CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Motivering TAM-omgevingsplan Eschenhoek-Sportlaan, Tubbergen (oktober 2025).pdf

Gemeenteraad Tubbergen 16 december 2025, gemeente TubbergenBij agendapunt: 10: TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22k Eschenhoek25.153 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.1.6.2 Platteland in trek; toenemend aantal vestigers De komende jaren wil de gemeente voldoende woningen bouwen om te voorzien in de verwachte vraag. Om dat te bewerkstelligen is het ten eerste zaak om goed inzicht te hebben in die verwachte woningvraag. De afgelopen vijf jaar is het aantal huishoudens in Tubbergen gegroeid met ongeveer +300. Deze groei is mede tot stand gekomen door een positief binnenlands migratiesaldo. Er vestigden zich meer mensen in Tubbergen vanuit andere gemeenten, dan er vertrokken. In de jaren voor 2016 was er nog sprake van een vertrekoverschot. Het zijn vooral jongeren tussen 15 en 25 jaar die de gemeente verlaten. Dat komt voor een belangrijk deel vanwege werk of studie elders. Maar voor een deel van de vertrekkende jongeren speelt het woningaanbod mee. Voor hen zijn er niet of nauwelijks betaalbare woningen beschikbaar, waardoor zij (al dan niet tijdelijk) opteren voor een woning in een gemeente waar het aanbod goedkoper is. Een deel van de jongeren keert na verloop van tijd terug als men een gezin gaat stichten en meer financiële mogelijkheden heeft om een woning te kopen. Tubbergen staan immers bekend als een zeer kindvriendelijke gemeente met veel ruime gezinswoningen en met een school in elke kern. Daarnaast ziet de gemeente zeker de laatste jaren een vestigingsoverschot van 50-plussers.

Door de stijgende woningprijzen in de steden is de gemeente als groene, rustige woongemeente met ruime woningen steeds aantrekkelijker geworden voor vestigers. Het gaat vaak om vestigers die vanuit de stedelijke omgeving van Almelo en Hengelo op zoek zijn naar een ruime gezinswoning in het groen, maar steeds vaker gaat het ook om vestigers van ver buiten de regio. Dat kunnen mensen zijn die van oorsprong uit Tubbergen of omgeving komen, maar ook vestigers van verder weg die onze gemeente kennen omdat ze hier bijvoorbeeld ooit op vakantie zijn geweest. Het zijn nu nog met name 50- en 65plussers, waarvoor de reisafstand tot werk minder (of helemaal geen) een rol speelt. Maar de aantrekkingskracht van de gemeente Tubbergen neemt in de komende jaren wellicht ook toe bij andere leeftijdscategorieën, omdat thuiswerken door de Coronacrisis een hoge vlucht heeft genomen. De fysieke nabijheid van kantoor is daardoor minder belangrijk geworden, terwijl een ruime woning (met ruimte voor een werkplek) juist belangrijker wordt. 4.1.6.3 Woningbouwprogramma: +640 woningen De gemeente gaat uit van een woningbehoefte van 640 woningen voor de periode 2020-2030. Gezien de huidige druk op de markt wil de gemeente deze woningbouwopgave zoveel mogelijk binnen vijf jaar realiseren.

Mocht er na de eerste vijf jaar meer woningen gebouwd zijn dan de geprognosticeerde behoefte, dan zal de gemeente daar met de woningbouwopgave na 2025 rekening mee houden.

Daarnaast is het wenselijk om een ruimere plancapaciteit aan te houden dan enkel te koersen op de verwachte woningbehoefte. De ervaring leert dat een deel van de plannen vertraging oploopt of helemaal niet doorgaat. Voor het tijdig kunnen inspelen op de behoefte is een zachte plancapaciteit van 130% reëel; zo’n 830 woningen over de gehele gemeente (ervan uitgaande dat 30% van de plannen niet of vertraagd wordt gerealiseerd). Voor de kern Tubbergen ligt het totaal op 255 woningen. De voorkeur geeft aan het invullen van de woningbouwbehoefte in kleine, eventueel gefaseerde, plannen. Hierdoor kan goed worden bijgestuurd als dit wenselijk is. 4.1.6.4 Bouwen op de juiste plek In overeenstemming met de Ladder voor duurzame verstedelijking gaat de gemeente de nieuwbouwopgave zoveel mogelijk binnen de bebouwde kom op inbreidingslocaties realiseren. Op die manier blijft het buitengebied zo groen mogelijk. Wel moeten deze plannen kwalitatief getoetst worden. In een aantal kernen zijn de mogelijkheden voor inbreiding beperkt. Bijvoorbeeld omdat inbreiding te zeer ten koste gaat van het dorpse- en landelijke karakter, of omdat er niet of nauwelijks inbreidingslocaties voorhanden zijn. Daarom zetten we ons er voor in dat het ook in de toekomst mogelijk blijft om -uiteraard zo zorgvuldig mogelijk- potentiële locaties aan de randen van de bebouwde kom te benutten.

De Regionale Woonagenda biedt ook die ruimte. 4.1.6.5 Prioriteiten voor starters en senioren In algemene zin neemt de behoefte aan kleinere woningen onder starters toe. Er zijn nog steeds starters die een ruime woning met grote kavel kopen of bouwen, maar de gemeente ziet nu ook nieuwbouwinitiatieven met rijwoningen opkomen, waar veel interesse voor is. De komende jaren wil de gemeente het woningaanbod voor starters vergroten. Het is hierbij zaak om snel aan de slag te gaan, om te voorkomen dat (nog meer) starters op zoek gaan naar goedkoper aanbod in andere gemeenten. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is het vergroten van het aanbod aan goedkope koopwoningen voor starters met beperkte financiële mogelijkheden (waaronder alleenstaande starters). Een tweede belangrijke doelgroep zijn de senioren op de woningmarkt. Het aantal huishoudens van 65 jaar en ouder neemt de komende jaren verder toe. Op dit moment vormt de groep 1+2 persoonshuishoudens van 65 jaar en ouder 31% van het totaal aantal huishoudens in Tubbergen, in 2030 is dat gestegen naar 38%. Veel oudere huishoudens wonen op dit moment in een ruime eengezinswoning. Een groot deel van deze groep wil het liefst zo lang mogelijk in hun eigen woning in de vertrouwde woonomgeving blijven wonen. Zowel landelijk als lokaal beleid heeft hier de afgelopen jaren ook sterk op ingezet.

