Bijlage Motivering TAM-omgevingsplan Eschenhoek-Sportlaan, Tubbergen (oktober 2025).pdf
Tekst van het document
Om te kunnen voldoen aan de richtwaarden is de volgende voorkeursvolgorde voor geluidreducerende maatregelen van toepassing: eerst bronmaatregelen, als dat niet mogelijk of wenselijk is overdrachtsmaatregelen en als laatste maatregelen bij de ontvanger. Bronmaatregelen zijn aanpassingen bij de geluiduitstraling van de voetbalclub, dat zijn in dit geval stemgeluiden en het scheidsrechtersfluitje. Deze bewegen zich over het veld en zijn daarnaast niet te verminderen bij het sporten. Daarnaast is in onderhavige situatie de voetbalclub al daar gevestigd. Vervolgens kan worden bekeken of overdrachtsmaatregelen, zoals een geluidscherm mogelijk zijn. Omdat het geluid op de gevels vooral op de hogere verdiepingen te hoog is, zou het scherm zodanig hoog moeten zijn dat dit financieel niet doelmatig is en waarschijnlijk qua aanblik ook ongewenst. Voor maatregelen bij de ontvanger kan worden gedacht aan goede geluidwering van de gevels of zelfs dove gevels. Voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus is de overschrijding 1 dB boven de 45 dB in de avondperiode. De wettelijke geluidisolatie van de gevel is 20 dB, waardoor dan al aan de grenswaarde voor binnenniveaus (30 dB(A) in de avondperiode in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving) kan worden voldaan. De waarde voor piekgeluiden wordt praktisch overal overschreden, als gevolg van de scheidsrechtersfluit.
Dit is zowel voor de beoogde als bestaande woningen het geval. Omdat volgens het Omgevingsplan geluiden van sport- en recreatiegeluiden buiten beschouwing mogen worden gelaten, zullen er geen geluiden meer overblijven waarop gehandhaafd kan worden. Voor het afspelen van muziekgeluid geldt een uitzonderlijke bedrijfssituatie die apart wordt beoordeeld en ook hier geldt dat de waarden bij de bestaande woningen hoger liggen dan bij de nieuwe woningen. Voor het afspelen van muziek kunnen bij maatwerkvoorschrift regels worden opgesteld. Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de beoogde geluidgevoelige gebouwen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Verder wordt de voetbalvereniging niet beperkt in de ontwikkelmogelijkheden als gevolg van voorgenomen ontwikkeling. Industrielawaai Het plangebied ligt niet in of nabij een geluidgezoneerd industrieterrein. Het aspect industrielawaai is voor voorliggende ontwikkeling niet relevant. Railverkeerslawaai Het plangebied ligt niet in de nabije omgeving van een spoorweg. Het aspect railverkeerslawaai is niet relevant.
Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect geluid er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.7 5.7.1
Geur Externe werking
Woningen en zorgwoningen betreffen geen geurbelastende activiteiten. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden aangaande het aspect geur. 5.7.2 Interne werking In de omgeving van het plangebied zijn een aantal agrarische bedrijfspercelen aanwezig. De voor voorgenomen ontwikkeling relevante agrarische bedrijfspercelen zijn gesitueerd aan de Hardenbergerweg 37 en 50. Overige geurbelastende functies liggen voldoende afstand van het plangebied. Hardenbergerweg 37 Aan de Hardenbergerweg 37 is sprake van een melkveehouderij. Het plangebied gaat onderdeel uitmaken van de bebouwde kom. Overeenkomstig artikel 22.101 van het omgevingsplan van de gemeente Tubbergen geldt een vaste afstand van 100 meter. In navolgende afbeelding is de geurcontour van het agrarisch bedrijfsperceel Hardenbergerweg 37 weergegeven. Hierbij is rekening gehouden met bestaande geurgevoelige gebouwen die maatgevend zijn voor de ontwikkelmogelijkheden van het betreffende agrarisch bedrijf.
Afbeelding 5.1: verbeelding van de wettelijke geurzones als gevolg van het agrarische bedrijf aan de Hardenbergerweg 37 (Bron: BJZ.nu)
Te zien is dat de beoogde nieuwe geurgevoelige gebouwen binnen het plangebied buiten de geurcontour van het agrarisch bedrijfsperceel aan de Hardenbergerweg 37 liggen. Dit agrarisch bedrijfsperceel vormt hiermee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Bovendien wordt het agrarisch bedrijfsperceel niet (verder) in de ontwikkelmogelijkheden belemmerd als gevolg van de beoogde ontwikkeling.
Hardenbergerweg 50 Ten westen van het plangebied is het agrarisch bedrijfsperceel Hardenbergerweg 50 gesitueerd. In het omgevingsplan is aan het agrarische perceel de bestemming ‘Agrarisch – 1’ toegekend. Op grond van deze bestemming mag een agrarisch bedrijf worden uitgeoefend binnen het bouwvlak. Dat mag ook een veehouderij zijn, maar geen intensieve veehouderij. Ter plaatse is sinds 2019 geen sprake meer van een actief agrarisch bedrijf. Het belang van een agrarisch bedrijf is de voorzetting van de huidige bedrijfsvoering en de uitbreidingsmogelijkheden. Hoewel er feitelijk geen veehouderij mee aanwezig is kan op basis van de meest recente melding Activiteitenbesluit milieubeheer wat is gedaan op 11 december 2013 worden afgeleid waar de dierverblijven aanwezig waren. Op basis van artikel 22.96 van het omgevingsplan Tubbergen dient hiervoor een vaste afstand van 50 meter aangehouden te worden. Vorenstaande is in navolgende afbeelding weergegeven.
