Bijlage Gewijzigde Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Tubbergen 2024 DEF.pdf
Tekst van het document
Het kan voorkomen dat het aangewezen hulpmiddel niet in het assortiment zit van de gecontracteerde partij en dat er geen afspraken zijn gemaakt dat de aanbieder het betreffende hulpmiddel aanschaft. In die gevallen zal de hoogte van het pgb worden vastgesteld op basis van de koopprijs die het college verschuldigd is (of zou zijn) aan de aanbieder (al dan niet naar rato in verband met de economische afschrijftermijn), waaronder eventueel bijkomende kosten zoals instandhoudingskosten. Het college kan zelf een offerte opvragen of de offerte wordt door de cliënt overhandigd. Het kan ook om meerdere offertes gaan zodat de goedkoopst passende bijdrage kan worden bepaald. Hoogte pgb hulpmiddel Onder de kostprijs wordt de huurprijs verstaan die het college verschuldigd is aan de aanbieder. Het gaat om een maandbedrag. Het pgb wordt dan ook maandelijks aan de cliënt overgemaakt. Wenst de cliënt een hulpmiddel te huren bij de door het college gecontracteerde partij, dan gaat het in ieder geval om een toereikend pgb. Wil de cliënt een andere maatwerkvoorziening aanschaffen waarmee het resultaat ook wordt bereikt, dan kan ook een pgb worden verstrekt. Het college gaat daarbij uit van het geïndiceerde hulpmiddel en de afschrijvingsperiode die daarvoor wordt gehanteerd. De maandelijkse kostprijs wordt vermenigvuldigd met 12 maanden en de afschrijvingsperiode in jaren.
Woningaanpassing Het spreekt voor zich dat de te realiseren woningaanpassing moet voldoen aan de vereiste kwaliteitseisen waaronder veiligheid. De offerte zal moeten aansluiten bij een door het college goed te keuren programma van eisen. Woningaanpassingen zullen doorgaans ook moeten voldoen aan de eisen van het vigerende Bouwbesluit. Daarnaast kan het zijn dat in de bouwvergunning of afwijking van het bestemmingsplan voorwaarden staan waar de woningaanpassing aan moet voldoen. Aan degene die de woningaanpassing zal gaan uitvoeren, mag het college om voornoemde redenen dan ook kwaliteitseisen stellen. Bijvoorbeeld het beschikken over het BouwGarantKeurmerk. 76
DEF. februari 2024
Hoogte pgb woningaanpassing De hoogte van het pgb wordt vastgesteld op basis van een door het college goedgekeurd programma van eisen, richtprijzen en -normen voor woningaanpassingen uit Casadata en/of één of meerdere offertes. Mede gelet op het principe van de goedkoopst passende bijdrage, maakt het college gebruik van Casadata om een berekening te maken van de kosten van de woningaanpassing. Casadata is in principe leidend bij het bepalen van de kosten van de woningaanpassing. In plaats van, of aanvullend, kan het college zich baseren op één of meerdere offertes. Het aantal op te vragen offertes door het college of de cliënt is afhankelijk van de kosten van de woningaanpassing. Bij bedragen tot (naar schatting) € 50.000,- kan worden volstaan met één offerte. Op basis van Casadata en/of de offerte(s) (en bijbehorend Programma van Eisen) stelt het college de hoogte van het pgb vast. De cliënt kan op basis hiervan de aanpassing inkopen bij de aanbieder van zijn keuze. Woningaanpassing Zorg in natura Bij zorg in natura regelt het college de woningaanpassing voor de cliënt. Zij toetst in dat geval de offertes aan Casadata. Aan de hand daarvan wordt bepaald wie de opdracht krijgt om de woningaanpassing uit te voeren. Nadat het besluit genomen is, kan met het uitvoeren van de woningaanpassing worden gestart.
