CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage NL.IMRO.9923.ipSdalDvdM-on01_Toelichting.pdf

Gemeenteraad Tubbergen 25 januari 2022, gemeente TubbergenBij agendapunt: 15: Ontwerp provinciaal inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek27.505 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Toelichting

P IP P rovinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 2

Hoofdstuk 1

1.1

Inleiding

Aanleiding en doel

Overijssel is prachtig om te wonen, werken en recreëren. De komende jaren werkt het programma Ontwikkelopgave Natura 2000 van de provincie Overijssel samen met de partners van 'Samen werkt beter' aan het behoud en herstel van kwetsbare natuur en het realiseren van nieuwe kansen voor de economie. De natuur heeft te lijden onder effecten van industrie, verkeer en landbouw, terwijl nieuwe economische ontwikkelingen worden beperkt om de natuur niet verder te belasten. Bewoners, belangenorganisaties en overheid hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid om de kwaliteit van het leefgebied van dieren en planten te verbeteren, voor nu en in de toekomst. Met maatwerk maken we de natuur veerkrachtig en weerbaar tegen invloeden van buiten, waardoor weer nieuwe economische kansen ontstaan. Waar nodig wordt de bestemming en/of het gebruik gewijzigd en planologisch vastgelegd in een ruimtelijk plan. De maatregelen kunnen effect hebben op de gronden in de directe omgeving van de Natura 2000-gebieden. Samen met de grondeigenaren zorgen we voor een passende oplossing voor hun toekomst. Kortom, samen zetten we ons in om de economie en ecologie te versterken en nieuwe kansen te creëren door samenwerking en vernieuwing. De Ontwikkelopgave Natura 2000 bevindt zich momenteel voor de meeste gebieden in de planvormingsfase.

Dit houdt in dat er voor de 24 Natura 2000-gebieden de benodigde beschermings- en uitbreidingsmaatregelen voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden verder worden uitgewerkt. De benodigde maatregelen passen veelal niet binnen de geldende bestemmingsplannen, hierdoor is er een nieuw ruimtelijk plan noodzakelijk. Om deze reden is dit inpassingsplan opgesteld. Zodra dit inpassingsplan de procedure in gaat, bevindt het programma Ontwikkelopgave Natura 2000 voor het betreffende gebied zich in de realisatiefase. Dit Provinciaal inpassingsplan (PIP) richt zich op het Natura 2000-gebied "Springendal en Dal van de Mosbeek. In figuur 1.1 zijn alle Natura 2000-gebieden binnen de provincie Overijssel weergegeven. Het Natura 2000-gebied "Springendal en Dal van de Mosbeek" is omcirkeld.

NL.IMRO .9923.ipSdalDvdM-on01

3

Figuur 1.1. De 24 Overijsselse Natura 2000-gebieden, “Springendal en Dal van de Mosbeek” is omcirkeld (Bron: www.overijssel.nl ) Het Natura 2000-gebied “Springendal en Dal van de Mosbeek” heeft een oppervlakte van circa 1.338 ha en ligt op de stuwwal van Ootmarsum en deels in de Slenk van Reutum (noordoost Twente). Het gebied heeft een grillige en relatief grote grens. Het grootste deel van het gebied ligt in de gemeente Tubbergen (circa 1.191 ha) en een klein deel ligt in de gemeente Dinkelland. De noordgrens van het gebied wordt gevormd door de rijksgrens met Duitsland. Het Natura 2000-gebied “Springendal en Dal van de Mosbeek” (zie figuur 1.2) bestaat uit een aantal deelgebieden die in eigendom zijn bij drie verschillende terreinbeherende organisaties (TBO's), zoals Staatsbosbeheer, Landschap Overijssel en Natuurmonumenten.

P IP P rovinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 4

Figuur 1.2. Begrenzing Natura 2000-gebied “Springendal en Dal van de Mosbeek” (Bron: www.synbiosys.nl )

1.2

Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied van dit inpassingsplan omvat voornamelijk gronden buiten het natuurgebied. Rondom het Natura 2000-gebied ligt een groot gebied met andere functies. Om de natuurdoelstellingen te kunnen behalen moeten ook maatregelen worden getroffen op de omliggende gronden, de zogenaamde externe maatregelen. Het deel van de natuurherstelmaatregelen dat buiten de bestaande natuurterreinen moet plaatsvinden, is in de Omgevingsvisie en -verordening van Overijssel geel gemarkeerd en aangeduid als “Uitwerkingsgebied Ontwikkelopgave Natura 2000”. Deze gronden zijn nu veelal in agrarische gebruik. De oppervlakte van het uitwerkingsgebied (gele gebieden) bedraagt ongeveer 209 ha (zie figuur 1.3).

NL.IMRO .9923.ipSdalDvdM-on01

5

Figuur 1.3. Natura 2000-gebied “Springendal en Dal van de Mosbeek” begrensd in rood, met uitwerkingsgebieden in geel buiten de Natura 2000-begrenzing (Bron: kaart 'Begrenzing NNN & Zone ONW', Omgevingsverordening Overijssel) De externe maatregelen hebben een gunstig effect op de natuurgebieden. Voorkomen moet worden dat maatregelen of effecten van maatregelen ongedaan kunnen worden gemaakt, waardoor een negatief effect op de habitat kan ontstaan (borging). Het effectgebied is begrensd op basis van de verwachte grondwaterstandstijging in het gebied en de omgeving. Doel van dit inpassingsplan is om de maatregelen en effecten van de externe maatregelen planologisch-juridisch te borgen. De maatregelen die binnen het Natura 2000-gebied genomen moeten worden worden interne maatregelen genoemd. De interne maatregelen worden in een apart inrichtingsplan uitgewerkt door de terreimbeherende organisaties (TBO's). In het inpassingsplan zijn toch enkele interne maatregelen meegenomen, omdat zo een compleet maatregelenpakket kon worden bepaald. Op basis van de het inrichtingsplan en de daarin beschreven maatregelen zijn de toelichting, de regels en de verbeelding van het inpassingsplan opgesteld. Alleen de percelen waar op basis van het inrichtingsplan een planologische wijziging doorgevoerd moet worden, maken deel uit van van dit inpassingsplan.

Het gaat hierbij zowel om externe als (beperkt) om interne maatregelen. Deze wijziging ziet dan vooral toe op een functiewijziging of een wijziging in de regels. Natura 2000- gebied > Inrichtingsplan > Provinciaal inpassingsplan Het gebied 'Manderheide' maakt deel uit van het Natura 2000-gebied "Springendal en Dal van de Mosbeek". Het gebied maakt echter géén onderdeel uit van het inrichtingsplan of dit inpassingsplan, omdat de maatregelen in Manderheide binnen het vigerende planologische regime kunnen worden uitgevoerd. Voor Manderheide is wel een apart gebiedsproces gevolgd. Het inrichtingsplan "Springendal en Dal van de Mosbeek" omvat vervolgens een ruimer gebied dan het plangebied voor het PIP. Dit komt deels omdat niet voor alle maatregelen die in het inrichtingsplan zijn uitgewerkt een bestemmingswijziging nodig is (bijv. onderdeel Braamberg, zie paragraaf 3.4.1). In het voorontwerp was de Roezebeek nog niet meegenomen. Sinds het voorontwerp is dit in het Inrichtingsplan verder uitgewerkt, waardoor de Roezebeek nu ook in het ontwerp van het Inpassingsplan is opgenomen. In het PIP worden verder drie percelen opgenomen, die niet in het inrichtingsplan zijn beschreven: het gaat om percelen met een agrarische bestemming, die met behulp van SNL-subsidie zijn ingericht tot natuur. Deze percelen krijgen in het PIP ook de bestemming Natuur, waarmee de

P IP P rovinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 6

bestemming in overeenstemming is met de status van de percelen.

NL.IMRO .9923.ipSdalDvdM-on01

7

P IP P rovinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 8

NL.IMRO .9923.ipSdalDvdM-on01

9

P IP P rovinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 10

Afbeelding 1.4: verbeelding ontwerp inpassingsplan (blad 1 t/m 6 en aparte legenda).

