CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Reactienota Ontwerp Omgevingsplan LTC terrein Geesteren def

Commissie Omgeving en Economie 15 september 2026, gemeente TubbergenBij agendapunt: 8: TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie Geesteren2.835 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

1 REACTIENOTA ZIENSWIJZEN WIJZIGING OMGEVINGSPLAN ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o LTC locatie Geesteren’. Inhoudsopgave 1. Inleiding 2 2. Behandeling zienswijzen 4 2.1 Reclamant 1 en 2 4 2.2 Reclamant 3 6 2.3 Reclamant 4 7 3. WIJZIGINGEN TEN OPZICHTE VAN HET ONTWERP OMGEVINGSPLAN 9 2 1. INLEIDING In dit document worden de binnengekomen zienswijzen behandeld, die zijn ingediend tegen het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22 o LTC locatie Geesteren’. Na voorafgaande publicatie op 9 december 2025 is in overeenstemming met artikel 16.29 en artikel 16.30 Omgevingswet met ingan g van 10 december 2025 het ontwerpbesluit voor een ieder ter inzage gelegd. Het ontwerpbesluit met de hierbij behorende stukken kon tijdens de openingsuren in het gemeentehuis worden ingezien. Ook was het ontwerpbesluit te raadplegen op de https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/. Plan Het ontwerpbesluit voorziet in de planologische regeling voor de herontwikkeling van de voorma- lige bedrijfslocatie L. Ten Cate te Geesteren tot een woongebied met maximaal 61 woningen, met bijbehorende voorzieningen zoals parkeervoorzieningen, waterberging (wadi’s) en land- schappelijke inpassing. Zienswijzen Gedurende de hiervoor genoemde termijn kon een ieder mondeling dan wel schriftelijk zienswijzen kenbaar maken.

Er zijn drie reclamanten die gebruik hebben gemaakt van het recht om een zienswijze in te diene n. Mede naar aanleiding van deze zienswijzen zijn er meerdere gesprekken geweest met alle reclamanten. Mede op basis van de gesprekken is één zienswijze ingetrokken als er bij de vaststelling van het Omgevingsplan een bepaalde wijziging wordt doorgevoerd. In dit document worden de standpunten van de zienswijzen toegelicht , de gemeentelijke standpunten en of het Omgevingsplan vastgesteld kan worden en/of er wijzigingen worden doorgevoerd tov het ontwerp Omgevingsplan. Beoordelingskader wijziging omgevingsplan De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ligt op grond van artikel 4.2 lid 1 Omgevingswet primair bij de gemeenteraad. De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie: ­ de instructieregels van hoofdstuk 5 van het Bkl; ­ de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; ­ eventuele andere instructies van het Rijk en provincie. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld , zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie .

Bij de beoordeling van het initiatief is rekening gehouden met deze regels dan wel zijn deze betrokken of in acht genomen. Daarnaast heeft de raad haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving, zodat het initiatief ook hieraan is getoetst. Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen. De toetsing aan deze aspecten heeft plaatsgevonden in de toelichting. De evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit initiatief aan de orde zijn op een zorgvuldige wijzen zijn 3 afgewogen. Initiatiefnemer wenst de gevraagde activiteiten te realiseren. De gemeente wenst de doelen uit haar beleid te verwezenlijken. De belangen van de omwonenden zijn gelegen in een goed woon - en leefklimaat. De omliggende bedrijven hebben belang bij een ongehinderde bedrijfsvoering en een goed werkklimaat. Belangenafweging De raad heeft bij het bepalen om wel of niet af te wijken van het omgevingsplan beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoeringen vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is.

Een dergelijk beslui t is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het projectgebied. Verder mag het besluit niet in strijd zijn met de instructi e(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit besluit aan de orde zijn op een zorgvuldige wijzen worden afgewogen. Zoals uit de toelichting blijkt draagt het initiatief bij aan de visie en beleid die de gemeente hiervoor heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie. In de voorbereidingsfase heeft bestuurlijke afstemming plaatsgevonden. Provincie en het waterschap zijn akkoord met het initiatief. Verder is het initiatief afgestemd met omwonenden en heeft initiatiefnemer daarvan een verslag overgelegd. Voorts zijn in de toelichting de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen. Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de relevante (individuele) belangen, levert het besluit geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het besluit is evenwichtig en geschikt om het initiatief te realiseren. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Opzet reactienota In hoofdstuk 2 worden de ingekomen zienswijzen tegen het ontwerpbesluit samengevat en vervolgens van een gemeentelijk standpunt voorzien. Tenslotte wordt elke zienswijze afgesloten met een conclusie. In hoofdstuk 3 worden de wijzigingen aan het omgevingsplan op een rij gezet. 4 2. BEHANDELING ZIENSWIJZEN 2.1 Reclamant 1 en 2 Datum mail: 30 januari 2026 en 4 februari 2026 De inhoud van deze twee reclamanten zijn exact hetzelfde en worden daarom als één be- schouwd. Privacy Reclamanten stellen dat de ontwikkeling van woningbouw op korte afstand van hun perceel zal leiden tot een aantasting van hun privacy. Gemeentelijk standpunt De raad begrijpt dat nieuwe woningen nabij bestaande percelen zorgen kunnen oproepen over privacy. Bij ruimtelijke ontwikkelingen geldt echter dat geen recht bestaat op blijvend vrij uitzicht. Bij de beoordeling van privacyaspecten geldt dat een plan moet voorzien in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden, maar dat geen recht bestaat op een blijvend ongestoord uitzicht. Dit volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak1, waarin is overwo- gen dat een zekere mate van aantasting van uitzicht en privacy in beginsel moet worden aan- vaard.