Overige kosten Daarnaast kan het zijn dat er naast de kosten van de woningaanpassing ook nog andere noodzakelijke kostenposten zijn die het college in aanmerking neemt. Denk bijvoorbeeld aan de kosten van architect of legeskosten. 12.13 Herindicatie en verzoek om pgb Na afloop van de indicatie kan de cliënt zich opnieuw melden bij het college met het oog op een verlenging van de indicatie voor ondersteuning. Hebben zich in de voorafgaande periode van pgb-verlening geen onregelmatigheden voorgedaan en heeft het college ook anderszins geen reden om te twijfelen of (nog) wordt voldaan aan de voorwaarden (wet en verordening), dan kan het onredelijk zijn om met de cliënt de intensieve beoordeling van voorwaarden opnieuw te doorlopen. Dit betekent dat het college slechts een lichte toetsing toepast. Wel geldt onverkort dat (opnieuw) een Budgetplan moet worden opgesteld.
77
DEF. februari 2024
13
Regels over voorkomen misbruik en oneigenlijk gebruik
Hoofdstuk 8 Verordening 13.1 Inleiding De Wmo 2015 schrijft voor dat in de verordening regels moeten staan om misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet te voorkomen. Dat wil zeggen dat het college bevoegd is controles uit te voeren die betrekking hebben op de naleving van: de regels uit de wet, de regels uit de verordening en de voorwaarden die voortvloeien uit overeenkomsten met aanbieders. Het gaat om controles op de rechtmatigheid en de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning en/of ondersteuning door derden in geval van een pgb. Daarvoor hoeft het college geen specifieke aanleiding te hebben, de controles kunnen bijvoorbeeld thematisch worden uitgevoerd. De controles kunnen zowel door het college als door de toezichthoudende ambtenaar worden uitgevoerd. Op het college rust een voorlichtingsplicht om de cliënt tijdens het onderzoek te informeren over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening (in natura of in de vorm van een pgb) zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet (fraudepreventie). De verantwoordelijkheid voor de naleving van de verplichtingen omtrent het pgb, evenals de gevolgen bij nietnaleving daarvan, rusten in de eerste plaats bij de budgethouder.
Om te zorgen dat een pgb ook daadwerkelijk wordt besteed waarvoor het is verstrekt, kan het college of de toezichthoudende ambtenaar de budgethouder maar ook de derde aan wie het pgb wordt besteed, vragen om daarover verantwoording af te leggen. Denk bijvoorbeeld aan de wel of niet uitgevoerde activiteiten met het oog op het te behalen resultaat. Daarvoor kan aanleiding zijn als het college daar twijfels over heeft. Onder de derde wordt tevens een aan die derde gelieerde (rechts)persoon verstaan. 13.2 Onderzoeksbevoegdheid college Het college is op grond van art. 8.1 Verordening bevoegd om onderzoeken in te stellen die betrekking hebben op de naleving van regels uit de wet, de verordening en de voorwaarden die voortvloeien uit overeenkomsten met aanbieders. Deze onderzoeken hebben betrekking op zowel de rechtmatigheid als de kwaliteit van de geboden ondersteuning. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om de beoordeling van de inhoudelijke activiteiten met bijbehorende resultaatafspraken. De aanbieder, budgethouder en/of de derde aan wie het pgb wordt besteed zijn desgevraagd verplicht om hun medewerking te verlenen aan de verantwoording hierover (art. 8.3 Verordening). Afhankelijk van de uitkomsten van zo’n onderzoek (controle), zal het college daar gevolgen kunnen verbinden. 13.3 Weigering pgb Art.
