CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Geesteren (1).pdf

Gemeenteraad Tubbergen 26 juni 2024, gemeente TubbergenBij agendapunt: 12: Aanvraag (ontwerp) verklaring van geen bedenkingen voor bedrijfsmatig gebruiken voormalig agrarisch perceel tbv paardenrevalidatie en opslag handelsgoederen Bragersweg 4 Geesteren23.517 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

24

omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Geesteren

Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets Bij het realiseren van een nieuwe functie dient gekeken te worden of die nieuwe functie past in de omgeving (externe werking) en of de omgeving de nieuwe functie toelaat (interne werking). Bij onderhavig project is er sprake van het omgevingstype 'rustig buitengebied' aangezien er overwegend sprake is van agrarisch grondgebruik met daaraan ondergeschikt hoofdzakelijk woonerven. Externe werking Bij de externe werking gaat het om de vraag of de realisatie van onderhavig plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de omgeving. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. In onderhavig project is er sprake van de toevoeging van bedrijfsactiviteiten bij een woonbestemming. Middels dit project wordt de vestiging van een paardenstalling/paardenrevalidatie toegestaan en de opslag en reparatie van handelsgoederen. De bedrijfsactiviteiten van de paardenstallling/paardenrevalidatie kunnen worden aangemerkt als gebruiksgerichte paardenhouderij. Voor paardenhouderijen geldt een richtafstand van 50 meter in verband met het aspect geur. De afstand van de paardenstal tot aan het dichtsbijzijnde woning aan de Vinckenweg 27 bedraagt 53 meter.

Daarbij geldt dat de richtafstand moet worden gemeten tussen enerzijds de grens van de milieubelastende bestemming en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan (of vergunningsvrij) mogelijk is. Met betrekking tot de regels voor vergunningsvrij bouwen geldt dat bouwwerken alleen vergunningsvrij kunnen worden opgericht in het achtererfgebied. Het achtererfgebied betreft het gebied dat is gelegen achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 meter achter de voorgevel van de woning en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen. Dat betekent dat vergunningsvrije bouwwerken niet voor de voorgevel van een woning gerealiseerd kunnen worden. De vergunningsvrije bouwregels vormgen geen belemmering voor dit plan aangezien de dichtsbijzijnde gevel van een woning door middel van vergunningsvrij bouwen niet op een kortere afstand van de milieubelastende bestemming gerealiseerd kan worden. Daarnaast is op grond van het vigerende bestemmingsplan bepaald dat woningen uitsluitend ter plaatse van de bestaande situering gebouwd mogen worden. Met een omgevingsvergunning kan daarvan worden afgeweken als een verbetering kan worden bewerkstelligd ten gunste van een goed woon- en leefklimaat.

Daarmee is geborgd dat de afstand van de woning niet minder kan bedragen dan 50 meter (de richtaftand die geldt) waardoor voldoende geborgd is dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Derhalve wordt voldaan aan de richtafstand die geldt. De opslag en reparatie van handelsgoederen kan aangemerkt worden als reparatie ten behoeve van particulieren (exclusief auto's en motorfietsen). Op grond van de VNG-uitgave 'bedrijven en milieuzonering' geldt milieucategorie 1 waarvoor een richtafstand geldt van 10 meter. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan waardoor geconcludeerd kan worden dat het aspect 'bedrijven en milieuzonering' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit plan. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. In de bestaande situatie is het besluitgebied reeds aangemerkt als woonbestemming. Aangezien er geen nieuw milieugevoelig object wordt gerealiseerd kan geconcludeerd worden dat de interne werking voor het aspect 'bedrijven en milieuzonering' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit project. omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Gee steren

25

Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt derhalve geen belemmering voor dit project.

4.3 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.

Toets Voor paarden zijn geen geuremissiefactoren vastgesteld op basis van de Regeling geurhinder en veehouderij. Daarom gelden voor de stallen van paarden alleen de minimumafstanden zoals opgenomen in het Activiteitenbesluit (artikel 3.117 (vaste afstanden) en artikel 3.119 (gevel tot gevel)). De minimale afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object dient op grond van artikel 3.119 50 meter te bedragen indien de inrichting is gelegen buiten de bebouwde kom. Zoals is aangegeven in paragraaf 4.2 bedraagt de afstand tot het dichtsbijzijnde geurgevoelige object ten minste 53 meter waardoor voldaan wordt aan de richtafstand die geldt. Hiermee wordt dus voldaan aan de eisen van de Wgv. Het aspect 'geur' vormt derhave geen belemmering voor dit project.