Daarbij beoordeelt de Afdeling de gestelde aantasting van privacy steeds aan de hand van de concrete omstandigheden, waaronder de afstand tus sen nieuwe bebouwing en de percelen/ de woningen van appellanten en de situering van de beoogde nieuwe woonpercelen. Tegelijkertijd moet worden beoordeeld of deze zorgen, objectief bezien, leiden tot de conclusie dat geen sprake meer is van een aanvaardbaar woon - en leefklimaat. Daarbij is van belang dat de afstand tussen de woning van appellanten en de dichtstbijzijnde nieuwe woning meer dan 65 meter bedraagt en dat de afstand tot de perceelgrens ten minste 30 meter is. Tevens wordt tussen de beoogde woningen en de woning van reclamant een nieuwe houtsingel gerealiseerd zodat in de toekomst er geen zicht meer is op de nieuwe woningen. Gelet op deze afstanden acht de raad het niet aannemelijk dat sprake zal zijn van een zodanige inkijk dat geen sprake meer is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor zover appellanten stellen dat zij extra privacymaatregelen moeten treffen die kosten mee- brengen wordt geconcludeerd dat dergelijke (mogelijke) kosten op zichzelf niet doorslaggevend zijn bij de toets of sprake is van een aanvaardbaar woon - en leefklimaat.

Bepalend zijn de ruim- telijk relevante omstandigheden, waarbij de in dit geval gehanteerde afstanden in overeenstem- ming zijn met wat in de vaste rechtspraak als aanvaardbaar is beoordeeld. Conclusie De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het omgevingsplan. Geluids- en lichthinder Reclamanten vrezen toename van geluids- en lichthinder door bouwactiviteiten en toekomstige bewoners. 1 ABRvS 26 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:324 5 Gemeentelijk standpunt De raad begrijpt dat appellanten zich zorgen maken over de mogelijke gevolgen van de voorge- nomen ontwikkeling voor de rust en beleving van hun woonomgeving. Het is invoelbaar dat zo- wel de bouw- en aanlegfase als het toekomstige gebruik van de woonwijk vragen oproepen met betrekking tot geluid en verlichting. Voor wat betreft de bouw- en aanlegfase overweegt de raad dat eventuele hinder inherent is aan de realisatie van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Deze mogelijke hinder is tijdelijk van aard en vormt op zichzelf geen grond om een omgevingsplan ruimtelijk onaanvaardbaar te achten. Even- tuele overlast tijdens de uitvoering wordt bovendien gereguleerd via andere wettelijke kaders en handhavingsinstrumenten, die geen onderdeel uitmaken van de planologische afweging. Ten aanzien van de gebruiksfase geldt dat het ontwerp -TAM-omgevingsplan voorziet in een woonfunctie.

Aspecten zoals het gebruik van terrassen bij woningen, de aanwezigheid van instal- laties zoals warmtepompen en een toename van verkeersbewegingen zijn gebruikelijk en aan het wonen inherent. Dat hiermee een zekere mate van geluid en licht gepaard kan gaan, betekent niet zonder meer dat sprake is van een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat. Bij deze beoordeling is betrokken dat de afstand tussen de woningen van appellanten en de dichtstbijzijnde toekomstige woonpercelen ten minste 65 meter bedraagt. In samenhang met het woonkarakter van de ontwikkeling ziet de raad hierin geen aanleiding om a an te nemen dat het normale gebruik van de woonwijk zal leiden tot een onevenredige aantasting van het woon - en leefklimaat ter plaatse van de woonpercelen van appellanten. Conclusie De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het omgevingsplan. Gebruik Heetkampweg Reclamanten vrezen dat de Heetkampweg als sluiproute zal worden gebruikt. Gemeentelijk standpunt Voor de Heetkampweg geldt een geslotenverklaring voor gemotoriseerd verkeer, met uitzonde- ring van bestemmingsverkeer. Toezicht op naleving van verkeersregels behoort tot de uitvoe- rings- en handhavingspraktijk en maakt geen onderdeel uit van de planologische beoordeling. Conclusie De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het omgevingsplan.

