CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Geesteren (1).pdf

Commissie Omgeving en Economie 4 juni 2024, gemeente TubbergenBij agendapunt: 11: Aanvragen (ontwerp) verklaring van geen bedenkingen voor bedrijfsmatig gebruiken voormalig agrarisch perceel tbv paardenrevalidatie en opslag van handelsgoederen Bragersweg 4, Geesteren23.517 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Omgevingsvergunning

Ruimtelijke Onderbouwing Bragersweg 4 Geesteren

Status: ontwerp

Status: Datum: IMRO-Code: Auteur(s):

ontwerp 24 november 2023 NL.IMRO.0183.BUIPBBRAGERSWEG4OW01

Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Geesteren

Inhoudsopgave Toelichting

3

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing besluitgebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

5 5 5 6 7

Hoofdstuk 2 Het plan 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie

9 9 9

Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid Overijssel 3.3 Gemeentelijk beleid

11 11 12 18

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.2 Milieuzonering 4.3 Geur 4.4 Bodem 4.5 Geluid

23 23 24 26 26 26

4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11

27 28 30 31 35 36

Luchtkwaliteit Externe veiligheid Water Ecologie Archeologie en Cultuurhistorie Verkeer / parkeren

Hoofdstuk 5

Economische uitvoerbaarheid

39

Hoofdstuk 6 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1 Vooroverleg 6.2 Zienswijzen

41 41 41

Bijlagen bij de toelichting

43

Bijlage 1

Erfinrichtingsplan

44

Bijlage 2

Watertoets

46

Bijlage 3

Stiktofdepositieberekening

52

Bijlage 4

Quickscan natuurwaarden

154

2

omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Geesteren

Toelichting

omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Gee steren

3

4

omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Geesteren

Hoofdstuk 1

Inleiding

1.1 Aanleiding Aan de Bragersweg 4 te Geesteren bevindt zich een voormalig agrarisch bedrijf welke geen agrarische bedrijfsactiviteiten meer ontplooid. De initiatiefnemer is voornemens om de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen te gebruiken voor niet agrarische bedrijvigheid. Daarnaast wenst de initiatiefnemer een gebouw te slopen en te vervangen door nieuwbouw. De voorgenomen ontwikkeling zou op grond van een wijzigingsbevoegdheid uit het geldende bestemmingsplan mogelijk gemaakt kunnen worden. Echter, vanwege het aspect 'stikstof' heeft de initiatiefnemer ervoor gekozen om het project mogelijk te maken op grond van een omgevingsvergunning ex artikel 2.12 eerste lid onder a sub 3o Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Voorwaarde is dat gemotiveerd wordt dat de omgevingsvergunningaanvraag voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. De aanvraag moet derhalve voorzien zijn van een ruimtelijke onderbouwing. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet hierin.

1.2 Ligging en begrenzing besluitgebied Ligging Het besluitgebied is gelegen aan de Bragersweg 4-4a te Geesteren. Het besluitgebied ligt op circa 950 meter ten westen van de kern Geesteren. Het besluitgebied staat kadastraal bekend als gemeente Tubbergen, sectie K, nummers 7228, 8102 10446 en 10447 en heeft een oppervlakte van circa 2,7 hectare. In figuur 1.1 is de ligging van het besluitgebied ten opzichte van de kern Geesteren weergegeven.

Figuur 1.1: Ligging besluitgebied (bron: Atlas van Overijssel) Begrenzing De begrenzing van het besluitgebied is in figuur 1.2 weergegeven (rood omkaderd). In dit figuur is een luchtfoto van het besluitgebied weergegeven. Het besluitgebied wordt aan de noordzijde begrensd door agrarische gronden, aan de oostzijde door de woning Vinckenweg 22, aan de zuidzijde door het agrarische bedrijf aan de Vinckenweg 23 en aan de oostzijde door agrarische gronden. Het besluitgebied (erf) wordt door de Bragersweg in tweeën gesplitst. De begrenzing van het besluitgebied wordt hieronder weergegeven.

omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Gee steren

5

Figuur 1.2: Begrenzing projectgebied (bron: Atlas van Overijssel)

1.3 Vigerend bestemmingsplan Het besluitgebied is gelegen in het bestemmingsplan 'Tubbergen Buitengebied 2016, Veegplan', vastgesteld op 15 december 2020. Het bestemmingsplan ziet op het herstellen van een aantal omissies en het verduidelijken dan wel aanvullen van een aantal onderdelen uit het in 2016 vastgestelde bestemmingsplan 'Tubbergen Buitengebied 2016’. De aanpassingen heeft de gemeente ingevoerd in het geldende bestemmingsplan. Het bestemmingsplan 'Tubbergen Buitengebied 2016' blijft in zijn geheel van kracht, waarbij alleen de geel gemarkeerde onderdelen, onderdeel van de herziening zijn. Door de herziening meteen op te nemen in het bestemmingsplan blijft er voor de raadpleegbaarheid sprake van een ondeelbaar plan. In juridische zin is en blijft er sprake van twee bestemmingsplan, te weten het bestemmingsplan Tubbergen Buitengebied 2016 en het bestemmingsplan Tubbergen Buitengebied 2016 Veegplan, waarbij zoals gezegd het bestemmingsplan Tubbergen Buitengebied 2016 Veegplan alleen ziet op de geel gemarkeerde delen in de toelichting. Het besluitgebied is voorzien van de enkelbestemmingen 'Wonen', 'Agrarisch - 1', de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 4' en de gebiedsaanduidingen 'overige zone vestigingsgebied voor boom- en sierteelt' en de 'reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied'.