Afbeelding 5.2 (Bron: BJZ.nu)
Geurcontouren uitgaande van de bestaande dierenverblijven aan de Hardenbergerweg 50
Gelet op het voorgaande vormt het toestaan van woningbouw in de Eschenhoek 2 geen (aanvullende) belemmering voor eventuele voortzetting van de huidige bedrijfsvoering. Wel is door het toestaan van de beoogde woningbouw sprake van een inperking van de (planologische) uitbreidingsmogelijkheden van het agrarisch bedrijf. Het is namelijk na de wijziging van het omgevingsplan ten behoeve van de woningbouw niet meer mogelijk om in een deel van het huidige bouwvlak nieuwe dierverblijven op te richten. Immers geldt voor het oprichten van nieuwe dierverblijven dat een vaste afstand van 100 meter aangehouden moet worden ten opzichte van de meest nabij gelegen gevel van de geurgevoelige gebouwen (artikel 22.96 en 22.101 omgevingsplan Tubbergen). Dit geldt ook voor geurgevoelige gebouwen dit nog niet aanwezig zijn, maar wel zijn toegestaan op basis van het omgevingsplan. Voor deze beperking van de uitbreidingsmogelijkheden is relevant of daartegenover belangen staan die zwaarder wegen. In dit geval ziet het plan voor de Eschenhoek 2 op de realisatie van woningbouw. Gelet op de woningbehoefte binnen Tubbergen, alsook de lange periode van inactiviteit van het agrarisch bedrijf, weegt de gemeente het belang van woningbouw zwaarder dan het belang van eventuele uitbreiding als de agrarische bedrijfsactiviteiten worden hervat.
Bovendien zijn er geen concrete plannen om ter plaatse weer een veehouderij te exploiteren. Gelet hierop is geen sprake van
een onevenredige inbreuk op het belang van de melkrundveehouderij om uit te kunnen breiden. Verder is de opslag van vaste mest van belang. Op basis van de bruidsschat geldt voor de opslag van de vaste mest eveneens een aan te houden afstand van 100 meter. In artikel 22.120 van de bruidsschat is de eerbiedigende werking opgenomen voor geurgevoelige gebouwen/objecten die op 1 januari 2013 rechtmatig aanwezig waren. Dat is voor het woningbouwplan Eschenhoek 2 niet het geval, aangezien deze niet op 1 januari 2013 aanwezig was. Dat betekent dat zodra het omgevingsplan voor het woningbouwplan in werking treedt, de melkrundveehouderij voor de mestopslag niet meer voldoet aan de vaste afstand. Het gebruik van de mestopslag is dan niet meer toegestaan. Uit luchtfoto’s kan worden afgeleid dat de vaste mestopslag is afgebroken. Uit de milieutekening bij de melding van 11 november 2013, lijkt te volgen dat de vaste mestopslag met daarom heen een omheining/muur is vergund. Uit recente luchtfoto’s wordt afgeleid dat de omheining/muur niet meer aanwezig is en het gebruik dus al enige tijd is gestaakt. Gelet op de woningbehoefte binnen Tubbergen, gelet op de sanering van de mestopslag en daarmee de lange periode van inactiviteit, acht de gemeente dat het belang van de woningbehoefte binnen Tubbergen zwaarder weegt dan de hervatting van de mestopslag.
Er is dan ook geen sprake van een onevenredige inbreuk op het belang van de melkrundveehouderij om de mestopslag te hervatten. De planregel die het bouwen en gebruiken van mestopslag mogelijk maakte in de planregels is in voorliggend plan verwijderd uit de planregels, ter plaatse van de agrarische functie binnen het plangebied. 5.7.3
Aanvaardbaar woon- en leefklimaat
Voor omgevingsplannen bevat paragraaf 5.1.4.6 Bkl instructieregels voor geur. Volgens het Bkl moet de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw (waaronder ook reguliere woningen worden verstaan) aanvaardbaar zijn. Voor melkkoeien geldt de standaardafstand van 100 meter voor geurgevoelige gebouwen die zijn gelegen binnen de bebouwingscontour en geldt er een afstand van 50 meter voor geurgevoelige gebouwen die zijn gelegen buiten de bebouwingscontour. Deze afstanden moeten worden aangehouden tussen de gevel van het dierenverblijf en de gevel van een geurgevoelig gebouw. De geurgevoelige objecten in het plangebied zijn gelegen in de bebouwingscontour, zodat de afstand van 100 meter geldt. Er wordt niet voldaan aan de afstand van 100 meter, omdat een aantal woningen aan de westzijde van het plangebied binnen de afstand van 100 meter ligt. Op basis van artikel 5.112 lid 2 Bkl kan de afstand van 100 meter worden verkleind tot 50 meter. Gelet op de situering van het plangebied is er sprake van een overgangsgebied tussen bebouwde kom en het buitengebied. Verder is van belang dat de gemeente Tubbergen in een concentratiegebied als bedoeld in bijlage 1 van de Meststoffenwet. Voorts is de gemeente Tubbergen van oudsher een agrarische gebied en daarmee is een hogere geurbelasting inherent aan het gebied.
Gelet op het karakter van het betrokken gebied, is er met een verkleining van de afstand tot 50 meter tussen de gevel van het dichtstbijzijnde agrarische gebouw en het eerste geurgevoelige object binnen het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bij de beoordeling op het onderdeel geur vanuit het agrarische bedrijf dient niet alleen uit gegaan te worden van wat planologisch maximaal haalbaar is, maar ook wat feitelijk gerealiseerd kan worden. Gezien de actuele milieuregelgeving, ten aanzien van de stikstofdepositie en geuremissies, is het niet aannemelijk dat een nieuw (geur uitstotend) dierenverblijf gerealiseerd zal worden aan de rand van het bouwvlak. Op voorhand is aannemelijk geacht dat benodigde natuur- en milieuvergunningen niet meer verkregen kunnen worden voor het bouwen van nieuwe geur producerende agrarische functies. Om deze reden wordt daarom bij de beoordeling van de gevoelige functies en de benodigde richtafstand van 50 m gemeten tussen de gevel van het de huidige agrarische bebouwing aan de Hardenbergerweg 50 en de gevel van de dichtstbijzijnde geurgevoelige functie binnen het plangebied. Aan de richtafstand wordt voldaan. Verder geldt er op basis van artikel 5.116 lid 2 Bkl een standaardafstand voor de opslag van vaste mest van 100 meter. Deze afstand moet worden aangehouden tussen de mestopslag en de gevel van een geurgevoelig gebouw.
