CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Ruimtelijke onderbouwing - Poolsweg 6 Geesteren.pdf

Gemeenteraad Tubbergen 28 mei 2024, gemeente TubbergenBij agendapunt: 8: Aanvraag (ontwerp) verklaring van geen bedenkingen voor de realisatie van een grondopstelling van 44 zonnepanelen Poolsweg 6 te Geesteren7.654 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

NL.IMRO.0183.BUIPBPOOLSWEG6-OW01

Ruimtelijke onderbouwing – zonnepanelen Poolsweg 6 Geesteren Inhoudsopgave Ruimtelijke onderbouwing – zonnepanelen Poolsweg 6 Geesteren ....................................................... 1 1.

Inleiding ........................................................................................................................................... 2 1.1 Aanleiding ...................................................................................................................................... 2 1.2 Projectgebied ................................................................................................................................. 2 1.3 Geldend bestemmingsplan ............................................................................................................ 3 1.4 Leeswijzer ...................................................................................................................................... 3

2.

Projectbeschrijving........................................................................................................................... 4

3.

Beleidstoetsing ................................................................................................................................ 5 3.1 Rijksbeleid ..................................................................................................................................... 5 3.1.1 Klimaatakkoord ....................................................................................................................... 5 3.1.2 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) .......................................................................................... 5 3.1.3 Ladder van duurzame verstedelijking ..................................................................................... 5 3.2 Provinciaal beleid .......................................................................................................................... 5 3.2.1 Omgevingsvisie Overijssel ..................................................................................................... 5 3.2.2 Omgevingsverordening Overijssel ......................................................................................... 6 3.2.3

Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel .................................................................... 8

3.3 Gemeentelijk beleid ..................................................................................................................... 10 3.3.1 Omgevingsvisie Tubbergen .................................................................................................. 10 3.3.2 Zonneveldenbeleid ............................................................................................................... 10 4.

Omgevingsaspecten ...................................................................................................................... 11 4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling ....................................................................................................... 11 4.2 Bedrijven en milieuzonering ........................................................................................................ 11 4.3 Geluid .......................................................................................................................................... 12 4.4 Bodem ......................................................................................................................................... 12 4.5 Externe veiligheid ........................................................................................................................ 12 4.6 Luchtkwaliteit ............................................................................................................................... 12 4.7 Natuurwaarden ............................................................................................................................ 13 4.8 Archeologie en cultuurhistorie .....................................................................................................

14 4.9 Water ........................................................................................................................................... 15 4.10 Verkeer en parkeren .................................................................................................................. 16 4.10.1 Verkeer ............................................................................................................................... 16 4.10.2 Parkeren ............................................................................................................................. 16

5.

Uitvoerbaarheid ............................................................................................................................. 17 5.1 Economische uitvoerbaarheid ..................................................................................................... 17 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ............................................................................................... 17 5.3 Vooroverleg ................................................................................................................................. 17 5.4 Zienswijzen .................................................................................................................................. 17

6.

Conclusie ....................................................................................................................................... 18

1. Inleiding 1.1 Aanleiding Aan de Poolsweg 6 in Geesteren is een woonerf aanwezig. De eigenaar en tevens initiatiefnemer heeft besloten om een zonnepanelenveld aan te leggen. Het betreffende veld is beoogd in de bestemming ‘Agrarisch -1’. Binnen deze bestemming is de aanleg van een zonnepanelenveld anders dan ten dienste van de agrarische bestemming niet toegestaan. Om het veld planologisch goed te regelen is een projectafwijkingsbesluit noodzakelijk. De voorliggende onderbouwing voorziet in een motivering van een goede ruimtelijke ordening voor de plannen.

1.2 Projectgebied De kavel is gelegen aan de Poolsweg 6 in de bestemming Agrarisch – 1. Het perceel staat kadastraal bekend als gemeente Tubbergen, sectie K, nummer 10448. Geconstateerd wordt dat de zonnepanelen zijn gesitueerd op deze bestemming waarmee de aanvraag niet voldoet aan de regels van het geldende bestemmingsplan. Onderstaand is een luchtfoto van de locatie zichtbaar, waarin de locatie van het panelenveld met een gele arcering is aangegeven.

Figuur 1: luchtfoto omgeving Poolsweg 6 met projectgebied aangegeven (bron: Google Maps)

1.3 Geldend bestemmingsplan De zonnepanelen zijn geplaatst binnen de bestemming ‘Agrarisch – 1’ en ‘Waarde – Archeologie 4’ (zie onderstaande uitsnede verbeelding). De zonnepanelen zijn niet ten dienste van de agrarische bestemming gebouwd en is daarmee in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Afwijken van het bestemmingsplan is in dit geval noodzakelijk.

Figuur 2: uitsnede geldend bestemmingsplan, planlocatie met marker aangegeven (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

De voorgenomen ontwikkeling is in strijd met de regels van de geldende bestemmingsplannen (voornaamste zijn Tubbergen Buitengebied 2016 en Tubbergen Buitengebied 2016 Veegplan). Zoals aangegeven heeft het College van Burgemeester en Wethouders de bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan door een projectafwijkingsbesluit op basis van artikel 2.12, lid 1, sub a onder 3 Wabo te verlenen om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken. Hierbij is een onderbouwing van goede ruimtelijke ordening noodzakelijk. Het voorliggend document voorziet hierin.

1.4 Leeswijzer In de volgende hoofdstukken is het project nader toegelicht. In eerste instantie wordt ingegaan op het project zelf (hoofdstuk 2). Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 stilgestaan bij het van belang zijnde overheidsbeleid (rijks/provinciaal en gemeentelijk beleid). In hoofdstuk 4 wordt aandacht besteed aan diverse omgevingsaspecten zoals geluid, archeologie, externe veiligheid, parkeren etc. Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van de plannen. In hoofdstuk 6 is de conclusie beschreven.