In figuur 1.3 is een fragment uit de verbeelding van dit bestemmingsplan opgenomen.

Figuur 1.3: Uitsnede bestemmingsplan 'Tubbergen Buitengebied 2016' (bron: ruimtelijkeplannen.nl) De voor 'Agrarisch -1' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor het agrarisch gebruik, het behoud het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, geomorfologische en cultuurhistorische waarden; dagrecreatieve voorzieningen in de vorm van een ontvangstruimte ten behoeve van verkoop van eigen en 6

omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Geesteren

streekeigen producten vanaf de boerderij, rondleidingen, en dergelijke. Ondergeschikt aan het agrarisch gebruik is hobbymatig agrarisch medegebruik tevens toegestaan. Bij het perceel Bragersweg 4 is een paddock aangelegd ten behoeve van het huidige hobbymatige agrarische medegebruik. Een paddock betreft een ruimte waar een of meerdere paarden ter ontspanning en naar eigen inzicht vrij kunnen bewegen. De paddock is voorzien van een omheining bestaande uit een schriklint welke aan enkele houten palen (bouwhoogte circa 1,5 meter) is bevestigd. Daarmee is het gelijkwaardig aan terreinafscheidingen bij weilanden en past dit reeds binnen de bouwregels van het geldende bestemmingsplan. Op grond van het geldende bestemmingsplan is het immers toegestaan om overige andere bouwwerken, waaronder terreinafscheidingen, buiten het bouwvlak te realiseren met een bouwhoogte van maximaal 2,50 meter. In de paddock is geen speciale grondlaag aangebracht. De paddock zal, na afwijking van het bestemmingsplan, ook gebruikt worden ten behoeve van de paardenkliniek. De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn aangewezen voor de burgerwoningen in het buitengebied. De woonfunctie kan bij recht gecombineerd worden met een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf. Ook bed and breakfast en bestaande kleinschalige kampeerterreinen zijn bij de woonfunctie toegestaan.

Nieuwe kleinschalige kampeerterreinen zijn via een afwijking mogelijk. Overige bedrijfsmatige activiteiten bij de woonfunctie zijn specifiek aangeduid. Met een omgevingsvergunning kan - onder voorwaarden - worden afgeweken van de gebruiksregels waardoor het mogelijk wordt de woning te gebruiken voor kleinschalige bedrijfs- of recreatieve functies bij het wonen. Er mag in dat geval niet meer dan 500 m2 vloeroppervlakte worden gebruikt voor deze kleinschalige functies. Wel is in het geldende bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee burgemeester en wethouders het plan kunnen wijzigen in die zin dat de uitoefening van de woonfunctie wordt gecombineerd met een bedrijfs- en recreatieve functie in de vorm van de in Bijlage 1 van het bestemmingsplan opgenomen bedrijvigheid en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijvigheid over een oppervlakte van meer dan 500 m2. Voor niet-agrarische bedrijvigheid is opgenomen dat de bedrijvigheid moet worden ondergebracht in bestaande gebouwen en mag, met uitzondering van de opslagruimtes, geen grotere bedrijfsvloeroppervlakte hebben dan 500 m2. De gezamenlijke oppervlakte ten behoeve van bedrijfsmatige activiteiten als gevolg van het plan betreft 1.561 m2. Derhalve is het niet mogelijk om middels een omgevingsvergunning binnenplanse afwijking van het geldende bestemmingsplan af te wijken.

Daarbij wordt voor voorliggend plan voor het afwijken van het bestemmingsplan voor het gebruik en bouwen van de voormalige agrarische bebouwing aangesloten bij de volgende bouwregel uit het vigerende bestemmingsplan in de bestemming 'Wonen' (artikel 37.2, Bouwregels): Deze bouwregels zijn eveneens van toepassing voor functies die na afwijken van de gebruiksregels binnen de bestemming zijn toegelaten, met uitzondering van functies die op basis van VAB+ beleid zijn toegelaten, in welk geval vervangende nieuwbouw is toegestaan waarbij de inhoud van de bestaande bebouwing niet mag worden vergroot. Voorliggend plan maakt op basis van de buitenplanse afwijking in het kader van de VAB-regeling niet agrarische bedrijfsactiviteiten mogelijk. Concreet gaat het om de opslag van handelsgoederen en een behandelruimte en stalling van paarden ten behoeve van een paardenkliniek. De vervangende nieuwbouw ten behoeve van de VAB-functies bedraagt niet meer dan de bestaande inhoud: 1.464 m3. Hoewel het project op grond van een geldende wijzigingsbevoegdheid mogelijk gemaakt kan worden wenst de initiatiefnemer het project specifiek te vergunnen.

Derhalve is een aanvraag omgevingsvergunning (op grond van artikel 2.12 eerste lid onder a, sub 3o Wet algemene bepalingen omgevingsrecht), het zogenoemde projectafwijkingsbesluit, aangevraagd waarmee voor het project van het bestemmingsplan kan worden afgeweken.

1.4 Leeswijzer De toelichting van deze onderbouwing kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren project beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 wordt een toetsing verricht aan de omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 6 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.

omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Gee steren

7

8

omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Geesteren

Hoofdstuk 2

Het plan

2.1 Huidige situatie Aan de Bragersweg 4 te Geesteren bevindt zich een voormalig agrarisch erf welke in het verleden reeds is omgezet naar een woonbestemming. Op het erf is een woning met bijgebouwen aanwezig. Daarnaast bevinden zich op het erf enkele voormalige agrarische opstallen. In figuur 2.1 is een luchtfoto van het besluitgebied weergegeven.