Aan deze afstand wordt niet voldaan, maar omdat deze mestopslag is gesaneerd en niet meer wordt gebruikt, is het aanvaardbaar om op korte afstand geurgevoelige objecten mogelijk te maken.
Conclusie Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat wat betreft het aspect geur sprake zal zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.8 Omgevingsveiligheid Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • • • •
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • • • •
Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl) Toetsing van het voornemen Aan hand van de AtlasLeefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 5.3 is een uitsnede van de risicokaart opgenomen.
Het plangebied is hierin weergegeven met de rode cirkel.
Afbeelding 5.3: Uitsnede risicokaart (Bron: atlasleefomgeving.nl)
Uit de kaart blijkt dat het plangebied zich niet bevindt binnen aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s. Het plangebied ligt niet binnen aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s. Ten zuidoosten van het plangebied zijn twee opslagtanks aanwezig. Vanuit deze opslagtanks gaan geen risicocontouren uit. Met de voorgenomen activiteiten wordt de omgevingsveiligheid in voldoende mate gewaarborgd. Vanuit het aspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.9 Trillingen Het omgevingsaspect trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van het omgevingsplan. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 van het omgevingsplan en 5.87a van het Bkl. Toetsing van het voornemen Op basis van de Handreiking nieuwbouw en spoortrillingen is het onderzoeksgebied in beginsel 100 meter. Binnen 100 m van het plangebied is geen activiteit aanwezig die trilling veroorzaakt. Hierdoor hoeven geen effecten van trilling verwacht te worden binnen het plangebied. Het is aannemelijk dat het trillingsniveau niet boven de streefwaarde uitkomt.
Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.10 Archeologie Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden.
Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Toetsing van het voornemen Op basis van het tijdelijk deel van het ‘Omgevingsplan gemeente Tubbergen’ zijn de gronden ter plaatse van het plangebied grotendeels voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ met een functieaanduiding duidend op een middelhoge archeologische verwachtingswaarde, Waarde - Archeologie 3’ en ‘Waarde – Archeologie 4’. Veruit het grootste gedeelte van het plangebied heeft de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ toegewezen gekregen.
Binnen ‘Waarde – Archeologie 3’ is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij grondroerende werkzaamheden over een oppervlakte van 2.500 m 2 en een diepte van 40 cm onder het maaiveld. Binnen ‘Waarde – Archeologie’ en ‘Waarde – Archeologie 4’ is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij grondroerende werkzaamheden over een oppervlakte van 5.000 m 2 en een diepte van 40 cm onder het maaiveld. De oppervlakte van de gronden binnen het plangebied met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ is kleiner dan 5.000 m 2. Ter plaatse van deze gronden wordt archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht. Voor zover de gronden binnen het plangebied zijn voorzien van de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’, wordt verkennend archeologisch bureau- en veldonderzoek noodzakelijk geacht. Bureau en veldonderzoek Door Laagland Archeologie is een bureau en veldonderzoek uitgevoerd over het gehele plangebied. Het gehele onderzoek is toegevoegd aan deze motivatie als Bijlage 8. Op basis van het veldonderzoek wordt voor een groot deel van het plangebied een vervolgonderzoek geadviseerd omdat resten uit het Laat Neolithicum en Vroege Middeleeuwen worden verwacht. Het advies luidt dit volgens een proefsleuvenonderzoek te doen. Proefsleuvenonderzoek Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn enkele greppels aangetroffen, naast recente ploegsporen en sporen van grondverbetering.
Deze sporen betreffen geen archeologische vindplaats. Er zijn geen sporen aangetroffen die wijzen op bewoning. Op basis van de resultaten wordt geadviseerd het plangebied vrij te geven voor de geplande ontwikkeling. Het volledige proefsleuvenonderzoek is bij deze motivering gevoegd als Bijlage 9.
5.11 Bodem Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; •
beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;
• •
evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.
De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: • • • •
Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname.
Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Situatie plangebied In voorliggende situatie worden agrarische gronden bebouwd en veranderd de functie van de gronden naar een woonfunctie. Om aan te tonen dat de milieuhygiënische staat van de bodem ter plaatse past bij het beoogde gebruik is een bodemonderzoek noodzakelijk. Door Kruse Groep is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is bij deze motivering gevoegd als Bijlage 10. Verkennend bodemonderzoek Het verkennend onderzoek concludeert dat zowel de bovengrond als de ondergrond niet zijn verontreinigd. In het grondwater zijn licht verhoogde waarden gemeten. Deze waarden overschrijden de interventiewaarden niet. Er is dan ook geen reden om een nader bodemonderzoek uit te voeren. Vanuit het oogpunt van bodem zijn er geen bezwaren tegen de nieuwbouwplannen en het nieuwe gebruik van de gronden. Er worden geen risico’s voor de volksgezondheid verwacht. Conclusie Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.12 Lichthinder Er zijn veel locaties met kunstmatige verlichting. Dit kan verschillende soorten negatieve effecten veroorzaken. Lichthinder is een thema dat decentrale overheden moeten afwegen.