Maar een deel van de ouderen overweegt wel te verhuizen. Vooral omdat zij op zoek zijn naar een levensloopgeschikte woning waar zij ook kunnen wonen als de gezondheid achteruit zou gaan. Belangrijk voor zo’n woning is dat slaap- en badkamer bij voorkeur op de begane grond zitten en bij voorkeur in de eigen vertrouwde omgeving (de buurt of kern waar men nu woont) en op loopafstand van voorzieningen staat. De woning moet ook nog enigszins betaalbaar zijn (meestal betekent dat goedkoper dan de huidige woning). Al deze wensen maakt het lastig om tot een geschikt woonproduct te komen. In de praktijk blijven veel ouderen daardoor in hun huidige woning wonen, ondanks hun verhuiswens. Het voordeel van gerichte nieuwbouw voor senioren is dat er meer doorstroming op de woningmarkt komt. Als senioren gaan verhuizen, komen er meer bestaande ruime woningen op de markt die geschikt zijn voor gezinnen, waardoor er uiteindelijk ook weer meer woningen voor jonge doorstromers en starters beschikbaar komen. Daarom heeft de gemeente als ambitie om een substantieel deel van de nieuwbouw de komende jaren levensloopgeschikt te realiseren. 4.1.6.6 Beperkte bouwopgave voor gezinnen De grootste groep huishoudens wordt in onze gemeente gevormd door gezinnen met kinderen. De verwachting is dat deze groep in omvang iets zal afnemen de komende jaren.

Daar staat tegenover dat een groot deel van de huidige woningvoorraad nu al gericht is op deze doelgroep; namelijk ruime

grondgebonden koopwoningen. In de basis zien we daarom geen grote opgave om het woningaanbod voor deze doelgroep uit te breiden. Toch zijn er enkele redenen waarom we op beperkte schaal ruimte willen blijven bieden voor (middel)dure grondgebonden koopwoningen. Ten eerste zullen de bestaande grondgebonden koopwoningen niet van vandaag op morgen allemaal beschikbaar komen. Dit hangt af van de doorstroming van met name senioren. Zij vormen echter geen sterk verhuisgeneigde doelgroep. Indien het gewenst is om de eerstkomende jaren ruimte te blijven bieden aan gezinnen die hier willen (blijven) wonen, dan is enige mate van nieuwbouw noodzakelijk. Ten tweede wil de gemeente gevarieerde nieuwbouwlocaties ontwikkelen, met een mix van woningtypen, huur/koop en prijsklassen. De gemeente wil voorkomen dat met nieuwbouw eenzijdige wijken gecreëerd worden met alleen goedkope woningen of buurten met een eenzijdige bevolkingssamenstelling. 4.1.6.7 Toetsing initiatief aan de woonvisie Het te realiseren woningbouwinitiatief biedt ruimte aan verschillende groepen inwoners die binnen de gemeente op zoek zijn naar een woning. Het gaat om zowel starters, doorstromers, senioren als zorgbehoevenden. Met 84 woningen voorziet het initiatief in een belangrijk deel van het verkleinen van de woningbehoefte binnen Tubbergen.

In de Ladderonderbouwing in paragraaf 5.1 wordt verder in detail ingegaan op de behoefte aan het type woningen binnen het plangebied. Het voornemen is daarmee in overeenstemming met de gemeentelijke woonvisie. 4.1.7 Nota Omgevingskwaliteit 4.1.7.1 Algemeen Op grond van artikel 4.114 Invoeringswet Omgevingswet, geldt de welstandsnota die is vastgesteld op basis van art. 12a Woningwet (oud), als een beleidsregel als bedoeld in 4.19 Omgevingswet. De aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt getoetst aan de Nota Omgevingskwaliteit. Voor onderhavig project bevat het omgevingsplan regels over het uiterlijk van bouwwerken. Dit heet welstandstoezicht. De Nota Omgevingskwaliteit (welstandsnota) bevat onvoldoende welstandscriteria voor het project. In het besluit tot wijziging van het omgevingsplan zijn daarom op grond van artikel 4.19 Omgevingswet regels opgenomen over het uiterlijk van bouwwerken en voor de uitleg daarvan stelt de gemeenteraad beleidsregels vast, zodat kan worden beoordeeld of bouwwerk aan die regels voldoet. Dit heet welstandscriteria. Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (art.

22.7 BS), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29 BS). Artikel 22.29 lid 1 onder b BS bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. De nota omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen (geldend van 3 juni 2020, tot op heden) beschrijft het welstandsbeleid voor de gemeentes Dinkelland en Tubbergen (Noaberkracht). De nota omgevingskwaliteit is bedoeld om te kunnen beoordelen of bouwplannen voldoen aan redelijke eisen van welstand.

4.1.7.2 Toetsing van het initiatief aan de Nota Omgevingskwaliteit In de Nota Omgevingskwaliteit is het plangebied aangeduid als liggend in het OUDlandschap, met een middenniveau. De doelstellingen binnen dit landschap luiden als volgt: • • • • • •

Behoud en respect voor de afwisseling tussen open- en besloten landschappen en hoogteverschillen; Behoud van de losse strooiing van compacte erven rondom de essen en kampen (soms landschapsgekeerd: met de achterzijde naar de weg); Enkelvoudige bouwmassa met eenduidige kapvorm; Sturen op behoud en stimulering van de agrarische architectuur(voor-/achterhuisprincipe) met bijbehorende detaillering en materiaalgebruik; Sturen op nieuw- en verbouw passend bij bebouwingskarakteristieken met overwegend traditioneel materiaalgebruik; Sturen op alle gevels, vanwege alzijdige ligging.

Voor de woningbouwontwikkeling is een beeldkwaliteitsplan en een beplantingsplan opgesteld. Hierin zijn de uitgangspunten van de Nota Omgevingskwaliteit verwerkt. Het beeldkwaliteitsplan geeft richtlijnen voor de bouw- en goothoogte van de verschillende gebouwen, de kapvorm, het materiaalgebruik, en het kleurgebruik. Daarnaast is in de verbeelding een voorgevelrooilijn opgenomen. Geconcludeerd wordt dat met de uitvoering van het planvoornemen volgens de uitgangspunten van het beeldkwaliteitsplan het initiatief voldoende aansluiting vindt bij de uitgangspunten van de Nota Omgevingskwaliteit. 4.1.8

Voorbereidingsfase / Verkenningsfase met stakeholders

De ontwikkeling betreft een uitbreidingplan dat op het initiatief van de gemeente Tubbergen wordt uitgewerkt. In de voorbereidingsfase van het initiatief is reeds contact geweest met verschillende stakeholders, zowel intern bij de gemeente als externe partijen, zoals het waterschap. 4.1.9