Figuur 2.1: Huidige situatie Bragersweg 4 Geesteren (bron: Cyclomedia)

2.2 Toekomstige situatie De initiatiefnemer is voornemens om in het kader van het voorheen geldende VAB+ beleid niet-agrarische bedrijfsactiviteiten te ontplooien (op grond van een wijzigingsbevoegdheid uit het geldende bestemmingsplan). Daarbij bestaat het voornemen om een bestaande schuur in te zetten ten behoeve van een behandelruimte en stalling voor paardenrevalidatie. Daarnaast is de initiatiefnemer voornemens om in het kader van het VAB-plan een bestaand voormalig agrarisch bedrijfsgebouw te slopen en te vervangen door een nieuw gebouw. De inhoud van het bestaande gebouw bedroeg 1.464 m3. De inhoud van het nieuwe gebouw bedraagt eveneens 1.464 m3. Daarmee wordt aansluiting gezocht bij de regels van het vigerende bestemmingsplan (en de bouwregels die eventueel bij een wijzigingsplan zouden worden opgenomen) waarin bepaald is dat voor functies die op basis van VAB+ beleid zijn toegelaten, vervangende nieuwbouw is toegestaan waarbij de inhoud van de bestaande bebouwing niet mag worden vergroot. de inhoud van de nieuwe bebouwing is gelijk aan de inhoud van het bestaande gebouw. Dit gebouw wordt gebruikt voor de opslag en kleinschalige reparatie van handelsgoederen. De gezamenlijke oppervlakte ten behoeve van bedrijfsmatige activiteiten als gevolg van het plan bedraagt 1.561 m2. De behandelruimte en stalling voor paardenrevalidatie heeft een oppervlakte van 200 m2.

De opslag van handelsgoederen heeft een oppervlakte van 1.361 m2. Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken kan op grond van artikel 2.12 eerste lid onder a, sub 3o Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van het vigerende bestemmingsplan worden afgeweken teneinde het project mogelijk te maken. In figuur 2.3 is de erfinrichting weergegeven. Het erfinrichtingsplan is tevens als Bijlage 1 bij de toelichting van deze onderbouwing opgenomen.

omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Gee steren

9

Figuur 2.3: Erfinrichting Bragersweg 4 Geesteren (bron: Bouwkundig bureau Erwin Meinders) Het besluitgebied is reeds landschappelijk ingepast door de bestaande landschapselementen. Aan de zuidzijde van het perceel is een bos aanwezig (A) en een bestaande houtwal (B). Aan de noordzijde is een bestaande beplantingsstrook met een breedte van circa 3 meter aanwezig bestaande uit inheemse beplanting (C). Daarnaast zijn aan de oostzijde een beukenhaag en een meidoornhaag aanwezig (D en E). Tot slot zijn de kuilvoerplaten als gevolg van het plan verwijderd. Ter plaatse van de kuilvoerplaten is reeds een paddock - een ruimte waar een of meerdere paarden ter ontspanning en naar eigen inzicht vrij kunnen bewegen- aangelegd. De paddock is voorzien van een omheining bestaande uit een schriklint die aan enkele houten palen is bevestigd.

10

omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Geesteren

Hoofdstuk 3

Beleid

3.1 Rijksbeleid 3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen.

Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Conclusie De initiatiefnemer is voornemens om op een voormalig agrarisch erf (welke reeds is voorzien van een woonbestemming) een behandelruimte en paardenstalling voor paardenrevalidatie te realiseren in een voormalig agrarisch gebouw en om de overige voormalige agrarische bebouwing te gebruiken voor de opslag en kleinschalige reparatie van handelsgoederen. Daarmee is de vierde pijler "toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied" relevant.

In de NOVI wordt voor het landelijk gebied aangegeven dat een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied vraagt om een verantwoorde herinrichting van het landelijk gebied en een verbetering van de milieukwaliteit. Bij ontwikkelingen in het landelijk gebied moet cultureel erfgoed en unieke landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten behouden en versterkt worden. Waar mogelijk en gewenst dienen nieuwe kwaliteiten toegevoegd te worden. Voor een landelijk gebied dat zich toekomstbestendig kan ontwikkelen, is nodig dat de bereikbaarheid, de economische kracht en de beschikbaarheid van voorzieningen ook voldoende worden meegenomen in het Nationaal Programma Landelijk gebied. Als gevolg van het project wordt een voormalig agrarisch erf hergebruikt en worden nieuwe economische dragers aan het buitengebied toegevoegd. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de Nationale Omgevingsvisie.

omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Gee steren

11

3.1.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd. De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.

Onderhavig plan Dit project heeft betrekking op een functiewijziging van de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen aan de Bragersweg 4 te Geesteren en op de vervangende nieuwbouw van een schuur ten behoeve van de opslag van handelsgoederen (VAB+ beleid). Op grond van de uitspraak van de Raad van State van 20 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1075) geldt dat als enkel sprake is van een planologische functiewijziging, dan in beginsel geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (tenzij het een functiewijziging van zodanige aard en omvang betreft. Daarbij is bepaald dat als een bestemmingsplan ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan geen uitbreiding van de maximaal toegelaten oppervlakte aan bedrijfsbebouwing mogelijk maakt, maar alleen in een planologische functiewijziging voorziet, het plan in beginsel niet voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening, tenzij die planologische functiewijziging een zodanige aard en omvang heeft dat desalniettemin sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De nieuwe ontwikkeling legt geen nieuw ruimtebeslag op de ruimte. Wel is het op grond van dit project mogelijk om niet-agrarische bedrijfsactiviteiten te ontplooien op het perceel.