8.5 lid 1 Verordening Het spreekt voor zich dat het college het ingevulde Budgetplan met de cliënt (budgethouder) wenst te bespreken. Dat is niet vrijblijvend. Wordt er geen Budgetplan ingediend, dan wordt het pgb in principe geweigerd. Dat geldt ook als de budgethouder of diens vertegenwoordiger een bespreking daarover weigert of zonder tegenbericht niet verschijnt op een uitnodiging van het college. Het college zal de budgethouder dan wel diens vertegenwoordiger in ieder geval twee keer uitnodigen om een Budgetplan in te dienen dan wel het ingediende Budgetplan te bespreken. Art. 8.5 lid 2 Verordening In de verordening worden een aantal situaties beschreven die kunnen leiden tot een weigering van het pgb. Niet ingestaan voor nakomen verplichtingen Als de derde aan wie de budgethouder het pgb wenst te besteden eerder niet heeft ingestaan voor het nakomen van de pgb-verplichtingen, zal het college het pgb in principe weigeren. Denk bijvoorbeeld aan: 78
DEF. februari 2024
• onjuiste declaraties of onregelmatigheden daarin, • de situatie dat eerder is gebleken dat geen of niet voldoende kwalitatieve ondersteuning is ingekocht. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Inschrijving BRP Als de derde niet staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP), dan roept dat de vraag op of de continuïteit van de aangewezen ondersteuning wel kan worden geboden. De derde die niet staat ingeschreven in de BRP moet daar een afdoende verklaring voor geven. Rechtens zijn vrijheid ontnomen In die gevallen bestaat er feitelijk geen mogelijkheid voor de derde om ondersteuning te bieden. Gewaarborgde hulp De cliënt kan afhankelijk zijn van gewaarborgde hulp. Dat is hulp van derden ter compensatie van het gebrek aan capaciteiten of bekwaamheden om zelf de regie te voeren over de aan het pgb verbonden taken. Uit het onderzoek moet blijken dat dergelijke hulp gewaarborgd is. Dat wil zeggen dat de derde moet kunnen instaan voor de nakoming van de aan het pgb verbonden verplichtingen zoals: • de keuze van de ondersteuner, • de kwaliteit en het behalen van het resultaat van de ondersteuning, en • de financiële verantwoording rondom het pgb. Deze derde zal moeten verklaren inhoudelijke verantwoordelijkheid te willen dragen voor het nakomen van de pgb-verplichtingen. Art.
8.5 lid 3 Verordening Het staat de budgethouder, die voldoet aan de voorwaarden, vrij om het pgb te besteden aan een derde. De budgethouder kan, lopende de budgetperiode of na afloop daarvan, besluiten om een andere derde in te schakelen, mits wederom wordt voldaan aan de voorwaarden. Daarnaast kan het voorkomen dat de omstandigheden wijzigen en het college aanleiding heeft om de ondersteuningsbehoefte gewijzigd vast te stellen of het recht op het pgb in te trekken. Dat is de reden waarom in de verordening is bepaald dat een overeenkomst met een derde waarin ook huurbepalingen van de woonruimte zijn opgenomen, in principe niet is toegestaan. Dit voorkomt dat de budgethouder zonder woonruimte komt te zitten als hij het pgb niet meer besteedt aan de derde met wie hij de overeenkomst voor ondersteuning én woonruimte is aangegaan. De cliënt geniet dan namelijk geen huurbescherming. 13.4 Opschorten betaling pgb en opschorting inzet maatwerkvoorziening Art. 8.7 en 8.8 Verordening Om misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet te voorkomen zal het college niet in alle gevallen direct over kunnen (of willen) gaan tot het herzien of intrekken van het besluit. Opschorting betaling pgb algemeen Een opschorting van de pgb-betaling is een beter instrument om ruimte te bieden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek.