4.4 Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets Dit plan maakt de stalling van paarden ten behoeve van paardenrevalidatie 'De Kuper' binnen bestaande bebouwing mogelijk. Het betreft enkel een inpandige functiewijziging van bebouwing ten behoeve van het stallen van paarden.

Daarnaast wordt middels dit plan de opslag en reparatie van handelsgoederen inclusief vervangende nieuwbouw mogelijk gemaakt. De nieuwbouw vindt plaats op de bestaande fundering van het bestaande, te slopen gebouw. Het plan maakt geen nieuwe bouwwerken mogelijk waarin (nagenoeg) voortdurend mensen zullen verblijven (langer dan 2 uur) waardoor geconcludeerd kan worden dat het aspect 'bodem' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit project.

4.5 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 26

omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Geesteren

Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b. in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e.

wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). De stalling van paarden ten behoeve van de paardenrevalidatie en de opslag en reparatie van handelsgoederen wordt niet aangemerkt als de realisatie van een nieuw geluidsgevoelig object volgens de Wet geluidhinder. Het aspect 'wegverkeerslawaai' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. Industrielawaai Met betrekking tot het geluidslawaai afkomstig van de bedrijfsactiviteiten wordt opgemerkt dat voldaan wordt aan de richtafstanden die gelden op grond van de VNG-uitgave 'bedrijven en milieuzonering', zie paragraaf 4.2. Derhalve kan geconcludeerd worden dat het aspect 'geluid' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit project.

4.6 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Gee steren

27

Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets Op grond van dit project wordt middels een omgevingsvergunning conform artikel 2.12 eerste lid onder a, sub 3o Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (zogenoemde projectafwijkingsbesluit) van het vigerende bestemmingsplan afgeweken teneinde de opslag van handelsgoederen en de stalling van paarden ten behoeve van paardenrevalidatie mogelijk te maken. Als gevolg van het plan bedraagt het aantal verkeersbewegingen 75 verkeersbewegingen per dag. Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen worden verdubbeld waardoor het aantal verkeersbewegingen op 150 per dag gesteld kan worden.

In verband met de paardenstalling/paardenrevalidatie zal het aandeel vrachtverkeer beperkt zijn, waardoor het percentage vrachtverkeer op 10% gezet kan worden. In onderstaande figuur 4.2 is een worst-case berekening weergegeven.

Figuur 4.2: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl) Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het besluitgebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig.

4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving 28

omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Geesteren

worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico.

Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het besluitgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Toets

Figuur 4.3: Uitsnede risicokaart (bron: Risicokaart.nl) Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van 860 meter van het besluitgebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen, derhalve geldt dat het besluitgebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.

omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Gee steren

29

4.8 Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de NOVI en het Nationaal Water Programma 2022-2027 (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerprogramma 2022-2027.

Het staat de komende jaren voor grote uitdagingen en blijft werken aan voldoende water (niet te veel, niet te weinig), omgaan met klimaatverandering, voldoen aan de eisen voor waterkwaliteit, de biodiversiteit versterken en daarnaast wordt gewerkt aan duurzame energie en circulair grondstoffengebruik. In de Watervisie 2050 heeft het waterschap de opgaven beschreven. Daarin wordt geschetst hoe het watersysteem er in 2050 moet uitzien om goed toegerust te zijn voor alle uitdagingen. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vloeit rechtstreeks voort uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma beschrijft hoe het waterschap de komende zes jaar werkt aan het realiseren van het gewenste waterbeheersysteem. Hieronder wordt de Watervisie 2050 en het Waterbeheerprogramma 2022-2027 beschreven. Watervisie 2050 Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners. De drie belangrijkste opgaves zijn: de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering; de waterkwaliteit die onder druk staat: de transitie naar een duurzame ontwikkeling. De Watervisie zal worden doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2027 gaat werken aan haar opgaves.

In het beheerprogramma zal het beleid en de maatregelen worden opgenomen. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Vechtstromen. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Voor partners en ingezetenen verschaft het programma inzicht in de wijze waarop het waterschap omgaat met het water in het beheergebied. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma sluit aan bij plannen van andere partijen zoals het Nationale waterplan (Nationaal Water Programma 2022-2027), het Stroomgebiedsbeheerplan Rijndelta en de Omgevingsvisie van de provincies Overijssel en Drenthe. Belangrijk uitgangspunt van het Waterbeheerprogramma is de verandering van het klimaat. De weersomstandigheden zijn steeds minder vaak gemiddeld. Dat merken we de laatste twee decennia steeds duidelijker. De winters worden natter en in de zomer zijn er langere hete en droge perioden en vallen de buien steeds meer lokaal.