Daarbij gaat het concreet om de opslag en kleinschalige reparatie van handelsgoederen en een behandelruimte en stalling van paarden ten behoeve van een paardenrevalidatie. Aangezien de bedrijfsactiviteiten goed gepaard gaan met de woonfunctie kan gesteld worden dat de voorgenomen ontwikkeling geen betrekking heeft op een planologische functiewijziging van een zodanige aard en omvang. Voor wat betreft de vervangende nieuwbouw wordt aangesloten bij de uitspraak van de Raad van State van 23 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1442). In deze uitspraak heeft de Raad van State geoordeeld dat de uitbreiding van een bedrijfsgebouw met 400 m2 geen nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft. De bestaande schuur was voorzien van een oppervlakte van 377 m2. De nieuwe schuur heeft een oppervlakte van 330 m2, waardoor er sprake is van een geringe afname van bebouwing. Daarmee kan de vervangende nieuwbouw van een bestaand voormalig agrarisch gebouw niet worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Derhalve kan gesteld worden dat het plan geen betrekking heeft op een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening. De ladder voor duurzame verstedelijking vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.

3.2 Provinciaal beleid Overijssel 3.2.1

Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. De ambities in het kader van duurzaamheid zijn: klimaatbestendigheid, het realiseren van een duurzame energiehuishouding, het sluiten van kringlopen (circulaire economie) en het beter benutten van ruimte, bestaande bebouwing en infrastructuur.

12

omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Geesteren

3.2.2

Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. 3.2.3

Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: generieke beleidskeuzes; ontwikkelingsperspectieven; gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts.

De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel. Ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.

omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Gee steren

13

Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel). Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. Generieke beleidskeuzes Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. Hieronder wordt het plan getoetst aan de van belang zijnde artikelen uit de Omgevingsverordening Overijssel. Artikel 2.1.3 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik lid 1 Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie; dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.

lid 2 Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt: dat (her)benutting van bestaande erven en/of bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut. Doorwerking voor voorliggend plan: De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van een behandelruimte en paardenstalling ten behoeve van een paardenrevalidatie en in de opslag van handelsgoederen (meubels en woonaccesoires). De bedrijfsactiviteiten ten behoeve van de paardenrevalidatie vinden binnen bestaande bebouwing plaats. Ten aanzien van de opslag van handelsgoederen vindt vervangende nieuwbouw plaats waarbij de inhoud van de nieuwbouw niet meer bedraagt dan de inhoud van het bestaande gebouw welke gesloopt wordt. De nieuwbouw 14

omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Geesteren

vindt plaats binnen het bestemmingsvlak 'Wonen', waar als gevolg van deze procedure, VAB-activiteiten worden toegestaan. Er is derhalve sprake van een bestaand erf op grond van de Omgevingsverordening. Onder bestaande erven wordt immers verstaan: bestaande en/of als zodanig bestemde bouwvlakken ten behoeve van woningen, voorzieningen en bedrijven in de Groene Omgeving, daarbij inbegrepen de bouwvlakken voor dergelijke functies die voorzien zijn in voorontwerp-bestemmingsplannen voor zover de provinciale diensten daarover een positief advies hebben uitgebracht in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro; Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat zowel bestaande bebouwing als de ruimte op een bestaand erf worden benut. Derhalve is er geen sprake van extra ruimtebeslag door het bouwen en verharden in/op de Groene Omgeving. Het project is in overeenstemming met artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening Overijssel. Artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. Doorwerking voor voorliggend plan: Het besluitgebied is reeds landschappelijk ingepast door de bestaande landschapselementen.

Aan de zuidzijde van het perceel is een bos aanwezig (A) en een bestaande houtwal (B). Aan de noordzijde is een bestaande beplantingsstrook met een breedte van circa 3 meter aanwezig bestaande uit inheemse beplanting (C). Daarnaast zijn aan de oostzijde een beukenhaag en een meidoornhaag aanwezig (D en E). Tot slot zijn de kuilvoerplaten als gevolg van het plan verwijderd. Het landschapsplan is als Bijlage 1 bij deze ruimtelijke onderbouwing opgenomen. Derhalve kan geconcludeerd worden dat het plan een bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Artikel 2.1.6 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving kunnen – met in achtneming van het bepaalde in artikel 2.1.3 en artikel 2.1.4 en het bepaalde in artikel 2.1.5 – voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene Omgeving, uitsluitend indien hier sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Doorwerking voor voorliggend plan: In de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel is met betrekking tot de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving onderscheid gemaakt in grootschalige ontwikkelingen en ontwikkelingen met een kleinschalige impact.

In de Omgevingsvisie wordt het volgende genoemd: “Bij grootschalige ontwikkelingen (nieuw of uitbreiding van het bestaande) wordt naast een investering in de ontwikkeling zelf, tegelijkertijd geïnvesteerd in de omgevingskwaliteit (aanvullende inspanning).” In de gevallen waarbij medewerking kan worden verleend aan een ontwikkeling welke in het bestemmingsplan zijn geregeld, hetzij bij recht, hetzij met toepassing van een afwijking, dan geldt deze ontwikkeling in principe als een ontwikkeling met een kleinschalige impact en hoeft er geen kwaliteitsimpuls in de groene omgeving te worden geleverd en kan worden volstaan met de basisinspanning. Is er wél een bestemmingsplanprocedure nodig (bijv. ten behoeve van een verruiming van een bestemmingsvlak) dan is er sprake van een ontwikkeling met een grootschalige impact. Dit geldt ook voor een partiële herziening in de vorm van een verandering van de bestemming of een aanduiding. Op dat moment moet er naast de basisinspanning een kwaliteitsimpuls van de groene omgeving plaatsvinden.