1.3

Wijzigingen ten opzichte van het Voorontwerp

Ten opzicht van het voorontwerp PIP (incl. bijlagen) is dit ontwerp op een aanzienlijk aantal punten gewijzigd. Het gaat dan zowel om wijzigingen in de kaarten als om wijzigingen in de onderliggende stukken, met name het inrichtingsplan. De belangrijkste wijzigingen worden hieronder toegelicht. 1. Toevoeging van het laatste beekdal: Roezebeek. In het voorontwerp was deze beek nog niet opgenomen. In het inrichtingsplan zijn hiervoor de volgende maatregelen opgenomen: a. Verondiepen beek b. Permanent grasland met evenwichtsbemesting c. Langs de zuidtak moeten percelen uit bemesting worden genomen. Deze maatregelen zijn terug te vinden in hoofdstuk 8 van het inrichtingsplan. Op de verbeelding van dit ontwerp inpassingsplan is deze aanvulling ook te zien. 2. Brunninkhuizerbeek. Deze beek zat tekstueel wel in het inrichtingsplan, maar stond nog niet op de verbeelding van het PIP. Dit is nu toegevoegd. De verbeelding bestaat nu uit 5 bladen, in

NL.IMRO .9923.ipSdalDvdM-on01

11

plaats van de 3 bij het voorontwerp. 3.

Doelverplaatsing alluviaal bos. Het maatregelenpakket voor de Roezebeek richtte zich primair op het in stand houden van alluviaal bos. De bestuurlijke adviescommissie Springendal en Dal van de Mosbeek heeft echter besloten dat niet wordt ingezet op het op lange termijn in stand houden van het alluviaal bos langs de noordtak, middentak en benedenloop van de Roezebeek. Er is besloten in te zetten op ontwikkeling van alluviaal bos langs de krachtigere beeksystemen (Springendal, Mosbeek, Hazelbekke). Tot dit habitat op de nieuwe locaties kwalificeert, moet het langs de Roezebeek worden behouden. Het onder punt 1 genoemde maatregelpakket is daarvoor bedoeld. Voor de goede orde: langs de zuidtak wordt ook voor de lange termijn ingezet op het duurzaam in standhouden van het aanwezige alluviale bos. De doelverplaatsing is terug te vinden in hoofdstuk 12 van het inrichtingsplan. Op de verbeelding van dit Ontwerp-PIP is deze verplaatsing niet terug te zien, omdat het alluviaal bos is 'verplaatst' naar locaties die al een natuurbestemming hadden gekregen in het Voorontwerp.

4.

De maatregelen uit het inrichtingsplan moeten de natuur robuuster maken. Daarom is ervoor gekozen de beken zelf op te nemen in de natuurbestemming. Zo kunnen ze vrij meanderen zonder dat dit direct strijd met de omliggende bestemming oplevert. Op de verbeelding bij het PIP is dit terug te zien in meer aaneengesloten stukken met een natuurbestemming (minder versnippering).

5.

Op basis van de inspraakreacties zijn wijzigingen doorgevoerd. De belangrijkste is het opnemen van een erf in de begrenzing. Dit is verder uitgewerkt in de reactienota in bijlage 4.

Naast deze majeure wijzigingen zijn er tal van kleine wijzigingen doorgevoerd. Het gaat te ver om alle wijzigingen hier te benoemen. De wijzigingen zijn waar nodig afgestemd met de gebiedspartners. De meeste wijzigingen hebben betrekking op het inrichtingsplan en werken slechts zelden door in de regels, toelichting of kaarten van het ontwerp PIP.

1.4

Wettelijke context

De wettelijke context voor de herinrichting van het plangebied en dit inpassingsplan wordt gevormd door Natura 2000. Natura 2000 De biodiversiteit in Europa gaat al jaren snel achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en daarom krijgt natuurbescherming vorm in Europees verband door middel van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen. Naar aanleiding hiervan zijn er Natura 2000-gebieden aangewezen. In Nederland zijn dit er 160, waarvan er 24 in Overijssel liggen. De Natura 2000-gebieden liggen in de provincie Overijssel binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN bestaat uit een samenhangend netwerk van gebieden met natuurwaarden. Realisatie en bescherming van het NNN is belangrijk voor het behoud, de bescherming en de ontwikkeling van de biodiversiteit, oftewel de rijkdom aan plant- en diersoorten. Het NNN is ook van betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving, voor een goed vestigingsklimaat voor wonen en werken en voor de regionale economie in Overijssel. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn in Nederland vertaald in de Wet natuurbescherming die per 1 januari 2017 in werking is getreden. Op basis van deze wet moeten het Rijk en/of de provincies voor alle Natura 2000-gebieden een beheerplan vaststellen.

In deze beheerplannen wordt ingegaan op de huidige situatie van de gebieden en de beoogde instandhoudingsdoelstellingen (generieke en gebiedspecifieke). Hierin wordt niet alleen gekeken in relatie tot het aspect stikstof, maar naar alle benodigde maatregelen om de instandhoudingsdoelstellingen te behalen. Deze maatregelen moeten voor het grootste deel binnen zes jaar na vaststelling van de beheerplannen worde uitgevoerd. Op 23 april 2019 is het beheerplan Natura 2000-Beheerplan “Springendal en Dal van de Mosbeek” vastgesteld; de termijn loopt derhalve tot en met 22 april 2029. De beheerplanmaatregelen moeten dan zijn gerealiseerd. Per 1 juli 2015 is het Programma Aanpak Stikstof (PAS) in werking getreden. Stikstof is schadelijk voor de natuur. Ten behoeve van het PAS zijn PAS-gebiedsanalyses vastgesteld voor Natura 2000-gebieden met stikstof gevoelige habitattypen en (leefgebieden van) soorten. In deze

P IP P rovinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 12

gebiedsanalyses wordt ingegaan op de huidige situatie van de gebieden en de beoogde instandhoudingsdoelstellingen in relatie tot stikstof. Realisatie van de PAS-maatregelen in en nabij de Natura 2000-gebieden draagt bij aan een goede balans tussen enerzijds behoud en herstel van natuurlijke kwaliteiten en anderzijds de economische ontwikkeling in de omgeving van deze Natura 2000-gebieden. De uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 heeft een streep gezet door de vergunningverlening-systematiek gebaseerd op het PAS. Geoordeeld is dat de zogenaamde 'hypotheek op de toekomst' (de vergunningen verlenen voordat de natuurherstelmaatregelen zijn uitgevoerd en de stikstofdeposititie naar beneden is gebracht) niet is toegestaan. De Raad van State oordeelt dat de natuurgebieden eerst hersteld moeten worden. De uitspraak van de Raad van State benadrukt het belang van de uitvoering van de natuurherstelmaatregelen. Zoals eerder aangegeven staan de natuurherstelmaatregelen beschreven in de beheerplannen. De herstelmaatregelen uit de PAS-gebiedsanalyses zijn in deze beheerplannen opgenomen. Het beheerplan vormt hiermee het kader voor alle natuurherstelmaatregelen. Door de uitspraak van de Raad van State zijn dus de PAS-maatregelen niet komen te vervallen. Uitvoering hiervan is nog steeds noodzakelijk.

1.5

Programma Ontwikkelopgave Natura 2000

1.5.1 Aanleiding oprichting van het programma

Voor 2011 was het Rijk verantwoordelijk voor het beschermen en realiseren van het NNN. Sinds in 2011 het bestuursakkoord Decentralisatie Natuurbeheer is gesloten zijn de provincies verantwoordelijk. De natuurherstelmaatregelen moeten over het algemeen binnen zes jaar na vaststelling van het beheerplan worden uitgevoerd. Daarnaast staat de provincie aan de lat voor de verdere realisatie van het NNN hiervoor geldt geen wettelijke deadline. Dit betekent dat er een aanzienlijke opgave voor natuurbescherming en -ontwikkeling ligt voor de provincie Overijssel. Om deze reden heeft de provincie het programma 'Ontwikkelopgave Natura 2000' opgestart.

