CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage NL.IMRO.9923.ipSdalDvdM-on01_Regels.pdf

Raadscommissie 11 januari 2022, gemeente TubbergenBij agendapunt: 15: Ontwerp provinciaal inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek13.142 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Datum: Status: Identificatienummer:

29 oktober 2020 ontwerp NL.IMRO.9923.ipSdalDvdM-on01

Het Provinciaal Inpassingsplan (PIP) Provinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek is opgesteld door:

en:

In samenwerking met:

Samen economisch sterker, met de kracht van de natuur Overijssel is prachtig om te wonen, werken en recreëren. De komende jaren werken we samen aan het behoud en herstel van kwetsbare natuur en realiseren we nieuwe kansen voor de economie. De natuur heeft te lijden onder effecten van industrie, verkeer en landbouw, terwijl nieuwe economische ontwikkelingen worden beperkt om de natuur niet verder te belasten. Bewoners, belangenorganisaties en overheid hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid om de kwaliteit van het leefgebied van dieren en planten te verbeteren, voor nu en in de toekomst. Met maatwerk maken we de natuur veerkrachtig en weerbaar tegen invloeden van buiten, waardoor op termijn weer nieuwe economische kansen ontstaan. Waar nodig wordt de bestemming en/of het gebruik gewijzigd en planologisch vastgelegd in een ruimtelijk plan. De maatregelen kunnen effect hebben op de gronden in de directe omgeving van de Natura 2000-gebieden. Samen met de grondeigenaren zorgen we voor een passende oplossing voor hun toekomst.

Meer informatie over Provinciale Inpassingsplannen Natura 2000? Kijk ook op: www.overijssel.nl/natura2000Of neem contact op via natura2000pip@overijssel.nl onder vermelding van het betreffende Natura 2000-gebied.

Inhoudsopgave

Regels

4

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

5

Artikel 1 Artikel 2

Begrippen Wijze van meten

5 9

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

10

Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14 Artikel 15 Artikel 16

Agrarisch - 2 Agrarisch - 3 Agrarisch met waarden - Grasland Natuur Wonen Leiding - Gas Leiding - Water Waarde - Archeologie 1 Waarde - Archeologie 2 Waarde - Archeologie 3 Waarde - Archeologie 4 Waarde - Essen Waarde - Landschap Waterstaat - Waterberging

10 14 17 20 22 25 27 29 30 33 35 37 39 40

Hoofdstuk 3

Algemene regels

41

Artikel 17 Artikel 18 Artikel 19 Artikel 20 Artikel 21 Artikel 22

Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene aanduidingsregels Overige regels

41 42 43 44 45 47

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

48

Artikel 23 Artikel 24

Overgangsrecht Slotregel

48 49

NL.IMRO.9923.ipSdalDvdM-on01

3

Regels

P I P Provinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 4

Hoofdstuk 1

Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

1.1 het plan Het "Provinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek" van de provincie Overijssel; 1.2 inpassingsplan De geometrisch bepaalde planobjecten als vervalt in het GML-bestand NL.IMRO.9923.ipSdalDvdM-on01 met bijbehorende regels en bijlagen; 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding Als het een vlak betreft; 1.5 agrarisch bedrijf een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren; 1.6 agrarisch gebruik het gebruik van gronden voor het telen van gewassen en het houden van dieren; 1.7 archeologische waarde de waarde die van belang is voor de archeologie en voor de kennis van de beschavingsgeschiedenis; 1.8 bebouwing één of meer gebouwen en/of andere bouwwerken zijnde; 1.9 bemesten het op of in de bodem brengen van meststoffen; 1.10 bestaand 1. het gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het inpassingsplan aanwezig is en/of bebouwing die op dat tijdstip aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd op basis van een bouwvergunning of omgevingsvergunning; 2.

het onder 1 bedoelde geldt niet voor zover sprake was van strijd met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder mede begrepen het overgangsrecht van het bestemmingsplan, of een andere planologische toestemming; 1.11 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak; 1.12 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.13 bevoegd gezag bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit op een aanvraag om een omgevingsvergunning of een al verleende omgevingsvergunning; 1.14 beweiden begrazing met (pluim)vee; 1.15 boom een houtachtig, opgaand gewas, zowel levend als afgestorven; 1.16 boom- en sierteelt de teelt van boomkwekerijgewassen, zoals laanbomen, klimplanten, rozen inclusief onderstammen en buitenrozen, coniferen, sierheesters, kerstbomen, heidesoorten, bos- en haagplantsoen en vruchtbomen en -struiken inclusief vruchtboomonderstammen;

NL.IMRO.9923.ipSdalDvdM-on01

5

1.17 bouwwerk een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden; 1.18 containerteelt het niet in de volle grond telen van gewassen, oftewel een niet-grondgebonden teelt; 1.19 cultuurhistorische waarde de aan een bouwwerk of een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt; 1.20 dierlijke meststoffen Uitwerpselen van voor gebruiks- of winstdoeleinden gehouden dieren, daaronder inbegrepen de geheel of gedeeltelijk verteerde maag- of darminhoud van deze dieren en mengsels van strooisel met de uitwerpseleen, alsook de producten daarvan (Meststoffenwet); 1.21 duiker Een civieltechnisch kunstwerk in een weg of toegangsdam, die is bedoeld om wateren met elkaar te verbinden; 1.22 dunning velling, welke uitsluitend als een verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand moet worden beschouwd; 1.23 ecologische waarden De aan een gebied toegekende waarden die verband houden met de samenhang van dieren en planten en hun leefomgeving en/of tussen dieren en planten onderling; 1.24 educatief medegebruik medegebruik gericht op de overdracht van informatie en kennis; 1.25 eiwitrijke gewassen de vlinderbloemige gewassen als bedoeld in bijlage 6 bij deze regels; 1.26 extensief dagrecreatief

medegebruiik een extensief dagrecreatief medegebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan, zoals wandelen, fietsen, paardrijden, kanoën, de aanleg van een vis- of picknickplaats, of een naar de aard daarmee gelijk te stellen medegebruik; 1.27 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.28 geomorfologische waarden de waarden van een gebied die uitdrukking geven aan de vormen van het aardoppervlak in verband met de wijze van hun ontstaan; 1.29 grasland gronden waarop gras wordt geteeld; 1.30 graslandvernieuwing lichte grondbewerking, waarbij de ondergrond vrijwel onberoerd blijft en altijd een dekkende vegetatie zichtbaar blijft; 1.31 greppel een geul in de grond voor de afvoer van water; 1.32 groeimedium materiaal in vaste of vloeibare vorm, niet zijnde grond, dat wordt gebruikt of bestemd om te worden gebruikt als voedingsbodem voor planten; 1.33 gunstige staat van instandhouding van een natuurlijke habitat staat van instandhouding van een natuurlijke habitat waarvoor geldt dat: a. het natuurlijke verspreidingsgebied van de habitat en de oppervlakte van die habitat binnen dat gebied stabiel zijn of toenemen; b.