Op grond van het geldende bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee het college van burgemeester en wethouders het plan kunnen wijzigen in die zin dat de uitoefening van een woonfunctie gecombineerd wordt met een bedrijfsfunctie in de vorm van de in bijlage 1 behorend bij dat bestemmingsplan opgenomen bedrijvigheid en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijvigheid indien meer dan 500 m2 wordt gebruikt ten behoeve van de bedrijfsfunctie. In paragraaf 3.3.2 wordt het plan getoetst aan de geldende wijzigingsvoorwaarden uit het vigerende bestemmingsplan. Echter, hoewel het plan op grond van een wijzigingsbevoegdheid is mogelijk gemaakt wenst de initiatiefnemer op grond van artikel 2.12 eerste lid onder a, sub 3o Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) medewerking te verkijgen aan het project, zodat de afwijking van het bestemmingsplan en de voorgenomen bouwactiviteiten in één omgevingsvergunning verleend worden. Aangezien het plan op basis van een wijzigingsbevoegdheid uit het geldende bestemmingsplan mogelijk is, is de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving niet van toepassing. Wel dient de voorgenomen ontwikkeling te voldoen aan omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Gee steren

15

een goede landschappelijke inpassing. Derhalve is een erfinrichtingsplan opgesteld waaruit blijkt dat de ontwikkeling op een zorgvuldige wijze landschappelijk en in relatie tot de omgeving en de bestaande bebouwing is ingepast. Het voornemen is derhalve in overeenstemming met artikel 2.1.6 van de Omgevingsverordening van de provincie Overijssel. Ontwikkelingsperspectieven De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de landelijke omgeving van belang. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.

Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) Het besluitgebied is gelegen op de grens van de ontwikkelingsperspectieven 'Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap' en 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. Het ontwikkelingsperspectief 'Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap' omvat gebieden waar verdere modernisering en schaalvergroting van de landbouw in combinatie met verduurzaming de ruimte krijgt. Die ruimte kan verdiend worden door te investeren in kwaliteitsvoorwaarden. Het plan voorziet in de sloop en vervangende nieuwbouw van een voormalig agrarisch bedrijfsgebouw. Op grond van de bouwregels van het geldende bestemmingsplan is vervangende nieuwbouw in het kader van het VAB+ beleid (wat op grond van deze omgevingsvergunning wordt mogelijk gemaakt) toegestaan mits de bestaande inhoud niet wordt overschreden. De inhoud van de nieuwbouw is gelijk aan de bestaande inhoud: 1.464 m3.

Het gebouw zal worden gebruikt voor de opslag van handelsgoederen. Daarnaast wordt een bestaand voormalig agrarisch bedrijfsgebouw als gevolg van het plan gebruikt voor de stalling en een behandelruimte ten behoeve van paardenrevalidatie. Aangezien de agrarische bedrijfsactiviteiten op het perceel reeds gestaakt zijn en de niet-agrarische bedrijvigheid plaatsvindt op een voormalig agrarisch erf kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling geen afbreuk doet aan het geldende ontwikkelingsperspectief. Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en de laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Het besluitgebied is gelegen in het landelijk gebied. In het gebied zijn de kenmerken van de 'stedelijke laag' en de 'laag van de beleving' niet aanwezig. Daarom kan toetsing van het project aan deze gebiedskenmerken achterwege blijven. Natuurlijke laag De natuurlijke laag geeft aan het gebied het kenmerk 'Dekzandvlakte en ruggen' (zie figuur 3.3). 16

omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Geesteren

Figuur 3.3: Natuurlijke laag, omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/ nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd. Bij ontwikkelingen is de (strekkings)- richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt. De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats op een voormalig agrarisch erf welke reeds verhard en bebouwd is. Derhalve kan geconcludeerd worden dat het project geen afbreuk doet aan de kenmerken van de dekzandvlakte en ruggen. Laag van het agrarisch cultuurlandschap De laag van het agrarisch cultuurlandschap kent het kenmerk 'Oude hoevenlandschap' en 'jong heide- en broekontginninglandschap' aan het gebied toe. In figuur 3.4 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.

Figuur 3.4: Laag van het agrarische cultuurlandschap, omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) Het oude hoevenlandschap wordt gekenmerkt door de verspreide erven. Het werd ontwikkeld nadat de complexen met de grote essen ‘bezet’ waren en een volgende generatie boeren nieuwe ontwikkelingsruimte zocht. Die vonden ze bij kleine dekzandkopjes die individueel werden ontgonnen. Dit leidde tot een landschap dat de zelfde opbouw kent als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant. Deze kleinere maat en schaal is tevens de reflectie van de natuurlijke ondergrond. Als ontwikkelingen plaats vinden in het oude hoevenlandschap, dan dragen deze bij aan behoud en accentuering omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Gee steren

17

van de dragende structuren (groenstructuur en routes) van het oude hoevenlandschap, en aan de samenhang en de karakteristieke verschillen tussen de landschapselementen: de erven met erfbeplanting; open es(je); beekdal; voormalige heidevelden, de mate van openheid en kleinschaligheid. De grote oppervlakte aan – voormalige – natte en droge heidegronden was oorspronkelijk functioneel verbonden met het essen- en oude hoevenlandschap; hier werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal; in de stal bemeste plaggen dienden als structuurverbeteraar en bemesting voor de akkergronden op de essen. Na de uitvinding van kunstmest ging deze functie verloren en werden deze gronden grotendeels in cultuur gebracht. Als ontwikkelingen in het jong- heide en broekontginingslandschap plaats vinden in de agrarische ontginningslandschappen, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de dragende lineaire structuren van lanen, bosstroken en waterlopen en ontginningslinten met erven en de kenmerkende ruimtematen. De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op een functiewijziging van een bestaand voormalig agrarisch bedrijfsgebouw aan de Bragersweg 4 te Geesteren. Daarnaast wordt een voormalig agrarisch bedrijfsgebouw gesloopt en vervangen door nieuwbouw, waarbij de inhoud gelijk blijft en de oppervlakte afneemt.