Vooroverleg provincie

Het voornemen wordt voorgelegd aan de vaste overlegpartners. Wanneer een reactie wordt ontvangen op het voornemen wordt dit hier verder beschreven. 4.1.10 Vooroverleg Waterschap Vechtstromen In de voorbereidingsfase van het voornemen is een digitale watertoets ingediend. In het verloop van het proces is het waterschap daarnaast betrokken bij het opstellen van het waterhuishoudkundig plan. De aandachtspunten van het waterschap zijn verwerkt in de definitieve versie van het waterhuishoudkundige plan. Het waterschap heeft hiermee een positieve houding ten opzichte van het planvoornemen. 4.1.11 Participatie omgeving In de voorbereidingsfase van het initiatief hebben diverse participatiemomenten plaatsgevonden. Van deze participatiemomenten en de voorbereiding hierop is een verslag gemaakt. In Bijlage 13 van deze onderbouwing is het gehele verslag toegevoegd. De participatiemomenten hebben bijgedragen aan een dialoog tussen betrokken partijen. De verzamelde inzichten boden een waardevol begrip van diverse perspectieven, en actieve participatie heeft gezorgd voor een transparante uitwisseling van ideeën en een beter begrip van behoeften en verwachtingen.

5.

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt bij het doorlopen van een wijziging van het omgevingsplan dat de voorgenomen activiteit enkel wordt verleend wanneer bij de ontwikkeling of activiteit sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow). Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen. Voor de beoordeling van de wijziging van het omgevingsplan zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing: - de instructieregels van hoofdstuk 5, met name afdeling 5.1 ‘Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ van het Bkl; - de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; - eventuele andere instructies van het Rijk en provincie. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.

5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking 5.1.1 Algemeen De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt.

Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (uitspraken van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 (Hengelo) en van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579 (Eindhoven). 5.1.2 Het plan Het plangebied is gelegen tegen de rand van de kern Tubbergen waar nu nog sprake is van weilanden. In het omgevingsplan, onderdeel bestemmingsplan ‘Buitengebied 2016’ is de locatie voorzien van de functie ‘Agrarisch 1’. Volgens de bouwregels zijn binnen deze functie geen gebouwen toegelaten anders dan de bestaande gebouwen. De bouwhoogte van overige andere bouwwerken, waaronder terreinafscheidingen, buiten het bouwvlak bedraagt ten hoogste 2,50 m. De locatie is in de huidige situatie onbebouwd. Het plangebied wordt begrensd door de Sportlaan en sportvelden aan de zuidzijde, door de Hardenbergerweg aan de westzijde, door een locatie met agrarische opstallen aan de noordwestzijde, agrarische percelen aan de noordzijde en bestaande woonbebouwing aan de oostzijde. Het plan voorziet in 10-12 luxe appartementen, 32 zorgappartementen in de huursector, 23 rijwoningen, 12 twee onder een kap woningen en 5 vrijstaande woningen.

Van de 23 rijwoningen gaat het om 14 koopwoningen en 9 vrije sector huurwoningen die voldoen aan het landelijke puntenstelsel zoals volgt

uit de Wet betaalbare huur. Gelet op de voorheen geldende regels in het omgevingsplan voorziet voorliggend plan in het toevoegen van woningen, zodat het plan kwalificeert als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarom is er voor deze ontwikkeling hierna een beschrijving van de behoefte beschreven en gemotiveerd waarom de behoefte als voorzien niet in bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd. 5.1.3 De regionale Woonagenda De provincie Overijssel, de Overijsselse gemeenten, WoON Twente en hun partners werken al jaren samen aan een kwantitatieve en kwalitatieve balans op de woningmarkt. De partijen maken periodiek meerjarige afspraken over opgaven en ambities. Op basis van deze samenwerking zijn ook met betrekking tot de w ook manieren worden gevonden om de dynamiek en slaagkansen te vergroten. De druk op de woningbouwontwikkeling in Twente regionaal afspraken gemaakt. Voor de periode 20212025 hebben deze afspraken vorm gekregen middels de op 17 maart 2021 vastgestelde 'Regionale Woonagenda Twente'. In deze woonagenda wordt geschetst wat de komende jaren de prioriteiten zijn op Twentse woningmarkt en hoe de Twentse gemeenten hieraan gaan werken. De woonagenda is het kompas van gemeenten en provincie in relatie tot de woningmarkt. Concreet staat in de Woonagenda dat de regio Twente ambieert om tot 2030 in totaal circa 20.000 tot 22.000 woningen toe te voegen.

Op basis van de prognoses van de huishoudensgroei tussen 2020 en 2030 en de benodigde ruimere programmering is een behoefte van ruim 15.000 woningen te verwachten tot 2030. Dit aantal wordt gedefinieerd als de lokale behoefte. Daarnaast heeft Twente een extra woningbouwambitie/-opgave op basis van onder andere de (gedeeltelijke) inloop van het huidige woningtekort (circa 3%), de krapte op de woningmarkt, de verstedelijkingsopgaven en de toenemende migratiestromen vanuit de Randstad en andere landsdelen. Deze extra woningbouwambitie-opgave bedraagt voor Twente circa 5.000 tot 7.000 woningen tot 2030. Voor het realiseren van de woningbouwambitie van circa 20.000 - 22.000 woningen tot 2030 is een uitbreiding van de harde plancapaciteit met minimaal 11.670 woningen nodig. Deze uitbreiding is voor een deel in te vullen door de bestaande zachte plancapaciteit (circa 5.800 woningen) om te zetten in harde plancapaciteit (mits passend binnen de kwalitatieve kaders). Aanvullend op de zachte en harde plancapaciteit uit 2020 moet 'ruimte' gemaakt worden voor nog eens zo'n 6.000 woningen. Relatie initiatief en Regionale Woonagenda Twente Met de realisatie van 84 woningen voor een brede doelgroep aan woningzoekenden wordt een belangrijke stap gezet in het bouwen van woningen voor het woningtekort dat binnen de gemeente aanwezig is.

Gezien de kwantitatieve behoefte aan 15.000 woningen tot 2030 wordt geconcludeerd dat er een aantoonbare vraag naar nieuwe woningen aanwezig is. De woningen worden op een logische uitbreidingslocatie gebouwd, aansluitend op de kern. Doordat de ontwikkeling bestaat uit een gevarieerd programma voor alle inkomensgroepen en leeftijden komen er door voorliggende woningen beschikbaar voor een brede groep woningzoekenden.