6 2.2 Reclamant 3 Datum brief: 29 december 2025 Datum ontvangst: 29 december 2025 Spuitvrije zone Reclamant geeft aan dat een deel van zijn agrarische perceel binnen een spuitvrije zone komt te liggen, waardoor gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wordt beperkt. Gemeentelijk standpunt Naar aanleiding van de ingediende zienswijze heeft overleg plaatsgevonden met de adviseur van reclamant over de opgenomen spuitvrije zone op het perceel van reclamant. Uit nader on- derzoek blijkt dat, gelet op de locatiespecifieke omstandigheden ter plaatse, voldoende kan worden gemotiveerd dat een spuitvrije zone in dit geval niet noodzakelijk is voor een aanvaard- baar woon- en leefklimaat. Hierbij zijn onder meer de feitelijke situatie, de inrichting van het ge- bied en het gebruik van de omliggende gronden betrokken. Daarom is besloten de spuitvrije zone in het vast te stellen Omgevingsplan te verwijderen. Reclamant heeft aangegeven de zienswijze in dat geval te zullen intrekken. De aanvullende motivatie van het verwijderen van de spuitvrije zone op dit specifieke perceel verwijzen wij naar paragraaf 5.15.2 van de motivering van het Omgevingsplan. Conclusie De zienswijze leidt tot een wijziging van het omgevingsplan. De spuitvrije zone wordt op het per- ceel verwijderd.

7 2.3 Reclamant 4 Datum brief: 8 januari 2026 Datum ontvangst: 8 januari 2026 Geurhinder en woon- en leefklimaat Reclamant stelt dat woningbouw wordt toegestaan binnen een gebied met een relatief hoge geurbelasting. Gemeentelijk standpunt Voor het plangebied is een geuronderzoek uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn opgenomen in bijlage 11 bij de motivering. Uit dit onderzoek volgt dat, vanwege de veehouderij aan de Schotboersweg 10-10a, de voorgrondgeurbelasting ter plaatse van de grens van het plangebied ten hoogste 10,5 OUE/m³ bedraagt. Het woon- en leefklimaat wordt op die locaties, uitsluitend bezien vanuit de voorgrondgeurbelasting, als ‘tamelijk slecht’ gekwalificeerd. Voor het grootste deel van het plangebied geldt een kwalificatie ‘matig’ tot ‘redelijk goed’. De achtergrondgeurbelasting bedraagt volgens het onderzoek maximaal 11,43 OUE/m³, hetgeen op basis van tabel 1 in het rapport is gekwalificeerd als ‘redelijk goed’. Volgens de in het onder- zoek gehanteerde vuistregel is de voorgrondgeurbelasting in deze situatie maatgevend, omdat deze ten minste de helft van de achtergrondbelasting bedraagt. Op basis daarvan varieert het woon- en leefklimaat binnen het plangebied van ‘tamelijk slecht’ tot ‘redelijk goed’.

Daarbij is vastgesteld dat: • niet wordt voldaan aan de wettelijke standaardnorm van 3,0 OUE/m³ voor geurge- voelige objecten binnen de bebouwde kom en een concentratiegebied; • wel wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarde van 14,0 OUE/m³. Daarmee is juridisch-planologisch sprake van een toelaatbare situatie. De maximale toegestane geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten is vastgelegd in de juridische regels van het TAM-omgevingsplan, met als doel het voorkomen van geurhinder en het borgen dat de geurbe- lasting binnen de geldende wettelijke kaders blijft. Omgekeerde werking en agrarische belangen Appellant stelt dat geen onderzoek is verricht naar de omgekeerde werking van de geurcirkel en de mogelijke gevolgen voor het agrarische bedrijf. Uit de motivering en het geuronderzoek volgt dat expliciet is beoordeeld of de voorgenomen woningbouw leidt tot een beperking van de plano- logische rechten en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen. In paragraaf 5.7.2 is vastgesteld dat: • tussen de nieuwe woningen en de veehouderijen andere woonbestemmingen aan- wezig zijn; • wordt voldaan aan de wettelijke afstand van 100 meter binnen de bebouwde kom; • het plan geen planologische rechten van de omringende veehouderijen aantast.