Het erf is reeds verhard en bebouwd waardoor geconcludeerd kan worden dat het voornemen geen negatieve effecten heeft op de kenmerken van het oude hoevenlandschap en het jong heide- en broekontginningslandschap. Stedelijke laag & laag van de beleving De 'Stedelijke laag' en de 'Laag van de beleving' hebben binnen het besluitgebied geen specifieke kenmerken en blijven daarom verder buiten beschouwing. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende project besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1

MijnOmgevingsvisie Tubbergen

De gemeenteraad van Tubbergen heeft MijnOmgevingsvisie Tubbergen vastgesteld op 16 maart 2021. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving van de gemeente Dinkelland, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Tubbergen en de samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld. MijnOmgevingsvisie gaat uit van vier kernprincipes. De kernprincipes zijn manieren van werken; werkwijzen die altijd gelden. De vier kernprincipes zijn: 1. We doen het samen; de gemeente met haar inwoners, instellingen en ondernemers; 2. We geven het goede voorbeeld; wat we belangrijk vinden, laten we zien in de praktijk; 3. We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt; 4. We wentelen geen problemen af op volgende generaties. In het buitengebied komen veel functies voor die allemaal ruimte nodig hebben. Daarbij valt te denken aan landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en ook wonen. Al die functies leggen samen veel druk op het buitengebied. Daarom is het uitgangspunt van de visie: de goede functies op de goede plek. Gestreefd wordt naar een buitengebied met een mooie balans tussen landgebruik, leefbaarheid en kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht.

Daarbij wordt gewerkt aan speerpunten. Voor het 'Buitengebied in balans' zijn dat: Toekomstgerichte agrarische sector; Goede staat van natuur en landschap; Kwalitatief toerisme. In figuur 3.5 is een fragment van de Waardenkaart opgenomen.

18

omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Geesteren

Figuur 3.5: Uitsnede MijnOmgevingsvisie Tubbergen (bron: gemeente Tubbergen) Toets Op grond van MijnOmgevingsvisie Tubbergen valt het projectgebied aan de Bragersweg 4 onder de aanduiding 'Gericht op beperkte ontwikkeling door gemiddelde waarde en dynamiek'. Hier wordt aangegeven om in te spelen op onder andere de schaal van het landschap en het afwisselende karakter, behoud van natuurwaarden en cultuurhistorie en bouwwijze en inrichting die in de directe omgeving gebruikelijk is. Als gevolg van het plan wordt een voormalige agrarische schuur gebruikt gesloopt en vervangen door een nieuwe schuur. Ingevolge de regels van het geldende bestemmingsplan is vervangende nieuwbouw voor VAB+ functies mogelijk, mits de inhoud van de nieuwbouw niet meer bedraagt dan de bestaande inhoud. De inhoud van de nieuwbouw bedraagt, conform de inhoud van de bestaande bebouwing, maximaal 1.464 m3. In de nieuwbouw vindt de opslag van handelsgoederen (meubels en woonaccessoires) plaats, waarbij tevens kleinschalige reparatiewerkzaamheden worden uitgevoerd (niet zijnde zaagwerkzaamheden). Daarnaast wordt een bestaande schuur ingezet ten behoeve van een behandelruimte en stalling voor paardenrevalidatie. De bedrijfsactiviteiten vinden binnen de bebouwing plaats. Er is geen sprake van buitenopslag waardoor het plan geen afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van het erf en de omgeving.

Het nieuw te bouwen bedrijfsgebouw sluit qua vormgeving aan bij de bestaande bebouwing op het erf. Ten aanzien van de landschappelijke inpassing is een landschapsplan opgesteld. De landschapsmaatregelen zijn reeds uitgevoerd, waardoor er reeds een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit heeft plaatsgevonden. Het project past binnen de uitgangspunten van MijnOmgevingsvisie Tubbergen. 3.3.2

Wijzigingsbevoegdheid 'Tubbergen Buitengebied 2016 Veegplan'

Het bestemmingsplan 'Tubbergen Buitengebied 2016 Veegplan' bevat een wijzigingsbevoegdheid, waarmee middels een wijzigingsplan en besluit van het college van Burgemeester en Wethouders medewerking kunnen verlenen aan bedrijfsfuncties bij het wonen, waarbij de oppervlakte meer bedraagt dan 500 m2. Concreet is de volgende wijzigingsbevoegdheid in artikel 37.7.1 van het geldende bestemmingsplan opgenomen: Burgemeester en Wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat de uitoefening van de woonfunctie wordt gecombineerd met een bedrijfs- en recreatieve functie in de vorm van de in Bijlage 1 opgenomen bedrijvigheid en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijvigheid, waarbij ter plaatse een op de bedrijvigheid toegespitste aanduiding wordt gewijzigd en/of aangebracht, mits: a. ter plaatse een aanduiding wordt gewijzigd en/of aangebracht, die een omschrijving geeft van de toegelaten bedrijvigheid; b. meer dan 500 m² vloeroppervlakte wordt gebruikt ten behoeve van de bedrijfs- en recreatieve functie; c. er sprake is van een ligging aan een weg die geschikt is voor een eventuele toename van verkeer; omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Gee steren