Opschorting van de pgb-betaling is een bevoegdheid, waarvoor het college een gegrond vermoeden moet hebben. Gebruikmaking van de bevoegdheid brengt een belangenafweging met zich mee. Het belang van de cliënt aan wie een maatwerkvoorziening (in de vorm van een pgb) is toegekend, wordt afgezet tegen de ernst van het gegronde vermoeden en de opschorting van de pgb-betaling. Er zijn situaties denkbaar waarbij de inzet van de opschorting niet proportioneel is en ook niet voldoet aan het subsidiariteitsbeginsel. Dat wil zeggen dat het college dan - gelet op het belang van de cliënt - een minder belastend middel zal moeten inzetten om het beoogde doel te bereiken. De toezichthoudende ambtenaar kan 79
DEF. februari 2024
bijvoorbeeld op bezoek gaan bij de derde of deze uitnodigen voor een gesprek waarbij desgevraagd bepaalde gegevens overlegd moeten worden. Aan de hand van de uitkomsten van dit gesprek kan het college bijvoorbeeld volstaan met een waarschuwing en een volgend onderzoek in de vorm van een gesprek aankondigen. Daaruit moeten dan in ieder geval verbeterpunten blijken. Een dergelijke werkwijze kan het college ook hanteren als het onderzoek zich richt op de budgethouder. Aan de andere kant kan de ernst van het gegronde vermoeden juist zwaar wegen waardoor er toch tot opschorting van de pgb-betaling wordt overgegaan. Denk aan situaties waarin het belang van de cliënt onder druk staat omdat een gegrond vermoeden bestaat dat hij niet de ondersteuning (aard/omvang/kwaliteit) krijgt waarop hij is aangewezen. In de verordening zijn twee mogelijkheden neergelegd over de opschorting van de pgb-betaling: Opschorting betaling pgb aan de Svb (zie onder 13.5 van deze beleidsregels) Opschorting betaling pgb door de Svb (zie onder 13.6 van deze beleidsregels) 13.5 Opschorting betaling pgb aan Svb Art. 8.6 Verordening Het college kan de betaling van het pgb aan de Svb voor maximaal 13 weken opschorten. Het gaat om situaties waarin het college het pgb heeft toegekend, maar het voorschot nog niet heeft uitbetaald aan de Svb en er aanleiding is om dat ook niet te doen.
Daarvoor moet het college een gegrond vermoeden hebben. Dat wil zeggen er moet een aanwijzing (of meerdere) zijn om tenminste de conclusie te kunnen trekken dat er sprake kan zijn van het niet of onvoldoende voldoen aan verplichtingen die voortvloeien uit art. 2.3.10 lid 1 onder a, d of e Wmo 2015. Gegevens Art. 2.3.10 lid 1 onder a Wmo 2015 heeft betrekking op het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens van de cliënt die bij de juiste of volledige verstrekking tot een ander besluit zou hebben geleid. Voorwaarden Art. 2.3.10 lid 1 onder d Wmo 2015 heeft betrekking op de cliënt die niet voldoet aan de voorwaarden die aan de maatwerkvoorziening of het pgb zijn verbonden. Gebruik Art. 2.3.10 lid 1 onder e Wmo 2015 heeft betrekking op de cliënt die de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt. Cliënt of derde De aanwijzingen kunnen betrekking hebben op de cliënt maar volgens de verordening ook op de derde (of daaraan gelieerde rechtspersoon). Het gaat dus niet om vaststaande feiten of bewijs. Gedurende de termijn van opschorting voert het college en/of de toezichthoudende ambtenaar een onderzoek uit naar het gegronde vermoeden. Voorbeelden van een gegrond vermoeden zijn: Een door de Svb -op arbeidsrechtelijke aspecten- geaccordeerde overeenkomst die afwijkt van bijvoorbeeld het budgetplan.
Het college geeft dan geen akkoord voor de overeenkomst. Een concrete tip of signaal die het college heeft ontvangen. Onduidelijkheid over de rechtmatigheid bij bijvoorbeeld de heroverweging van een besluit, de tussentijdse evaluatie of een verzoek om verlenging (herindicatie). Een (plotselinge) toename van het aantal cliënten waar een derde ondersteuning aan biedt die qua omvang een 40-urige werkweek overschrijdt.