de voor behoud op lange termijn nodige specifieke structuur en functies bestaan en in de afzienbare toekomst vermoedelijk zullen blijven bestaan, en; c. de staat van instandhouding van de voor die habitat typische soorten gunstig is; 1.34 gunstige staat van instandhouding van een soort staat van instandhouding van een soort waarvoor geldt dat: a. uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt, en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven, en;

P I P Provinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 6

b.

het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden, en; c. er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden; 1.35 hakhout bomen of boomvormers, die na het afzetten tot op de stobbe weer uitlopen en waarbij periodiek afzetten voor de instandhouding ervan noodzakelijk is; 1.36 houtopstand boom of landschapselement; 1.37 hydrologische waarden gronden met een bijzondere betekenis voor het watersysteem van het plansysteem in het Natura 2000 gebied Springendal en Dal van de Mosbeek, vanwege beekherstel, verdrogingsbestrijding, waterberging en/of waterkering. 1.38 instandhoudingsdoelstellingen doelstelling opgenomen in een aanwijzingsbesluit van een Natura 2000-gebied, ten aanzien van de gunstige staat van instandhouding van de leefgebieden, vereist op grond van de Vogelrichtlijn of ten aanzien van de instandhouding van de natuurlijke habitats of populaties van in het wild levende dierenen plantensoorten vereist op grond van de Habitatrichtlijn.

1.39 kampeermiddel een onderkomen dat naar aard en inrichting is bedoeld voor recreatieve bewoning, maar zonder een met de grond verbonden constructie en zonder plaatsgebonden karakter; 1.40 kampeerterrein een terrein, geheel of gedeeltelijk ingericht, en blijkens die inrichting bestemd om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen; 1.41 kappen het geheel of grotendeels verwijderen van het bovengrondse deel van de houtopstand; 1.42 knijpconstructie een werk dat toeziet op het gedoseerd afvoeren van een teveel aan water, waardoor het water langer kan worden vastgehouden; 1.43 kunstmest kunstmatig of chemisch verkregen meststoffen; 1.44 landbouw akkerbouw, veehouderij - daaronder begrepen elke bedrijfsmatige vorm van het houden van dieren voor gebruiks- of winstdoeleinden- , tuinbouw - daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, planten, bloemen en bloembollen - en bosbouw; 1.45 landbouwgrond grond waarop daadwerkelijk enige vorm van landbouw wordt uitgeoefend; 1.46 landschappelijke waarde de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door de waarneembare verschijningsvorm van dat gebied; 1.47 landschapsplan een plan waarbij, na realisatie bebouwing van meer dan 3000 m³, het bouw- en bestemmingsvlak is ingepast op een wijze die aantoonbaar past in het type landschap waarin het bouw- of bestemmingsvlak is gelegen.

Hierbij is aangesloten op hetgeen in het document Kwaliteitskader Gebiedskenmerken (KG) is opgenomen alsmede aan de "Richtlijnen objectivering casco Noord-Oost Twente" behorende bij de beleidsnota "De casco benadering in Noordoost-Twente', welke is vastgesteld op 10 juli 2012 door de gemeenten Tubbergen en Dinkelland, en dat indien deze beleidsnota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging. De hierin opgenomen aanbevelingen worden opgevolgd bij het opnieuw aanleggen van landschapselementen. Het plan dient door het bevoegd gezag te zijn goedgekeurd; 1.48 mestbassin een bovengronds bassin voor de opslag van mest ten behoeve van agrarische en glastuinbouwactiviteiten; 1.49 meststoffen Dierlijke meststoffen, ongeacht hun bestemming, en producten die bestemd zijn om: 1. te worden toegevoegd aan grond of aan een groeimedium en die geheel of gedeeltelijk bestaan uit stoffen, organismen daaronder begrepen, of mengsels van stoffen, die als zodanig kunnen dienen om grond of een groeimedium geschikt of beter geschikt te maken als voedingsbodem voor planten; 2. te worden gebruikt als groeimedium;

NL.IMRO.9923.ipSdalDvdM-on01

7

3.

te worden gebruikt als voedsel voor planten of delen van planten, voor zover deze producten niet reeds zijn inbegrepen onder 1 of 2. 1.50 Natura 2000 Europees ecologisch netwerk dat bestaat uit de speciale beschermingszones, bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid van de Vogelrichtlijn en artikel 1 onderdeel l van de Habitatrichtlijn; 1.51 Natura 2000 gebied "Springendal en Dal van de Mosbeek" Het gebied aangewezen door de Staatssecretaris van Economische Zaken bij besluit van 4 juli 2013, kenmerk PDN/2013-045, en latere wijzigingsbesluiten, zoals opgenomen in de bijlagen 3, 4 en 5 bij deze regels; 1.52 natuurlijke waarden de aan een gebied toegekende waarden in verband met de geologische, bodemkundige en biologische elementen voorkomende in dat gebied (bij de afweging van het begrip natuurlijke waarden zal de Wet natuurbescherming steeds onderdeel van het toetsingskader zijn; 1.53 Natuurnetwerk Nederland Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur), met als doel deze gebieden met elkaar en met het omringende agrarische gebied beter te verbinden; 1.54 ontwateren het afvoeren van grond- en/of oppervlaktewater met kunstmatige en/of natuurlijke middelen, bijvoorbeeld in de vorm van drainagebuizen, het graven van nieuwe of het verdiepen van bestaande sloten, greppels en beken en vergelijkbare maatregelen; 1.55

overkapping een bouwwerk, dat een overdekte ruimte vormt zonder wanden dan wel met ten hoogste een wand; 1.56 peil a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; c. als in, op of over het water wordt gebouwd: het Nieuw Amsterdams Peil; 1.57 prostitutie het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen voor of met een ander tegen vergoeding; 1.58 rooien het compleet met wortel en al uit de grond halen van een houtopstand; 1.59 toegestaan agrarisch gebruik het reguliere gebruik dat, gelet op de bestemming, regelmatig noodzakelijk is voor het agrarische gebruik van de gronden; 1.60 toegestaan onderhoud en beheer het onderhoud dat, gelet op de bestemming regelmatig noodzakelijk is voor een goed beheer, behoud en gebruik van de gronden en gebouwen die tot de betreffende bestemming behoren; 1.61 uitmijnen het verwijderen van fosfaat uit de bodem door maaibeheer van een gewas, in combinatie met een selectieve kali- en stikstofbemesting; 1.62 vaste stalmest niet verpompbare dierlijke mest; 1.63 vellen het kappen of rooien van een houtopstand of verrichten van andere handelingen die de dood of ernstige beschadiging van een

houtopstand tot gevolg kunnen hebben; 1.64 verblijfsrecreatie een vorm van recreatie gericht op ontspanning of vrijetijdsbesteding van recreanten die elders hun hoofdverblijf hebben, en voor een bepaalde periode waarbij ten minste één overnachting plaatsvindt; 1.65 waterbassin een bovengronds bassin voor de opslag van water ten behoeve van agrarische en glastuinbouwactiviteiten.