19

d. de waardevolle hoofdvorm van de gebouwen wordt gehandhaafd; e. er ten behoeve van de bedrijfs- en recreatieve functie geen buitenopslag plaatsvindt; f. er geen sprake is van onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven, in die zin dat de bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt; g. parkeren op eigen erf plaatsvindt; h. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden, de verkeersveiligheid, de waterhuishouding en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Toets Allereerst moet worden opgemerkt dat in verband met het aspect 'stikstof' er voor is gekozen om het project middels een buitenplanse afwijking mogelijk te maken in plaats van een wijzigingsplan. Het voordeel hiervan is namelijk dat er geen sprake is van een plan, maar van een project. In de toets van de Natuurbeschermingswet (voorheen Nbw) kan dan worden getoetst aan de referentiesituatie die geldt voor het projectspoor, te weten de laatste vergunde veebezetting. Derhalve is gekozen om een projectbesluit te doorlopen waarmee het project concreet vergund kan worden (zie paragraaf 4.9).

De initiatiefnemer is voornemens om op een voormalig agrarisch erf (welke reeds is voorzien van een woonbestemming) een behandelruimte en paardenstalling voor paardenrevalidatie te realiseren in een voormalig agrarisch gebouw en om een bestaand gebouw te slopen en te vervangen door nieuwbouw voor de opslag en kleinschalige reparatie van handelsgoederen. De gezamenlijke oppervlakte ten behoeve van bedrijfsmatige activiteiten als gevolg van het plan bedraagt 1.561 m2. De behandelruimte en stalling voor paardenrevalidatie heeft een oppervlakte van 200 m2. De opslag van handelsgoederen heeft een oppervlakte van 1.361 m2. Het nieuw te bouwen gebouw ten behoeve van de opslag van handelsgoederen heeft - overeenkomstig het bestaande te slopen gebouw - een inhoud van 1.464 m3. Hoewel de initiatiefnemer er voor heeft gekozen om het plan niet met een wijzigingsplan mogelijk te maken, wordt gesteld dat wel aan de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid getoetst kan worden. Hieronder vindt de toets concreet plaats: a. ter plaatse een aanduiding wordt gewijzigd en/of aangebracht, die een omschrijving geeft van de toegelaten bedrijvigheid; Aangezien het plan door middel van een omgevingsvergunning buitenplanse afwijking wordt mogelijk gemaakt wordt geen aanduiding opgenomen. Wel wordt het aangevraagde voornemen concreet vergund.

Zoals aangegeven heeft het project concreet betrekking op de opslag en kleinschalige reparatie van handelsgoederen (1.361 m2) en de stalling en een behandelruimte ten behoeve van een paardenrevalidatie (200 m2). b. meer dan 500 m² vloeroppervlakte wordt gebruikt ten behoeve van de bedrijfs- en recreatieve functie; De gezamenlijke oppervlakte ten behoeve van bedrijfsmatige activiteiten als gevolg van het plan bedraagt 1.561 m2. De behandelruimte en stalling voor paardenrevalidatie heeft een oppervlakte van 200 m2. De opslag van handelsgoederen heeft een oppervlakte van 1.361 m2. c. er sprake is van een ligging aan een weg die geschikt is voor een eventuele toename van verkeer; In paragraaf 4.11 wordt concreet ingegaan op het aspect 'verkeer'. Daarin is aangetoond dat de Bragersweg geschikt is voor de toename van het aantal verkeersbewegingen. d. de waardevolle hoofdvorm van de gebouwen wordt gehandhaafd; Voor wat betreft de paardenrevalidatie geldt dat dit binnen bestaande bebouwing plaatsvindt. Ten behoeve van de opslag van handelsgoederen vindt vervangende nieuwbouw plaats. Op grond van het geldende bestemmingsplan is vervangende nieuwbouw ten behoeve van VAB+ beleid/functies toegestaan. Tevens moet wordne opgemerkt dat het te slopen gebouw geen cultuurhistorische en/of karakteristieke waarde heeft. e.

er ten behoeve van de bedrijfs- en recreatieve functie geen buitenopslag plaatsvindt; De bedrijfsactiviteiten vinden inpandig plaats. Er is geen sprake van buitenopslag. f. er geen sprake is van onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven, in die zin dat de bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt; In paragraaf 4.2 en 4.3 wordt aangetoond dat het plan de ontwikkelmogelijkheden van agrarische- en niet agrarische bedrijven in de omgeving niet beperkt. Het plan leidt niet tot onevenredige schade aan de aangrenzende (agrarische)bedrijven. g. parkeren op eigen erf plaatsvindt; In paragraaf 4.11 is aangetoond dat het parkeren op eigen erf plaatsvindt. h. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden, de verkeersveiligheid, de waterhuishouding en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. In hoofdstuk 4 wordt het plan getoetst aan de van belang zijnde omgevingsaspecten. Daarin wordt aangetoond dat het plan geen afbreuk doet aan de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de waterhuishouding en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Voor wat betreft de landschappelijke waarden geldt dat het besluitgebied reeds landschappelijk is ingepast. Aan de zuidzijde van het perceel is een bos aanwezig en een bestaande houtwal. Aan de noordzijde is een bestaande 20

omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Geesteren

beplantingsstrook met een breedte van circa 3 meter aanwezig bestaande uit inheemse beplanting. Daarnaast zijn aan de oostzijde een beukenhaag en een meidoornhaag aanwezig. Tot slot zijn de voorheen aanwezige kuilvoerplaten als gevolg van dit project verwijderd. Op basis van vorenstaande wordt geconcludeerd dat het project past binnen de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in het bestemmingsplan 'Tubbergen Buitengebied 2016 Veegplan'. Aangezien het plan op grond van een binnenplanse wijzigingsbevoegdheid mogelijk is kan toetsing aan de beleidsnota 'Buitengebied met kwaliteit' achterwege blijven. Immers, er is aangetoond dat aan de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid wordt voldaan.

omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Gee steren

21

22

omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Geesteren

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en projectgebied van toepassing zijn. Bovendien is een ruimtelijke onderbouwing vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.