2. Projectbeschrijving De woning en de schuur op het erf Poolsweg 6 hebben een rieten dak waardoor de panelen niet op het dak kunnen worden geplaatst. Vanwege de positionering van de woning, schuur en omliggende bomen kunnen de zonnepanelen geen optimaal rendement behalen wanneer deze binnen de woonbestemming worden geplaatst. Hierdoor zijn deze panelen op agrarische grond gepositioneerd. De zonnepanelen zijn op het weiland achter de woning opgesteld. Direct achter de woonkavel loopt een haag, waardoor ze ook niet aansluitend aan de kavel in het weiland kunnen worden opgesteld. Vanwege eventuele werkzaamheden op het land is het efficiënt ze in een hoek van het weiland te plaatsen. Daarom is in overleg met de buren gekozen voor de locatie zoals in onderstaand kaartje (aangeven met letter E). Op deze plek liggen ze ook niet direct in het zicht vanuit de woning of bijgebouwen van de buren op Poolsweg 8 en Poolsweg 4. De betreffende gronden liggen aan de zuidkant van Geesteren, in de overgang van het bedrijventerrein van de kern naar het buitengebied. De locatie Poolsweg 6 betreft een voormalige agrarische bedrijfswoning. Het agrarische bedrijf is inmiddels niet meer aanwezig en de voormalige stallen zijn in het kader van rood voor rood gesaneerd. Daarmee is een open en onbebouwd terrein ontstaan dat benut wordt als weiland/bouwland.

Het plan is om het panelenveld voor Poolsweg 6 zo veel mogelijk aan de zijde van het bedrijventerrein te positioneren, waarbij tevens in het overgangsgebied (noordzijde panelenveld) een houtsingel is aangelegd om een groenere overgang richting het bedrijventerrein te bewerkstelligen. Het gaat om 4 rijen van 9 zonnepanelen en één van 8 zonnepanelen, daarmee 44 in totaal. De zonnepanelen worden op het zuiden gericht en liggen op dusdanige wijze dat er geen sprake is van schaduwwerking. Voor het plan is een inpassingstekening gemaakt. Deze is onderstaand zichtbaar.

Figuur 3: inpassingsplan omgeving Poolsweg 6 Geesteren (bron: N+L Landschapsontwerpers)

3. Beleidstoetsing 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Klimaatakkoord Het centrale doel van het Klimaatakkoord is om de nationale broeikasgasuitstoot in 2030 met 49% terug te dringen ten opzichte van 1990. In het Klimaatakkoord wordt beschreven dat er in 2050 sprake moet zijn van een CO2-vrij elektriciteitssysteem. Dit betekent onder andere dat bestaande fossiele bronnen van elektriciteit moeten worden vervangen door hernieuwbare bronnen. 'Naast de meer grootschalige elektriciteitsproductie op land is ook kleinschalige productie van zonneenergie van belang voor het realiseren van de klimaatopgave. De opwek van zonne-energie door huishoudens draagt daarbij tevens bij aan het vergroten van de betrokkenheid van burgers en de acceptatie van de energietransitie’ (Klimaatakkoord, C5 elektriciteit). Toetsing Dit plan volgt de lijn van het Klimaatakkoord doordat het bijdraagt aan het terugdringen van CO2 uitstoot, omdat met de voorgenomen ontwikkeling een duurzame opwekking van elektriciteit wordt gerealiseerd voor een huishouden aan de rand van Geesteren.

3.1.2 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In de NOVI wordt beschreven dat het de ambitie is om een omslag naar 100 procent circulariteit in 2050 te realiseren. Daarnaast wordt gestreefd naar een zo goed mogelijke inpassing van duurzame energie in de Nederlandse omgeving. In de Nationale Omgevingsvisie worden vier prioriteiten bij beleidskeuzes benoemd: • Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie • Duurzaam economisch groeipotentieel • Sterkte en gezonde steden en regio’s • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Toetsing Het voornemen een klein zonnepanelenveld aan te leggen is in overeenstemming met de door het Rijk vastgestelde Nationale Omgevingsvisie. Het draagt bij aan de ambitie om in 2050 100% circulair te zijn en voorziet in een bijdrage in energietransitie.

3.1.3 Ladder van duurzame verstedelijking Indien een besluit een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt dient de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen te worden. Een stedelijke ontwikkeling is in het Bro gedefinieerd als 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’ (Bro, artikel 1.1.1). Uit jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2019:178) blijkt echter dat functies zoals een zonnepanelenveld niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling worden beschouwd. De toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking kan daarmee achterwege blijven. Toetsing De beoogde ontwikkeling is in overeenstemming met de ladder van duurzame verstedelijking. Omdat een zonnepanelenveld niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt beschouwd is een verdere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet benodigd. Echter geldt dat, ook als de ladder niet van toepassing is, een voornemen moet voorzien in een goede ruimtelijke ordening. Deze onderbouwing motiveert dit nader.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Overijssel De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer,

ondergrond en natuur in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. De ambities in het kader van duurzaamheid zijn: klimaatbestendigheid, het realiseren van een duurzame energiehuishouding, het sluiten van kringlopen (circulaire economie) en het beter benutten van ruimte, bestaande bebouwing en infrastructuur. Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit wordt ingezet op het vergroten van de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is daarbij van belang, waarbij een vitaal en samenhangend stelsel van gebieden met een hoge natuur- en waterkwaliteit wordt ontwikkeld. Ook de ontwikkeling van een continu en beleefbaar watersysteem, het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen en het contrast tussen dynamische en luwe gebieden versterken, zijn ambities op het gebied van ruimtelijke kwaliteit. Het zorgvuldig inpassen van nieuwe initiatieven heeft als doel om de samenhang in en de identiteit van een gebied te versterken en nieuwe kwaliteiten te laten ontstaan.