P I P Provinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 8

Artikel 2

2.1

Wijze van meten

de afstand tot de (bouw)perceelsgrens

tussen de grenzen van een bouwperceel en een bepaald punt van het op dat bouwperceel voorkomend (hoofd)gebouw, waar die afstand het kortst is;

2.2

de afstand tot de weg

vanaf enig punt van een bouwwerk tot de as van de bestemming 'Verkeer' dan wel waar geen bestemming geldt, de as van de weg.

2.3

de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen, zoals antennes en daarmee naar de aard gelijk te stellen bouwonderdelen.

NL.IMRO.9923.ipSdalDvdM-on01

9

Hoofdstuk 2

Artikel 3

3.1

Bestemmingsregels

Agrarisch - 2

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f.

het agrarisch gebruik; het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke, landschappelijke, geomorfologische en cultuurhistorische waarden; doeleinden van agrarisch natuurbeheer; de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied "Springendal dal en van de Mosbeek"; het uitvoeren van het inrichtingsplan ten behoeve van het Natura 2000-gebied "Springendal en Dal van de Mosbeek", dat als Bijlage 1 en 2 bij deze regels is gevoegd; het uitvoeren van erfinrichtingsplannen en landschapsplannen;

met daaraan ondergeschikt: g. h. i. j. k. l.

hobbymatig agrarisch gebruik; nutsvoorzieningen; extensief dagrecreatief medegebruik; wegen, ontsluitingswegen voor bebouwde percelen en agrarische kavelpaden; fiets- en wandelpaden; beken, plassen, poelen, vennen, sloten, en/of andere watergangen en/of -partijen, al dan niet mede bestemd voor waterberging;

met de daarbij behorende: m. bestaande veldschuren; n. andere bouwwerken.

3.2

Bouwregels

3.2.1 Gebouwen en overkappingen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen of overkappingen worden gebouwd.

P I P Provinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 10

3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Op of in deze gronden mogen de volgende bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd: a. overige bouwwerken, waaronder perceelsafscheidingen, tot een maximale bouwhoogte van 2,50 m; b. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde (waaronder duikers, knijpconstructies), nodig voor de uitvoering van het inrichtingsplan dat als Bijlage 1 en 2 bij deze regels is gevoegd;

3.3

Specifieke gebruiksregels

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met deze bestemming wordt in aanvulling op artikel 19.1 in ieder geval gerekend: a. het gebruik van gronden en bouwwerken voor niet-agrarische bedrijvigheid anders dan de in 3.1 toegelaten bedrijvigheid en bedrijvigheid waarvoor onherroepelijke planologische medewerking is verleend; b. het gebruik van gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - uitgesloten boomen sierteelt' voor boom- en/of sierteelt; c. het gebruik van gronden met de aanduiding 'eiwitrijke gewassen' voor de teelt van andere gewassen dan de eiwitrijke gewassen genoemd in bijlage 6 bij deze regels; d. het toepassen (waaronder uitrijden), gebruiken en opslaan van meststoffen op gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - 2 - evenwichtsbemesting' in afwijking van de voor die gronden bepaalde evenwichtsbemesting; e. het gebruik van gronden voor verblijfsrecreatieve doeleinden, met uitzondering van bestaande locaties voor kleinschalig kamperen waarbij uitsluitend in de periode van 15 maart tot 1 november ten hoogste 25 kampeermiddelen worden geplaatst; f. het gebruik van de gronden ten behoeve van een waterbassin; g. het gebruik van de gronden ten behoeve van containerteelt; h. het gebruik van gronden ten behoeve van een paardrijbak;

3.4

Afwijken van de gebruiksregels

3.4.1 Andere gewassen

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 3.3 onder c, in die zin dat de teelt van andere gewassen dan uitsluitend de eiwitrijke gewassen in bijlage 6 bij deze regels wordt toegestaan, mits geen onevenredige inbreuk wordt gedaan aan de in artikel 3.1 onder b en d genoemde waarden.

3.4.2 Nieuwe locatie kleinschalig kamperen

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 3.3 onder e, in die zin dat een nieuwe locatie voor kleinschalig kamperen wordt toegestaan, mits: a. uitsluitend in de periode van 15 maart tot 1 november ten hoogste 25 kampeermiddelen, niet zijnde stacaravans, worden geplaatst; b. er sprake is van vestiging van een locatie voor kleinschalig kamperen bij een agrarisch bedrijf, dan wel bij een woonhuis met een woonbestemming waar sprake is van een voormalig agrarisch bedrijf; c. de standplaatsen binnen dan wel binnen 50 m van de grenzen van de aanduiding "bouwvlak" worden ingericht; d. een erfinrichtingsplan wordt ingediend, zodanig dat het kampeerterrein op een goede wijze in het landschap en in relatie tot de bestaande bebouwing wordt ingepast;

NL.IMRO.9923.ipSdalDvdM-on01

11

e. f.

g. h.

3.5

het parkeren plaatsvindt op het campingterrein dan wel binnen het bijbehorende bestemmingsvlak; de standplaatsen op een afstand van tenminste 50 m vanaf nabijgelegen agrarische percelen, gebruikte agrarische bedrijfsgebouwen, mestopslagen van derden en woningen van derden worden gesitueerd; de standplaatsen dusdanig worden gesitueerd dat er sprake is van een clustering van het campingterrein met het bijbehorende agrarische bedrijf; geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de in artikel 3.1 onder b en d genoemde waarden, de waarden van landgoederen en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk

zijnde, of van werkzaamheden

3.5.1 Vergunningplicht

Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist: a. het vellen of doen vellen dan wel aanplanten van bomen en/of houtgewas met een oppervlakte van meer dan 0,1 hectare; b. het inrichten van gronden ten behoeve van natuurontwikkeling tot een aaneengesloten oppervlakte van ten hoogste 1,00 hectare; c. het aanleggen en/of verharden van paden, wegen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen groter dan 100 m² buiten het bouwvlak, met uitzondering van: 1. het aanleggen en/of verharden van wegen ter ontsluiting van bebouwde percelen voorzien van een bouwvlak; 2. het aanbrengen van koe- en kavelpaden; d. het afgraven, ophogen of egaliseren van gronden waarbij hoogteverschillen van 0,30 m of meer worden gerealiseerd; e. het aanleggen van ondergrondse, bovengrondse transport-, energie- en/of telecommunicatiekabels en/of -leidingen.