4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets Voor voorliggend plan zijn de volgende activiteiten in het kader van een m.e.r.-beoordeling relevant: De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren (behandelruimte en stalling ten behoeve van de paardenrevalidatie).

De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen (opslag en kleinschalige reparatie van handelsgoederen inclusief vervangende nieuwbouw). Ten behoeve van de oprichting, wijziging of uitbreiding vna een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren is een m.e.r.-beoordeling verplicht ten behoeve van het houden van paarden in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op 100 stuks paarden of pony's (rav. categorie K.1 en K.3). Voorliggend plan voorziet in de stalling en een behandelruimte ten behoeve van een paardenrevalidatie waarin, op basis van de stikstofberekening, maximaal 10 paarden gehouden mogen worden. Het plan ligt daarmee ruimschoots onder de drempelwaarden waardoor een milieueffectrapportage niet verplicht is. Hoewel een milieueffectrapportage niet verplicht is, moet wel worden aangetoond of het plan nadelige effecten op het milieu heeft. Daarvoor zijn voor het houden van paarden met name het aspect 'geur' en 'stikstof' van belang. Voor paarden zijn geen geuremissiefactoren vastgesteld op basis van de Regeling geurhinder en veehouderij. Daarom gelden voor de stallen van paarden alleen de minimumafstanden zoals opgenomen in het Activiteitenbesluit (artikel 3.117 (vaste afstanden) en artikel 3.119 (gevel tot gevel)).

De minimale afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object dient op grond van artikel 3.119 50 meter te bedragen indien de inrichting is gelegen buiten de bebouwde kom. De afstand tot het dichtstbijzijnde geurgevoelige object bedraagt 53 meter waardoor voldaan wordt aan de minimale afstand die geldt. Ten aanzien van stikstofdepositie is een 'AERIUS-berekening uitgevoerd' en is - zoals in paragraaf 4.9 verwoord is - sprake van intern salderen. Op basis van de 'Beoordeling intern salderen' zoals opgenomen in Bijlage 3 kan worden geconcludeerd dat de vergunde situatie vanuit het verleden zoals die zijn beschreven en weergegeven in het rapport er geen stikstof toename is als gevolg van dit project. Ook blijft de depositie gelijk op de omliggende Natura 2000 gebieden. Het bedrijf voldoet hiermee aan de eisen rondom intern salderen. Ten aanzien van het intern salderen heeft de Raad van State in een uitspraak van 20 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:71) geoordeeld dat voor intern salderen niet langer een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig is. Uit de verschilberekening is gebleken dat de activiteit per saldo niet leidt tot een toename aan stikstofdepositie. Als er 'per saldo' geen sprake is van een toename van stikstofdepositie, dan kunnen significante negatieve effecten worden uitgesloten.

Er is derhalve geen passende beoordeling noodzakelijk. Geconcludeerd kan worden dat het plan niet leidt tot nadelige effecten voor het milieu. Ten aanzien van de opslag en reparatie van handelsgoederen, inclusief de vervangende nieuwbouw geldt dat een milieueffectrapportage verplicht is als de activiteit betrekking heeft op: een oppervlakte van 100 hectare of meer; omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Gee steren

23

een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Het plan ligt ruimschoots onder de drempelwaarden. Echter, van belang is of het plan aangemerkt kan worden als een 'stedelijk ontwikkelingsproject' volgens het besluit m.e.r.. Het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd. In de toelichting op het Besluit m.e.r. zijn wel een aantal voorbeelden van bouwprojecten opgenomen die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. In dat kader wordt verwezen naar woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder andere de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen daarbij een rol. Of de ontwikkeling per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kan hebben, is daarbij niet relevant. Als een project voorziet in een (gedeeltelijke) functiewijziging, maar de bebouwde oppervlakte hetzelfde blijft, lijkt gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) geen sprake te zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r..

Op basis van deze uitspraak lijken de volgende aspecten voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject relevant: (een uitbreiding) van de bebouwde oppervlakte, de opzet en de vormgeving van de ontwikkeling. Als gevolg van dit plan wordt ten behoeve van de opslag en reparatie van handelsgoederen een voormalig agrarisch bedrijfsgebouw met een oppervlakte van 377 m2 en een inhoud van 1.464 m3 gesloopt en vervangen door een nieuw gebouw met een oppervlakte van 330 m2 en een inhoud van 1.464 m3. De bebouwde oppervlakte van het perceel neemt derhalve niet toe. Hoewel het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling (zoals beschreven in paragraaf 4.11) wel toeneemt, kan dit via de bestaande infrastructuur worden afgewikkeld. De toename van het aantal verkeersbewegingen heeft daarnaast geen negatieve effecten op het milieu en Natura 2000-gebieden in de omgeving (zie bijlagen 4 en 3). Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat het plan niet voorziet in een nieuw stedeijk ontwikkelingsproject en het plan niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is.

4.2 Milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/1118/documents/24138