Een zichtbaar en beleefbaar landschap en het behouden en waar mogelijk verbreden van het bestaande aanbod aan woon-, werken mixmilieu's betreffen ruimtelijke kwaliteitsambities. De ambitie van de provincie Overijssel is dat elk project bijdraagt aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving en dat nieuwe initiatieven worden verbonden met bestaande kwaliteiten. De Catalogus Gebiedskenmerken, die per gebiedstype beschrijft welke kwaliteiten behouden, versterkt en ontwikkeld moeten worden, is daarbij een instrument om te sturen op ruimtelijke kwaliteit. Ten aanzien van sociale kwaliteit is het koesteren en het gebruik maken van 'noaberschap' de ambitie, evenals het stimuleren van culturele identiteit van de provincie Overijssel, zowel lokaal als regionaal. Duurzame ontwikkeling van cultureel erfgoed (bijv. herbestemmen/hergebruik monumenten en karakteristieke bebouwing) hoort hierbij. Het realiseren van sociale kwaliteit wordt gedaan door het actief betrekken van bewoners bij projecten en het bieden van ruimte aan initiatieven van onderop.

3.2.2 Omgevingsverordening Overijssel De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Op 21 april 2020 is de ‘handreiking zonnevelden’ vastgesteld door de Gedeputeerde Staten van Overijssel. De provinciale verordening (artikel 2.1.8) is het vertrekpunt voor deze handleiding. De handreiking is een hulpmiddel voor initiatiefnemers, omwonenden van een zonneveld en voor gemeenten om hen te ondersteunen bij de ruimtelijke afweging voor zonnevelden, bij het ontwerp van een kwalitatief goed zonneveld en bij het gesprek over het realiseren van voldoende en passende kwaliteit. In de handreiking staan drie vragen centraal: 1. Of: Zijn zonnevelden nodig? 2. Waar: Waar moeten zonnevelden worden gerealiseerd? 3.

Hoe: Hoe moeten zonnevelden in de groene omgeving worden gerealiseerd? Artikel 2.1.8 van de provinciale Omgevingsverordening verplicht de toepassing van de Kwaliteitsimpuls zonnevelden, waaronder de zonneladder. De zonneladder geeft de voorkeursvolgorde aan bij de verdeling van de opwekopgave voor zonne-energie. Naar aanleiding van ervaringen in de afgelopen jaren en het coalitieakkoord is de zonneladder scherper en specifieker gemaakt, wat een striktere toepassing mogelijk maakt. De Overijsselse zonneladder en aanpak kent drie treden: 1. Stimuleren; 2. Combineren; 3. Limiteren. Een multifunctionele invulling van een zonneveld in de groene ruimte is het uitgangspunt (trede 1 en 2). De derde trede is pas aan de orde wanneer trede 1 en 2 niet mogelijk zijn, wat uit een deugdelijke motivering naar voren moet komen. Onderhavige ontwikkeling kan worden aangemerkt als een klein,

goed ingepast zonneveld met een omvang van circa 125 m² (0,1 ha) en de plek waar het gerealiseerd wordt is op de dorpsrand van Geesteren. Op een locatie die niet prominent in het zicht is van de directe omgeving. Het kan aangemerkt worden als een klein zonneveld omdat het een kleiner oppervlak heeft dan 2 ha. De ontwikkeling past daarom in trede 1. Zonnevelden die in trede 1 vallen worden door de zonneladder gestimuleerd. Verder is in de omgevingsverordening, voor de groene omgeving, de Kwaliteitsimpuls Zonnevelden opgenomen. Dit beleid geeft ruimte om zonnevelden te ontwikkelen op daarvoor geschikte locaties. Onder de voorwaarde dat daarmee tevens kwaliteit wordt gerealiseerd. Toepassing is aan de orde als projecten in het landelijk gebied worden gerealiseerd. De Kwaliteitsimpuls Zonnevelden is gebaseerd op vier principes uit het provinciaal ruimtelijk beleid: 1. Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik (Zonneladder); 2. Passendheid in of bijdragend aan het landschap; 3. Beperken en compenseren van de effecten op landschap en ecologie; 4. Evenwichtige verdeling van lusten en lasten door realisatie van maatschappelijke meerwaarde. Meerwaarde kan worden aangetoond vanuit de volgende criteria: a. De mate waarin sprake is van meervoudig ruimtegebruik (combinaties met andere functies) b. Maatregelen die getroffen worden om de impact te beperken en/of te compenseren c.

De mate waarin wordt aangesloten op de karakteristieken van het gebied (gebiedseigen/gebiedsvreemd) d. Bijdrage aan maatschappelijke doelen (in ieder geval aan de provinciale doelen ten aanzien van duurzaamheid, maar ook aan draagvlak in de omgeving, bijdrage aan maatschappelijke cohesie, (financiële) bijdragen aan maatschappelijke opgaven, enz.) De extra investering in ruimtelijke kwaliteit is geformuleerd als een bijzondere vorm van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving zoals die is opgenomen in artikel 2.1.6 van de Omgevingsverordening. In de balans tussen ontwikkeling en kwaliteitsinvestering mag rekening gehouden worden met feit dat een zelfstandige opstelling voor zonnepanelen alleen als tijdelijk gebruik kan worden toegestaan. Aan de andere kant geldt dat er wel degelijk sprake is van langdurige impact op de omgeving omdat het tijdelijke gebruik een periode van niet meer dan 25 jaar kan beslaan. Deze regeling voor zonnevelden in de Omgevingsverordening wordt begeleid met een handreiking aan gemeenten en initiatiefnemers, een voorbeeldenboek en informatieve bijeenkomsten. Toetsing Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is er een inrichtingsplan opgesteld waarin zichtbaar is dat de aanleg van het zonneveld landschappelijk goed passend is en zo min mogelijk ruimtelijke impact ontstaat.