3.5.2 Uitzondering

Het bepaalde in 3.5.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden buiten de gronden met de dubbelbestemming Waarde - Essen, die: a.

b. c.

d. e.

het toegestane onderhoud en beheer betreffen, zoals: 1. het periodiek afzetten van hakhout; 2. het kappen bij wijze van dunning; 3. bestaat uit het vellen van kweekgoed en andere houtopstanden als bedoeld in de Wet natuurbescherming; het toegestane agrarische gebruik betreffen; het afgraven, ophogen of egaliseren van gronden betreffen: 1. waarbij hoogteverschillen tot ten hoogste 0,30 m worden gerealiseerd; of 2. voor een kavelaansluiting tot een maximale breedte van een kavelaansluiting van 5,00 '; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; dienen ter uitvoering van een door burgemeester en wethouders goedgekeurd erfinrichtingsplan of landschapsplan.

P I P Provinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 12

3.5.3 Beoordelingscriteria

a.

b.

3.6

De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend als geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke en landschappelijke waarden, de waterhuishouding, de cultuurhistorische, geomorfologische en archeologische waarden en de waarden van landgoederen; De omgevingsvergunning genoemd in 3.5.1 onder a kan slechts worden verleend als er zodanige compensatie plaatsvindt dat de landschappelijke structuur niet onevenredig wordt geschaad.

Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en Wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat de bestemming 'Agrarisch - 2' wordt gewijzigd in de bestemming ' Natuur' mits: a. de wijziging past binnen het provinciaal beleid voor het Natuurnetwerk Nederland; b. de wijziging betrekking heeft op een nieuw aaneengesloten gebied met een oppervlakte groter dan 1,00 hectare, dan wel op een nieuw aaneengesloten gebied kleiner dan 1,00 hectare in geval er aangesloten wordt bij een groter bestaand aaneengesloten gebied; c. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de in artikel 3.1 onder b. en d. genoemde waarden en/of doelstellingen en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

NL.IMRO.9923.ipSdalDvdM-on01

13

Artikel 4

4.1

Agrarisch - 3

Bestemmingsomschrijving

De voor Agrarisch - 3 aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het agrarische gebruik; b. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke en hydrologische waarden; c. de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied "Springendal dal en van de Mosbeek"; d. het uitvoeren van het inrichtingsplan ten behoeve van het Natura 2000-gebied "Springendal en Dal van de Mosbeek", dat als Bijlage 1 en 2 bij deze regels is gevoegd; e. het uitvoeren van erfinirichtingsplannen en landschapsplannen; met daaraan ondergeschikt: f. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, archeologische, geomorfologische en cultuurhistorische waarden; g. nutsvoorzieningen; h. extensief dagrecreatief medegebruik; i. bestaande landbouwwegen, bestaande ontsluitingswegen voor bebouwde percelen, alsmede voet- en fietspaden en overige infrastructurele voorzieningen; j. bestaande beken, plassen, poelen, vennen, sloten, en/of andere watergangen en/of -partijen, al dan niet mede bestemd voor waterberging; met de daarbij behorende: k. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

4.2

Bouwregels

4.2.1 Gebouwen en overkappingen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen of overkappingen worden gebouwd.

4.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Op of in deze gronden mogen de volgende bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd: a. erf- en terreinafscheidingen tot een maximale bouwhoogte van 1,5 m; b. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde (waaronder duikers, knijpconstructies), nodig voor de uitvoering van het inrichtingsplan dat als Bijlage 1 en 2 bij deze regels is gevoegd; c. overige bouwwerken tot een maximale bouwhoogte van 2 m.

4.3

Specifieke gebruiksregels

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met deze bestemming wordt in aanvulling op artikel 19.1 in ieder geval gerekend: a. het gebruik van gronden en bouwwerken voor niet-agrarische bedrijvigheid anders dan de in 4.1 toegelaten bedrijvigheid; b. het gebruik van gronden voor het opslaan van meststoffen en/of andere landbouwproducten en/of -materialen; c. het bemesten van gronden, met uitzondering van niet-dierlijke bemesting, met een stikstofgift van maximaal 50 kg N/ha/jaar en gedurende de periode 1 maart tot en met 31 mei: d. het beweiden van gronden, met uitzondering van beweiding van maximaal 2 GVE/ha,

P I P Provinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 14

e.

f. g. h.

4.4

gedurende de periode 1 maart tot en met 31 mei; het gebruik van gronden voor verblijfsrecreatieve doeleinden, met uitzondering van bestaande locaties voor kleinschalig kamperen waarbij uitsluitend in de periode van 15 maart tot 1 november ten hoogste 25 kampeermiddelen worden geplaatst; het gebruik van de gronden ten behoeve van een waterbassin; het gebruik van de gronden ten behoeve van containerteelt; het gebruik van gronden ten behoeve van een paardrijbak;

Afwijken van de gebruiksregels

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 4.3 onder e, in die zin dat een nieuwe locatie voor kleinschalig kamperen wordt toegestaan, mits: a. uitsluitend in de periode van 15 maart tot 1 november ten hoogste 25 kampeermiddelen, niet zijnde stacaravans, worden geplaatst; b. er sprake is van vestiging van een locatie voor kleinschalig kamperen bij een agrarisch bedrijf, dan wel bij een woonhuis met een woonbestemming waar sprake is van een voormalig agrarisch bedrijf; c. de standplaatsen binnen dan wel binnen 50 m van de grenzen van de aanduiding "bouwvlak" worden ingericht; d. een erfinrichtingsplan wordt ingediend, zodanig dat het kampeerterrein op een goede wijze in het landschap en in relatie tot de bestaande bebouwing wordt ingepast; e. het parkeren plaatsvindt op het campingterrein dan wel binnen het bijbehorende bestemmingsvlak; f. de standplaatsen op een afstand van tenminste 50 m vanaf nabijgelegen agrarische percelen, gebruikte agrarische bedrijfsgebouwen, mestopslagen van derden en woningen van derden worden gesitueerd; g. de standplaatsen dusdanig worden gesitueerd dat er sprake is van een clustering van het campingterrein met het bijbehorende agrarische bedrijf; h.

geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de in artikel 4.1 onder b en c genoemde waarden, de waarden van landgoederen en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

4.5

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk

zijnde, of van werkzaamheden

4.5.1 Vergunningplicht

Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist: a. het af- en of vergraven, egaliseren en/of ophogen van gronden; b. het vellen van bomen en/of houtgewas; c. het aanplanten van bomen en/of houtgewas; d. het dempen van beken, plassen, sloten en/of andere watergangen en/of -partijen; e. het aanleggen en/of verharden van paden, wegen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; f. het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport, energie- en/of telecommunicatiekabels en/of -leidingen; g. het onttrekken van grond- en oppervlaktewater voor agrarische activiteiten.