5.1.4

De Woonvisie 2021

De 'Woonvisie 2021+' is op 6 juli 2021 door de gemeenteraad van de gemeente Tubbergen vastgesteld. De Woonvisie bevat het woonbeleid van de gemeente Tubbergen voor de komende jaren en is gebaseerd op cijfers, trends en ontwikkelingen op de woningmarkt. Met het vaststellen van de woonvisie biedt de gemeenteraad een kwantitatief en kwalitatief kader voor woningbouwontwikkelingen in de gemeente Tubbergen. Woningbouwbehoefte De gemeente Tubbergen heeft in het verleden altijd een realistische koers gevaren als het ging om woningbouwontwikkeling en grondaankopen. Pas als een plan voor circa 90% was uitgegeven, werd een volgend woningbouwplan in ontwikkeling genomen. Van projectontwikkeling was nagenoeg geen

sprake. In 2017 zijn de regionale woonafspraken Twente (RWP) gemaakt. Ze waren gebaseerd op Primos2017 en de LVDV en vormden voor de Twentse gemeenten het kader voor de woonprogrammering. Op basis van deze (in 2019 geactualiseerde) regionale afspraken is het gemeentelijk woningbouwprogramma opgesteld met een verdeling van het aantal te bouwen woningen over de kernen op basis van verwachte huishoudensgroei. In 2018 zijn in het kader van het Maatschappelijk Akkoord Tubbergen (in samenwerking met Mijn Dorp 2030 van de 9 kernen in de gemeente) zowel de potentiële inbreidingslocaties als de kwalitatieve behoefte in kaart gebracht. Dit heeft geresulteerd in een gemeentelijk woningbouwprogramma met een verdeling van het aantal te bouwen woningen over de kernen op basis van verwachte huishoudensgroei. Op basis van dit programma zijn plannen in voorbereiding genomen en dat we willen voortzetten. Figuur 3 uit de Woonvisie 2021 laat de bandbreedte voor de toekomstige woningbehoefte zien. Ten aanzien van de verwachte huishoudensgroei zijn er diverse prognosemodellen, zoals Primos2020, de huishoudensprognose van het CBS en de ramingen van de RWP gebruikt. Daarnaast zijn er op basis van actuele, lokale cijfers twee nieuwe scenario’s doorgerekend. Deze gegevens zijn doorgetrokken naar de toekomst.

Afhankelijk van de gegevens die in prognoses worden doorgerekend (en zelfs de periode waarover wordt teruggekeken) komen er verschillende voorspellingen uit verschillende prognoses. Daarom is niet één model leidend voor het bepalen van de huishoudensontwikkeling. Om deze reden gaan we uit van een bandbreedte waarbinnen de woningbehoefte zich de komende jaren zal ontwikkelen. De ondergrens wordt gevormd door het lage gemiddelde scenario van de RWP (2019): +365 woningen. Deze raming ging uit van een scenario waarin groei vooral het gevolg was van de eigen demografische ontwikkeling (het verwachte aantal geboorten afgezet tegen het aantal sterftegevallen).

De bovengrens gaat uit van een situatie waarin het gemiddelde vestigingsoverschot van de afgelopen jaren wordt voortgezet. In dit scenario zal de woningvraag vooral tot ongeveer 2030 groot zijn (+755 woningen), vooral vanwege het aantal vestigers in de gemeente in combinatie met de gezinsverdunning. Na 2030 zal het effect van de vergrijzing (geboorteoverschot slaat om in een sterfteoverschot) toenemen, maar zal er nog steeds een positief migratiesaldo zijn. De behoefte aan extra woningen blijft in dit scenario dus ook na 2030 bestaan, zij het in mindere mate dan daarvoor. Voor de komende jaren gaan we uit van een woningbehoefte die een middeling is van de verschillende prognoses die genoemd zijn in figuur 3. Dit betekent dat we uitgaan van een woningbehoefte van 640 woningen voor de periode 2020-2030. Gezien de huidige druk op de markt willen we deze woningbouwopgave zoveel mogelijk de komende vijf jaar realiseren. Mochten we na de eerste vijf jaar meer woningen gebouwd hebben dan de geprognosticeerde behoefte, dan zullen we daar met onze woningbouwopgave na 2025 rekening mee houden. De Primos prognose 2023 geeft, ten opzichte van Primos 2020 voor de jaren 2030 resp. 2035 een hoger te verwachten aantal huishoudens (+190 resp.+252). Voor de meest recente prognose van 2024 gaat het om 251 resp. 254). Dit betekent dat de lijn Primos 2023 (en 2024) in bovenstaande figuur 3 hoger

komt te liggen dan de lijn van Primos 2020. De bovenomschreven middeling van de verschillende prognoses zal dan ook tot een hogere woningbehoefte leiden. Met andere woorden, de in de Woonvisie 2021+ opgenomen woningbouwaantallen zullen op basis van Primos 2023 en 2024 moeten worden verhoogd. jaar

bevolking

huishoudens jaar

bevolking

huishoudens jaar

bevolking

huishoudens

primos 20

2023

21276

8308

2030

20865

8429

2035

20630

8416

primos 21

2023

21370

8326

2030

21178

8571

2035

21166

8620

primos 22

2023

21386

8362

2030

21128

8465

2035

20757

8358

primos 23

2023

21404

8349

2030

21342

8619

2035

21196

8668

Primos 24

2024

21390

8370

2030

21280

8680

2035

20960

8670

In februari 2025 betrof het aantal inwoners in de gemeente Tubbergen 21.508. Op 1 januari 2024 was het aantal huishoudens in de gemeente Tubbergen 8.405. De gemeente Tubbergen heeft een Woningmarktmonitor (van buro Tellers & Benoemers) op laten stellen om in beeld te krijgen in hoeverre de planvoorraad en het bestaande woningaanbod kwantitatief en kwalitatief aansluiten op de (veranderende) vraag. Daarmee kan de monitor door de gemeente worden gebruikt als input voor beleidsmatige beslissingen over nieuwe ontwikkelingslocaties. De Woningmarktmonitor bestaat uit een groot en divers aantal marktindicatoren. Met behulp van de gekozen indicatoren op gemeenteniveau, en waar gewenst op buurtniveau, wordt een actueel beeld van de woningmarkt gegeven, alsmede een beeld van andere relevante trends en ontwikkelingen, zoals sociaal en economisch. Daarnaast ontstaat er per woningtype en prijsklasse duidelijk inzicht in de actuele tekorten en overschotten. Door deze inzichten te koppelen aan de demografische prognoses kan de woningbehoefte op lange termijn in kaart gebracht worden. De monitor kan daardoor worden ingezet bij de afweging of een nieuwbouwontwikkeling past binnen de kwantitatieve behoefte van de gemeente Tubbergen.