Het geuronderzoek is daarmee niet uitsluitend gericht op het woon - en leefklimaat van toekom- stige bewoners, maar tevens op de positie van de bestaande agrarische bedrijven. Op basis van dit onderzoek is geconcludeerd dat de veehouderij aan de Schotboersweg 10-10a niet in haar bestaande rechten of ontwikkelingsmogelijkheden wordt beperkt. Voor zover appellant vreest dat toekomstige klachten van bewoners zullen leiden tot extra toe- zicht of handhaving, wordt overwogen dat de handhaving van milieuregels en de behandeling van eventuele klachten losstaan van de planologische beoordeling en geen onderdeel vormen van de besluitvorming over het omgevingsplan. 8 Afweging en ruimtelijke context Het oordeel over een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is integraal tot stand gekomen, waarbij naast geur ook andere aspecten van de fysieke leefomgeving zijn betrokken. Uit de overige pa- ragrafen van de motivering volgt dat voor thema’s als geluid, luchtkw aliteit, externe veiligheid, bodem, water, verkeer en parkeren geen belemmeringen bestaan en wordt voldaan aan de gel- dende wet- en regelgeving. Daarnaast is van belang dat de beoogde woningen worden gerealiseerd in een omgeving die reeds in overwegende mate uit woonbebouwing bestaat.

De directe omgeving functioneert reeds als woongebied, waarbij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat bij de bestaande woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De toevoeging van nieuwe woningen sluit aan bij dit ruimtelijk-functionele karakter. Bij de totstandkoming van het ontwerp-omgevingsplan is een zorgvuldige belangenafweging ge- maakt tussen enerzijds de belangen van de agrarische bedrijven en anderzijds de maatschappe- lijke behoefte aan woningbouw. Daarbij is doorslaggevend dat: • wordt voldaan aan de wettelijke geurgrenswaarden; • geen extra planologische belemmeringen voor het agrarische bedrijf ontstaan; • en de ontwikkeling plaatsvindt in een reeds bestaande woonomgeving. De raad onderkent dat het woon - en leefklimaat ter plaatse van een deel van het plangebied vanuit het aspect geur niet optimaal is, maar acht dit, gelet op de geldende wettelijke kaders, de bestaande woonomgeving en het ontbreken van extra beperkingen voor het agrarisch bedrijf, in dit specifieke geval aanvaardbaar. Wel wordt een planologische wijziging door gevoerd om de planregel rondom geur nader te verduidelijken door uit te gaan van de berekende voorgrondbe- lasting van 10,5 OUe/m³. Conclusie De zienswijze leidt tot een wijziging van het omgevingsplan.

De aangepaste planregel luidt als volgt: “Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is, in afwijking van artikel 22.98, lid 1 van het Omgevingsplan, bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor aan de Schotboersweg 10-10 te Geesteren de voorgrondbelasting op een g eurgevoelig object door de activiteiten niet hoger dan 10,5 ouE/m³.” Hiermee wordt invulling gegeven aan een zorgvuldige belangenafweging tussen woningbouwont- wikkeling en de bestaande agrarische bedrijfsvoering. 9 3. WIJZIGINGEN TEN OPZICHTE VAN HET ONTWERP OMGEVINGSPLAN Naar aanleiding van de zienswijzen worden de volgende wijzigingen doorgevoerd . Planregels 1. De planregel met betrekking tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wordt aangepast. In plaats van een algemeen verbod op gewasbeschermingsmiddelen wordt specifiek het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen uitgesloten binnen de aangewezen zone. 2. Tevens wordt een spuitvrije zone verwijderd op het agrarische perceel, kadastraal be- kend gemeente Tubbergen, sectie K, nummer 8429. Hierdoor zijn tevens de volgende aanpassingen doorgevoerd: - De betreffende gronden vallen bij vaststelling buiten het plangebied. - De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3', welke uitsluitend van toe- passing was op perceel TBG02-K-8429, is uit de regels verwijderd.

Dit is tevens als zodanig doorgevoerd in hoofdstuk 7 van de motivering. 3. De planregel mbt geur wordt toegevoegd.De aangepaste planregel luidt als volgt: “Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is, in afwijking van artikel 22.98, lid 1 van het Omgevingsplan, bij het houden van landbouwhuisdieren met geu- remissiefactor aan de Schotboersweg 10-10 te Geesteren de voorgrondbelasting op een geurgevoelig object door de activiteiten niet hoger dan 10,5 ouE/m³.” Verbeelding Op de verbeelding worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1. Op de verbeelding wordt de breedte van een aantal bouwvlakken van voornamelijk de beoogde rijwoningen zijn geoptimaliseerd naar aanleiding van kleine verschuivingen in het stedenbouwkundigplan. Het gaat dan vooral om kleine verbredingen in het bouwvlak om er zeker van te zijn de alle woningen gaan passen. 2. De meest noordelijke woonbestemming is in (zeer) beperkte mate verruimd richting het oosten. De aangrenzende verkeersbestemming is hierdoor opgeschoven en de daar- aan grenzende groenbestemming is in beperkte mate versmald.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/1435/documents/27886