4.5.2 Uitzondering

Het bepaalde in 4.5.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die: a. het toegestane onderhoud en beheer betreffen, zoals: a. het periodiek afzetten van hakhout; b. het kappen bij wijze van dunning;

NL.IMRO.9923.ipSdalDvdM-on01

15

b. c.

c. het toegestane agrarisch gebruik; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; noodzakelijk onderdeel zijn ter uitvoering en instandhouding van het inrichtingsplan dat als Bijlage 1 en 2 bij deze regels is gevoegd;

4.5.3 Beoordelingscriteria

De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend als geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan in 4.1, onder b. en c. bedoelde waarden en/of doelstellingen.

4.6

Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en Wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat de bestemming 'Agrarisch - 3' wordt gewijzigd in de bestemming ' Natuur' mits: a. de wijziging past binnen het provinciaal beleid voor het Natuurnetwerk Nederland; b. de wijziging betrekking heeft op een nieuw aaneengesloten gebied met een oppervlakte groter dan 1,00 hectare, dan wel op een nieuw aaneengesloten gebied kleiner dan 1,00 hectare in geval er aangesloten wordt bij een groter bestaand aaneengesloten gebied; c. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de in artikel 4.1 onder b. en c. genoemde waarden en/of doelstellingen en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

P I P Provinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 16

Artikel 5

5.1

Agrarisch met waarden - Grasland

Bestemmingsomschrijving

De voor Agrarisch met waarden - Grasland aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. agrarisch gebruik, uitsluitend in de vorm van grasland; b. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke en hydrologische, waarden; c. de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied "Springendal en Dal van de Mosbeek"; d. het uitvoeren van het inrichtingsplan ten behoeve van het Natura 2000-gebied "Springendal en Dal van de Mosbeek", dat als Bijlage 1 en 2 bij deze regels is gevoegd; met daaraan ondergeschikt: e. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, geomorfologische en cultuurhistorische waarden; f. nutsvoorzieningen; g. extensief dagrecreatief medegebruik; h. bestaande landbouwwegen, bestaande ontsluitingswegen voor bebouwde percelen, alsmede voet- en fietspaden en overige infrastructurele voorzieningen; i. bestaande beken, plassen, poelen, vennen, sloten, en/of andere watergangen en/of -partijen, al dan niet mede bestemd voor waterberging; met de daarbij behorende: j. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

5.2

Bouwregels

5.2.1 Gebouwen en overkappingen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen of overkappingen worden gebouwd.

5.2.2 bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Op of in deze gronden mogen de volgende bouwwerken, geen gebouwen worden gebouwd: a. erf- en perceelsafscheidingen tot een maximale bouwhoogte van 1,5 m; b. overige bouwwerken (waaronder duikers, knijpconstructies) nodig voor de uitvoering van het inrichtingsplan dat als Bijlage 1 en 2 bij deze regels is gevoegd; c. overige bouwwerken tot een maximale bouwhoogte van 2 m.

5.3

Specifieke gebruiksregels

5.3.1 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met deze bestemming wordt in aanvulling op artikel 19.1 in ieder geval gerekend: a. het gebruik van gronden en bouwwerken voor niet-agrarische bedrijvigheid anders dan de in 5.1 toegelaten bedrijvigheid; b. het gebruik van gronden en bouwwerken voor verblijfsrecreatie; c. het gebruik van gronden voor het opslaan van landbouwproducten en -materialen d. het toepassen (waaronder uitrijden), gebruiken en opslaan van meststoffen op gronden met de

NL.IMRO.9923.ipSdalDvdM-on01

17

e. f. g. h. i.

5.4

aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - grasland - evenwichtsbemesting' in afwijking van de voor die gronden bepaalde evenwichtsbemesting; het scheuren, het omzetten en/of anderszins ingrijpend wijzigen van gronden, met uitzondering van graslandvernieuwing; het gebruik van gronden ten behoeve van een paardrijbak; het ontwateren van gronden, anders dan in de omvang die in de bestaande situatie is toegelaten; het onttrekken van grond- en oppervlaktewater ten behoeve van agrarische activiteiten, met uitzondering van bestaande legale onttrekkingen; het dempen van bestaande beken, plassen, poelen, vennen, sloten, greppels en/of andere watergangen en/of -partijen, anders dan ter uitvoering van het inrichtingsplan, dat als bijlage 1 en 2 bij deze regels is gevoegd.

Afwijken van de gebruiksregels

Met een omgevingsvergunning kan maximaal 1 keer in de planperiode van 10 jaar worden afgeweken van het verbod in artikel 5.3.1 onder e onder de volgende voorwaarden: a. het scheuren is noodzakelijk voor de bedrijfsvoering / de verbetering van de kwaliteit van het grasland; b. het scheuren gebeurt door het ploegen van de grond tot een diepte van maximaal 30 cm onder maaiveld; c. dieper ploegen is alleen mogelijk als dat aantoonbaar geen verandering in de grondwaterstand veroorzaakt,; d. De omgevingsvergunning wordt niet verleend zonder positief advies van het waterschap.

5.5

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk

zijnde, of van werkzaamheden

5.5.1 Vergunningplicht

Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist: a. het af- en of vergraven, egaliseren en/of ophogen van gronden; b. het vellen en/of rooien van bomen en/of houtgewas; c. het aanplanten van bomen en/of houtgewas; d. het aanleggen of verharden van wegen, fiets-, voet- en ruiterpaden, parkeervoorzieningen en overige oppervlakteverhardingen; e. het aanleggen van voorzieningen voor extensief dagrecreatief en/of het educatief medegebruik; f. het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport, energie- en/of telecommunicatiekabels en/of -leidingen; g. het vervangen van bestaande ontwatering.

5.5.2 Uitzonderingen

Het verbod in 5.5.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die: a. het toegestane onderhoud en beheer betreffen, zoals: 1. het periodiek afzetten van hakhout; 2. het kappen bij wijze van dunning; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan met een daarvoor benodigde vergunning; c. noodzakelijk onderdeel zijn ter uitvoering van het inrichtingsplan dat als Bijlage 1 en 2 bij deze regels is gevoegd;

P I P Provinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 18

5.5.3 Beoordelingscriteria

De in artikel 5.5.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend als geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de in artikel 5.1 onder b en c bedoelde waarden en/of doelstellingen.

5.6

Wijzigingsbevoegdheid

a.

b.