Deze zomerbuien hebben vaker een zeer hoge intensiteit, wat leidt tot hoge afvoerpieken en overstromingen. Het watersysteem is nog niet goed toegerust op die verandering. Het is nu nog vooral ingericht op basis van gemiddelden - de normale beheersituatie enerzijds en het voorkomen van wateroverlast anderzijds 30

omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Geesteren

- en niet op langdurige droge periodes en incidentele hoosbuien. Dit betekent dat het watersysteem aangepast moet worden. Daarbij heeft het waterschap de ambitie om te komen tot een klimaatrobuust watersysteem in 2050: een systeem dat zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht tegen een stootje kan en goed is toegerust op veranderingen en grotere weersextremen. Overeenkomstig de Watervisie 2050 heeft het waterschap de volgende hoofdlijnen aangegeven waar de komende jaren aan gewerkt wordt: Als gevolg van de klimaatverandering wil het waterschap zorgen voor meer balans tussen 'droge voeten' en het beperken van wateroverlast. Dat betekent dat water het leidende principe is voor het inrichten van de leefomgeving in plaats van andersom: water volgend aan de inrichting. Er wordt meer aandacht gegeven aan het vasthouden van water in de bodem. Regenwater wordt niet als afvalwater beschouwd, maar als bouwsteen in de ontwikkeling van een robuust watersysteem. Watertoetsproces Op 22 juni 2023 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie bijlage 2. Op grond van de uitgevoerde watertoets geldt 'korte procedure'. De standaard waterparagraaf is van toepassing. Het waterschap heeft op voorhand geen bezwaar tegen de voorgenomen ontwikkeling.

4.9 Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toetsing Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van natuur- en landbouwgebieden met hoge natuurwaarden. Het NNN heeft als doel het behouden, beschermen en versterken van de rijkdom aan plant- en diersoorten (biodiversiteit). Hiermee dragen we bij aan (inter-)nationaal vitaal stelsel van natuurgebieden. De realisatie van natuurdoelen gaat zo veel mogelijk samen met het versterken van de landbouw, de regionale economie en de wateropgaven. Het besluitgebied ligt niet in het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De dichtsbijzijnde gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren liggen op circa 3,1 kilometer van het besluitgebied en maken tevens onderdeel uit van het Natura 2000-gebied. In figuur 4.4 is de ligging van het besluitgebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

Figuur 4.4: Ligging besluitgebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (bron: Atlas van Overijssel) Naast het Natuurnetwerk Nederland geldt in de provincie Overijssel de 'Zone ondernemen met natuur en water buiten de NNN'. In deze zone is het beleid gericht op het creëren van ruimte voor economische ontwikkelingen zoals landbouw, recreatie en natuurgebonden woon- en werklocaties. De afstand van het besluitgebied tot aan de zone ondernemen met natuur en water buiten de NNN bedraagt circa 590 meter. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal. De voorgenomen activiteiten hebben geen negatief omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Gee steren

31

effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het besluitgebied. Omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Natura 2000-gebied Het besluitgebied behoort niet tot Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op minimaal 3,2 kilometer afstand (Engbertsdijksvenen). In figuur 4.5 is de ligging van het besluitgebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied weergegeven.

Figuur 4.5: Ligging besluitgebied t.o.v. Natura 2000-gebied (bron: Atlas van Overijssel) Vanwege de lokale invloedsfeer hebben de voorgenomen activiteiten geen negatieve effecten op deze Natura 2000- of Natuurnetwerk Nederland gebieden. Er is geen nader onderzoek nodig in het kader van gebiedsbescherming en er hoeft geen ontheffing van de Omgevingsverordening Overijssel of Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Stikstofdepositie op Natura 2000-gebied Volgens de Wet natuurbescherming is een vergunning nodig voor activiteiten die kunnen leiden tot schade aan Natura 2000-gebieden, bijvoorbeeld als gevolg van stikstofdepositie (uitstoot en neerslag van stikstof). Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Natura 2000–gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Te veel stikstof is slecht voor planten die leven op voedselarme grond. Als deze planten verdwijnen, kan dat ook slecht zijn voor dieren die in dat gebied leven. Daarnaast leidt stikstof tot verzuring van de bodem. In sommige delen van de Natura 2000-gebieden is de hoeveelheid stikstof te hoog. De overheid wil de hoeveelheid stikstof in de natuur (stikstofdepositie) terugdringen. Daarvoor introduceerde zij in 2015 het Programma Aanpak Stikstof (PAS).