80
DEF. februari 2024
Schriftelijke kennisgeving Het opschorten van de betaling moet worden aangemerkt als besluit in de zin van een rechtshandeling. Immers, de opschorting van de betaling van het pgb wijkt af van het toekenningsbesluit. Afhankelijk van het gegronde vermoeden, stelt het college de cliënt in kennis van de opschorting. Heeft het gegronde vermoeden betrekking op de schending van de inlichtingenplicht van de cliënt, dan ligt het niet voor de hand dat het college de bedoelde schriftelijke kennisgeving verstuurt. De uitkomsten van het onderzoek kunnen daardoor mogelijk beïnvloed worden. Dit laat onverlet dat de cliënt tegen de opschorting van betaling rechtsmiddelen kan inzetten. Inzet in natura Heeft het gegronde vermoede betrekking op de derde of een daaraan gelieerde (rechts)persoon, dan verstrekt het college hangende het onderzoek een tijdelijke maatwerkvoorziening in natura. Immers middels het toekenningsbesluit is bepaald dat er voor de cliënt een maatwerkvoorziening (al dan niet in de vorm van een pgb) nodig is. Het college kan van de derde niet verwachten dat hij op de gok de ondersteuning - zonder daarvoor betaald te worden - voortzet. Er bestaat immers ook een risico dat het pgb-besluit met terugwerkende kracht wordt ingetrokken. 13.6 Verzoek opschorting betaling door Svb Art.
8.7 Verordening Zoals gezegd zal het college niet in alle gevallen direct over kunnen (of willen) gaan tot het herzien of intrekken van het besluit. Het college kan de Svb verzoeken om de betaling van het pgb voor maximaal 13 weken op te schorten. Het gaat om situaties waarin het college het pgb heeft toegekend, al heeft uitbetaald aan de Svb en er aanleiding is om de Svb te verzoeken eventuele declaraties (nog) niet uit te betalen. Daarvoor moet het college een gegrond vermoeden hebben. Dat wil zeggen er moet een aanwijzing (of meerdere) zijn om tenminste de conclusie te kunnen trekken dat er sprake kan zijn van het niet of onvoldoende voldoen aan verplichtingen die voortvloeien uit art. 2.3.10 lid 1 onder a, d of e Wmo 2015. Die aanwijzingen kunnen betrekking hebben op de budgethouder maar, volgens de verordening, ook op de derde (of daaraan gelieerde rechtspersoon). Zoals gezegd gaat het dus niet om vaststaande feiten of bewijs dat er sprake is van onjuistheden of iets dergelijks, maar van een gegrond vermoeden dat daar sprake van kan zijn. Gedurende de termijn van opschorting voert het college en/of de toezichthoudende ambtenaar een onderzoek uit naar het gegronde vermoeden. Schriftelijke kennisgeving Of het college de budgethouder schriftelijk in kennis stelt van de opschorting is afhankelijk van de situatie. Zie toelichting bij opschorting betaling.
Inzet in natura Of het college voor de budgethouder tijdelijk een maatwerkvoorziening in natura inzet, is afhankelijk van de situatie. Zie toelichting bij opschorting betaling. Gevolgen onderzoek Het gevolg van het onderzoek kan zijn dat het besluit wordt herzien of ingetrokken en bij gevolg daarvan wordt overgegaan tot terugvordering. Zie verder hoofdstuk 14 van de beleidsregels. Opschorting inzet maatwerkvoorziening Net als bij de pgb-besluiten zal het college bij maatwerkvoorziening in natura niet in alle gevallen direct over kunnen (of willen) gaan tot het herzien of intrekken van het besluit. 81
DEF. februari 2024
Schriftelijke kennisgeving Of het college de cliënt schriftelijk in kennis stelt van de opschorting is afhankelijk van de situatie. Vergelijk de toelichting bij opschorting betaling. 13.7 Opschorting inzet maatwerkvoorziening Net als bij de pgb-besluiten zal het college bij een maatwerkvoorziening in natura niet in alle gevallen direct over kunnen (of willen) gaan tot het herzien of intrekken van het besluit. Schriftelijke kennisgeving Of het college de cliënt schriftelijk in kennis stelt van de opschorting is afhankelijk van de situatie, vergelijk de verschillende toelichtingen onder opschorting betalingen pgb van deze beleidsregels.