Uit de Woningmarktmonitor 2023 blijkt dat als we naar het woningtekort in 2033 kijken, dan is dat in de meest recente prognose licht gedaald van 712 (peiling januari 2023) naar 659 (peiling januari 2024) woningen. Toch blijkt hieruit dat nog steeds meer woningen nodig zijn dan dat is opgenomen in de gemeentelijke Woonvisie 2021+ (over de tijdsperiode 2021-2030). Woningbehoefte kern Tubbergen De Woonvisie 2021+ bevat het gemeentelijke woningbouwprogramma. Om te kunnen voorzien in de woningbehoefte én als impuls voor de leefbaarheid en vitaliteit van kernen is er voor gekozen dat er in alle kernen van Tubbergen kan worden gebouwd. De prognose is vertaald in een woningbouwprogramma per kern (Bron: bijlage II van de Woonvisie 2021). We willen echter ruimte geven aan goede plannen die mogelijk de woningbehoefte in een kern overstijgt. Om die ruimte te bieden, voegen we de woningbehoefte voor de grote en kleine kernen samen. Dit biedt meer flexibiliteit. De behoefte per kern blijft echter het uitgangspunt; de berekende behoefte voor de gemeente verdeeld over de 9 kernen van de gemeente op basis van verwachte huishoudensgroei van de desbetreffende kernen. Bovendien is in het woningbouwprogramma een knelpuntenpot van 50 woningen (op basis van 130% plancapaciteit) opgenomen. Dit aantal kan ingezet worden om goede woningbouwplannen passend te maken in het programma.

Inbreiding krijgt prioriteit boven uitbreiding In overeenstemming met artikel 5.129g, tweede lid, onder b, Bkl wil de gemeente de nieuwbouwopgave zoveel mogelijk binnen de bebouwde kom op inbreidingslocaties realiseren. Op die manier blijft het buitengebied zo groen mogelijk.

In Provinciaal verband (Regionale Woonagenda) is al aangegeven dat voor inbreidingsplannen de komende jaren geen kwantitatieve limiet wordt gesteld. Wel moeten deze plannen kwalitatief getoetst worden. In een aantal kernen zijn de mogelijkheden voor inbreiding beperkt. Bijvoorbeeld omdat inbreiding te zeer ten koste gaat van het dorpse- en landelijke karakter, of omdat er niet of nauwelijks inbreidingslocaties voorhanden zijn. Daarom zet de gemeente zich er voor in dat het ook in de toekomst mogelijk blijft om - uiteraard zo zorgvuldig mogelijk - potentiële locaties aan de randen van de bebouwde kom te benutten. De Regionale Woonagenda biedt ook die ruimte. Kwaliteitskader Woningbouw 2021 Naast de woonvisie is separaat ook een Kwaliteitskader opgesteld om te beoordelen of plannen van ontwikkelende partijen goed aansluiten bij de marktvraag. Dit Kwaliteitskader wordt tweejaarlijks bijgesteld op basis van verzamelde informatie over het functioneren van de woningmarkt en informatie van marktpartijen. Ook demografische trends zoals bevolkings- en huishoudensgroei worden daarin meegenomen. Het kwaliteitskader bestaat uit een woningbehoefteprofiel per doelgroep (starters, doorstromers, gezinnen, senioren) op gemeenteniveau, nader uitgewerkt naar een profiel per kern.

Deze woningbehoefteprofielen zijn richtinggevend voor de toekomstige woningbouwopgave, maar zijn niet in beton gegoten. Plannen die hier enigszins van afwijken maar toch een goede onderbouwing kunnen geven van de wijze waarop zij voorzien in de lokale behoefte kunnen eveneens in aanmerking komen voor realisatie. Het kwaliteitskader is opgenomen als bijlage bij de Woonvisie. Het geeft een woningbehoefteprofiel per doelgroep op gemeenteniveau en uitgewerkt per kern. Deze profielen zijn richtinggevend voor de toekomstige woningbouwopgave. Voor Tubbergen is het profiel als volgt: -

-

-

Starters Veel betaalbare koopwoningen zijn in afgelopen jaren sterk in prijs gestegen. Er is behoefte aan grondgebonden woningen in het middeldure segment. Er is daarnaast enige vraag naar huurappartementen. Gezinnen/doorstromers Er is behoefte aan ruime grondgebonden koop (o.a. via zelfbouw). Het aandeel gezinswoningen is wat lager dan gemiddeld in de gemeente. Op beperkte schaal is er ruimte om woningen / kavels toe te voegen, met name als deze kwalitatief iets toevoegen aan het bestaande woningaanbod. Senioren Deze groep groeit het sterkst de komende jaren. De nabijheid van voorzieningen zorgt voor een extra aantrekkingskracht. Er is vooral behoefte aan levensloopgeschikte woningen (met name koop, deels in de huur). De vraag naar appartementen is daarbij ongeveer even groot als grondgebonden woningen

5.1.5 Toetsing van de ontwikkeling aan de ladder In deze paragraaf is de behoefte van de in dit plan voorziene ontwikkeling opgenomen. Daarvoor is eerst het ruimtelijk verzorgingsgebied bepaald. Vervolgens is zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve behoefte in beeld gebracht. Dit is gedaan op gemeenteniveau en op het niveau van de kern Tubbergen. Ruimtelijk verzorgingsgebied Voor de beschrijving van de behoefte aan de ontwikkeling is het noodzakelijk om in te zoomen op de afbakening van het ruimtelijk verzorgingsgebied. De omvang van het ruimtelijk verzorgingsgebied verschilt per ontwikkeling en valt niet per definitie samen met de bestuurlijke regio. Op bestuurlijk vlak vindt regionale afstemming van woningbouwprogrammering en plannen plaats binnen de regio Twente en de subregio Noord. Het zwaartepunt van het ruimtelijk verzorgingsgebied voor de beoogde ontwikkeling ligt op een lager schaalniveau en komt grotendeels overeen met de kern Tubbergen zelf. Het betreft hier een (sub)lokaal ruimtelijk verzorgingsgebied: de kern Tubbergen en directe omgeving. Uit de gemeentelijke gronduitgifte van woningbouwkavels in de kern Tubbergen blijkt dat vanaf 2015 er 1 woningbouwplan door de gemeente is uitgegeven. Dit plan bevatte 34 kavels. Van deze kavels zijn 4 kavels naar de woningstichting gegaan voor de huursector. Er zijn 23 kavels naar mensen uit Tubbergen