Dit programma was ook gericht op het versterken van de natuur en het maakte tegelijkertijd economische ontwikkeling mogelijk. Op 29 mei 2019 heeft het hoogste bestuursorgaan van ons land, de Raad van State, de vergunningen op basis van het PAS ongeldig verklaard omdat dit in strijd is met de Europese natuurwetgeving. De overheid werkt nu aan een nieuwe aanpak stikstof. De depositie van stikstof vindt plaats in de vorm van NOx (stikstofoxide) en NH3 (ammoniak). De depositie van NOx vindt onder meer plaats bij de verbranding van fossiele brandstoffen. De depositie van NH3 is voor het overgrote deel afkomstig van de landbouw. Om voor afzonderlijke projecten aan te tonen wat het effect is op Natura 2000-gebieden is het rekeninstrument AERIUS in het leven geroepen. Het rekeninstrument is na de uitspraak van de Raad van State op 16 september 2019 geactualiseerd in de AERIUS Calculator 2019. Deze is op 14 januari 2020 vervolgens door het RIVM geactualiseerd in de AERIUS Calculator 2019A. Op 15 oktober 2020 heeft de jaarlijkse actualisatie plaatsgevonden. De AERIUS Calculator 2020 vervangt de Calculator 2019A. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden.

Deze wet regelt onder meer drie resultaatverplichtingen voor stikstofreductie: in 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in beschermde Natura-2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; in 2030 minimaal de helft en in 2035 minimaal 74%. De wet geeft de opdracht voor een programma van maatregelen om die reductie te bereiken en de natuur te herstellen. Ook regelt de wet de tussentijdse monitoring en zo nodig bijsturing. 32

omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Geesteren

Voor de zogeheten PAS melders en initiatiefnemers die onder het PAS vergunningvrij waren is in de wet bepaald dat zij alsnog gelegaliseerd worden. De wet maakte een gedeeltelijke vrijstelling mogelijk van de natuurvergunningplicht voor het aspect stikstof voor activiteiten van de bouwsector. De vrijstelling was van toepassing voor de bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten van projecten. Op 2 november 2022 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in de zaak Porthos echter de partiële vrijstelling van tafel geveegd. Dit betekent dat bij het maken van een stikstofberekening (AERIUS) voor de gebruiksfase van projecten, tevens de bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten van projecten meegenomen zullen moeten worden. De omgevingsdienst Twente heeft naar aanleiding van de Porthos-uitspraak op 25 november 2022 de 'advieslijn opvragen onderzoek stikstofdepositie bouwprojecten bestemmingsplannen' (kenmerk 20221125, d.d. 25 november 2022) opgesteld. De advieslijn is opgesteld als handvat bij de beoordeling of bij een bouwproject stikstofdepositie onderzoek voor de bouwfase noodzakelijk is. Opgemerkt wordt dat enkel een AERIUS-berekening is uitgevoerd voor het gebruik en niet voor de bouwactiviteiten. Voor de bouwactiviteiten wordt immers verwezen naar de 'Advieslijn opvragen onderzoek stikstofdepositie bouwprojecten en bestemmingsplannen' (d.d. 25 november 2022) van de ODT.

Uitgangspunt van de stikstofdepositieberekening is dat een realistische/ representatieve inschatting wordt gegeven van de werkmethode en materieelinzet die in de aanlegfase benodigd zal zijn. Uit de rechtspraak van de Afdeling blijkt dat de inzet van het materieel “voldoende reëel en aannemelijk” moet zijn (vgl. AbRS 1 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1960, r.o. 17.1). Er zijn door de Omgevingsdienst Twente meerdere fictieve situaties doorgerekend waarbij de emissie is bepaald op basis van reële uitgangspunten, zoals ook gehanteerd in onderzoeken voor de bouwvrijstelling van kracht werd. Deze berekeningen zijn ook uitgevoerd voor sloopwerkzaamheden, heien en ontsluiting van een kleine woonwijk. Het bouwplan wordt gerealiseerd op een afstand van circa 3,2 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Op grond van de advieslijn van de ODT blijkt dat een aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen van een bedrijfshal (60 x 30) inclusief parkeerplaartsen op een afstand van 2 km van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied niet leidt tot stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. Voorliggend bouwplan voorziet in de vervangende nieuwbouw van een bedrijfsgebouw ten behoeve van de opslag van handelsgoederen met een oppervlakte van 330 m2 (19,4 x 16,4).