Rijksregels zijn er alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen en deze regels zijn opgenomen in het Bkl. Voor lichthinder bij sportvelden is in de bruidsschat een beperking opgenomen van het gebruiken van de belichting in de avond en nacht en zonder gebruik van de sportvelden. In het kader van ETFAL (Evenwichtige toedeling van functies aan locaties) van belang om te bepalen of de nabije omgeving geen lichthinder kan ervaren van de beoogde ontwikkeling. Situatie plangebied Door Alcedo is voor voorliggende ontwikkeling een onderzoek uitgevoerd naar de te verwachten lichthinder bij woningen als gevolg van de sportvelden ten zuiden van het plangebied. Het volledige onderzoek is toegevoegd aan deze toelichting als Bijlage 11. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat de hoogst gemeten verlichtingssterkte maximaal 9.36 lux bedraagt. Hiermee wordt ter plaatse van de woningen en het woonzorggebouw aan de criteria van de Richtlijn Lichthinder voldaan. De maximaal gemeten lichtsterkte bedraagt 65.478 cd. Hiermee wordt de maximaal toelaatbare waarde overschreden. Voor het verbeteren van de situatie kan gedacht worden aan de volgende maatregelen: • Aanbrengen van afschermingskappen
• Lichtmasten meer naar het veld (naar beneden) richten. Tot slot kan ook aan ingrijpendere maatregelen worden gedacht zoals het aanbrengen van nieuwe armaturen op de masten welke niet voldoen. Ten tijde van het schrijven van deze motivering lopen er gesprekken met de voetbalvereniging. De noodzakelijke maatregelen om onevenredige lichthinder weg te nemen worden getroffen. Hierbij wordt gedacht aan vervanging van oude verlichting, bijstellen van de schijnrichting en het aanbrengen van lichtkappen. Conclusie Met inachtneming van het treffen van maatregelen om onevenredige lichthinder weg te nemen, is vanuit het aspect lichthinder sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.13 Waterbelang Algemeen Nederland is een waterland. De opgaven op het terrein van water zijn groot en worden in de toekomst alleen maar groter. Om ons land ook voor de komende generaties veilig, aantrekkelijk en leefbaar te houden, is het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) ontwikkeld. Dit NWP beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen. De provincie houdt toezicht op de waterschappen en is verantwoordelijk voor veilig drinkwater. Ook zorgt zij voor de plannen voor waterbeheer in de regio. Ook is de provincie verantwoordelijk voor vergunningverlening voor drinkwaterwinning. De ambities zijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving. De waterschappen beheren water en waterkeringen (dijken) en zuiveren afvalwater. Ook zorgen zij voor de kleine waardevolle wateren, zoals vennen en bronnetjes. Voor grotere rivieren, meren en kanalen en grondwaters bestaat de Europese Kaderrichtlijn. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben de waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg).
Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen het waterschap wil nemen. Bij nieuwe plannen dient rekening te worden gehouden met de waterhuishoudkundige situatie. Dit houdt in dat de gevolgen van het plan op de waterbelangen beschreven moeten worden. Een belangrijk instrument hierbij is de watertoets. De waterbelangen en waterhuishoudkundige doelstellingen worden hierbij afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen gaan over zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Ten behoeve van de waterhuishouding heeft Geofoxx BV een waterhuishoudkundig plan opgesteld voor voorliggende ontwikkeling. Het volledige waterhuishoudkundige plan is opgenomen als Bijlage 12. Als volgt wordt de samenvatting en conclusie van het waterhuishoudkundig plan behandeld: Waterhuishoudkundig plan Binnen het plangebied zal hemelwater en vuil water gescheiden worden afgevoerd. Hierbij is gekozen om hemelwater grotendeels over het maaiveld en via natuurlijk afschot te laten afstromen naar wadi’s. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen het noordelijk deel en het zuidelijk deel van het plangebied. Door de ontwikkeling is in het openbaar gebied straks circa 14.850 m 2 verharding aanwezig.
In lijn met de bergingseis (37 tot 91 mm) is binnen het plangebied 550 tot 1.350 m 3 bergingscapaciteit benodigd. De wadistructuur binnen het plangebied heeft een totale inhoud van circa 1.900 m3 bij 0,5 m water in de wadi. Daarmee is binnen het plangebied voldoende ruimte voor groen en water gecreëerd om te voldoen aan de bergingseis. Opgemerkt dient te worden dat is uitgegaan van een statische berging. De dynamische (berging & infiltratie)capaciteit van het systeem zal groter zijn. De wadi’s kunnen overstorten op het omliggende watersysteem, bestaande uit sloten en een watergang van het waterschap. Overstorten vanuit de wadi dienen met deugdelijke
materialen te worden aangebracht, zodat uitspoeling van de oevers wordt tegen gegaan. Langs de watergang van het Waterschap dienen zeer flauwe taluds van de wadi toegepast te worden (1:8 of flauwer) of een schouwpad van minimaal 3 m breed. Het vuilwaterriool wordt aangelegd met de afstromingsrichting naar centrale deel van het plangebied. Centraal in het plangebied wordt een gemaal aangebracht welke het water middels een persleiding richting de Sportlaan pompt. Door de gemeente Tubbergen dient te worden nagegaan welke hydraulische gevolgen dit heeft voor de bestaande gemalen danwel persleidingen waar op aangesloten dient te worden. Op basis van de toekomstige inrichting van het plangebied is er voldoende drooglegging aanwezig om te bouwen met kruipruimte. Het waterhuishoudkundig plan geeft ten slotte nog enkele adviezen mee: • • •
•
Geadviseerd wordt onder de wadi’s een drain aan te leggen inclusief een zandbaan. De drain dient onder de GLG aangebracht te worden; Aanbevolen wordt de wadi ten noordwesten van het plangebied aan de noordwestzijde te voorzien van een zeer flauwe oever zodat deze verwerkt kan worden in het landschap; Gezien de toekomstige functie van de zuidelijke bebouwing (zorgfunctie) wordt geadviseerd eventuele molgoten niet te diep te maken. Dit draagt bij aan de begaanbaarheid van het terrein; Gemeente Tubbergen dient nader te analyseren of de extra hoeveelheid vuilwater verwerkt kan worden door vanaf het gemaal aan te sluiten op de bestaande persleidingen in de Sportlaan. Hierna dient de dimensionering van het gemaal door een installateur nader uitgewerkt te worden als onderdeel van de verdere civiele uitwerking van het plan.
Watertoets Om vast te stellen welke waterbelangen spelen bij de planontwikkeling en welke procedure in het kader van de watertoets moet worden gevolgd, is de digitale watertoets uitgevoerd op de website www.hetwateradvies.nl in januari 2025. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de normale procedure van de watertoets is toegepast. De functie en de grootte van het plan hebben invloed op de waterhuishouding. Op 14 januari 2025 is het planontwerp van de woningbouwontwikkeling reeds besproken met het waterschap. Navolgend is de conceptrapportage van het uitgevoerde waterhuishoudkundige plan op 27 februari 2025 besproken met de gemeente Tubbergen. De aandachtspunten zijn verwerkt in het (definitieve) waterhuishoudkundige plan. 5.14 Gezondheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: • •
het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?) het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).
Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande
paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van een activiteit optreedt. Gewasbeschermingsmiddelen Op agrarische grond waarop gewassen mogen worden geteeld, kunnen gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen worden gebruikt. Deze zorgen ervoor dat planten, groente of fruit beschermd worden tegen schimmels, insecten en andere plagen. Verspreiding van deze gewasbeschermingsmiddelen (door de wind) kan tot gezondheidsproblemen leiden. Er zijn geen regels in de wet die bepalen dat een bepaalde afstand tot agrarische grond moet worden aangehouden. In de rechtspraak wordt als vuistregel een afstand van 50 meter tussen de agrarische grond en gevoelige functies, zoals woningen, aangehouden. Dit wordt een spuitzone genoemd. De 50 meter vuistregel uit jurisprudentie is een indicatieve afstand. Een verantwoorde afstand hangt onder meer af van het soort teelt ter plaatse en de plaatselijke omstandigheden.
Bij het bepalen of een spuitzone van toepassing is, geldt de maximale planologische invulling. Bij de beoordeling van de vraag of (al dan niet) een spuitzone moet worden aangehouden, moet niet worden gekeken naar het feitelijke gebruik maar naar hetgeen planologisch maximaal is toegestaan. Bij de ontwikkeling van een nieuwe gevoelige functie nabij agrarische percelen, is het dus allereerst van belang om te weten wat de maximale gebruiksmogelijkheden van dat agrarische perceel op basis van het omgevingsplan zijn. In de meeste gevallen laat het omgevingsplan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op agrarische gronden toe, tenzij het telen van gewassen via bijvoorbeeld een aanduiding expliciet is uitgesloten. Toetsing van het voornemen In een zone van 50 m rondom de gevoelige functies binnen het plangebied, de woonfunctie en de maatschappelijke functie, is op agrarische gronden een functieaanduiding gelegd. Op gronden binnen deze functieaanduiding is het enkel mogelijk om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken wanneer hiervoor een omgevingsvergunning wordt verleend. In de planregels van dit TAM omgevingsplan zijn de voorwaarden opgenomen die gelden bij het verlenen van een dergelijke vergunning.
Een van de voorwaarden voor het verlenen van een vergunning is dat aangetoond dient te worden dat de manier van het werken met gewasbeschermingsmiddelen nog steeds voldaan wordt aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit kan worden aangetoond door een locatiespecifiek onderzoek uit te voeren. Hiermee wordt het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voorkomen op een afstand van minder dan 50 m rondom gevoelige functies. Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect gezondheid sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.15 Duurzaamheid Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot uiting in verschillende aspecten van de wet. Zo introduceert de Omgevingswet het begrip 'duurzame ontwikkeling' als een overkoepelend doel. Duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Dit betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met langetermijneffecten. Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl. Toetsing van het voornemen De nieuw te bouwen woningen en het woon-zorgcomplex zullen volgens de laatste duurzaamheidsnormen en -eisen worden gebouwd.
Nieuwbouw dient sinds 1 juli 2018 aardgasloos te zijn en bijna energieneutraal (BENG). Vanuit het aspect duurzaamheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.16 Klimaatadaptatie In deze paragraaf is de kwetsbaarheid van het plangebied voor hittestress, wateroverlast, droogte en overstromingen beoordeeld. Door klimaatverandering neemt de kans op wateroverlast, hitte, droogte en overstromingen toe. Het KNMI heeft scenario’s opgesteld waarin duidelijk wordt gemaakt hoe deze toename er naar verwachting in de toekomst uit ziet. Een vergrote kans op wateroverlast, hitte, droogte en overstromingen levert risico’s op voor veiligheid, gezondheid en economie. Ruimtelijke aanpassing om deze risico’s tegen te gaan noemen we klimaatadaptatie. Hierna wordt ingegaan op de relevante thema’s. 5.16.1 Hitte 5.16.1.1 Algemeen Klimaatverandering leidt in Nederland tot meer zomerse en tropische dagen. In dichtbebouwde gebieden met veel verstening is op warme dagen de opwarming het hardst te merken. In gebieden met veel groen (ook stedelijk) is deze opwarming door evapotranspiratie en schaduw minder waarneembaar. Bij warme nachten is er kans op hittestress. Langdurige blootstelling aan hoge temperaturen zorgt voor gezondheidsrisico's. Langdurig aanhoudende hitte kan leiden tot klachten als vermoeidheid, concentratieproblemen en hoofdpijn. Er bestaat ook risico op uitdroging en oververhitting. In Nederland stijgt tijdens hittegolven de sterfte met 12%. In buurten met veel verharding is minder verdamping door planten, waardoor het warmer kan worden.
In de stad is het doorgaans warmer dan in het omringende landelijk gebied. Dit wordt het stadseffect of stedelijk hitte-eiland effect genoemd. Dit effect is 's nachts het sterkst aanwezig: de warmte blijft tussen gebouwen hangen. Gebieden met slecht geïsoleerde woningen en met kwetsbare groepen zijn bijvoorbeeld gevoeliger. De meest gevoelige mensen voor hittegerelateerde ziekten en sterfte zijn ouderen boven de 75 en chronisch zieken, met name als zij hart-, ademhaling- en nieraandoeningen hebben. In de beleidskaders zijn voor het thema hitte geen normen opgenomen. 5.16.1.2 Situatie plangebied In voorliggend geval is het plangebied gelegen aangrenzend aan de bebouwde kom van de kern Tubbergen. Hierbij wordt opgemerkt dat het niet om een typische bebouwde kom gaat. Het plangebied is namelijk gelegen aangrenzend aan een voetbalvereniging en woonzorgcomplex. Het woonzorgcomplex bevindt zich in een parkachtige setting met veel groen, de gronden van de voetbalvereniging bestaan voornamelijk uit (kunst)grasvelden. Het plangebied grenst aan het buitengebied waarbij er veel sprake is van open landschap en relatief weinig bebouwing en verharding. Het plangebied is daarmee in de huidige situatie relatief weinig gevoelig voor hittestress. Met voorgenomen ontwikkeling zal de verharding toenemen in het plangebied.