Burgemeester en Wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat de bestemming 'Agrarisch met waarden - Grasland' wordt gewijzigd in de bestemming ' Natuur' mits: 1. de wijziging past binnen het provinciaal beleid voor het Natuurnetwerk Nederland; 2. de wijziging betrekking heeft op een nieuw aaneengesloten gebied met een oppervlakte groter dan 1,00 hectare, dan wel op een nieuw aaneengesloten gebied kleiner dan 1,00 hectare in geval er aangesloten wordt bij een groter bestaand aaneengesloten gebied; 3. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de in artikel 4.1 onder b. en c. genoemde waarden en/of doelstellingen en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat de bestemming 'Agrarisch met waarden - Grasland' van de gronden met de aanduiding 'wetgevingszone wijzigingsbevoegdheid' wordt gewijzigd in de bestemming 'Agrarisch - 3' in combinatie met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch -3 - evenwichtsbemesting' mits: 1. dit past binnen het Inrichtingsplan dat als bijlage 1 en 2 bij deze regels is gevoegd; 2. in de planregels van het wijzigingsplan eisen worden gesteld aan de evenwichtsbemesting; 3. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan an de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

NL.IMRO.9923.ipSdalDvdM-on01

19

Artikel 6

6.1

Natuur

Bestemmingsomschrijving

De voor Natuur aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. natuur, overeenkomstig het inrichtingsplan ten behoeve van het Natura 2000-gebied "Springendal en Dal van de Mosbeek", dat als Bijlage 1 en 2bij deze regels is gevoegd; b. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke, landschappelijke, hydrologische, geomorfologische en cultuurhistorische waarden; c. de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied "Springendal en Dal van de Mosbeek"; d. het uitvoeren van het inrichtingsplan ten behoeve van het Natura 2000-gebied "Springendal en Dal van de Mosbeek", dat als Bijlage 1 en 2 bij deze regels is gevoegd; e. waterberging; met daaraan ondergeschikt; f. nutsvoorzieningen; g. extensief dagrecreatief en educatief medegebruik; h. wegen en paden; i. bestaande beken, plassen, poelen, vennen, sloten en/of andere watergangen en/of –partijen, al dan niet mede bestemd voor waterretentie; met de daarbij horende j. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

6.2

Bouwregels

6.2.1 Gebouwen en overkappingen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen of overkappingen worden gebouwd.

6.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Op of in deze gronden mogen de volgende bouwwerken, geen gebouwen worden gebouwd: a. erf- en perceelsafscheidingen tot een maximale bouwhoogte van 1,5 m; b. kleinschalige bouwwerken ten behoeve van extensief dagrecreatief medegebruik, in de vorm van picknickbankjes en vergelijkbare bouwwerken; c. overige bouwwerken (waaronder duikers, knijpconstructies) nodig voor de uitvoering van het inrichtingsplan dat als Bijlage 1 en 2 bij deze regels is gevoegd; d. overige bouwwerken tot een maximale bouwhoogte van 2 m.

6.3

Specifieke gebruiksregels

6.3.1 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met deze bestemming wordt in aanvulling op artikel 19.1 in ieder geval gerekend: a. het gebruik van gronden en bouwwerken voor verblijfsrecreatie; b. het toepassen (waaronder uitrijden), gebruiken en opslaan van mest en/of andere

P I P Provinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 20

c. d. e. f. g. h.

6.4

landbouwproducten e/of -materialen, met uitzondering van bemesting (onder andere in de vorm van uitmijnen) en beweiding ten behoeve van het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuur- en landschapswaarden van de gronden; het scheuren, het omzetten en/of anderszins ingrijpend wijzigen van gronden; het gebruik van gronden ten behoeve van een paardrijbak; het ontwateren van gronden; het onttrekken van grond- en oppervlaktewater ten behoeve van agrarische activiteiten; het gebruik van gronden voor boom- en sierteelt; het dempen van bestaande beken, plassen, poelen, vennen, sloten, greppels en/of andere watergangen en/of -partijen, anders dan ter uitvoering van het inrichtingsplan, dat als bijlage 1 en 2 bij deze regels is gevoegd.

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk

zijnde, of van werkzaamheden

6.4.1 Vergunningplicht

Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist: a. het af- en of vergraven, egaliseren en/of ophogen van gronden; b. het vellen en/of rooien van bomen en/of houtgewas; c. het aanplanten van bomen en/of houtgewas; d. het graven van beken, plassen, sloten en/of andere watergangen en/of -partijen; e. het aanleggen of verharden van wegen, fiets-, voet- en ruiterpaden, parkeervoorzieningen en overige oppervlakteverhardingen; f. het aanleggen van voorzieningen voor extensief dagrecreatief medegebruik en/of het educatief medegebruik; g. het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport, energie- en of telecommunicatiekabels en/of -leidingen;

6.4.2 Uitzonderingen

Het in artikel 6.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die: a. het toegestane onderhoud en/of het toegestane natuurbeheer betreffen, waaronder: 1. het periodiek afzetten van hakhout; 2. het kappen bij wijze van dunning; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan met een daarvoor benodigde vergunning; c. noodzakelijk onderdeel zijn ter uitvoering van het inrichtingsplan dat als Bijlage 1 en 2 bij deze regels is gevoegd.

6.4.3 Beoordelingscriteria

De in artikel 6.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend als geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de in artikel 6.1 onder b en c beschreven waarden en/of doelstellingen.

NL.IMRO.9923.ipSdalDvdM-on01

21

Artikel 7

7.1

Wonen

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen met daaraan ondergeschikt: b. de uitoefening van een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit; c. speelvoorzieningen; d. wegen en paden; e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; f. openbare nutsvoorzieningen; g. groenvoorzieningen; h. parkeervoorzieningen; i. tuinen, erven en terreinen.

7.2

Bouwregels

7.2.1 Algemeen

Op de voor 'Wonen' bestemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd voor zover dit in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 7.1.

7.2.2 Woning

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. b. c.

d. e. f. g.

per bestemmingsvlak is één woning toegestaan; een hoofdgebouw wordt uitsluitend gebouwd op de locatie van het bestaande hoofdgebouw; de inhoud van een woning binnen een hoofdgebouw zal ten hoogste 750 m³ bedragen, tenzij de bestaande inhoud van een woning binnen een hoofdgebouw meer bedraagt dan 750 m³, in welk geval de inhoud van een woning binnen een hoofdgebouw ten hoogste de bestaande inhoud zal bedragen; de goothoogte van een hoofdgebouw mag ten hoogste 3,5 meter bedragen; de bouwhoogte van een hoofdgebouw mag ten hoogste 9 meter bedragen; de dakhelling bedraagt ten minste 30 graden en ten hoogste 60 graden; ondergrondse gebouwen (kelders) zijn uitsluitend toegestaan in één bouwlaag en daar waar bovengrondse gebouwen aanwezig zijn.

