binnen de daarvoor gestelde termijn geen zienswijzen naar voren gebracht. Tevens zijn er geen ambtshalve wijzigingen doorgevoerd.
38
bestemmingsplan Hooidijk te Vasse
Eindnoten
1. https://www.nsl-monitoring.nl/viewer/
bestemmingsplan Hooidijk te Vasse
39