1.5.2 Typen maatregelen

Binnen de 'Ontwikkelopgave Natura 2000' wordt onderscheid gemaakt tussen dwingende en vrijwillige maatregelen. Vrijwillige maatregelen zien op de verdere realisatie van het NNN (zogenaamde verbetervoorstellen). Dwingende maatregelen zijn maatregelen die uitgevoerd moeten worden in het kader van de beheerplannen. De natuurherstelmaatregelen zijn opgedeeld in interne en externe maatregelen. Interne maatregelen worden binnen de bestaande natuurgebieden uitgevoerd en zijn met name gericht op herstel van de habitattypen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om plaggen, de herinrichting van beken of het verhogen van het waterpeil. Daarnaast is het noodzakelijk om maatregelen te nemen op de naastgelegen (landbouw)gronden in de uitwerkingsgebieden. Binnen de provincie Overijssel gaat het om ongeveer 4.200 hectare, verspreid over de verschillende Natura 2000-gebieden. Deze externe maatregelen zijn veelal gericht op vernatting van de omliggende gronden van het Natura 2000-gebied, het beperken van de bemestingseffecten of een combinatie ervan. Voor het Natura 2000-gebied “Springendal en Dal van de Mosbeek” gaat het hierbij om circa 209 hectare.

1.5.3 'Samen Werkt Beter' en de gebiedsprocessen

Op 29 mei 2013 hebben vijftien Overijsselse organisaties het akkoord 'Samen werkt beter' ondertekend. Deze organisaties zetten zich gezamenlijk in om de economie en ecologie de komende tijd te versterken en nieuwe kansen te creëren door samenwerking en vernieuwing. Het samenwerkingsverband bestaat uit: Landschap Overijssel, LTO Noord, Natuur en Milieu Overijssel, Natuurlijk Platteland Oost, Natuurmonumenten, Overijssels Particulier Grondbezit, provincie Overijssel, REC RON, Staatsbosbeheer, VNG Overijssel, VNO NC W Midden, Waterschap Drents Overijsselse Delta, Waterschap Rijn en IJssel en Waterschap Vechtstromen. Per Natura 2000-gebied is een gebiedsproces opgestart voor de realisatie van de benodigde externe maatregelen in de uitwerkingsgebieden. Deze gebiedsprocessen worden (per gebied) door

NL.IMRO .9923.ipSdalDvdM-on01

13

één van de 'Samen werkt beter'-partners getrokken. Tijdens het gebiedsproces zijn alle benodigde maatregelen verder onderbouwd en geconcretiseerd en afgestemd met de grondeigenaren en andere belanghebbenden in het gebied. De uitkomsten zijn verwerkt in een inrichtingsplan. Dit inrichtingsplan is juridisch-planologisch vertaald in dit inpassingsplan. De terreinbeherende organisaties (Staatsbosbeheer, Landschap Overijssel, Natuurmonumenten) hebben de interne maatregelen verder uitgewerkt, eveneens in afstemming met de grondeigenaren en andere belanghebbenden in het gebied. Deze maatregelen zijn uitgewerkt in vergunningaanvragen en, als deze niet in het vigerende bestemmingsplan passen, zijn ze meegenomen in dit inpassingsplan.

1.5.4 Fasering gebiedsproces

Om grip te krijgen op de ontwikkeling en uitvoering is het gebiedsproces opgedeeld in vier fasen, namelijk: verkenning, planvorming, realisatie en beheer. De verkenningsfase is inmiddels voor nagenoeg alle gebieden afgerond. Voor deze fase zijn verkenningen opgesteld. Hierin zijn de eisen, wensen, problemen en mogelijke oplossingen, betrokken partijen en draagvlak in beeld gebracht. In de planvormingsfase worden de beoogde maatregelen verder uitgewerkt en geconcretiseerd in een inrichtingsplan en een ruimtelijk plan (een bestemmingsplan of een provinciaal inpassingsplan). In de realisatiefase worden de beschreven activiteiten en maatregelen uit het inrichtingsplan en inpassingsplan gerealiseerd. Hiervoor moeten diverse procedures worden doorlopen, zoals de vaststelling van het benodigde ruimtelijke plan en het verkrijgen van diverse vergunningen. Ook valt de uitvoering van de maatregelen binnen deze fase. In de beheerfase worden bij inrichtingsprojecten voor natuur de ingerichte gronden doorgeleverd aan beheerders. In deze fase is in het kader van de Ontwikkelopgave Natura 2000 de monitoring van de natuurkwaliteit van belang. Als nodig worden, naar aanleiding van de monitoring, de beheerplannen aangepast of worden er aanvullende inrichtingsmaatregelen vastgesteld.

1.6

Gebiedsproces ' Springendal en Dal van de Mosbeek'

Per gebied wordt in beginsel een eigen gebiedsproces gevolgd, maar voor dit Natura 2000-gebied zijn het er twee geweest. Voor het gebied Manderheide is namelijk een apart gebiedsproces gevolgd, omdat het gebied een totaal verschillend karakter heeft als de rest van dit Natura 2000-gebied. Trekker van het gebiedsproces voor het “Springendal en Dal van de Mosbeek” is LTO, voor Manderheide is dat Natuurmomenten. Zoals al aangegeven maakt Manderheide geen deel uit van het plangebied van dit inpassingsplan. Bij het gebiedsproces voor het Natura 2000-gebied "Springendal en Dal van de Mosbeek" zijn de volgende partners betrokken:

Gestart is met een verkenningenfase. In de planuitwerkingsfase is in een breed gebiedsproces een pakket van maatregelen opgesteld en vastgelegd in een inrichtingsplan.

P IP P rovinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 14

1.7

Leeswijzer

In deze inleiding is de aanleiding, de opgave en kort het totstandkomingsproces van deze inpassingsplannen beschreven. In Hoofdstuk 2 zijn de relevante wetgeving en het belangrijkste beleidskader beschreven. Hierin wordt ingegaan op met name de aspecten ecologie en water, omdat deze het meest van toepassing zijn voor de Ontwikkelopgave Natura 2000 en op dit inpassingsplan. In Hoofdstuk 3 is het plan beschreven: wat is de huidige (planologische) situatie, wat is de opgave voor het gebied en hoe is dit uitgewerkt in het inrichtingsplan? In Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de overige beleids- en onderzoeksaspecten. Hierin wordt dit inpassingsplan getoetst aan de aspecten milieu (m.e.r., bodemkwaliteit, geluid, externe veiligheid, luchtkwaliteit, Wet ammoniak en veehouderij en overige aspecten), water, ecologie, archeologie, cultuurhistorie en explosieven. In Hoofdstuk 5 is de juridische planopzet beschreven van dit inpassingsplan, waarin de opbouw en de inhoud van de artikelen van de regels zijn opgenomen. Tot slot wordt er in Hoofdstuk 6 ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan, gelet op de aspecten 'juridisch', 'maatschappelijk', 'financieel' en 'monitoring, toezicht en handhaving'.

NL.IMRO .9923.ipSdalDvdM-on01

15

Hoofdstuk 2

2.1

Wetgeving en beleid

Inleiding

In het kader van de Ontwikkelopgave Natura 2000 is veel wetgeving en beleid van toepassing. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wetgeving en het beleid op het gebied van natuur en water, omdat deze aspecten de meeste invloed hebben op de opgave. Voor overige wetgeving en beleid op het gebied van milieu (MER, bodemkwaliteit, geluid, externe veiligheid, luchtkwaliteit en overige aspecten), archeologie en cultuurhistorie en explosieven wordt verwezen naar Hoofdstuk 4. In dat hoofdstuk worden ook de onderzoeksresultaten beschreven.