Het bouwplan is vele malen kleiner waardoor geconcludeerd kan worden dat de bouwfase niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. De aanlegfase blijft derhalve buiten beschouwing. Door Ad Fontem is derhalve een AERIUS-berekening uitgevoerd (projectnummer 19AF200, d.d. 16 februari 2021) voor de gebruiksfase. De AERIUS-berekening is als Bijlage 3 bij de toelichting van deze onderbouwing opgenomen. Voor de rekenresultaten en invoergegevens wordt verwezen naar Bijlage 3. Het rekeninstrument AERIUS Calculator 2020 berekent de stikstofdepositie als gevolg van projecten en plannen op Natura 2000-gebieden. Met het rekeninstrument kan de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden worden berekend. De uitkomst van de berekening geeft inzicht in de uitvoerbaarheid van het plan voor wat betreft stikstof. De totale emissie als gevolg van het beoogde gebruik bedraagt voor NOx 55,70 kg/j en voor NH3 51,84 kg/j. Er zijn rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. De totale stikstofemissie (NOx) en ammoniakemissie (NH3) op Natura 2000-gebieden, als gevolg van de gebruiksfase van de beoogde ontwikkeling, is volgens de AERIUS Calculator op Engbertsdijksvenen hoger dan de grenswaardevan 0,00 mol/ha/j. De bijdrage bedraagt 0,03 mol/ha/j.

Als gevolg van het (fictieve) gebruik van de bedrijfsgebouwen aan de Bragersweg 4 te Geesteren komt er NOx en NH3 vrij. Door uitvoering van de AERIUS berekening is aangetoond dat dit leidt tot een meetbare depositie van NOx en NH3 in Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor stikstof en ammoniak. Er is geen sprake van een aanlegfase. In de gebruiksfase ligt de emissie op 0,03 mol/ha/j. Als gevolg van de berekende emissie, tijdens de gebruiksfase, vindt er meetbare verhoging van de depositie NOx en NH3 plaats in Natura 2000-gebieden als gevolg van de bouw en gebruik van de beoogde ontwikkeling. De ontwikkeling leidt tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000- gebieden. Intern salderen Wanneer blijkt dat de nieuwe situatie voor een mindere uitstoot van stikstofdepositie zorgt dan de huidige situatie dan kan op basis daarvan een vergunning worden verleend. Derhalve is door ForFarmers FarmConsult een verschilberekening uitgevoerd om te onderzoeken of het gewenste voornemen leidt tot een toename van de stikstofberekening ten opzichte van de vergunde situatie vanuit het verleden. omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Gee steren

33

Het bedrijf beschikt niet over een Wet Natuurbeschermingsvergunning. Om deze te verkrijgen moet er getoetst worden aan de beleidsregels d.d. 13-12-2019 en de vergunde situaties ten tijde van de aanwijsdata van de natura2000-gebieden. De beleidsregels schrijven voor dat de laatste vergunning terug gerekend dient te worden naar de maximale emissie waarde conform het Besluit emissiearme huisvesting. De uitspraak van RvS 13-11-2013 geeft aan dat de laagste vergunning telt. Uit de Aerius berekening van de aangevraagde situatie blijkt dat dit de data: 10-6-1994, 11-10-1996, 24-3-2000 en 7-12-2004 zijn, zie onderstaand overzicht. De onderstaande vergunningen zijn tevens opgenomen in de bijlagen van het rapport 'Beoordeling intern salderen' van ForFarmers FarmConsult (zie Bijlage 3).

Tabel 1: Overzicht vergunde situaties Bragersweg 4 Geesteren (bron: ForFarmers FarmConsult) In onderstaande tabel (tabel 2) is de aangevraagde situatie (met bijbehorende ammoniakuitstoot van de paarden) weergegeven. In de berekende situatie wordt uitgegaan van het houden van 10 paarden (worst-case benadering), waarmee een eventuele uitbreiding van het aantal paarden in de toekomst mogelijk is.

Tabel 2: Aangevraagde situatie (bron: ForFarmers FarmConsult) ForFarmers FarmConsult heeft een verschilberekening uitgevoerd waarbij de stikstofdepositie van de vergunde situatie vanuit het verleden en het gewenste voornemen (paardenrevalidatie) is berekend. De verschilberekening is opgenomen in Bijlage 3 Ten aanzien van de berekening geldt tevens op basis van de uitspraken ABRvS 1 juli 2020 (2020:1528), ABRvS 9 september 2020 (2020:2170) en ABRvS 18 november 2020 (2020:2760) dat de interne- en externe verkeersbewegingen en daarmee de bijbehorende stikstofemssie of -depositie tot de vergunde en aangevraagde situatie behoren. Op basis van de 'Beoordeling intern salderen' zoals opgenomen in Bijlage 3 kan worden geconcludeerd dat de vergunde situatie vanuit het verleden zoals die zijn beschreven en weergegeven in het rapport er geen stikstof toename is. Ook blijft de depositie gelijk op de omliggende Natura 2000 gebieden. Het bedrijf voldoet hiermee aan de eisen rondom intern salderen. Ten aanzien van het intern salderen heeft de Raad van State in een uitspraak van 20 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:71) geoordeeld dat voor intern salderen niet langer een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig is. Uit de verschilberekening is gebleken dat de activiteit per saldo niet leidt tot een toename aan stikstofdepositie.