Daarom wordt aangeraden om bij de inrichting van het plangebied, waar mogelijk, hittestress te voorkomen. Hittestress in de gebouwde omgeving kan op verschillende manieren worden tegengegaan. Hierna zijn als aanvulling enkele mogelijke strategieën en maatregelen om hittestress te verminderen: •
Vergroenen van de gebouwde omgeving. Plant bomen, struiken en groene daken om schaduw te creëren en het oppervlak te koelen door verdamping. Groene oppervlakken absorberen minder warmte dan harde oppervlakken zoals beton en asfalt;
•
Houd er rekening mee in het stedelijk ontwerp van het plangebied. Dit kan onder andere inhouden dat gebouwen worden geplaatst op een manier die schaduw creëert op de buitenruimten in het plangebied;
•
Houd in het bouwplan rekening met bouwmaterialen met een lage warmteabsorptie, zoals lichte kleuren of speciale coatings die minder warmte vasthouden. Dit helpt de temperatuur van gebouwen en oppervlakken te verlagen.
•
Houd rekening met de stand van de zon ten opzichte van de bebouwing. Om zoninval te beperken kan gedacht worden aan het beperken van glas of het aanbrengen van zonnewering of zonwerende materialen op de zuidzijde.
•
Het aanleggen van waterbergende maatregelen kan zorgen voor verkoeling en daarmee effectief zijn in het bestrijden van hittestress.
Opgemerkt wordt dat in het huidige stedenbouwkundige ontwerp al in ruim voldoende mate rekening wordt gehouden met het aanleggen van groen om zodoende hittestress te beperken. Op gebouwniveau moeten passende maatregelen worden genomen om hittestress waar mogelijk tegen te gaan, zowel in het bouwplan als bij inrichting van de buitenruimte. Op die manier wordt een gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit gerealiseerd. 5.16.1.3 Conclusie Het plangebied is in de huidige situatie relatief weinig gevoelig voor hittestress. In de beleidskaders zijn voor hitte zijn geen normen opgenomen, hittestress vormt daarom geen belemmerend effect voor deze ontwikkeling. In het stedenbouwkundig ontwerp is ruimschoots voorzien in de aanleg van groenvoorzieningen, waardoor het plangebied ook in de toekomst slechts in geringe mate gevoelig zal zijn voor hittestress.
5.16.2 Wateroverlast 5.16.2..1 Algemeen De komende jaren wordt naast hitte en droogte ook steeds meer wateroverlast verwacht. Sinds het begin van de vorige eeuw is het ruim 25% natter geworden in Nederland. Deze neerslag valt met name in de zomer: de intensiteit van hoosbuien neemt zichtbaar toe en hevige buien vallen vaker. De algemene trend voor Nederland is dat de zomerse hoosbuien heviger worden en de winters natter. In Nederland zien we steeds vaker dat de extreem hete periodes gepaard gaan met hevige regenbuien. Hevige neerslag over een korte periode kan lokaal zorgen voor wateroverlast. Dit type wateroverlast komt het meest voor bij wolkbreuken in de zomer. Een groot deel van de Nederlandse straten en pleinen kunnen bij hevige buien onder water komen te staan. De meeste schade treedt op wanneer het water (over de stoepen) gebouwen instroomt. Ook zijn er gezondheidsrisico’s als er vervuild water op straat blijft staan: bij gemengde riolen kan regenwater zich mengen met niet-gezuiverd water. De voorkeursvolgorde voor omgaan met hemelwater is als volgt: benutten en besparen, vasthouden en infiltreren, bergen, afvoeren. Het doel is dat neerslag niet leidt tot waterschade aan gebouwen, boven- en ondergrondse infrastructuur en voorzieningen. Kwetsbare en vitale functies en voorzieningen blijven beschikbaar.
5.16.2.2 Situatie plangebied Om de mogelijke risico’s voor wateroverlast nu en in de toekomst in beeld te brengen kan gebruik gemaakt worden van de Klimaateffectatlas. Op basis van de Klimaateffectatlas is het plangebied weinig gevoelig voor wateroverlast. Dit komt echter omdat er in de huidige situatie nog weinig tot geen bebouwing aanwezig is ter plaatse van het plangebied. Bovendien wordt de ontwikkeling gerealiseerd op een es. Een es is een akker die hoger gelegen is. Aan de randen van de es verzamelt zich bij piekbuien het hemelwater. Bij de uitwerking van het stedenbouwkundig en waterhuishoudkundige plan is hiermee rekening gehouden door aan de randen van het plangebied ruimte te houden voor groen en waterberging in de vorm van wadi’s of toe te voegen oppervlaktewater. Er wordt voldaan aan de desbetreffende waterbergingseis waardoor er netto geen verslechtering plaats van de gevoeligheid voor wateroverlast. Het plangebied blijft, net als in de huidige situatie, redelijk ongevoelig voor wateroverlast. Er wordt rekening gehouden met het hoogte van de vloerpeil (0,2 meter hoger aanleggen dat het laagste punt van de rijbaan in het straat/wegprofiel) waardoor waterschade in gebouwen kan worden voorkomen. 5.16.2.3 Conclusie Wateroverlast door piekbuien vormt geen belemmerend effect voor deze ontwikkeling.