In de directe omgeving is al geïnvesteerd vanuit het kader van rood voor rood (sloop landschapsontsierende bebouwing en opnieuw inpassen. In het inrichtingsplan is te zien dat naast het zonneveld er geïnvesteerd is in groenstructuren voor de omgeving om de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse te versterken en het achtergelegen bedrijventerrein enigszins in te passen. Dit is gedaan door middel van het toevoegen van gebiedseigen landschapsmaatregelen. Ook heeft afstemming met omwonenden plaats gevonden zoals blijkt uit de bij de aanvraag gevoegde toe-/ instemmingen. Hierdoor wordt geacht dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de eisen van de Kwaliteitsimpuls Zonnevelden. Uitvoeringsprogramma Nieuwe Energie Overijssel Ook de Provincie Overijssel streeft naar verduurzaming en de hiervoor benodigde (grootschalige) productie van duurzame energie om aan de nationale energie-transitie te kunnen bijdragen. Om deze doelstelling te behalen heeft de provincie Overijssel, een Programma Nieuwe Energie Overijssel, evenals een kwaliteitsimpuls zonne-energie opgesteld, waarin zowel gehoor aan de noodzaak tot het opwekken van zonne-energie, alsmede structurerende richtlijnen voor het opwekken van deze energievorm in veldopstelling gegeven worden. Deze worden in het onderstaande nader toegelicht.

In 2016 is de provincie Overijssel samen met kernpartners van start gegaan met de ontwikkeling van het Programma Nieuwe Energie Overijssel. Dit programma heeft als doel om in 2023 20% hernieuwbare energie te realiseren en besparings- en efficiencymaatregelen in verschillende sectoren te stimuleren. Het tussenresultaat bestaat uit vijf thematische contouren (hernieuwbare energie, gebouwde omgeving, industrie en bedrijven, duurzame mobiliteit, lokale initiatieven) met daarin een

eerste inventarisatie van ideeën en projecten. Deze vijf contouren vormen nog geen gezamenlijk programma maar geven inzicht in de eerste ideeën en beoogde projecten per thema. Met betrekking tot zonne-energie is de doelstelling 2-3 petajoule (PJ) in 2023. Dit betekent maximaal 1.000 hectare aan oppervlak. Dat is minder dan 1% van het oppervlak van Overijssel. Als indicatieve verdeling is 40% op daken aangehouden en 60% in veldopstellingen. De doelstelling van 600 hectare aan veldopstellingen in 2023 lijkt realiseerbaar met een 100-200 hectare momenteel in de pijplijn, maar de eerste projecten moeten nog wel gerealiseerd worden. Van groot belang is om hiervoor een sterk maatschappelijk en politiek draagvlak (juist ook in de gemeenteraden) te verkrijgen. Het tijdig betrekken van stakeholders en een transparante, open communicatie zijn hierbij essentieel om vertragingen te voorkomen. Het zonnepanelenveld aan de Poolsweg nabij nr. 6 levert via de opwekking van duurzame energie een (zij het een relatief kleine) bijdrage aan duurzaamheidsdoelstelling die de Provincie Overijssel heeft gesteld. Het levert daarnaast actief een bijdrage aan de bewustwording van het maatschappelijk belang voor duurzame opwek van energie.

3.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

Figuur 4: uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)

Generieke beleidskeuzes Of een ontwikkeling nodig of mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. Hierbij is onder andere het uitgangspunt van zorgvuldig en zuinig gebruiken van ruimte van belang die ervoor staat dat in eerste instantie bestaande bebouwing en bebouwde percelen wordt benut, voordat er nieuwbouw in de groene omgeving plaatsvindt. Toetsing Het plangebied is gelegen net buiten de bebouwde kom van Geesteren. Er wordt een zonnepanelenveld gerealiseerd op een onbebouwd perceel (weiland) dat hoort bij de woning aan de Poolsweg 6 in Geesteren. De locatie heeft een agrarische functie, echter wordt het veld aangelegd in een resthoek van het perceel waarbij wel optimale opbrengst verkregen kan worden, waardoor het in overeenstemming is met het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik dat is opgenomen in de provinciale omgevingsvisie. Gelet op de zonneladder gaat zon op dak voor ten opzichte van de inzet van agrarische gronden. Het aanwezige dakoppervlak is ongeschikt voor het aanbrengen van zonnepanelen vanwege de rieten kap, aangrenzende gronden aan het woonperceel ondervinden schaduwwerking van een groenstructuur. Hierom wordt er gebruikgemaakt van de naastgelegen agrarische gronden. De beoogde ontwikkeling voldoet daarmee aan het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik uit de provinciale omgevingsvisie.