2.2

Europese wetgeving en beleid

2.2.1 Vogel- en Habitatrichtlijnen en Natura 2000

Om de biodiversiteit in Europa te behouden en te vergroten, is op Europees niveau beleid opgesteld. De belangrijkste daarvan zijn de Vogel- en Habitatrichtlijn. De Vogelrichtlijn heeft tot doel alle wilde vogels en hun belangrijkste habitats in de hele EU te beschermen. De richtlijn verplicht de lidstaten bovendien tot de bescherming van gebieden die uitermate belangrijk zijn voor alle trekvogelsoorten en meer dan 190 bijzonder bedreigde soorten. Hierbij moet speciale aandacht worden besteed aan waterrijke gebieden van internationaal belang (Wetlands). De Habitatrichtlijn is vergelijkbaar met de Vogelrichtlijn maar heeft betrekking op een veel groter aantal zeldzame, bedreigde of inheemse soorten, inclusief meer dan duizend dieren- en plantensoorten. Naast de bescherming van specifieke flora en fauna, hebben de Vogel- en Habitatrichtlijn eveneens als doel om de leefgebieden van deze soorten te behouden, te herstellen of uit te breiden. Dit wordt beoogd door de aanwijzing van beschermde gebieden, die samen het Europees ecologisch netwerk van beschermde natuurgebieden vormen: Natura 2000. Binnen dit Europees netwerk komen natuurgebieden voor waarin belangrijke flora en fauna aanwezig zijn, gezien vanuit een Europees perspectief Met de aanwijzing van Natura 2000-gebieden kunnen flora en fauna duurzaam beschermd worden (www.natura2000.nl).

Binnen de Ontwikkelopgave Natura 2000 van de provincie Overijssel gaat het om 24 Natura 2000-gebieden. Alle Nederlandse Natura 2000-gebieden moeten bijdragen aan het behoud en Als van toepassing het herstel van: 1. de ecologische samenhang van Natura 2000 binnen Nederland en de Europese Unie; 2. de biologische diversiteit en de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn; 3. de natuurlijke kenmerken van het gebied, inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; 4. de op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

P IP P rovinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 16

2.2.2 Kaderrichtlijn Water

Naast internationale afspraken over natuur is ook het Europese beleid voor de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater van belang voor de Ontwikkelopgave Natura 2000. Deze afspraken zijn vastgesteld in de Kaderrichtlijn Water (KRW). Sinds eind 2000 zorgt de KRW voor een goede kwaliteit van oppervlakte- en grondwater. Om dit te bereiken moeten de landen van de Europese Unie een groot aantal maatregelen nemen. Enerzijds om de kwaliteit van de 'eigen' wateren op peil te brengen, anderzijds om ervoor te zorgen dat andere landen geen last meer hebben van de verontreinigingen die hun buurlanden veroorzaken. De KRW beschermt alle grote wateren: rivieren, meren, kustwateren en grondwateren. Een goede kwaliteit van oppervlakte- en grondwater draagt bij aan het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden, waaronder die in de provincie Overijssel. Naast een goede kwaliteit wordt met de Kaderrichtlijn Water ook verdroging tegengegaan. Verdroging kan in natuurgebieden de kwaliteit aantasten en bodemdaling, bijvoorbeeld in veengebieden, veroorzaken.

2.2.3 Conclusie

De doelstellingen die met het voorliggende inpassingsplan moeten worden gehaald, sluiten aan op het hier van toepassing zijnde Europees beleid.

2.3

Nationale wetgeving en beleid

2.3.1 Wet natuurbescherming

De Wet natuurbescherming is per 1 januari 2017 in werking getreden. In deze wet zijn de oude Natuurbeschermingswet 1998, Flora- en faunawet en Boswet opgenomen. De wet voorziet in vereenvoudigde regels ter bescherming van de natuur, in decentralisatie van bevoegdheden naar provincies en in een goede aansluiting op het omgevingsrecht. In de wet worden 945 soorten actief beschermd (planten en dieren). Alles wat schadelijk is voor beschermde soorten, is verboden. Het gaat dan bijvoorbeeld om het plukken van bepaalde planten en het verstoren, verjagen of doden van dieren. In bepaalde situaties mag dit wel, maar daarvoor is dan een ontheffing of vrijstelling nodig. De Flora- en faunawet gaat daarmee uit van het 'nee, tenzij'-principe. Voor de gebiedsbescherming geldt dat voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor beschermde natuur een vergunning nodig is. De wet vormt de wettelijke basis voor de aanwijzing van alle Natura 2000-gebieden en het opstellen van Natura 2000-beheerplannen. Het Natura 2000-gebied "Springendal en Dal van de Mosbeek" is op 4 juli 2013 door de staatssecretaris van het ministerie van Economische Zaken aangewezen als Natura 2000-gebied. In figuur 2.1 is het Natura 2000-gebied weergegeven. Vanaf 2008 zijn in Nederland aanwijzingsbesluiten gepubliceerd voor Habitatrichtlijngebieden.

Dat proces is bijna afgerond, wat aanleiding heeft gegeven om na te gaan of er in die gebieden habitattypen en soorten voorkomen die niet zijn opgenomen in het aanwijzingsbesluit. Uit de bepalingen van de Habitatrichtlijn volgt namelijk dat die waarden (in beginsel) in aanmerking komen om te worden beschermd. Dit volgt ook uit de uitleg die de Europese C ommissie heeft gegeven en uit vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het gaat dan om alle habitattypen en soorten die in meer dan verwaarloosbare mate voorkomen. Deze moeten worden aangewezen. De bedoeling van het wijzigingsbesluit is het corrigeren van wat ten aanzien van de te beschermen habitattypen van Bijlage 1 en soorten van Bijlage 2 van de Habitatrichtlijn niet goed is gegaan bij het publiceren van de oorspronkelijke aanwijzingsbesluiten. Het betreft vooral het alsnog beschermen van habitattypen en soorten die op het moment van aanwijzen (in voldoende mate en duurzaam) aanwezig bleken te zijn. Deze waarden en de daarvoor gestelde instandhoudingsdoelstellingen worden met dit wijzigingsbesluit aan de betreffende

NL.IMRO .9923.ipSdalDvdM-on01

17

aanwijzingsbesluiten toegevoegd. De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft het 'Ontwerp-wijzigingsbesluit habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden' met ingang van 9 maart 2018 gedurende zes weken ter inzage gelegd. In dat besluit is per gebied aangegeven wat de wijzigingen zijn. Voor het Natura 2000-gebied “Springendal en Dal van de Mosbeek” zijn de volgende habitattypen toegevoegd: H9160 Sub-Atlantische en midden-Europese wintereikenbossen of eiken-haagbeukbossen behorend tot het C arpinion betuli H9190 Oude zuurminnende eikenbossen op zandvlakten met Quercus robur H91D0 *Veenbossen In de aan te passen gebiedsanalyses en beheerplannen worden eventuele extra maatregelen beschreven die verwacht worden als gevolg van de toe te voegen natuurwaarden. De voorlopige inschatting is dat het alleen gaat om beheermaatregelen die uitgevoerd moeten worden ter plaatse van de natuurwaarden. De wijziging van het aanwijzingsbesluit brengt (vooralsnog) geen planologische maatregelen met zich mee.

Figuur 2.1: Natura 2000-gebied "Springendal en Dal van de Mosbeek" (bron: https://www.synbiosys.alterra.nl ) Bossen worden in de Wet natuurbescherming beschermd, met name de oppervlakte. Bos dat wordt gekapt, moet worden herplant. Als dat niet op dezelfde plaats kan, dan moet dit op een andere locatie plaats vinden (compensatie). Dit geldt ook bij het rooien en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Voor bos dat gekapt wordt ten behoeve van de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden geldt geen herplantplicht. Wel kan er een meldingsplicht gelden of een kapvergunning nodig zijn voor de kap van bomen.