Als er 'per saldo' geen sprake is van een toename van stikstofdepositie, dan kunnen significante negatieve effecten worden uitgesloten. Aangezien het project wordt aangevraagd door middel van een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.12 eerste lid onder a, sub 3o Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), het zogenoemde projectafwijkingsbesluit, is er sprake van een concreet project. Op basis van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het project niet leidt tot toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. Soortenbescherming Dit plan heeft enkel betrekking op een functiewijziging van een voormalig agrarisch bedrijfsgebouw en op de sloop en nieuwbouw van een schuur. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Derhalve is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. Het besluitgebied is op 2 februari 2021 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. De quickscan natuurwaarden is als Bijlage 4 bij de toelichting van deze ruimtelijke onderbouwing opgenomen. De resultaten worden hieronder weergegeven. De voorgenomen activiteiten worden gezien als 'ruimtelijke ontwikkeling'.

Voor een aantal algemeen 34

omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Geesteren

voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'doden', en het opzettelijk 'verstoren, beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats', als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verstoren of te doden en om opzettelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het besluitgebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De inrichting en het gevoerde beheer maken het besluitgebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het besluitgebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels in de te slopen gebouwen.

Vleermuizen, beschermde grondgebonden zoogdieren of amfibieën bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het besluitgebied. Van de in het besluitgebied nestelende soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Geadviseerd wordt de werkzaamheden buiten de voortplantingsperiode van vogels uit te voeren. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het besluitgebied als foerageergebied voor beschermde dieren niet af. Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.

4.10

Archeologie en Cultuurhistorie

Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het besluitgebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het besluitgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.

Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie De gemeente Tubbergen heeft op basis van de archeologische beleidsadvies- en verwachtingskaart de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 4' aan het besluitgebied toegekend waarvoor respectievelijk een hoge en middelmatige archeologische verwachtingswaarde geldt. De gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Deze dubbelbestemming is gekoppeld aan een plicht van een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden alsmede aan bouwwerkzaamheden. Ingrepen in de bodem zijn in deze gebieden in principe niet toegestaan. Alleen als aangetoond is dat er geen archeologische waarden meer zijn, deze niet onevenredig worden geschaad of er maatregelen worden getroffen om de waarden te beschermen, is het mogelijk hier bodemroerende werkzaamheden uit te voeren. De omgevingsvergunningen worden alleen verleend wanneer er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de voorkomende archeologische en cultuurhistorische waarden. De omgevingsvergunning is niet nodig voor werkzaamheden die gerekend worden tot het normale onderhoud.

Toets Dit project maakt de vestiging van bedrijfsactiviteiten en opslag in voormalige agrarische bedrijfsbebouwing aan de Bragersweg 4 te Geesteren mogelijk. Daarnaast heeft het plan betrekking op vervangende nieuwbouw van één schuur. De nieuwe schuur heeft een vloeroppervlakte van 330 m2 en overschrijdt daarmee de omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Gee steren

35

drempelwaarde voor het uitvoeren van een archeologisch onderzoek (2.500 m3) op basis van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' niet. Een archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Het aspect 'archeologie' vormt derhalve geen belemmering voor dit project. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat binnen het besluitgebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.

4.11

Verkeer / parkeren

Het besluitgebied wordt via de Bragersweg en de Vinckenweg ontsloten. De Vinckenweg verbindt de kern Geesteren met het buitengebied. De afstand van het besluitgebied aan de Bragersweg tot de Vinckenweg bedraagt circa 50 meter. De Vinckenweg betreft een betonweg en heeft een wegbreedte van 3,5 meter. Om de weg te verbreden zijn er langs weerzijden van de Vinckenweg grasbetonblokken geplaatst waardoor tegemoetkomend verkeer elkaar kan passeren zonder de berm te beschadigen. Voor de genoemde wegen geldt een maximumsnelheid van 60 km per uur. Voor de verkeersgeneratie van de behandelruimte / stalling van paarden ten behoeve van een revalidatietraject wordt aangesloten bij de verkeersgeneratie van een manege. Op grond van de CROW-publicatie 381 geldt voor een manege een verkeersgeneratie van 4,0 verkeersbewegingen per bezette box/paard per dag. Hoewel er in de stikstofberekening is uitgegaan van 10 paarden (worst-case berekening), bevinden zich als gevolg van het plan 6 paardenboxen in de schuur. De verkeersgeneratie bedraagt derhalve 24 verkeersbewegingen per dag. Met betrekking tot de opslag en reparatie van handelsgoederen wordt gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381.