Tot slot maakt het plangebied deel uit van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente. De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente zijn de grote mate van kleinschaligheid, het groene karakter en het samenhangend complex van beken, essen, kampen en moderne ontginningen. Voorliggende ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente, omdat de zonnepanelen nog altijd eenvoudig te verwijderen zijn. Het landschap wordt niet aangetast. Verder zijn er in het kader van de "generieke beleidskeuzes" geen aspecten die nadere onderbouwing behoeven. Het plan voldoet aan de gestelde generieke beleidskeuzes. Ontwikkelingsperspectieven De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de stedelijke omgeving. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de Groene Omgeving van belang. Het ontwikkelingsperspectief van het plangebied is 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken' is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven. Het plangebied is met een rode markering aangegeven.

Figuur 5: ontwikkelingsperspectief nabij Poolsweg 6, rode omcirkeling (bron: provincie Overijssel)

Voor het ontwikkelingsperspectief 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken' wordt de ambitie geformuleerd om te bouwen wanneer hier lokaal behoefte aan is, om zo de woon- en werkvoorzieningen vitaal en aantrekkelijk te houden. In het geval van de Poolsweg 6-8 is er geen sprake van nieuwbouw, maar van de aanleg van zonnepanelen bij een bestaand woonerf. Het voorziet in een lokale behoefte. De ontwikkeling op dit perceel is dus zeker niet in strijd met het ontwikkelingsperspectief. Gebiedskenmerken Voor wat betreft de gebiedskenmerken wordt onderstaand een opsomming verricht van de van toepassing zijnde kenmerken.

Poolsweg 6, Geesteren • Natuurlijke laag: Dekzandvlakte en ruggen • Laag van het agrarisch cultuurlandschap: Jong heide- en broekontginningslandschap • Stedelijke laag: Woonwijken 1955-nu en informele trage netwerk • Laag van de beleving: n.v.t. Het plangebied is gelegen aan de rand van Geesteren. Er zijn drie lagen met gebiedskenmerken zichtbaar, namelijk de natuurlijke laag, de laag van het agrarische cultuurlandschap en de stedelijke laag. Er is een inrichtingsplan opgesteld (zoals weergegeven in hoofdstuk 2) voor voorliggende ontwikkelingsplan om het zonnepanelenveldje zo zorgvuldig mogelijk landschappelijk in te passen met daarbij wel het optimale rendement aangaande zonne-energie. Er wordt rekening gehouden met de natuurlijke laag en de laag van het agrarisch cultuurlandschap. Het agrarisch cultuurlandschap wordt versterkt door de recente aanleg van de houtsingel aan de noordzijde van het panelenveld. Dit zorgt tegelijkertijd voor een visueel prettigere overgang naar het bedrijventerrein van Geesteren. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de voorliggende ontwikkeling volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Tubbergen De gemeente Tubbergen wil in 2050 energieneutraal zijn. Om energieneutraal te worden moeten er een aantal stappen genomen worden, waaronder 'de energie die we gebruiken uit duurzame bronnen halen’. In haar Omgevingsvisie schrijft de gemeente Tubbergen dat zij inwoners en ondernemers in de gemeente helpen met duurzame initiatieven door duurzame plannen te stimuleren en waar mogelijk beperkende regels verminderen. Er gelden een aantal randvoorwaarden, waaronder het inpassen van duurzame energiebronnen in het landschap. Toetsing De voorgenomen ontwikkeling past in het beleid van de omgevingsvisie van de gemeente Tubbergen. Het draagt bij aan de doelstelling om energieneutraal te zijn in 2050 doordat een duurzame energieopwekking wordt gerealiseerd. Op basis van de omgevingsvisie Tubbergen kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling gestimuleerd wordt door de gemeente, onder de randvoorwaarde dat deze landschappelijk wordt ingepast. Het plan voldoet aan deze voorwaarde door het zonnepanelenveldje landschappelijk in te passen met gebiedseigen kenmerken.

3.3.2 Zonneveldenbeleid De gemeente Tubbergen heeft samen met de gemeenten Dinkelland, Losser en Oldenzaal in 2019 het zonneveldenbeleid 'Ontwikkelingsmogelijkheden grootschalige zonnevelden in Noordoost-Twente - Energie van Noordoost Twente’ vastgesteld. Hierin wordt beschreven dat 'bij kleinschalige initiatieven voor een veldopstelling, die alleen voorzien in de eigen energiebehoefte van de initiatiefnemer, het college van Burgermeester en Wethouders kan besluiten medewerking te verlenen, wanneer er geen mogelijkheden zijn om de aanwezige daken te beleggen met zonnepanelen. Daarvoor zijn de richtlijnen die in deze notitie staan beschreven niet direct van toepassing. In dat geval is het reguliere gemeentelijke ruimtelijke toetsingskader van toepassing’. Toetsing Zoals eerder al gesteld betreft de woning en het bijgebouw aan de Poolsweg 6 met riet bedekte gebouwen. Dergelijk dakoppervlak is niet geschikt voor zonnepanelen. Afgezien van de afbreuk die de zonnepanelen hebben op de aanblik van de woning en schuur, is het aanwezige dakoppervlak daarmee niet geschikt voor het aanbrengen van zonnepanelen voor een duurzame. Een alternatief is gevonden in een veldopstelling, dat een dusdanige wijze wordt gepositioneerd zodat het zo min mogelijk negatieve impact op de omgeving heeft en maximaal rendement behaalt.