5.16.3 Droogte 5.16.3.1 Algemeen Droogte is het uitzakken van grondwater door een combinatie van neerslagtekort en verdamping door een periode van hoge temperaturen. Wanneer het grondwater uitzakt, kan dit negatieve gevolgen hebben voor de stabiliteit van bebouwing, voor bomen en voor openbaar groen. Om droogte in verhard gebied tegen te gaan, is het belangrijk om voldoende infiltratiegebieden te realiseren. Hierdoor kan het water ten tijde van langdurige regen de grondwaterstand op peil brengen. Dit soort gebieden zijn gemakkelijk te realiseren door het gebruik van groen (bomen, heggen, verschillende grassen en halfverharding) op zowel openbare plekken alsook op particuliere gronden. Wanneer hier geen rekening mee wordt gehouden in het plan, zal in plaats van infiltratie in de bodem, het hemelwater worden afgevoerd via de riolering, waardoor het grondwaterpeil niet wordt aangevuld en tijdens drogere periodes meer schade wordt veroorzaakt. Een ander effect van droogte is (toenemende) bodemdaling. Toenemende droogte kan de processen van bodemdaling versterken. Dat kan verschillende gevolgen hebben, zoals een groter risico op overstromingen of schade aan funderingen en gebouwen.
5.16.3.2 Situatie plangebied Door groen - bomen, struiken, bloemsoorten, gras – toe te passen in het plangebied krijgt regenwater de mogelijkheid om ter plaatse te infiltreren in de bodem en wordt het grondwater door het jaar heen aangevuld. Rondom en binnen het plangebied zijn voldoende onbebouwde gronden aanwezig om er voor te zorgen dat voldoende water in de bodem kan infiltreren en de grondwaterstand bij kan vullen. Het plangebied is daarmee relatief weinig gevoelig voor droogte. Om het mogelijke risico voor bodemdaling in kaart te brengen is gebruik gemaakt van de Bodemdalingskaart 2.0 een initiatief van het NCG (Nederlands Centrum voor Geodesie en GeoInformatica). In het plangebied is geen sprake van bodemdaling. Daarom vormt het aspect bodemdaling geen belemmering voor de realisatie van de ontwikkeling. 5.16.3.3 Conclusie Droogte vormt geen belemmerend effect voor deze ontwikkeling. 5.16.4 Overstromingsrisico 5.16.4.1 Algemeen Nederland is kwetsbaar voor de gevolgen van klimaatverandering, waaronder overstromingen. Door klimaatverandering stijgt de zeespiegel en neemt de neerslag (met name in de winter) toe. Zonder aanvullende inspanning zou klimaatverandering er voor zorgen dat de kans op overstroming toeneemt. De snelheid van de zeespiegelstijging is onzeker. Klimaatadaptatie is een belangrijk onderdeel van het waterveiligheidsbeleid.
Het Nationaal Waterbeheer Programma 2022-2027 gaat uitvoerig in op het beleid en maatregelen rondom klimaatadaptatie. Hiervoor bouwt het Rijk voort op bestaande strategieën, zoals de overstromingsrisicobenadering en meerlaagsveiligheid. Uiterlijk in 2050 moeten de primaire waterkeringen aan de aangescherpte wettelijke normen voldoen. Ook wordt gewerkt aan het versterken van regionale keringen. In het Nederlandse waterveiligheidsbeleid is rekening gehouden met klimaatverandering door de belasting op de dijk voor hoge waterstanden elke 6 tot 12 jaar te beoordelen. Waterkeringen worden sinds 1 januari 2017 beoordeeld op basis van normen in termen van overstromingskansen: bijvoorbeeld eens per 100.000 jaar per dijktraject. In deze normering is het effect van verwachte klimaatverandering opgenomen. Op plekken waar klimaatverandering leidt tot hogere waterstanden worden maatregelen getroffen om de dijken veilig te houden.
5.16.4.2 Situatie plangebied In voorliggend geval ligt het plangebied aan de rand van de bebouwde kom in Tubbergen. Tubbergen bevindt zich in binnendijks gebied en niet in de directe nabijheid van een waterkering. In 2023 heeft het KNMI nieuwe klimaatscenario’s gepubliceerd: de KNMI’23-scenario's. Voor 2050 wordt een zeespiegelstijging verwacht van 16 tot 34 cm in het lage uitstootscenario en van 19 tot 38 cm in het hoge uitstootscenario. Rond 2100 zal de stijging 26 tot 73 cm bedragen in het lage uitstootscenario en 59 tot 124 cm in het hoge uitstootscenario. Op basis van hetzelfde W H-scenario kan ook de plaatsgebonden overstromingskans berekend worden. Binnen een achter dezelfde dijk gelegen gebied kunnen grote verschillen bestaan in de kans op een overstroming. Dit betekent dat het sterk per locatie kan verschillen of er maatregelen nodig zijn om de gevolgen van een overstroming te beperken. In voorliggend geval is gekeken naar de plaatsgebonden overstromingskans van een overstroming hoger dan 0 centimeter. Op basis van het W H-scenario wordt het plangebied niet weergegeven voor wat betreft de plaatsgebonden overstromingskans. Het overstromingsrisico is hiermee nihil en neemt niet toe als gevolg van de klimaatverandering. Het aspect overstromingen in het kader van klimaatadaptatie vormt dan ook niet een belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Verder wordt opgemerkt dat het thema ‘overstromingsrisico’ een taak is voor het Rijk. Het beheer en onderhoud van de waterkeringen is dan ook niet een verantwoordelijkheid die kan worden afgewenteld op dergelijke lokale initiatieven. 5.16.4.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect overstromingen in het kader van deze ontwikkeling dan ook geen nadere aandacht behoeft. 5.16.5 Conclusie Het aspect klimaatadaptatie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
6.
Financiële haalbaarheid
6.1 Algemeen In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden. 6.2 Kostenverhaal De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen, dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Tubbergen. Enerzijds door direct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie. Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente. De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld.
Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer.
7.
Juridische verantwoording
7.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is. 7.2 Opzet van de regels 7.2.1 Algemeen TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. Dit TAM-omgevingsplan is dan ook digitaal vormgegeven conform de standaarden van IMRO2012.
Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit de planregels en de bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: • • • •
Inleidende regels; Functieregels en gebiedsaanwijzingen; Algemene regels voor activiteiten; Overgangsrechtbepalingen.