Met betrekking tot de handel en reparatie van handelsgoederen wordt aansluiting gezocht bij de verkeersgeneratie voor een bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag), waarvoor een minimale verkeersgeneratie geldt van 3,9 verkeersbewegingen per 100 m2 bvo. Aangezien de gezamenlijke oppervlakte ten behoeve van de opslag van handelsgoederen 1.361 m2 bedraagt, bedraagt de verkeersgeneratie als gevolg van het plan circa 54 verkeersbewegingen (13,61 * 3,9 = 53,08) per dag. Gelet op het feit dat de bedrijfsactiviteiten van de opslag en reparatie van handelsgoederen met name betrekking heeft op het opslaan van goederen zal het aantal verkeersbewegingen in de praktijk minder zijn. De totale verkeersgeneratie als gevolg van het plan bedraagt op grond van de CROW-normen 78 verkeersbewegingen (24 + 54). Zoals is aangegeven heeft de Vinckenweg een wegbreedte van 3,5 meter en geldt een maximumsnelheid van 60 km per uur. Op grond van het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan (GVVP) voor Tubbergen 2018 wordt de Vinckenweg aangemerkt als 'overige wegen' en betreft een erftoegangsweg van het type zonder fietsvoorzieningen (woonstraten en plattelandswegen). Hoewel deze wegen een op grond van het GVVP een rijbaanbreedte van 4,50 tot 6,00 meter hebben met een verkeersintensiteit van minder dan 6.000 verkeersbewegingen per dag, heeft de Vinckenweg een smallere wegbreedte.

Over het algemeen is de breedte van een weg historisch bepaald en zijn de mogelijkheden voor een aanpassing van de weg (bijvoorbeeld de verbreding) ruimtelijk begrensd. Als gevolg van het plan neemt de verkeersgeneratie op basis van de CROW-normen toe met 78 verkeersbewegingen per dag. Daarbij moet de opmerking worden gemaakt dat dit een theoretische toename is. Gelet op het feit dat de grootste bedrijfsactiviteit betrekking heeft op het opslaan van goederen zal het aantal verkeersbewegingen in de praktijk minder zijn. De Vinckenweg is met name bestemd voor de ontsluiting van de aangrenzende percelen in het buitengebied met de kern Geesteren. De Vinckenweg wordt aan weerszijden begrensd door sloten met bestaande bomenstructuren waardoor de mogelijkheden voor de verbreding van de weg ruimtelijk begrensd zijn. Hoewel de Vinckenweg een relatief smal wegdek heeft van 3,5 meter kan de toename van het aantal verkeersbewegingen via de huidige infrastructuur worden afgewikkeld. Aangezien detailhandel niet is toegestaan (maar het enkel betrekking heeft op de opslag) zal het aantal verkeersbewegingen incidenteel toenemen. Tevens is er geen sprake van bevoorrading in de vorm van laden en lossen zoals bij detailhandel wel noodzakelijk is. Ten behoeve van de paardenrevalidatie geldt dat de paarden gedurende een bepaalde termijn in de paardenrevalidatie gestald worden.

Er is dus (uitzonderingen daargelaten) geen sprake van dagopname 36

omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Geesteren

waardoor de verkeersgeneratie per dag in de praktijk minder zal zijn dan op grond van de CROW-normen. Al met al kan gesteld worden dat de Vinckenweg (waar de Bragersweg een aftakking van is) voldoende uitgerust is om de toename van het aantal verkeersbewegingen af te wikkelen. Daarnaast zijn er - vanwege de ruimtelijke begrenzingen langs de Vinckenweg - geen mogelijkheden om de weg te verbreden. Gelet op de kenmerken van de Bragersweg en de Vinckenweg kan gesteld worden dat de toename van het aantal verkeersbewegingen eenvoudig via de huidige infrastructuur kan worden afgewikkeld. Ten aanzien van het parkeren geldt voor de paardenrevalidatie een parkeernorm van 0,4 parkeerplaatsen per paardenbox. De totale parkeerbehoefte van de paardenrevalidatie bedraagt derhalve 3 parkeerplaatsen (6 * 0,4 = 2,4). Voor de opslag van handelsgoederen geldt een gemiddelde parkeernorm van 1,05 parkeerplaats per 100 m2 bvo. De totale parkeerbehoefte bedraagt derhalve 15 parkeerplaatsen (13,61 * 1,05 = 14,29). Op eigen terrein is voldoende ruimte om in de parkeerbehoefte te voorzien. Het parkeren vindt plaats op eigen terrein, waar voldoende ruimte is om in parkeerplaatsen te voorzien. Het aspect 'parkeren' levert derhalve geen belemmeringen op voor dit plan.

omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Gee steren

37

38

omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Geesteren

Hoofdstuk 5 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een projectafwijkingsbesluit dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening 2008 (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met het verlenen van de vergunning moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. De raad kan bevoegdheden omtrent een exploitatieplan delegeren. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij een projectafwijkingbesluit. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een projectafwijkingsbesluit geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. Voor de aanvraag omgevingsvergunning worden leges in rekening gebracht. Deze zijn voor rekening van de aanvrager. De ontwikkeling is een initiatief van de eigenaar van de betreffende gronden. Met deze eigenaar wordt een anterieure overeenkomst gesloten waardoor de gemeentelijke kosten anderszins verzekerd zijn.

omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Gee steren

39

40

omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Geesteren

Hoofdstuk 6 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een ruimtelijk overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke ruimtelijke plannen. Geoordeeld wordt dat dit planvoornemen geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel De provincie Overijssel heeft in juli 2016 een uitzonderingslijst opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder categorie B onder 4, waardoor vooroverleg niet nodig is. Waterschap Vechtstromen Op 22 juni 2023 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt. Het advies van het waterschap is in paragraaf 4.8 opgenomen.

6.2 Zienswijzen Het ontwerpbesluit wordt gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze termijn kan een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit besluit kenbaar maken.

omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Gee steren

41

42

omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Geesteren

Bijlagen bij de toelichting

omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Gee steren

43

Bijlage 1

44

Erfinrichtingsplan

omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Geesteren

Bijlage 2

46

Watertoets

omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing Bragersweg 4 Geesteren

Digitale Watertoets

Digitale watertoets De watertoets helpt u om aan de hand van de locatie van uw ruimtelijke plan en een aantal vragen te toetsen of u de belangen van het Waterschap raakt. Indien dit het geval is krijgt u tekst en uitleg over het vervolg proces.

Op basis van de check is onderstaande nodig 1. Korte procedure

Op basis van onderstaande locatie

22-06-2023 15:06

1

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets

Vragen en antwoorden uit de check Gaat het om een ruimtelijk plan dat uitsluitend een functiewijziging van bestaande bebouwing inhoudt?

nee

Worden in het plan meer dan 10 wooneenheden gerealiseerd?

nee

Is er in of rondom het plangebied sprake van wateroverlast of grondwateroverlast?

nee

Neemt in het plan het verharde oppervlak van bebouwing en bestrating toe met meer dan 1500m2?

nee

Wordt op het perceel hemelwater (HWA) en afvalwater nee (DWA) verzameld in dezelfde rioolbuis? Maakt het plan deel uit van een groter plan dat in ontwikkeling is?

nee

Worden er op bedrijfsmatige wijze activiteiten verricht nee waardoor het verharde oppervlak verontreinigd raakt? Bedraagt het verschil tussen de hoogte van de weg en nee de bovenzijde van de begane-grondvloer minder dan 30 centimeter? Bedraagt het verschil tussen de GHG (Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand) en de bovenzijde van de begane-grondvloer minder dan 80 centimeter?

nee

bargerveen

nee

beekherstel

nee

grondwaterbes_en_stiltegebied

nee

ruimtevoorvecht

nee

verbodszone diepe boringen

nee

zoekgebied

nee

primaire watergebieden

nee

RWZI

nee

strokenkaart

nee

persleidingen

nee

rioolgemalen

nee

keurzone

nee

gewijzigd klimaat

nee

huidig klimaat

nee

22-06-2023 15:06

2

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets

Details 1. Korte procedure Wat moet ik doen?

22-06-2023 15:06

3

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets Geachte heer/mevrouw,

U heeft een watertoets uitgevoerd op de website http://www.dewatertoets.nl//. Op basis van deze toets volgt u de korte procedure. Dit houdt in dat u direct door kunt gaan met de planvorming van uw plan onder de voorwaarde dat u de standaard waterparagraaf uit dit document toepast.

STANDAARD WATERPARAGRAAF

Belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater) . Deze standaard waterparagraaf heeft betrekking op het plan.

Waterbeleid

De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de Nota Ruimte en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen).

Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn waterveiligheid, klimaatbestendigheid omgeving en ruimte voor waterberging. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden.

Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen.

Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe """"eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren"""" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem.

Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe """"eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren"""" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het 22-06-2023 15:06

4

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst.

Wateraspecten plangebied Waterhuishouding Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. De toename van het verharde oppervlak is minder dan 1500m2. Het plangebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/1124/documents/24256