4. Omgevingsaspecten 4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een rapportage dat de milieugevolgen van een initiatief in beeld brengt voordat over het initiatief besloten wordt. Het 'Besluit milieueffectrapportage’ kent hier de regels over. Dit besluit is aangepast op 7 juli 2017 ten einde de procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken. Nevendoel is om de milieueffectrapportages expliciet onderdeel te maken van aanvragen. Het besluit kent in principe twee mogelijkheden bij toetsing van een aanvraag: • De voorgenomen activiteit wordt benoemd in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage en blijft onder de drempelwaarden. In dit geval volstaat een vormvrije mer-beoordeling. • De voorgenomen activiteit wordt benoemd in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage en blijft niet onder de drempelwaarden. In dit geval dient een mer-rapportage opgesteld te worden. Toetsing Het aanleggen van een zonnepanelenveld staat niet op de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage. Het is daarmee niet geheel duidelijk hoe een initiatief tot het aanleggen van een zonnepanelenveld zich verhoudt tot de al dan wel of niet verplichting tot een m.e.r.-rapportage. Een uitspraak van de Raad van State (ABRvS 14 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2770) heeft tot opheldering gezorgd.

Uit deze uitspraak blijkt dat het aanleggen van een zonnepanelenveld niet valt onder het Besluit milieueffectrapportage. De bedoelde uitspraak richt zich op een zonnepanelenveld waarvoor via de kruimelgevallenregeling een omgevingsvergunning is ingediend en verleend. Conform de uitspraak van de Raad van State is een zonnepanelenveld geen: • landschapsinrichtingsproject; • stedelijk ontwikkelproject; • industriële installaties beschermd voor de productie van elektriciteit, stroom en water. De voorgenomen ontwikkeling behoeft geen m.e.r.-beoordeling.

4.2 Bedrijven en milieuzonering Bezien vanuit het belang van een goede ruimtelijke ordening is de stelregel dat bij nieuwe ruimtelijke initiatieven het leefmilieu niet achteruit mag gaan. Als instrument daarvoor worden milieuzoneringen gehanteerd. Dit zijn zones om voldoende ruimtelijke scheiding te waarborgen tussen milieubelastende activiteiten (bedrijven/inrichtingen) en milieugevoelige functies (o.a. woningen). Zonering kent een tweeledig doel: • Het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies. • Het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen (blijven) uitoefenen. Het VNG-rapport 'Bedrijven en Milieuzonering 2009’ bevat een lijst die inzicht geeft in de milieubelastende activiteiten en richtafstanden voor de afstanden tot milieugevoelige functies (VNG, 2009). Toetsing Het perceel bedoeld voor de aanleg van het kleinschalig zonnepanelenveldje kan worden aangemerkt als omgevingstype 'rustig buitengebied’. Het perceel is gelegen in het buitengebied aan de rand van het dorp Geesteren in de gemeente Tubbergen. Het gaat om een kleinschalig zonnepanelenveldje voor eigen gebruik (maximaal 44 panelen op een oppervlak van ongeveer 125 m2).

Een dergelijk zonneveld is in termen van milieuzonering niet aan te merken als een milieubelastende of milieugevoelige activiteit of object. Daarmee gelden geen richtafstanden ten opzichte van omliggende gevoelige objecten. Andersom is er geen sprake van beperkingen voor omliggende bedrijven of gebruikers. De omvormers van de zonnepanelen bevinden zich daarbij in het bijgebouw van woonerf Poolsweg 6, zodat ook daar geen sprake is van enige overlast. Er ontstaat geen hinder of gevaar die in strijd te achten is met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in bepaalde mate wordt aangetast. Het omgevingsaspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor het aanleggen van een kleinschalig zonnepanelenveld.

4.3 Geluid Nieuwe ruimtelijke initiatieven moeten worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Deze wet bepaalt regels ter bescherming van geluidsgevoelige functies zoals bijvoorbeeld woningen. Onder geluidhinder wordt in het kader van de Wet geluidhinder bedoeld: wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. De bescherming geschiedt op basis van een zonering. De wet kan (geluids-)eisen opleggen aan nieuwe milieubelastende functies dan wel beperkingen. Toetsing Een zonnepanelenveld is geen geluidsgevoelig object op basis van de Wet geluidhinder. Ook de omvormers voor het veld veroorzaken geen noemenswaardige geluidshinder. Overigens zijn de omvormers aanwezig in het bijgebouw van het erf Poolsweg 6. Het omgevingsaspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling (het aanleggen van een kleinschalig zonnepanelenveld).

4.4 Bodem Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Bij een ruimtelijk plan moet worden bepaald of de bodemkwaliteit van het betreffende gebied geschikt is voor het beoogde gebruik. Hiervoor is er sprake van een wettelijke verplichting om informatie over de bodemkwaliteit te inzichtelijk te maken. Hierbij is het van belang te weten of er mogelijk sprake is van een bodemverontreiniging, of er gezondheidsrisico’s of ecologische risico's zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Op basis van de Woningwet, de Wabo en bijbehorende regelgeving gelden de volgende uitzonderingen voor de bodemonderzoekplicht: • als het gaat om bouwwerken die de grond niet raken of het bestaande, niet wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd; • het bouwwerk een te verwezenlijken bebouwingsoppervlakte heeft van ten hoogste 50 m²; • als het gaat om het bouwen van bouwwerken waarin niet (nagenoeg) voortdurend mensen zullen verblijven (Woningwet, artikel 8, derde lid). Hierbij wordt een verblijftijd van minder dan 2 uur gehanteerd; • als B&W vrijstelling verlenen omdat er al voldoende gegevens met betrekking tot de bodemkwaliteit bekend zijn, bijvoorbeeld op basis van een reeds eerder uitgevoerd bodemonderzoek (maximaal 5 jaar oud en waarbij het gebruik sindsdien niet is gewijzigd).

Toetsing Het plangebied bestaat uit een weiland waarbij geen indicaties zijn dat er sprake is van bodem en/of grondwatervervuiling. Het gebruik van het plangebied als zonnepanelenveld heeft geen milieu hygiënische invloed op de bodemkwaliteit van de betreffende gronden. Een bodemonderzoek kan derhalve achterwege blijven.