7.2.2 Preambule De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De IMRO-standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij ‘artikel 1’ begint. Voor het TAM-IMRO omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet. Om duidelijk te maken hoe een TAM-IMRO omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, is een preambule opgenomen. De preambule geeft aan hoe het TAM-omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. Hieronder is de preambule weergeven. Dit plan beoogt een wijziging van het omgevingsplan ten behoeve van het bouwen van nieuwe woningen en een woonzorgvoorziening op uitbreidingslocatie de Eschenhoek 2. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Tubbergen. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1 lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl.
Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit deel van het omgevingsplan weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22k van het omgevingsplan van de gemeente Tubbergen.
In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22k' gelezen worden. De bijlage bij de in deze voorziening weergegeven hoofdstukken moet gelezen worden als onderdeel van Bijlage 22k bij het omgevingsplan van de gemeente Tubbergen. 7.2.3 Toepassingsbereik van het wijzigingsbesluit Het voor een bepaalde locatie vaststellen van nieuwe regels in een TAM-omgevingsplan zorgt er niet voor dat de oude regels op die locatie automatisch vervallen. Het TAM-omgevingsplan maakt namelijk geen gebruik van de technische vereisten van de nieuwe Omgevingswet, maar gebruikt zoals hiervoor beschreven nog de ‘oude’ standaarden. Om te voorkomen dat voor het gewijzigde deel van het omgevingsplan zowel nieuwe als oude regels gelden, is in dit TAM-omgevingsplan een toepassingsbereik opgenomen in artikel 3 van de inleidende regels. Het toepassingsbereik luidt als volgt: Artikel 3 (Toepassingsbereik) 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid. 2.
De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing binnen het plangebied van het TAMomgevingsplan Hoofdstuk 22k Eschenhoek Tubbergen, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0183.TAMGKESCHENHK-VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
7.2.4 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: • Anti-dubbeltelregel (Artikel 11): Deze regel is opgenomen om ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen; • Algemene ruimtelijke bouwregels (Artikel 12): deze regel is opgenomen ten behoeve van het in acht nemen van de standaardwaarde in een straal van 250 meter rondom de functie ‘Verkeer’ bij het realiseren van een geluidsgevoelige functie; • Planologische gebruiksactiviteiten (Artikel 13): Uitgangspunt is de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Vanuit deze gedachte is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten; • Regels parkeren (Artikel 14): In dit artikel zijn parkeernormen opgenomen; • Overige regels (Artikel 15): In de overige regels wordt verklaard dat de aanvraagvereisten uit paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan van de gemeente Tubbergen van toepassing zijn 7.2.5 Overgangsregels In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangsregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met deze wijziging van het omgevingsplan.
7.3 Verantwoording van de regels Het vertrekpunt voor voorliggend TAM-omgevingsplan zijn de relevante bestemmingen uit de bestemmingsplannen “Tubbergen”, “Tubbergen Buitengebied 2016”, “Tubbergen Buitengebied 2016 Veegplan” en “(veeg)bestemmingsplan kernen gemeente Tubbergen”. In sommige gevallen is gekozen om van de standaardregels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan af te wijken. Deze paragraaf licht deze keuzes toe.
Agrarisch - 1 (Artikel 4) Bovenstaande functie is overgenomen uit het plaatselijk planologisch regime en blijft grotendeels ongewijzigd. Daarnaast is binnen deze functie de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch uitgesloten – het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen’ toegevoegd. Hiermee wordt het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen binnen de bijbehorende functieaanduiding op de verbeelding verboden. Groen (Artikel 5) De functie Groen is grotendeels overgenomen uit het meest recente veegplan binnen de bebouwde kom. Hieraan is de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - in- en uitrit parkeergarage’ toegevoegd ten behoeve van de realisatie van een in- en uitrit van de parkeergarage bij het appartementencomplex. . Maatschappelijk (Artikel 6) De functie ’Maatschappelijk’ is grotendeels overgenomen uit het plaatselijk planologisch regime. Artikel 6.1, lid a ‘maatschappelijke voorzieningen’ is toegevoegd aan de functieomschrijving. Hiermee is het realiseren en bewonen van verscheidene woonvormen mogelijk gemaakt. Het wonen als onderdeel van een maatschappelijke functie was eerder niet mogelijk. Tuin (Artikel 8) De voor ‘Tuin’ aangewezen functie is overgenomen uit het meest recente veegplan van het buitengebied. Deze functie komt niet voor in de plannen binnen de bebouwde kom.
Het was voor de betreffende gronden tussen de hofwoningen wenselijk om hier een aparte functie op te nemen om de bouw van onwenselijke bijbehorende bouwwerken te voorkomen. Wonen – Wonen in de bebouwde kom (Artikel 9) De functie ‘Wonen – Wonen in de bebouwde kom’ is grotendeels overgenomen uit het plaatselijk planologisch regime. De voorwaardelijke verplichting tot het uitvoeren en in stand houden van het landschappelijk inpassingsplan en het waterhuishoudkundig plan zijn als voorwaardelijke verplichting verbonden aan de start en het einde van de bouw van de woningen binnen het plangebied. Aan de woningen zijn met functieaanduidingen meerdere maatvoeringen gegeven.
Bijlagen bij de ruimtelijke onderbouwing Bijlage 1
Beplantingsplan
Bijlage 2
M.e.r.- beoordeling
Bijlage 3
Verkeersonderzoek
Bijlage 4
AERIUS-berekening
Bijlage 5
Quickscan Natuurwaardenonderzoek
Bijlage 6
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
Bijlage 7
Akoestisch onderzoek geluid door activiteiten (voetbalveld)
Bijlage 8
Archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek
Bijlage 9
Archeologisch nader onderzoek, inventariserend veldonderzoek en proefsleuvenonderzoek
Bijlage 10
Bodemonderzoek
Bijlage 11
Lichthinder onderzoek
Bijlage 12
Waterhuishoudkundig plan
Bijlage 13
Participatieverslag