P IP P rovinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 18

2.3.2 Programma Aanpak Stikstof

Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) is op 1 juli 2015 in werking getreden. Het PAS bestaat uit twee pijlers die samen zorgen voor het realiseren van de Natura 2000-doelen en ruimte creëert voor economische ontwikkelingen. De eerste pijler betreft de maatregelen om de stikstofemissie te verminderen zodat de stikstofdepositie daalt. Dit is voornamelijk een verantwoordelijkheid van het Rijk. De tweede pijler richt zich op maatregelen die natuurgebieden minder gevoelig maken voor de uitstoot van stikstof. Dat gebeurt door de kwaliteit en omvang van de natuurgebieden actief te verbeteren. Hiervoor zijn PAS-gebiedsanalyses opgesteld, waarin de huidige en gewenste toekomstige situatie van de Natura 2000-gebieden zijn beschreven en waarin is aangegeven met welke maatregelen deze toekomstige situatie behaald kan worden. Deze maatregelen worden vooral door provincies uitgewerkt. De provincie Overijssel heeft de uitwerking en realisatie van de maatregelen ondergebracht in de Ontwikkelopgave Natura 2000. De PAS-gebiedsanalyses zijn opgenomen in de beheerplannen. Een deel van de stikstofdepositieruimte die door het nemen van maatregelen zou worden gecreëerd kon volgens het PAS op voorhand worden gebruikt voor het verlenen van Omgevingsen Wnb-vergunningen voor ontwikkelingen.

Het Europees Hof heeft op verzoek van de Raad van State op 19 januari 2019 een prejudicieel advies over het PAS uitgebracht waarin gesteld werd dat dit niet mocht. Op 29 mei 2019 heeft de Raad van State naar aanleiding daarvan een uitspraak gedaan over het PAS. Deze uitspraak laat het doel van de twee pijlers ongemoeid. Daar is dit PIP op gericht. Het vergeven van ontwikkelruimte voordat onomstotelijk vaststaat dat de natuurmaatregelen gerealiseerd worden én tot positief effect zouden leiden is door de uitspraak onmogelijk geworden.

2.3.3 Beheerplannen Natura 2000

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn in Nederland vertaald in de Wet natuurbescherming die per 1 januari 2017 in werking is getreden. Op basis van deze wet moeten het Rijk en/of de provincies voor alle Natura 2000-gebieden een beheerplan vaststellen. In deze beheerplannen wordt ingegaan op de huidige situatie van de gebieden en de beoogde instandhoudingsdoelstellingen. Hierin wordt niet alleen gekeken naar het aspect stikstof, maar ook naar alle benodigde maatregelen om de instandhoudingsdoelstellingen te behalen. De gebiedsanalyses vormen de basis voor de beheerplannen. De maatregelen in de beheerplannen moeten voor het grootste deel binnen zes jaar na vaststelling van de beheerplannen zijn uitgevoerd. Het beheerplan voor het Natura 2000-gebied "Springendal en Dal van de Mosbeek" is vastgesteld op 23 april 2019 De maatregelen voor het gebied moeten dus voor 23 april 2029 gerealiseerd zijn.

2.3.4 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte heeft het Rijk drie rijksdoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Voor de drie rijksdoelen worden dertien onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De drie hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid kennen nationale opgaven die regionaal neerslaan. Opgaven van nationaal belang in Oost-Nederland (de provincies Gelderland en Overijssel) zijn: Het waar nodig verbeteren van de internationale achterlandverbindingen (weg, spoor en vaarwegen) die door Oost-Nederland lopen. Dit onder andere ten behoeve van de mainports

NL.IMRO .9923.ipSdalDvdM-on01

19

Rotterdam en Schiphol; Het formuleren van een integrale strategie voor het totale rivierengebied van Maas en Rijntakken (Waal, Nederrijn, Lek en de IJssel, deelprogramma rivieren van het Deltaprogramma) en de IJsselvechtdelta (deelprogramma's zoetwater en rivieren) voor waterveiligheid in combinatie met bereikbaarheid, ruimtelijke kwaliteit, natuur, economische ontwikkeling en woningbouw; Het tot stand brengen en beschermen van het NNN, inclusief de Natura 2000 gebieden (zoals de Veluwe); Het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk (380 kV), onder andere door het aanwijzen van het tracé voor aansluiting op het Duitse hoogspanningsnet. In het NNN geldt het 'nee, tenzij'-regime. Nieuwe plannen, projecten of handelingen zijn niet toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten ('nee'). Hiervan kan alleen worden afgeweken als er geen reële alternatieven zijn én er sprake is van redenen van groot openbaar belang ('tenzij'). De effecten van een ingreep moeten worden gecompenseerd. Het beheer van het watersysteem is gericht op het meebewegen met natuurlijke processen waar het kan en het bieden van weerstand waar het moet. Daarnaast nemen het Rijk en de waterschappen fysieke maatregelen die de waterkwaliteit en -kwantiteit moeten beschermen en verbeteren.

Om toekomstige kosten en maatschappelijke schade te voorkomen moeten bij ruimtelijke ontwikkelingen de watereffecten worden meegewogen.

2.3.5 Waterwet en Nationaal Waterplan

De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast zijn het Waterbesluit en de Waterregeling van toepassing. Hierin worden onder andere de begrenzing en de toedeling van oppervlaktewaterlichamen beschreven, de procedurele en inhoudelijke aspecten van/voor: het Nationale Waterplan; het beheerplan voor de Rijkswateren; het Regionaal Waterplan; de implementatie van de Kaderrichtlijn Water; de implementatie van de Richtlijn overstromingsrisico's. Andere aspecten die de Waterwet regelt zijn: vergunningplicht en algemene regels voor het gebruik van rijkswaterstaatswerken, het onttrekken van grondwater, voor het lozen of onttrekken van water aan oppervlaktewater, de wijze waarop een aanvraag om een watervergunning moet worden gedaan et cetera. Het Nationaal Waterplan wordt op basis van de Waterwet eens per zes jaar opgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water en vormt het kader voor de regionale waterplannen en de beheerplannen.

2.3.6 Deltaprogramma

Klimaatverandering heeft op langere termijn gevolgen voor veiligheid en droogte. Daarom is het Deltaprogramma in het leven geroepen: een nationaal programma waarin Rijksoverheid, provincies, waterschappen en gemeenten samenwerken. De juridische grondslag voor het Deltaprogramma is de Deltawet waterveiligheid en zoetwatervoorziening. De doelen van het Deltaprogramma zijn tweeledig: enerzijds bescherming tegen overstromingen en anderzijds zorgen voor voldoende zoetwater. De zomers worden warmer en droger. Het gevolg is dat er soms te weinig zoetwater zal zijn. Dat merken dan vooral landbouw, industrie en natuur. Het Deltaprogramma bevat afspraken over de waterbeschikbaarheid van zoetwater. Ook zijn het hoofdkeuzen gemaakt voor de aanpak en de richting aan de maatregelen die Nederland hiervoor inzet op de korte en op de lange termijn; de Deltabeslissingen. Voor Overijssel zijn vijf Deltabeslissingen van belang: Waterveiligheid: nieuwe aanpak voor de bescherming van mensen en economie tegen overstromingen; Zoetwaterstrategie: nieuwe aanpak voor het beperken van watertekorten en het optimaal benutten van zoetwater voor economie en nutsfuncties;

P IP P rovinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 20

IJsselmeergebied: structurerende keuzen voor waterveiligheid en zoetwater in het IJsselmeergebied; Rijn-Maasdelta; structurerende keuzen voor waterveiligheid in de Rijn-Maasdelta; Ruimtelijke Adaptatie: nieuwe en gerichte aanpak voor waterrobuuste en klimaatbestendige (her)ontwikkeling in bebouwd gebied.