4.5 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Toetsing De zonnepanelen vormen geen risicobron op basis van externe veiligheid. Andersom is een zonnepanelenveld ook niet aangemerkt als kwetsbaar object. Het omgevingsaspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling (het aanleggen van een kleinschalig zonnepanelenveld).

4.6 Luchtkwaliteit Een goede luchtkwaliteit is belangrijk voor de gezondheid van de mens en natuur. Om zorg te dragen voor de luchtkwaliteit in Europa, heeft de Europese Unie vier kaderrichtlijnen opgesteld. De Nederlandse staat heeft op basis van deze richtlijnen een landelijke doorvertaling gemaakte welke te vinden is in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit).

In deze wetgeving wordt onder andere aangegeven wat de grenswaarden zijn voor verschillende luchtverontreinigende stoffen. Een van de besluiten, als onderdeel van de Wet luchtkwaliteit, betreft het Besluit niet in betekende mate bijdragen (NIBM). Dit besluit staat ontwikkelingen toe die niet in betekende mate bijdragen aan luchtverontreiniging. ‘Niet in betekende mate' is SMART gemaakt door de omschrijving ‘3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer'. Toetsing De aanleg van het zonnepanelenveld zal niet leiden tot een structurele toename van het aantal verkeersbewegingen. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee ook geen negatieve invloed hebben op de bestaande luchtkwaliteit en kan worden aangemerkt als ‘in niet betekende mate' ondanks dat deze niet benoemd is in het Besluit NIBM. Het omgevingsaspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling (het aanleggen van een kleinschalig zonnepanelenveld).

4.7 Natuurwaarden Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Het is 4,6 kilometer verwijderd van het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied ‘Engbertsdijksvenen' en minimaal 1,6 kilometer verwijderd van natuurgebieden die onderdeel vormen van het Natuurnetwerk Nederland. Toetsing Gezien de aard van het plan en de relatief grote afstand tot natuurgebieden worden er geen negatieve effecten verwacht op de beschermde natuurgebieden. Soortenbescherming Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden.

Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepaling het opzettelijk ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verstoren en om opzettelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Voor het doden van beschermde diersoorten geldt geen vrijstelling van de verbodsbepalingen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Toetsing De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied tot een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, en tot een weinig geschikt functioneel leefgebied voor beschermde dieren.

Mogelijk benutten sommige algemene en weinig kritische vleermuis-, vogel- en grondgebonden zoogdiersoorten het plangebied als foerageergebied, en bezetten grondgebonden zoogdiersoorten er een vaste rust- en voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in het plangebied, amfibieën bezetten geen (winter)rust- of voortplantingsplaats en er nestelen geen vogels in het plangebied. Als gevolg van het plaatsen van de zonnepanelen in het het plangebied, neemt de functie van het plangebied als foerageergebied voor verschillende diersoorten af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties.

Beoordeling stikstof Het plangebied ligt op minimaal 4,6 kilometer afstand van stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000-gebied. Tijdens de gebruiksfase van het zonnepanelenveld zal geen sprake zijn van stikstofemissie. De aanlegfase zal naar verwachting wel enige stikstofemissie veroorzaken. Dit zal zich echter beperken tot het transport van de benodigde materialen naar de locatie en eventuele (grond)werkzaamheden, daarmee ook van korte duur . Toetsing Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, is het niet aannemelijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten zal leiden tot toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied. Deze conclusie wordt getrokken op basis van ervaring met het opstellen van stikstofberekeningen voor vergelijkbare of grootschaligere projecten. Nader onderzoek, zoals een stikstofberekening, wordt niet noodzakelijk geacht.

4.8 Archeologie en cultuurhistorie Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.

Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie De gemeente Tubbergen beschikt over een eigen archeologische verwachtings- en advieskaart (RAAP Archeologisch Adviesbureau, 2007). Deze kaart maakt voor het grondgebied van de gemeente inzichtelijk waar archeologische resten zich (kunnen) bevinden. In figuur 6 is een uitsnede van de archeologische verwachtings- en advieskaart opgenomen. Het plangebied is aangegeven door middel van een rode markering. Het toegekende kenmerk is dekzandwelvingen en -vlakten.

Figuur 6: uitsnede archeologische verwachtingskaart gem. Tubbergen, projectgebied met rood aangegeven

Toetsing In het bestemmingsplan 'buitengebied 2016' is voor de Poolsweg 6 de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 4' opgenomen. Dit betekent dat voor werkzaamheden met een oppervlakte groter dan 5.000 m2 en dieper dan 40 cm onder het maaiveld onderzoek moet worden gedaan naar de archeologische waarden die aanwezig zijn en de mate waarin deze kunnen worden geschaad of verstoord, mochten archeologische waarden aanwezig zijn. Het plangebied is in dit geval fors kleiner dan 5.000m2, waardoor bodemonderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toetsing Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van provincie Overijssel blijkt dat in het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn.

Daarnaast wordt het zonnepanelenveld zorgvuldig gesitueerd zodat het geen afbreuk doet aan de omgeving, het een en ander is reeds beschreven in hoofdstuk 2 van deze ruimtelijke onderbouwing. Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘Cultuurhistorie’ geen belemmering vormt voor voorliggende ruimtelijke onderbouwing.