7.2.3 Bijbehorende bouwwerken bij een woning

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: a.

bijbehorende bouwwerken mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd;

P I P Provinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 22

b.

c. d. e. f. g.

de bijbehorende bouwwerken dienen ten minste 3 m achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan te worden gebouwd, tenzij de bestaande afstand minder bedraagt, het hoofdgebouw op meer dan 50 m van de weg is gesitueerd, dan wel de gebouwen vóór de voorgevel van het hoofdgebouw zijn gebouwd, in welk geval de bestaande afstand dan wel de bestaande situering ten opzichte van de voorgevel van het hoofdgebouw geldt; in afwijking van het gestelde onder b, dient een carport ten minste 1 m achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan worden gebouwd; de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken mag ten hoogste 100 m² bedragen, tenzij de bestaande oppervlakte meer bedraagt, tot een maximum van 350 m²; de goothoogte mag maximaal 3,5 meter bedragen; de bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk mag ten hoogste de bouwhoogte van het hoofdgebouw verminderd met 1 m bedragen; de dakhelling bedraagt ten minste 30 graden en ten hoogste 60 graden;

7.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a.

b. c.

7.3

de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag ten hoogste 1 m bedragen met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevel van het hoofdgebouw dan wel het verlengde daarvan, ten hoogste 2 m mag bedragen; de bouwhoogte van kunstobjecten of speeltoestellen mag ten hoogste 5 m bedragen; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 2 m bedragen.

Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en Wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in: a. artikel 7.2.2 onder b en toestaan dat een hoofdgebouw wordt gebouwd in afwijking van de locatie van het bestaande hoofdgebouw, mits: 1. de huidige situering van het hoofdgebouw belemmeringen oplevert voor de omgeving dan wel voor de bewoners zelf en er met een gewijzigde situering een verbetering kan worden bewerkstelligd ten gunste van een goed woon- en leefklimaat, al dan niet vanwege stedenbouwkundige redenen; 2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusitu-atie, het bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden, de waarden van de historische buitenplaatsen en de gebruiks-moge-lijkheden van de aangrenzende gronden; b. artikel 7.2.2 onder c en toestaan dat, in geval van gehele sloop van het hoofdgebouw met een bestaande inhoud van meer dan 2.000 m³, een nieuw hoofdgebouw wordt gebouwd met een inhoud van ten hoogste 2.000 m³, mits: 1. het nieuwe hoofdgebouw wordt gebouwd overeenkomstig de bestaande karakteristieke hoofdvorm; 2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden, de woonsituatie, de waarden van de historische buitenplaatsen en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; c. artikel 7.2.2 onder c en toestaan dat de inhoud van een woning wordt vergroot, mits: 1.

de inhoud van de woning ten hoogste de inhoud van het hoofdgebouw zal bedragen; 2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; d. artikel 7.2.3 onder d en toestaan dat de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken bij een woning wordt vergroot tot ten hoogste 200 m², mits: 1. dit noodzakelijk is voor het stallen van dieren en/of de opslag van materieel dat gebruikt wordt voor het onderhoud van eigen gronden dan wel in situaties waar al 100 m² aan stalruimte voor dieren en/of de opslag van materieel aanwezig is; 2. er sprake is van eigendom van gronden buiten het erf met een omvang van ten minste 5.000 m²;

NL.IMRO.9923.ipSdalDvdM-on01

23

3.

e.

f.

7.4

geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke en landschappelijke waarden, de woonsituatie, de waarden van de historische buitenplaatsen en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; artikel 7.2.3 onder d en toestaan dat de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken bij een woning meer bedraagt dan 350 m², mits: 1. bij vervanging boven de 7.2.3 onder d toegestane 350 m² ten hoogste 50% van de gesaneerde oppervlakte wordt teruggebouwd; 2. de vervanging bijdraagt aan een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit; 3. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, het bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden, de waarden van de historische buitenplaatsen en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; artikel 7.2.3 onder g en toestaan dat aan- en uit-bouwen tot ten hoogste 30% van de oppervlakte van het hoofdgebouw worden voorzien van een plat dak, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsitu-atie en het straat- en bebouwingsbeeld.

Specifieke gebruiksregels

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in ieder geval gerekend: a. b.

c. d. e.

f.

het gebruik van woningen in combinatie met bedrijfsdoeleinden, anders dan een aan-huis-verbonden beroep of een caravanstalling; het gebruik van gedeelten van een woning en/of de bijbehorende bouwwerken bij een woning voor de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, indien: 1. het beroep of bedrijf niet wordt uitgeoefend door één van de bewoners van het woonhuis, waarbij één andere arbeidskracht ter plekke werkzaam mag zijn; 2. de beroeps-/bedrijfsvloeroppervlakte in een hoofdgebouw, inclusief aan- en uitbouwen, meer bedraagt dan 30% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw; 3. de beroeps-/bedrijfsvloeroppervlakte meer dan 50 m² bedraagt; 4. parkeren niet op eigen erf plaatsvindt; 5. detailhandel plaatsvindt anders dan productiegebonden detailhandel; het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor permanente bewoning; het gebruik van een hoofdgebouw voor meer dan één woning; het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden anders dan in de vorm van boerderijkamers;het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van agrarische bedrijfsactiviteiten; het gebruik van gronden ten behoeve van de aanleg van een paardrijdbak met de daarbijbehorende bouwwerken.

P I P Provinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 24

Artikel 8

8.1

Leiding - Gas

Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Leiding - Gas’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: a. een strook ten behoeve van een hoofdgastransportleiding en afsluiterschema's ten behoeve van het transport van aardgas en het transport van injectiewater dat vrij komt bij mijnbouwactiviteiten en het onderhoud en beheer daarvan; met de daarbijbehorende: b. c.

8.2

veiligheidszones; andere bouwwerken.

Regels vanwege samenvallende bestemmingen

Al hetgeen in deze regels omtrent de andere daar voorkomende bestemming(en) binnen het gebied met de bestemming 'Leiding - Gas' is toegestaan, is uitsluitend toelaatbaar indien en voor zover dat, gehoord de beheerder van de leiding(en), verenigbaar is met het belang van de leiding(en).

8.3

Bouwregels

a.

b.

8.4

In afwijking van het bepaalde bij de andere ter plaatse aangewezen bestemming(en) mogen op of in deze gronden geen gebouwen of andere bouwwerken, anders dan ten behoeve van de gasleiding; de hoogte van andere bouwwerken ten behoeve van de gasleiding bedraagt ten hoogste 5 meter.

Afwijken van de bouwregels

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 8.3 onder ain die zin dat de in de andere daar voorkomende bestemming(en) genoemde gebouwen en andere bouwwerken worden gebouwd, mits: a. b.

8.5

vooraf schriftelijk instemming wordt verkregen van de betreffende leidingbeheerder; er geen afbreuk wordt gedaan aan een doelmatig en veilig functioneren van de ondergrondse buisleiding.