gegaan, 3 kavels naar mensen uit de gemeente Tubbergen maar wel buiten de kern Tubbergen en 4 kavels naar mensen van buiten de gemeente Tubbergen maar wel uit de regio Twente. Ook zijn er door particuliere ontwikkelaars woningbouwplannen gerealiseerd. Het inbreidingsplan Industriestraat voorzag in 20 starterskavels: deze zijn allemaal naar inwoners van de kern Tubbergen gegaan. Het plan veldwijk voorzag in 9 kavels, waarvan er 8 aan inwoners van de gemeente Tubbergen zijn verkocht. Uit de verhuisbewegingen vanuit de kern Tubbergen in de jaren 2023 t/m 2024 blijkt dat gemiddeld 60% van de verhuizingen binnengemeentelijk. Daarentegen was ongeveer 26% van de vestigers vanuit de gemeente en 62% vanuit de regio. Hiermee mag zijn aangetoond dat het ruimtelijk verzorgingsgebied grotendeels overeenkomt met de kern Tubbergen. De aard en de omvang van de in een omgevingsplan voorziene ontwikkeling zijn bepalend voor de reikwijdte van het onderzoek naar de behoefte, de beschrijving van en het overleg over de behoefte. De omvang van het ruimtelijk verzorgingsgebied verschilt per ontwikkeling en valt niet per definitie samen met de bestuurlijke regio. Kwantitatieve behoefte De in de Woonvisie 2021+ gekozen middellijn van de verschillende prognoses voorziet in een huishoudensontwikkeling die in totaal 640 woningen vraagt voor de komende 10 jaar.

Een verdeling over de verschillende kernen laat zien dat in de kern Tubbergen behoefte is aan 255 extra woningen. Vanaf vaststelling van de Woonvisie 2021+ zijn in de kern Tubbergen verschillende particuliere woningbouwontwikkelingen tot ontwikkeling gekomen in harde plannen met in totaal 134 woningen. Met onderhavige plan (56 woningen) zullen in totaal 190 woningen worden gerealiseerd; dit past niet binnen de toegekende aantallen te bouwen woningen voor de kern Tubbergen zoals die is berekend in het woningbouwprogramma behorende bij de Woonvisie 2021+. Kwalitatieve behoefte Ook in kwalitatieve zin voorziet het voorliggende plan in de concrete behoefte. Er zijn in een anterieure overeenkomst afspraken gemaakt als het gaat om het soort, type en deels de prijsklasse van de te bouwen woningen. Het plan voorziet in 10-12 luxe appartementen in de koopsector, 32 zorgappartementen in de huursector, 23 rijwoningen, 12 twee onder een kap woningen en 5 vrijstaande woningen. Van de 23 rijwoningen gaat het om 14 koopwoningen en 9 vrije sector huurwoningen die voldoen aan het landelijke puntenstelsel zoals volgt uit de Wet betaalbare huur. Met deze afspraken wordt een bijdrage geleverd aan het toevoegen van woningen waarmee de verschillende doelgroepen kunnen worden bediend; starters en senioren alsmede doorstromers en ook mensen vanuit de urgente doelgroepen.

5.1.6 Conclusie Geconcludeerd wordt dat de ladder voor duurzame verstedelijking geen belemmering vormt voor uitvoering van de wijziging van het omgevingsplan.

5.2 M.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen. In kolom 1 staan de projecten opgesomd. In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is. In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-merbeoordelingsplicht geldt. Kolom 4 bevat tot slot de besluiten die betrekking hebben op de projecten waarvoor de project-mer-(beoordelings)plicht geldt.

Bij de project-mer-beoordeling (dus niet bij de mer-plicht) is een mededeling nodig aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat een beschrijving van de eisen die zijn opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit en bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit het bouwen van 84 nieuwe woningen ter plaatse van onbebouwde gronden. Het initiatief vormt hiermee een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Bij de beoordeling bij een ontwikkeling sprake is van een merbeoordelingsplicht wordt getoetst of de activiteit de volgende drempelwaarden overschrijdt: • • •

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m 2 of meer.

Hoewel het oppervlakte van het plangebied de 100 ha overschrijdt, voorziet het initiatief niet in het toevoegen van 2.000 woningen of meer. Een mer-beoordeling volstaat in dergelijke gevallen. In Bijlage 2 van deze motivatie is een mer-beoordeling toegevoegd. Conclusie Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kernmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat geen milieueffectrapport gemaakt hoeft te worden (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow). 5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren In het kader van voorgenomen ontwikkeling is door Roelofs BV een verkeerskundig onderzoek uitgevoerd om de gevolgen van de toegenomen parkeerbehoefte en verkeersgeneratie en het verzorgen van een optimale en verkeersveilige ontsluiting te onderzoeken. Het volledige onderzoek is aan de motivering toegevoegd als Bijlage 3. Als volgt worden de planaspecten behandeld: Parkeerbehoefte Het woonveld met twee-onder-een-kappers en vrijstaande woningen (17 woningen totaal) kent een parkeerbehoefte van 37,0 parkeerplaatsen. Hier bovenop zijn 6 parkeerplaatsen benodigd voor bezoekersparkeren. Deze parkeerplaatsen dienen openbaar toegankelijk te zijn. Elke woning in het woonveld krijgt een dubbele oprit (<4,5 m).

Vanuit worst-case benadering is hierbij het uitgangspunt dat er geen garage wordt gebouwd. Voor de parkeercapaciteit op eigen erf volgt vanuit de gemeentelijke beleidsnotitie een berekeningsaantal van 1,7 parkeerplaatsen per woning. Dit resulteert in een parkeercapaciteit van 28,9 parkeerplaatsen op eigen erf. Wanneer dit aantal in mindering wordt gebracht op de parkeerbehoefte, volgt een restvraag van 10 parkeerplaatsen. Hiervoor zijn in het plan 14 openbare parkeerplaatsen opgenomen, waarmee het woonveld voldoende parkeercapaciteit kent met een restcapaciteit van 5 parkeerplaatsen. Het woonveld met 23 hofwoningen kent een parkeerbehoefte van 46 parkeerplaatsen. In het woonveld zijn geen parkeervoorzieningen op eigen erf voorzien, waarmee de totale parkeerbehoefte moet worden opgevangen in de openbare ruimte. Hiervoor zijn 42 parkeerplaatsen voorzien in het openbare gebied. Eventuele tekorten aan parkeerplaatsen in dit gebied kunnen opgevangen worden door de restcapaciteit (5 parkeerplaatsen) van naastliggend woonveld, waarmee er voldoende capaciteit aanwezig is. Het appartementencomplex en het woonzorg complex kennen een parkeerbehoefte van respectievelijk 20 en 21 parkeerplaatsen. Bij het woonzorgcomplex worden 30 parkeerplaatsen gerealiseerd.