4.9 Water Waterbeheer in het waterrijke Nederland is steeds belangrijker. Initiatiefnemers worden verplicht om bij ruimtelijke initiatieven een onderbouwing te geven welk over de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit heeft als doel om zorg te dragen voor de waterhuishoudkundige doelstellingen. Dit geldt voor zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als voor de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen en oppervlakte water). Toetsing Als gevolg van de plannen wordt een zonnepanelenveld van 125 m2 aangelegd. Er wordt geen grootschalige verharding aangebracht. De watertoets geeft als uitkomst de standaard waterparagraaf. De uitvoering van het plan doet geen afbreuk aan het waterbeheer dan wel aan de wijze waarop het terrein afwatert. De waterhuishouding wordt niet veranderd.

Het omgevingsaspect 'water' vormt geen belemmering voor de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling (het aanleggen van een kleinschalig zonnepanelenveld).

4.10 Verkeer en parkeren 4.10.1 Verkeer Het projectgebied is toegankelijk via de Poolsweg. Het zonnepanelenveld is bedoeld om het adres Poolsweg 6 in Geesteren te voorzien van duurzame elektriciteit. Het plan zal niet bijdragen aan structurele een toename van het aantal verkeersbewegingen.

4.10.2 Parkeren Dit ruimtelijk initiatief betreft de aanleg van een zonnepanelenveld. De uitvoering van dit initiatief zal niet leiden tot een toename van de parkeerbehoefte in het gebied. Het omgevingsaspect 'verkeer en parkeren' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling (het aanleggen van een kleinschalig zonnepanelenveld).

5. Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid De realisatie van het zonnepanelenveld betreft een particulier initiatief. De uitvoering van het plan wordt bekostigd door de initiatiefnemers. Eventuele risico's zijn daarmee ook voor de initiatiefnemers. Naar verwachting zal geen planschade optreden door uitvoering te geven aan dit plan. Eventuele planschade is voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal ook een planschadeovereenkomst worden aangegaan met initiatiefnemer.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het initiatief voor het plan inclusief de voorgenomen landschappelijke inpassing is in goede afstemming met de buren van de initiatiefnemer tot stand gekomen. Op deze plek liggen ze ook niet direct in het zicht vanuit de woning of bijgebouwen van de buren op Poolsweg 8 en Poolsweg 4. Een schriftelijke goedkeuring van de eigenaar en buren is toegevoegd aan de aanvraag omgevingsvergunning. Hiermee is invulling gegeven aan participatie met de omgeving.

5.3 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een ruimtelijk overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging vanbelangen welke in het plan in het geding zijn. Rijk In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke ruimtelijke plannen. Geoordeeld wordt dat dit planvoornemen geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel De provincie heeft aangegeven dat een plan voor een kleinschalig zonneveld als een kleinschalige ontwikkeling aan te merken is. Wanneer de ontwikkeling zorgvuldig wordt ingepast, past het daarmee in het provinciale ruimtelijk beleid. Er zijn dan ook geen belemmeringen wanneer het plan in deze vorm in procedure wordt gebracht. Waterschap Het plan is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap. Op basis hiervan is de standaard waterparagraaf van toepassing verklaard.

5.4 Zienswijzen Het ontwerpbesluit zal voor een periode van zes weken ter inzage worden gelegd. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit besluit kenbaar maken

6. Conclusie Vanuit deze ruimtelijke onderbouwing dat betrekking heeft op het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, blijkt dat er ten aanzien van deze beoogde activiteit geen redenen zijn om de omgevingsvergunning te weigeren. Het plan voldoet aan een goede ruimtelijke ordening en geeft invulling aan beleidsdoelstellingen van de verschillende overheidslagen.

Aanvraagformulier Geachte heer/mevrouw,

U heeft een watertoets uitgevoerd op de website http://www.dewatertoets.nl//. Op basis van deze toets volgt u de korte procedure. Dit houdt in dat u direct door kunt gaan met de planvorming van uw plan onder de voorwaarde dat u de standaard waterparagraaf uit dit document toepast.

STANDAARD WATERPARAGRAAF

Belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater) . Deze standaard waterparagraaf heeft betrekking op het plan.

Waterbeleid

De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de Nota Ruimte en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen).

Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn waterveiligheid, klimaatbestendigheid omgeving en ruimte voor waterberging. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden.

Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen.

Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe """"eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren"""" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem.

16-02-2024 10:53

4

Aanvraagformulier Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe """"eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren"""" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst.

Wateraspecten plangebied Waterhuishouding Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. De toename van het verharde oppervlak is minder dan 1500m2. Het plangebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied.

Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer In het plan wordt het afvalwater en het hemelwater behandeld via (de gekozen optie wordt hieronder bevestigd met ja): een gemengd stelsel een gescheiden stelsel: hemelwater wordt geinfiltreerd. ja een gescheiden stelsel: hemelwater wordt afgevoerd naar oppervlaktewater. hemelwater wordt afgevoerd naar een hemelwaterriool van een verbeterd gescheiden stelsel.

Aanleghoogte van de bebouwing Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand(GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Kelders dienen waterdicht te zijn. Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast. In het plan wordt er naar gestreefd het voorkeursbeleid van het waterschap op te volgen.

Watertoetsproces De initiatiefnemer heeft het waterschap Vechtstromen geinformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van de watertoets is toegepast. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding.

De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies.

Algemene info: In de procedurebepalingen van de Wro voor het bestemmingsplan is opgenomen dat de kennisgeving wordt toegezonden aan de instanties die bij het overleg zijn betrokken. De terinzagelegging van het bestemmingsplan kunt u zenden aan kennisgevingwro@vechtstromen.nl.

Verklaring Dit document is een automatisch gegenereerd bestand op basis van de door u ingevulde gegevens. U bent akkoord gegaan met de door u ingevulde gegevens en heeft verklaard dat alles naar waarheid is ingevuld. "" "

16-02-2024 10:53

5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/1117/documents/24059