82
DEF. februari 2024
14 Heroverweging, beëindiging, herziening of intrekking, terug- en invordering Artikel 2.3.9 Wmo 2015 Hoofdstuk 9 Verordening 14.1 Inleiding Dit hoofdstuk gaat over de bevoegdheid van het college om terug te komen van een eerder afgegeven besluit. Daarvoor kan rechtvaardiging worden gevonden als sprake is van de situaties zoals genoemd in de wet of de verordening. Denk in dit verband ook aan de verplichting van de cliënt om op verzoek van het college, maar ook uit eigen beweging, relevante feiten en omstandigheden bij het college te melden. Omdat het in alle gevallen om een bevoegdheid (kan-bepaling) gaat, zal er een belangenafweging moeten plaatsvinden waarom het college wel of geen gebruik maakt van de bevoegdheid. Het college hanteert het volgende uitgangspunt. In het geval van de terugvordering van het pgb of de geldswaarde van de maatwerkvoorziening, maakt het college in beginsel gebruik van de bevoegdheid omdat terugvordering een geschikt middel is wat bijdraagt aan een zorgvuldige besteding van middelen (vergelijk CRVB:2022:2207). Het college weegt mee of betrokkene redelijkerwijs kon begrijpen dat hij ten onrechte een maatwerkvoorziening heeft ontvangen. Dringende redenen kunnen aan invordering in de weg staan. 14.2 Heroverweging besluit Het college is verplicht om besluiten (natura en pgb) periodiek te heroverwegen (art. 2.3.9 Wmo 2015).
De wet schrijft niet voor wanneer het college dat moet doen. Het is aan de professional om daar een inschatting van te maken. Ook kan het college planmatig te werk gaan. Het gaat bij de heroverweging om besluiten waarvan de indicatieduur nog niet is verstreken; het college heroverweegt dus een bestaand besluit waarbij ondersteuning is toegekend. Bij die heroverweging zijn art. 2.3.2 lid 2 tot en met 6 (onderzoek) en art. 2.3.5 lid 6 Wmo 2015 (aanspraak Wlz) onverkort van toepassing. Dat wil ook zeggen dat de beoordeling of (nog) wordt voldaan aan de voorwaarden van het pgb onderdeel kan zijn van de heroverweging. Het college hoeft bij de heroverweging echter niet het verslag van het onderzoek op te stellen. Het ligt minder voor de hand dat er aanleiding is om een besluit waarmee een woningaanpassing is verstrekt te heroverwegen. Bij diensten zoals begeleiding of huishoudelijke ondersteuning ligt dat in het algemeen anders. Periodiek onderzoek maatwerkvoorziening in natura Het college bepaalt in het individuele geval wanneer er aanleiding is om het besluit te heroverwegen. Het gaat immers om maatwerk. Zo’n heroverweging kan bijvoorbeeld samenhangen met de evaluatie van de geboden ondersteuning. Denk aan het wel of niet behalen van het resultaat dat met ondersteuning is beoogd. Mogelijk dat het bestaande besluit moet worden bijgesteld.