2.3.7 Omgevingswet

De nieuwe Omgevingswet is een fundamentele herziening van het omgevingsrecht. De wet zal straks onder andere 26 bestaande wetten op het gebied van onder meer bouwen, milieu, water, ruimtelijke ordening en natuur bundelen. Doelen van de Omgevingswet zijn: de verschillende plannen voor ruimtelijke ordening, milieu en natuur beter op elkaar afstemmen; duurzame projecten (zoals windmolenparken) stimuleren; gemeenten, provincies en waterschappen meer ruimte geven om hun omgevingsbeleid af te stemmen op hun eigen behoeften en doelstellingen. De maatschappelijke doelen van deze wet, zoals deze thans zijn beschreven, zijn gericht op een duurzame ontwikkeling en het in onderlinge samenhang: bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en; doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke functies. Verder biedt de wet meer ruimte voor particuliere ideeën. Dit komt doordat er meer algemene regels gelden, in plaats van gedetailleerde vergunningen. Het doel staat voorop en niet het middel om er te komen. Het principe bij het beoordelen van initiatieven is 'ja mits' in plaats van 'nee tenzij'. Naar verwachting treedt de Omgevingswet en de bijbehorende uitvoeringsregelgeving in 2021 in werking, maar zowel de inhoud als het tijdspad daarvan zijn niet honderd procent zeker.

Tijdens het proces van de Ontwikkelopgave Natura 2000 wordt de komst van de Omgevingswet in de gaten gehouden, en waar en wanneer nodig aangesloten op deze wet.

2.3.8 Conclusie

De Ontwikkelopgave Natura 2000 van de provincie Overijssel draagt bij aan de bescherming, het herstel en de versterking van het NNN, waaronder de Natura 2000-gebieden. De benodigde maatregelen voor dit herstel en versterking zijn voor het Natura 2000-gebied "Springendal en Dal van de Mosbeek" verwerkt in een inrichtingsplan (zie bijlagen 1 en 2 van de Regels). Hierin zijn natuurherstelmaatregelen uit het beheerplan opgenomen en nader geconcretiseerd/uitgewerkt. Met de uitvoering van de maatregelen worden de doelstellingen van de nationale wetgeving en beleid op het gebied van natuur en water behaald. Het voorliggende inpassingsplan biedt hiervoor de planologisch/juridische basis. Naast dit inpassingsplan zullen ook de eventueel benodigde vergunningen en ontheffingen aangevraagd worden en/of meldingen worden gedaan.

NL.IMRO .9923.ipSdalDvdM-on01

21

2.4

Provinciaal beleid

2.4.1 Omgevingsvisie en -verordening Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel is een structuurvisie en presenteert het provinciaal belang en beleid in de fysieke leefomgeving. Hierin staan de ambities en doelstellingen tot 2030 beschreven. Tevens is beschreven op welke wijze de provincie Overijssel haar rol in de ruimtelijke ordening invult (sturingsfilosofie, bijlage van de Omgevingsvisie). Ten behoeve van de uitvoering van de Omgevingsvisie is een Omgevingsverordening vastgesteld. De Omgevingsverordening bevat o.a. regels voor gemeentelijke ruimtelijke plannen, grondwaterbescherming, bodemsanering en ontgrondingen, kwantitatief en kwalitatief waterbeheer en verkeer (provinciale wegen en scheepvaartwegen). De Omgevingsvisie en -verordening worden jaarlijks bijgewerkt naar aanleiding van nieuwe inzichten en reparaties. Voor deze tekst is gebruik gemaakt van de geconsolideerde Omgevingsverordening vanaf 2017 (d.d. 13 november 2019). Natuurbeleid De provinciale ambitie voor natuur is als volgt omschreven: "Inzet is het ontwikkelen van een vitaal en samenhangend stelsel van gebieden met een hoge natuur- en waterkwaliteit als ruggengraat van Overijssel. Het NNN zien we daarin als een integrale opgave: het gaat niet alleen om het bevorderen van de biodiversiteit, maar ook om het bevorderen van de ruimtelijke continuïteit en de toegankelijkheid en beleving van de natuur.

Om natuurlijke processen weer vrij spel te geven, streven we naar grote aaneengesloten en verbonden gebieden. Integratie van de natuuropgave in een bredere gebiedsopgave biedt de mogelijkheid om de natuur een duidelijk gezicht te geven. De kwaliteit van de randen van de natuurgebieden, de uitstraling van de natuurgebieden én het besef van massa en robuustheid van de natuurgebieden kunnen hierdoor worden vergroot. Aan de randen van de natuur kunnen recreatieaccommodaties, toeristische voorzieningen, bijzondere woonvormen en streekgebonden landbouwproducten voortbouwen op deze kwaliteiten. Nabijgelegen dorpen en steden willen we als 'poorten' naar de natuur ontwikkelen en zo veel beter verbinden met de natuurgebieden 'om de hoek'." Het provinciaal belang is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke voorraden. Dat houdt een gezonde en aantrekkelijke natuur voor mensen, dieren en planten in, een natuur die beleefd en gebruikt kan worden, kan profiteren van (economische) ontwikkelingen en rijk is aan plant- en diersoorten (biodiversiteit). Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden.

Voor initiatieven die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een groot openbaar belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan (het 'nee, tenzij'-principe). In de Uitwerkingsgebieden Ontwikkelopgave Natura 2000 neemt de provincie (herstel)maatregelen om de juiste terreincondities voor de gestelde Natura 2000-doelen te realiseren. Als bij de uitwerking van de doelen en de benodigde maatregelen blijkt dat deze alleen kunnen worden gerealiseerd door de bestemming van gebieden te veranderen, dan zullen de gebieden een passende bestemming krijgen en hiervoor ingericht worden. De overige hectares blijven agrarisch en worden uit het NNN gehaald wanneer duidelijk is dat ook na het nemen van maatregelen ten behoeve van nabijgelegen Natura 2000-gebieden landbouwkundig gebruik mogelijk is. De omvang en het tempo waarin deze bestemmingswijziging en inrichting plaats vinden zijn bepaald in de beheerplannen Natura 2000. Om de maatregelen tijdig te realiseren, worden de beschikbare instrumenten maximaal ingezet.

In de Omgevingsverordening wordt voor het NNN het volgende beschermingsregime beschreven: Bestaande NNN-gebieden moeten een bestemming krijgen die uitsluitend is gericht op het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden; Nog te realiseren NNN-gebieden die nog niet zijn aangekocht en/of afgewaardeerd moeten een bestemming krijgen die mede gericht is op het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de actuele natuurwaarden van deze gebieden; Nog te realiseren NNN-gebieden die al wel zijn aangekocht en/of afgewaardeerd en ook beschikbaar zijn moeten een bestemming krijgen die uitsluitend is gericht op het behoud,

P IP P rovinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 22

herstel of de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden. Waterbeleid In de Omgevingsvisie staat de ambitie voor het regionaal waterbeheer als volgt omschreven: "Watersystemen met een goede ecologische en chemische kwaliteit, die voor de lange termijn klimaatbestendig en veilig zijn." Het waterbeheer in Overijssel is gericht op een goede bewoonbaarheid en bewerkbaarheid van het land door het bieden van bescherming tegen overstroming, wateroverlast en (perioden van) droogte én het in stand houden of creëren van optimale watercondities voor functies zoals landbouw, wonen, natuur en scheepvaart. Daarbij zijn wel grenzen aan wat mogelijk is. Door de klimaatverandering is het nodig om breder naar waterbeheer te kijken dan tot nu toe gebruikelijk. Er zijn op meerdere terreinen maatregelen noodzakelijk. Alleen dan is een toekomstbestendig beheer van alle oppervlaktewateren en het grondwater (de watersystemen) mogelijk. Bij de inrichting en het beheer van de watersystemen houdt de provincie Overijssel rekening met de gevolgen van klimaatverandering op lange termijn (veiligheid, wateroverlast, hittestress en droogte). De komende jaren werkt de provincie samen met waterbeheerders, Rijk, gemeenten, maatschappelijke organisaties en private partijen om de deltabeslissingen te implementeren.