Specifieke gebruiksregels

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt, in aanvulling op het bepaalde in artikel 19.1, in ieder geval gerekend:

NL.IMRO.9923.ipSdalDvdM-on01

25

a. b.

8.6

het permanent opslaan van goederen; het gebruik van gronden en bouwwerken als risicogevoelig object.

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk

zijnde, of van werkzaamheden

8.6.1 Vergunningplicht

Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is, ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemmingen, een omgevingsvergunning vereist: a. b. c. d. e.

het egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur; het uitvoeren van graafwerkzaamheden; het in de grond brengen van voorwerpen; het aanleggen of verharden van andere oppervlakteverhardingen; het rooien of planten van diep wortelende beplanting en bomen.

8.6.2 Uitzonderingen

Het bepaalde in artikel8.6.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die: a. het toegestane onderhoud betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

8.6.3 Beoordelingscriteria

De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen van de betreffende leidingbeheerder en er geen afbreuk wordt gedaan aan een doelmatig en veilig functioneren van de leidingen.

8.7

Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en Wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat de bestemming 'Leiding - Gas' ter plaatse wordt verwijderd, mits: a. b.

deze wijzigingsbevoegdheid wordt toegepast, indien er sprake is van het verwijderen dan wel verleggen van een bestaande leiding; geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden, de bodemkundige, de cultuurhistorische en archeologische waarden, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

P I P Provinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 26

Artikel 9

9.1

Leiding - Water

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Water' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: a.

een strook ten behoeve van een hoofdwaterleiding en het onderhoud en beheer daarvan;

met de daarbijbehorende: b.

9.2

andere bouwwerken.

Bouwregels

9.2.1 Gebouwen en overkappingen

Op of in deze gronden zullen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

9.2.2 Bouwwerken

In afwijking van het bepaalde bij de andere ter plaatse aangewezen bestemmingen zullen op of in deze gronden geen gebouwen en andere bouwwerken worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze dubbelbestemming.

9.2.3 Overige andere bouwwerken

Voor het bouwen van overige andere bouwwerken geldt de volgende regel: a.

9.3

de bouwhoogte van overige andere bouwwerken zal ten hoogste 5,00 m bedragen.

Afwijken van de bouwregels

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 9.2.2 in die zin dat de in de andere daar voorkomende bestemming(en) genoemde gebouwen of andere bouwwerken, worden gebouwd, mits: a. b.

geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het doelmatig en veilig functioneren van de betreffende nutsleiding; met een vooraf ingewonnen advies van de betreffende leidingbeheerder wordt aangetoond dat de bouw mogelijk is.

NL.IMRO.9923.ipSdalDvdM-on01

27

9.4

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk

zijnde, of van werkzaamheden

9.4.1 Vergunningplicht

Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op de gronden van toepassing zijnde bestemmingen een omgevingsvergunning vereist: a. b. c. d.

het ophogen en afgraven van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur; het in de grond brengen van voorwerpen; het aanleggen of verharden van oppervlakteverhardingen; het planten van bomen en het aanbrengen van andere beplantingen die diep wortelen of kunnen wortelen.

9.4.2 Uitzonderingen

Het bepaalde in 9.4.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. b.

het toegestane onderhoud betreffen; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan.

9.4.3 Beoordelingscriteria

De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien met een vooraf ingewonnen advies van de betreffende leidingbeheerder wordt aangetoond dat de werken of werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd en er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan een doelmatig en veilig functioneren van de leidingen.

9.5

Wijzigingsbevoegdheid

9.5.1 Verwijderen dubbelbestemming

Burgemeester en Wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat de bestemming 'Leiding Water' wordt verwijderd, mits: a. b.

deze wijzigingsbevoegdheid wordt toegepast, indien er sprake is van het verwijderen dan wel verleggen van een bestaande leiding; geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden, de bodemkundige, de cultuurhistorische waarden, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

P I P Provinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 28

Artikel 10

Waarde - Archeologie 1

10.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: de bescherming van archeologische waarden.

10.2 Bouwregels

Voor het bouwen van bouwwerken is een omgevingsvergunning van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed noodzakelijk. Een aanvraag daartoe dient bij Burgemeester en Wethouders van de gemeente Tubbergen te worden ingediend.

10.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Voor het aanleggen van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, is een omgevingsvergunning van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed noodzakelijk. Een aanvraag daartoe dient bij de gemeente Tubbergen te worden ingediend.

NL.IMRO.9923.ipSdalDvdM-on01

29

Artikel 11

Waarde - Archeologie 2

11.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de gebieden met een hoge en zeer hoge verwachtingswaarde.

11.2 Bouwregels

11.2.1

Omgevingsvergunning voor het bouwen

Voor bouwwerken waarbij grondroerende werkzaamheden over een oppervlakte groter dan 100 m² en dieper dan 0,40 m onder het maaiveld plaatsvinden moet alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, zijn aangetoond dat: a. b. c.

11.2.2

geen archeologische waarden aanwezig zijn; dan wel dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad; dan wel dat de archeologische waarden door bouwactiviteiten kunnen worden verstoord.

Voorwaarden voor omgevingsvergunning voor het bouwen

Indien blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen kunnen worden verstoord, kunnen één of meerdere van de volgende voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen: a. b. c.

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg.

11.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

11.3.1

Vergunningplicht

Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op de gronden van toepassing zijnde bestemmingen een omgevingsvergunning vereist: a.

het ontgronden, afgraven en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur dieper

P I P Provinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 30

b. c. d.

e.

11.3.2

dan 40 cm en over een oppervlakte groter dan 100 m², behalve indien deze in het kader van onderzoek naar mogelijke historische vindplaatsen wordt uitgevoerd; het graven en/of baggeren van sloten, vaarten en andere watergangen dieper dan 40 cm en over een oppervlakte groter dan 100 m²; het aanbrengen van drainage dieper dan 40 cm en over een oppervlakte groter dan 100 m²; het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen, en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur dieper dan 40 cm en over een oppervlakte groter dan 100 m²; het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 40 cm en over een oppervlakte groter dan 100 m², behalve indien deze in het kader van onderzoek naar mogelijke historische vindplaatsen worden uitgevoerd.

Advies provinciaal archeoloog

Als de genoemde werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden plaatsvinden op een diepte van 0,1 m tot en met 0,4 m op gronden die samenvallen met de bestemming 'Natuur' en deze gronden aantoonbaar nog nooit verstoord zijn geweest, moet provinciaal archeoloog moet worden gehoord voordat wordt begonnen met de uitvoering.

11.3.3

Uitzonderingen

Het bepaalde in 11.3.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die: a. het toegestane onderhoud, gebruik en beheer betreffen, waaronder begrepen het vervangen van drainagewerken; b. reeds in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan; c. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen worden uitgevoerd, mits verricht door een daartoe bevoegde instantie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/773/documents/14912