Bijvoorbeeld omdat ondersteuningsbehoefte of het niveau daarvan bijgesteld kan (of moet) worden. Wordt de indicatie voor een korte periode verstrekt, dan ligt het niet voor de hand dat het besluit wordt heroverwogen. De cliënt zal zich doorgaans opnieuw melden met een hulpvraag (verzoek om verlenging van de indicatie) of het college neemt voor het aflopen van de indicatie zelf contact op met de cliënt. Periodiek onderzoek pgb Ook in geval van een toegekend pgb bepaalt het college in het individuele geval wanneer er aanleiding is om het besluit te heroverwegen. Ook hier gaat het immers om maatwerk. Zo’n heroverweging kan bijvoorbeeld samenhangen met de evaluatie van de geboden ondersteuning tussen de cliënt en degene aan wie het pgb wordt besteed. Is de indicatie voor een korte periode verstrekt, dan ligt het niet voor de hand dat het besluit wordt heroverwogen. De cliënt zal zich doorgaans opnieuw melden met een hulpvraag (verzoek om verlenging van de indicatie). 83
DEF. februari 2024
Nieuwe melding hulpvraag Het kan voorkomen dat de cliënt een nieuwe melding doet van een hulpvraag. Heeft die melding betrekking op de toegekende ondersteuning, dan beoordeelt het college of er aanleiding is om het bestaande besluit te heroverwegen. De cliënt kan bijvoorbeeld een wijziging melden in de ondersteuningsbehoefte. In zo’n geval volgt uit de wet dat er geen verslag wordt opgesteld. Wel of geen nieuw besluit Nadat het college een bestaand besluit heeft heroverwogen, kan daar een ander (nieuw) besluit op volgen, maar dat hoeft niet. Dat ligt aan de uitkomst van de heroverweging. Het bestaande besluit kan dus intact blijven, maar kan ook worden herzien of ingetrokken onder toepassing van art. 2.3.10 Wmo 2015 of een verordeningsbepaling. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat de cliënt of de partner aanspraak kan maken op een indicatie op grond van de Wlz of dat de ondersteuningsbehoefte van de cliënt is gewijzigd. 14.3 Beëindiging Art. 9.1 Verordening Er wordt gesproken van een beëindiging als de inwerkingtreding van het beëindigingsbesluit ingaat vanaf het heden of naar de toekomst toe. Beëindiging heeft dus, in tegenstelling tot een herziening/intrekking, geen terugwerkende kracht. De beëindiging van de maatwerkvoorziening of het pgb kan het gevolg zijn van de heroverweging van het besluit.
Andere voorbeelden zijn: verhuizing naar een andere gemeente, inwoning van een persoon die de gebruikelijke hulp op zich kan nemen, het niet meer aangewezen zijn op ondersteuning of het overlijden van de cliënt. Datum beëindiging De datum waarop het besluit wordt beëindigd, is afhankelijk van de situatie. Bij de verhuizing naar een andere gemeente zal dat de datum zijn waarop de cliënt feitelijk niet meer woonachtig is in de gemeente Tubbergen. Overlijden Wanneer de cliënt aan wie een pgb is verstrekt is overleden, kunnen gedurende de maand van overlijden nog betalingen door de Svb worden gedaan uit het nog beschikbare (resterende) pgb. Dat wil zeggen dat de ondersteuning die tot en met de dag van overlijden is geboden, nog kan worden gedeclareerd. 14.4 Herziening of intrekking Art. 9.2 Verordening Het (deels) ongedaan maken van het recht over een periode in het verleden, wordt herzien/intrekken genoemd. Een herziening of intrekking van het besluit is het met terugwerkende kracht opnieuw beslissen over de aanspraak over een periode in het verleden. Daarbij kan het recht afwijkend worden vastgesteld (herzien) of worden ingetrokken als er in het geheel geen aanspraak heeft bestaan.
Aanleiding De aanleiding om tot herziening of intrekking van het besluit over te gaan, kan liggen in: het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens waarbij de verstrekking van juiste of volledige gegevens zou tot een andere beslissing zou hebben geleid, het niet voldoen aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden, het niet of voor een ander doel gebruiken van de maatwerkvoorziening of het pgb. Het college beoordeelt of er aanleiding is om het besluit te herzien of in te trekken (art. 2.3.10 lid 1 onder a, d of e Wmo 2015). 84
DEF. februari 2024
14.5 Terugvordering: opzettelijke schending inlichtingenplicht Art. 9.3 Verordening Art. 2.4.1 Wmo 2015 bepaalt de bevoegdheid van het college tot het (geheel of gedeeltelijke) vorderen van de geldswaarde van een maatwerkvoorziening of een pgb (terugvordering) als het college het besluit heeft herzien of ingetrokken onder toepassing van art. 2.3.10 lid 1 onder a Wmo 2015 (schending inlichtingenplicht). Omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening in natura terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt. Schending aannemelijk maken De terugvordering op grond van de wet heeft - net als in de Participatiewet - een reparatoir karakter. Dat wil zeggen: het terugbrengen in de rechtmatige toestand (vergelijk CRVB:2017:1688 en CRVB:2017:2213). Gelet op het reparatoire karakter van de terugvordering wordt aangenomen dat het college het opzettelijk (willens en wetens) schenden van de inlichtingenplicht op grond van art. 2.3.8 Wmo 2015 aannemelijk moet maken en niet hoeft aan te tonen. Voor het aannemelijk maken (van de opzettelijke schending) gelden geen vaste regels.