Bij de uitvoering van 'waterwerken' benut de provincie Overijssel kansen om de ruimtelijke kwaliteit te versterken. De (her)inrichting wordt ook als een ontwerpopgave beschouwd en de provincie investeert in vormgeving en inpassing in het landschap. Belangrijk daarbij is het verhogen van de zichtbaarheid en de beleefbaarheid van het watersysteem. Ook is dit een kans om te zoeken naar combinaties met andere (water)opgaven, zoals het verbeteren van de zoetwatervoorziening. De KRW schept basisvoorwaarden voor ecologisch goed functionerende watersystemen en vraagt speciale aandacht voor gebieden met een beschermde status. In Overijssel zijn dit onder andere de Natura 2000-gebieden. Hier geldt de KRW-basisverplichting om achteruitgang te voorkomen. In aparte beheerplannen worden door de provincie voor deze gebieden de doelen en de daarvoor benodigde maatregelen uitgewerkt. De provincie Overijssel verwerkt samen met de waterschappen in Overijssel de KRW in beleid voor de wateren in beheer bij de waterschappen en provincie. De Omgevingsverordening geeft regels voor het omgaan met water. Het gaat om regels en bepalingen voor zowel het kwantitatief en kwalitatief omgaan met water. Ook zijn bepalingen opgenomen die toezien op de veiligheid, deze kunnen ingezet worden om bescherming te bieden tegen overstroming en wateroverlast.

In de verordening worden onder andere de volgende punten genoemd: Voor de ruimtelijke ordening is het uitgangspunt dat bestemmingsplannen voorzien in een aanduiding voor grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden waarbij alleen functies worden toegestaan die harmoniëren met de functie voor de drinkwatervoorziening; Door klimaatverandering neemt de kans op overstroming en wateroverlast toe. Daarom zijn primaire watergebieden en waterbergingsgebieden aangewezen als gebieden waarin water in extreme situaties kan worden vastgehouden om te voorkomen dat waterafvoersystemen overbelast raken en er wateroverlast optreedt op plekken waar dit meer schade toebrengt. Hier mag worden gebouwd, mits hierdoor het waterbergend vermogen niet wordt aangetast. Daarbij geldt wel dat nieuwe kapitaalintensieve functies zoveel mogelijk worden geweerd in verband met schadekosten.

2.4.2 Nationaal Landschap Noordoost-Twente

Op basis van de Omgevingsvisie en Omgevingverordening is Noordoost-Twente als Nationaal Landschap aangemerkt. De kernkwaliteiten zijn : grote mate van kleinschaligheid; het groene karakter; samenhangend complex van beken, essen, kampen en moderne ontginningen. Het glooiende beeklandschap is zeer gevarieerd door een fijnmazig samenstel van beken, essen, kampen en ontginningen. Houtwallen, singels en bossen zorgen voor een kleinschalig en groen karakter, in relatie tot de open ruimte van Noord- en Oost-Nederland. In onderstaande afbeelding is het Natura 2000-deelgebied "Springendal, dal van de Mosbeek", binnen het Nationaal Landschap

NL.IMRO .9923.ipSdalDvdM-on01

23

Noordoost-Twente te zien.

Figuur 2-1 Ligging Nationaal Landschap Noordoost-Twente en het Natura 2000-gebied “Springendal, dal van de Mosbeek" (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

2.4.3 Natuurbeheerplan 2017 Overijssel

In het Natuurbeheerplan (vastgesteld op 4 april 2017) zijn gebieden aangewezen waar natuur- en landschapsbeheer met subsidies uit het Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer (SNL) wordt gestimuleerd. Het gaat hierbij om bestaande natuurgebieden, gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt, agrarische natuur, landschapselementen en de Natura 2000-gebieden. Het Natuurbeheerplan beschrijft per (deel)gebied welke natuur- en landschapsdoelen nagestreefd worden. Ook zijn in het Natuurbeheerplan de KRW-doelen opgenomen. Daarnaast is aangegeven welke kosten de provincie financiert voor de ontwikkeling en het beheer van natuur door middel van subsidies. De basis voor het Natuurbeheerplan vormt de Index Natuur en Landschap. Deze index is een landelijke uniforme en sterk gestandaardiseerde "natuurtaal" waarin de Nederlandse natuur- en landschapselementen zijn vastgelegd. De belangrijkste natuurwaarden in het plangebied liggen hier, onder meer, langs de Mosbeek, Springendalse beek en in het Hazelbekke. Hier komen mooi ontwikkelde Dotterbloemhooilanden voor (met Dotterbloem, Kruipend zenegroen, Grote ratelaar, Brede orchis), Veldrushooilanden (o.a. in het Springendal met Draadrus) terwijl het brongebied van de Mosbeek in ons land het best ontwikkelde voorbeeld betreft van de gemeenschap van Vetblad en Vlozegge.

In het gebied ligt ook een groot oppervlak Elzenbronbos (op 18 locaties), met een groot oppervlak langs de Hazelbeek. Hier komen belangrijke populaties voor van Bittere veldkers, Paarbladig goudveil en de Dotterbloem. Bijzondere soorten zijn het Alpenheksenkruid en C arex x boenninghausiana (IJle zegge x Pluimzegge). In het gebied liggen ook diverse droge en vochtige heidevelden, zoals het

P IP P rovinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 24

Vasser grafveld en de Paardenslenkte. Veel bos behoort tot het Zomereiken-Berkenbos of betreft dennenbossen op voormalige heidevelden. Het streefbeeld is om in de beekdalen en brongebieden van de beken in het Hazebekke, de Springendalse beek, Mosbeek en in de verbinding tussen Stuwwal en Dinkel de ontwikkeling van het natuurlijke karakter van de beken, met natte beekgeleidende schraalgraslanden en vochtige en droge heide. Bij het Hondeven wordt gestreefd naar herstel van de hydrologie en ontwikkeling van nat schraalland. In het kwelgebied bij Reutum is de doelstelling aaneensluiting en hydrologische buffering van de bestaande natuurgebieden in combinatie met retentie, ontwikkeling van Nat schraalland, Vochtig hooiland en natuurbos.

2.4.4 Conclusie

Met het opstellen van dit inpassingsplan voor het Natura 2000-gebied “Springendal en Dal van de Mosbeek” wordt invulling gegeven aan de provinciale verantwoordelijkheid ten aanzien van het bereiken van de natuurdoelstellingen voor dat gebied. In het plan is rekening gehouden met o.a. het ruimtelijke provinciale beleid. De te treffen maatregelen zoals concreet weergegeven in de inrichtingsplannen (bijlagen 1 en 2 van de Regels) zijn in overeenstemming met dat beleid.

2.5

Waterschapsbeleid

2.5.1 Stroomgebiedbeheerplan

Met de invoering van de KRW is Nederland verdeeld in zeven deelstroomgebieden (Maas, Schelde, Eems, Rijn-Noord, Rijn-Midden, Rijn-Oost, Rijn-West). De provincie Overijssel ligt geheel in het deelstroomgebied Rijn-Oost. Per stroomgebied is er een stroomgebiedbeheerplan vastgesteld. Een stroomgebiedbeheerplan bevat de kaders en voornemens voor het waterbeleid. Het stroomgebiedbeheerplan voor de periode 2016-2021, waarbinnen ook het Natura 2000-gebied “Springendal en Dal van de Mosbeek” is gelegen, is op 7 oktober 2015 door de volgende Waterschappen vastgesteld: Waterschap Vechtstromen, Waterschap Drents Overijsselse Delta en Rijn en IJssel (of hun voorgangers). Een stroomgebiedbeheerplan wijkt qua systematiek, begrenzing en juridische verankering af van het Natura 2000-beheerplan. Als er voor het Natura 2000-gebied strengere waterkwaliteitsvereisten gelden dan in het stroomgebiedbeheerplan is opgenomen, dan gaan de Natura 2000-eisen voor. Een belangrijk onderdeel van de natura 2000-eisen is hydrologisch herstel rond de Natura 2000-gebieden, omdat daarmee de gevoeligheid van die natuur voor stikstofdepositie kleiner wordt. In het stroomgebiedbeheerplan is aangegeven dat het Waterschap voor de maatregelen in het kader van Natura2000 het spoor volgt van de beheerplannen.