Daarnaast zullen bij het appartementencomplex 12 parkeerplaatsen gerealiseerd worden in de ondergrondse parkeerplaats, en 12 in de buitenlucht. Met deze 24 parkeerplaatsen zijn er voldoende parkeerplaatsen aanwezig voor de parkeerbehoefte van bewoners van het complex en voor bezoekers van het complex. Hiermee wordt voorzien in de volledige parkeerbehoefte van de bewoners van het plangebied.

Verkeersgeneratie en ontsluiting Naar verwachting zullen voornamelijk de Sportlaan en heel beperkt de Klarinet het plangebied ontsluiten. Om te veel gemotoriseerd verkeer te voorkomen zullen paaltjes geplaatst worden in de weg die het plangebied verbindt met Klarinet, zodat de doorgang enkel voor calamiteitenverkeer gebruikt kan worden, alsook fietsers en voetgangers. Dit is vastgelegd in de regels en op de plankaart behorend bij dit TAM-omgevingsplan. Het gemotoriseerd verkeer zal hiermee het plangebied ontsluiten via de Sportlaan. Fietsers en voetgangers kunnen het plangebied op meerdere locaties bereiken en verlaten. De huidige verkeersbelasting van de Sportlaan bedraagt doordeweeks circa 1500 verkeersbewegingen per werkdag. Ter plaatse van de Hardenbergerweg bedraagt dit aantal 5.600 tot 6.000 verkeersbewegingen per werkdag. Zoals berekend bedraagt de toename aan verkeersbewegingen afgerond 510 per dag. De huidige inrichting van de Sportlaan kent een wenselijke capaciteit van circa 2.500 verkeersbewegingen per dag. Doordat met de toename aan verkeersbewegingen de capaciteit van de Sportlaan niet wordt overschreden, wordt geconcludeerd dat deze weg de toegenomen verkeersbelasting goed en veilig kan ontsluiten. In het onderzoek wordt verder de ontsluiting van de Sportlaan en Hardenbergerweg als onveilig beschreven. Het aandachtspunt is het beperkte zicht op deze locatie.

Om te voorzien in een verkeersveilige ontsluiting is het advies om de aanwezige bewegwijzering ten zuiden van de Sportlaan te verwijderen c.q. te verplaatsen. Om het zicht in noordelijke richting te verbeteren is het advies om 2 of meer bomen te kappen en de huidige wegversmalling (chicane) nabij het kruispunt op te schuiven in noordelijk richting. Het is daarna aan te bevelen om op de Hardenbergerweg een attentie verhogende en/of snelheidsremmende maatregel te behouden. Conclusie Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de staat en werking van de infrastructuur. Het voornemen voldoet vanuit deze aspecten aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.4

Soortenbescherming en gebiedsbescherming

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • • •

Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

Toetsing van het voornemen Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Springendal & Dal van de Mosbeek’ ligt op circa 3,1 kilometer afstand van het plangebied. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de afstand wordt geconcludeerd dat van directe hinder op het Natura 2000-gebied geen sprake is. Naast directe hinder dient tevens naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebied te worden gekeken. Voor voorliggende ontwikkeling is een Aerius-berekening uitgevoerd door BJZ.nu. De berekening is bijgevoegd in Bijlage 4 van de motivering. Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe.

In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten Toetsing van het voornemen Het plangebied ligt niet binnen het concreet begrensde NNN. Het plangebied ligt op circa 1 kilometer van het NNN. Gezien de ruime afstand tot het NNN en de aard van de ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •

er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Toetsing van het voornemen Door Natuurbank Overijssel is een Natuurwaarden onderzoek uitgevoerd (Quickscan ecologie). Het volledige onderzoek is bij deze onderbouwing gevoegd in Bijlage 5. Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. De bomen en struiken binnen het plangebied zijn onderzocht op aanwezige nestplaatsen. Hierbij zijn geen potentiele nestplaatsen gevonden. Het plangebied wordt daarom waarschijnlijk enkel als foerageergebied gebruikt. Geadviseerd wordt om het verstoren en doden van vogels te voorkomen om buiten het voortplantingsseizoen groen te rooien, grond bouwrijp te maken en overige werkzaamheden uit te voeren. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustusfebruari. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van

vogels, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Grondgebonden zoogdier Het plangebied vormt een functioneel leefgebied van beschermde grondgebonden zoogdieren. Deze soorten gebruiken het plangebied als foerageergebied, en mogelijk bezetten rosse woelmuizen en veldmuizen er een vaste rust- en voortplantingsplaats. Voor de rosse woelmuizen en veldmuizen die een vaste rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Vleermuizen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een rust- of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten. De aanwezige beplanting bestaat hoofdzakelijk uit jonge opslag. Deze jonge opslag vormt geen geschikte verblijfplaats voor vleermuizen.

De aanwezige bomen rondom het plangebied zijn gecontroleerd op holen en loshangend schors hierdoor ontbreken potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen in het plangebied. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats verstoord, beschadigd of vernield. Vermoedelijk foerageren verschillende vleermuissoorten langs de aanwezige beplanting in het plangebied. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer en de omliggende omgeving wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Tevens vormt het aanwezige agrarisch cultuurland voor weinig vleermuissoorten geschikt foerageergebied. Binnen het plangebied zijn tevens geen lijnvormige elementen aanwezig die gebruikt kunnen worden als vliegroute. Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied wel als functioneel leefgebied voor sommige algemene en weinig kritische amfibieënsoorten beschouwd. Amfibieën als bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk bezetten ze er een (winter)rustplaats aan de randen van het perceel.

Deze soorten kunnen ook een voortplantingsplaats bezetten in de watergang/sloot bij de Sportlaan die voor het aanleggen van toegangswegen gedeeltelijk gedempt moet worden. Door het dempen van een deel van de watergang aan de Sportlaan, het uitvoeren van grondverzet en het verwijderen van strooisel en bladeren wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rustplaats beschadigd of vernield. Voor de beschermde amfibieën, waarvan mogelijk de vaste (winter)rustplaatsen negatief worden beïnvloed geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde amfibieën geldt geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden of natuurvrij gemaakt te worden. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde amfibieën gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Rode lijst soorten Het plangebied behoort mogelijk tot het functionele leefgebied haas, torenvalk, grote lijster en spotvogel.

Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt het areaal foerageergebied voor torenvalk, grote lijster en spotvogel af, aangezien er in de directe omgeving van het plangebied

voldoende foerageergebied overblijft heeft de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect op de torenvalken- grote lijster- en spotvogelpopulatie in de omgeving van het plangebied. Mogelijk vormt het plangebied wel een functioneel leefgebied voor hazen. Door de voorgenomen activiteiten wordt het functionele leefgebied van hazen mogelijk aangetast. Daarom moet er een ecologisch werkprotocol opgesteld worden om de negatieve effecten van de voorgenomen activiteiten op de hazenpopulatie in het plangebied zo veel mogelijk te mitigeren. Een gecertificeerd ecoloog heeft dit werkprotocol reeds opgesteld. Conclusie Vanuit het aspect soortenbescherming en gebiedsbescherming is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.5 Luchtkwaliteit Voor de bescherming van de luchtkwaliteit zijn instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Locaties met hoge concentraties stikstofdioxide en/of fijnstof zijn aangemerkt als aandachtsgebied. Vooral in en vlakbij een aandachtsgebied moeten overheden toetsen aan de omgevingswaarden. Dit is niet nodig indien een activiteit niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Volgens het Bkl dragen de volgende projecten niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging: • • •

woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Er zijn een paar situaties die de overheid nog wel in het hele land moet beoordelen. Dit zijn: • • •

een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter. Of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; de aanleg van een auto(snel)weg.

Toetsing van het voornemen In voorliggend geval gaat het om de bouw van 84 woningen met bijbehorende gronden en ontsluitingswegen. Wanneer de ontwikkeling vergeleken wordt met de activiteiten die volgens het Bkl niet in betekenende mate bijdrage aan luchtverontreiniging wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling onder deze categorie valt. Daarnaast, wanneer de huidige luchtkwaliteit uit het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit blijkt dat ter plaatse van het plangebied ruimschoots wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarde uit het Bkl. De jaargemiddelde waarden ((CIMLK) (monitoringsronde 2023, jaartal 2022 en 2030) worden weergeven in onderstaande tabel.

NO2 μg/m3 jaargemiddeld PM10 μg/m3 jaargemiddeld PM2,5 μg/m3 jaargemiddeld

Waarde in 2022 ≈ 11,9

Waarde in 2030 ≈ 7,4

Grenswaarde Bkl 40

≈ 15,8

≈ 12,1

40

≈ 8,6

≈ 6,1

25

Gelet op het vorenstaande zijn er geen onoverkomelijke belemmeringen te verwachten ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. 5.6 Geluid Voor het beschermen van de gezondheid en het milieu staan in het Bkl regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en andere activiteiten. Ook zijn er regels opgenomen voor de bescherming van geluidgevoelige gebouwen. Geluid afkomstig van wegen,

spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Toetsing van het voornemen Wegverkeerslawaai Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van een aantal nabijgelegen wegen. Voor voorliggende ontwikkeling is daarom een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd door BJZ.nu. Het volledige onderzoek is bij deze motivering bijgevoegd als Bijlage 6. In het onderzoek wordt het effect van de Sportlaan en de Hardenbergerweg onderzocht en wordt het voornemen getoetst aan het gemeentelijk geluidsbeleid. Het geluid als gevolg van de gemeentelijke wegen bedraagt hoogstens 53 dB Lden. Met deze waarde wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB Lden uit het Bkl.. Hiermee wordt niet voldaan aan de ambitiewaarde uit de ‘Nota Gebiedsgericht geluidsbeleid’ van de gemeente. De maximale geluidsbelasting blijft wel ruim onder de bovengrens van 58 dB uit de nota. Geconcludeerd wordt dat met inachtneming van het voorstaande sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ter plaatse van de nieuwe woningen.

Geluid als gevolg van individuele activiteiten (bedrijven) Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving wordt gestreefd naar functiemenging of functiescheiding. Binnen de functiescheiding worden twee gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het gebied waarin het plangebied zich bevindt is aan te merken als een 'gemengd gebied'. Dit vanwege het feit dat er in de directe omgeving diverse functies aanwezig zijn.

Het gaat hierbij onder andere om sportvoorzieningen, wonen, (agrarische) bedrijven en maatschappelijke functies. Gelet op het vorenstaande is ter hoogte van het plangebied sprake van een verhoogde milieubelasting en kan het worden aangemerkt als 'gemengd gebied'. Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een evenwichtige toedeling van functies aan locatie. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie 'wonen' betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving en is daarom niet opgenomen in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering'. Verder betreft het beoogde woonzorgcomplex een functie die goed pas binnen een woonomgeving. Het is bovendien wat betreft de geluidbelasting vergelijkbaar met een woonfunctie. Geconcludeerd wordt dat geen sprake is van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Omgekeerd gaat het om de vraag of bestaande functies in de omgeving belemmerd worden in de bedrijfsvoering door de nieuwe milieugevoelige functies. De beoogde woningen en zorgwoningen betreffen milieugevoelige functies.

De voor de ontwikkeling in het plangebied relevante functies betreffen de sportvelden ten zuiden van het plangebied. De sportactiviteiten die plaatsvinden op de voetbalvelden produceren geluid dat tot in het plangebied te horen is. Het akoestisch bureau Valersi heeft een akoestisch onderzoek uitgevoerd om het effect van geluid van deze activiteiten op de gevels van de geluidsgevoelige gebouwen binnen het plangebied te berekenen. Het volledige onderzoek is toegevoegd als bijlage 7. Het onderzoek concludeert dat een deel van de voetbalvelden zich binnen de richtafstand van 30 m uit de VNG-uitgave ligt tot het bouwvlak van geluidsgevoelige gebouwen bevindt. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau wordt op sommige plekken overschreden, namelijk bij het woonzorggebouw en een aantal nabij gelegen beoogde woningen. Voor het woonzorggebouw geldt daarbij dat de overschrijding wordt veroorzaakt door het nog niet bestaande natuurgrasveld. De ambitiewaarde uit het gemeentelijk beleid van 45 dB(A) etmaalwaarde wordt overal overschreden, behalve bij het meest westelijke appartementencomplex. Echter wordt er ook bij de al bestaande woningen niet voldaan aan de ambitie- of richtwaarden. De overschrijdingen zijn hier zelfs hoger dan bij de beoogde woningen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/1309/documents/26764