2.5.2 Waterbeheerplan

Waterschappen hebben speciale taken voor water, namelijk het zorgen voor een goede bescherming tegen hoog water, het zorgen voor een functionerend regionaal watersysteem en het zuiveren van afvalwater. In het Waterbeheerplan beschrijft het waterschap op welke wijze hier invulling aan wordt gegeven en komen in hoofdlijnen de hiervoor benodigde maatregelen aan de orde. De Waterschappen Vechtstromen, Drents Overijsselse Delta en Rijn en IJssel hebben gezamenlijk het Waterbeheerplan 2016-2021 opgesteld. Hierin staat dat de waterschappen voor de Natura 2000-gebieden de GGOR-maatregelen bepalen, als onderdeel van het door de provincies geregisseerde gebiedsproces. GGOR staat voor Gewenst Grond- en Oppervlaktewater Regime. GGOR-maatregelen zijn hydrologische maatregelen op inrichtingsniveau, die zich richten op de inrichting van de waterhuishouding in een gebied, mede rekening houdend met de eisen die de ecologie aan een oppervlaktewater stelt. Hierbij zijn uiteraard de omliggende landbouwgebieden nauw betrokken, want voor een optimale landbouw zijn goede watercondities nodig. Tevens is

NL.IMRO .9923.ipSdalDvdM-on01

25

aandacht besteed aan de verdroging van natuurgebieden. In de afgelopen periode hebben de waterschappen voor de Natura 2000-gebieden de GGOR-maatregelen bepaald ten behoeve van het opstellen van de inrichtingsplannen. De uitvoering van deze maatregelen vindt de komende jaren plaats, onder de voorwaarden dat: het provinciale beheerplan voor het betreffende gebied definitief is vastgesteld; er geen obstakels zijn in de grondverwering en ruimtelijke procedures; er afspraken zijn tussen provincie en het waterschap over de financiering van de maatregelen. Binnen de planperiode van dit inpassingsplan wordt uitvoering gegeven aan de uitvoering van bestuurlijk vastgestelde hydrologische maatregelen voor de Natura 2000-gebieden.

2.5.3 Keur

Waterschappen stellen een Keur vast. Dit is een verordening met regels voor waterkeringen, watergangen en waterstaatswerken. Voor (bouw)werkzaamheden in de nabijheid van een oppervlaktewater of een dijk is een keurvergunning of keurontheffing van het waterschap nodig. Het waterschap onderzoekt hoe en wat de nadelige gevolgen zijn voor het water of voor de dijken. Zijn de gevolgen acceptabel, dan wordt onder strikte voorwaarden een vergunning of ontheffing afgegeven. Voor sommige werkzaamheden zijn algemene regels beschikbaar. Als aan deze regels wordt voldaan, is er geen vergunning of ontheffing nodig, waarbij de werkzaamheden wel bij het waterschap moeten worden gemeld. In het gebied waar de waterbeheerder de (bestaande) natuurdoelen ondersteunt ligt de verantwoordelijkheid van het watersysteem bij het waterschap en is vastgelegd in de Keur.

2.5.4 Legger primaire en regionale waterkeringen

Enkele beken, waaronder de Mosbeek, de Brunninkhuizerbeek, de Springeldalse beek, zijn opgenomen op de legger van het Waterschap Vechtstromen. In de keur is aangegeven welke activiteiten in of nabij oppervlaktewaterlichamen zijn toegestaan, in het kader waterbeheersing (grond- en oppervlaktewater), bescherming van sloten, kanalen, stuwen en gemalen.

Figuur 2-2. Watergangen (bron: https://kaarten.vechtstromen.nl/openbaar/ )

P IP P rovinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 26

2.5.5 Conclusie

Het Inrichtingsplan is in afstemming met het Waterscap Vechtstromen opgesteld. Het Inrichtingsplan voldoet aan het waterschapsbeleid.

2.6

Gemeentelijk beleid

In het gemeentelijk ruimtelijk beleid zijn met name structuur(omgevings)visies, beheersverordeningen en bestemmingsplannen belangrijke instrumenten. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het in lijn brengen van hun bestemmingsplannen en structuur(omgevings)visies met de Wet natuurbescherming en de Natura 2000-beheerplannen. Het Natura 2000-gebied “Springendal en Dal van de Mosbeek” ligt op het grondgebied van de gemeenten Tubbergen en Dinkelland. Op figuur 3 is in rood de gemeentegrens aangegeven tussen beide gemeenten. Het ruimtelijke beleid van deze gemeente is hierna kort toegelicht. Daarnaast is het ruimtelijke beleid ook via het bestemmingsplan vastgelegd. De geldende bestemmingsplannen komen in Hoofdstuk 3 aan de orde.

Figuur 2-3 Natura 2000-gebied (geel) en Inrichtingsgebieden (grijs) met gemeentegrens (rood) (bron: www.atlasvanoverijssel.nl )

NL.IMRO .9923.ipSdalDvdM-on01

27

2.6.1 Gebiedsvisie Noordoost-Twente

Deze Gebiedsvisie 2012-2020 is een document van de provinciale en gemeentelijke overheid en het waterschap en is een richtinggevend basisdocument voor het ruimtelijke-fysiek domein op strategisch niveau. De visie bevat bouwstenen die richtinggevend zijn voor toekomstige beleidskeuzes. Deze gebiedsvisie heeft weliswaar geen formeel juridische status in het kader van de Wet ruimtelijke ordening, maar geeft, zoals aangegeven, mede richting aan de invulling van de natuurdoelstellingen in het landelijke gebied. Het landschap in Noordoost-Twente is een unieke combinatie van de geologische basis en ”mensenwerk”. De overheid heeft volop in het gebied geïnvesteerd om deze unieke kwaliteiten te bewaren. Het gaat daarbij niet alleen om het bijzondere en kleinschalige landschap met beken en bronnen, maar ook om de belangrijke cultuurhistorische elementen, zoals boerenerven, watermolens en natuurwaarden. De bijzondere waarde van het gebied is ook Europees erkend door de aanwijzing als Natura 2000-gebied. In het verlengde hiervan ligt er voor dit gebied een bijzondere opgave namelijk: het duurzaam verbinden van economie, water, landschap en natuur (in brede zin). Dit is een van de hoofduitdagingen voor de gebiedsontwikkeling. In de afgelopen decennia is er echter spanning ontstaan tussen economische ontwikkeling en natuur en landschap. Vooral de stikstofproblematiek speelt hierbij een rol.

Het gebied kent een relatief groot aantal Natura 2000-gebieden die deels binnen elkaars beïnvloedingsgebied liggen. Dat maakt de problematiek in dit gebied extra complex. Het duurzaam verbinden van economie, bewoners, landschap en natuur (in brede zin) is een van de hoofduitdagingen voor Noordoost-Twente.

2.6.2 Structuurvisie gemeente Tubbergen

De structuurvisie van de gemeente Tubbergen is op 14 maart 2016 vastgesteld. Het document is een beleids- en ontwikkelingskader voor de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid. De structuurvisie heeft vooral een intern structurerende functie en is geen toetsingskader. Wel geeft de structuurvisie aan hoe men verwacht het beleid uit te gaan voeren. Voor het buitengebied van de gemeente Tubbergen, waar het gebied “Springendal en Dal van de Mosbeek” deels onder valt, staat behoud en versterking van de kwaliteit van het landschap, de natuur en de cultuurhistorie voorop. Hierbij wordt uitgegaan van het motto: 'behoud door ontwikkeling'. Gestreefd wordt naar een verhoging van de landschappelijke, ecologische en recreatieve kwaliteiten van het coulisselandschap en van het samenhangende complex van beken, essen, kampen en jonge ontginningen. Open gebieden dienen meer open te worden, de groenstructuren moeten worden uitgebreid in het maten- en flierenlandschap. De essen moeten vrij blijven van bebouwing. En de EHS (nu NNN red.) moet verder worden ontwikkeld. Hiervoor sluit de gemeente aan op het provinciale beleid. Voor de EHS is het beleid gericht op ruimte creëren voor economische ontwikkelingen zoals de landbouw, recreatie en natuurgebonden woon- en werklocaties (bijvoorbeeld nieuwe landgoederen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/776/documents/14997