Dat wil zeggen dat ook uit een gedraging van betrokkene - en niet alleen op basis van diens belastende verklaring aannemelijk kan zijn dat sprake is van het opzettelijk schenden van de inlichtingenplicht. Daarbij wordt opgemerkt dat naarmate het financieel belang toeneemt (hoogte van de terugvordering), de eisen die gesteld worden aan de bewijskracht zwaarder zullen zijn. Zie bijvoorbeeld CRVB:2020:667 waarin de hoogte van de terugvordering € 115.843,58 bedroeg. Het ligt in ieder geval op de weg van het college om voldoende feiten aan te dragen op grond waarvan de opzettelijke schending aannemelijk is. Terugvordering cliënt Heeft het college de opzettelijke schending van de inlichtingenplicht aannemelijk gemaakt, dan wordt in principe overgegaan tot herziening/intrekking van het besluit en de terugvordering van de geldswaarde bij gevolg daarvan (CRVB:2020:943). Terugvordering derde Bij de bevoegdheid om van een derde terug te kunnen vorderen, geldt een dubbele opzetvereiste. Dat wil zeggen eerst moet de opzettelijke schending door de cliënt aannemelijk zijn. Is dat het geval, dan moet het college aannemelijk maken dat derde hieraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend.
Hoogte terugvordering maatwerkvoorziening in natura Ingeval van diensten, zoals huishoudelijke ondersteuning of begeleiding, zal de geldswaarde bestaan uit het bedrag van de facturen die het college daarvoor (ten onrechte) aan de aanbieder heeft betaald. Hulpmiddel In geval van een hulpmiddel, zoals een scootmobiel, kan dat anders liggen. Het college zal ook in dat geval het besluit intrekken waarmee de publiekrechtelijke grondslag voor het leveren van het hulpmiddel ontvalt. De aanbieder zal om die reden het hulpmiddel terughalen bij de cliënt. In het algemeen zal er door het gebruik van het hulpmiddel sprake zijn van een waardevermindering van de maatwerkvoorziening. Als en zolang de facturen voor het gebruik door het college zijn betaald, is er geen reden voor de aanbieder om het college hierop aan te spreken. Dat neemt echter niet weg dat de waardevermindering gevolgen heeft voor de gebruikersduur van het hulpmiddel dat aan een andere cliënt kan worden verstrekt. Het college kan daarom vanaf de datum waarop het toekenningsbesluit is ingetrokken, de ten onrechte betaalde facturen aan de aanbieder van de cliënt terugvorderen. Woningaanpassing en hulpmiddel in eigendom 85
DEF. februari 2024
Ingeval van een woningaanpassing en hulpmiddel in eigendom bedraagt de terugvordering het volledige bedrag van de maatwerkvoorziening. Bij een hulpmiddel wordt de geldswaarde berekend over de periode dat ten onrechte van de maatwerkvoorziening gebruik is gemaakt (daar zal de economische afschrijvingstermijn een rol spelen). Voor een woningaanpassing geldt dat een dergelijke maatwerkvoorziening niet door het college kan worden teruggehaald. De gevolgen van de opzettelijke schending komen in zo'n geval volledig voor rekening en risico van de cliënt. Hoogte terugvordering pgb In geval van een pgb bedraagt de hoogte van de terugvordering het bedrag dat ten onrechte is verstrekt. Het kan wel zo zijn dat de Svb nog niet het (gehele) pgb heeft uitbetaald. In dat geval zal de Svb overgaan tot het terugstorten van het (resterende) pgb en is er voor dat deel geen aanleiding om tot terugvordering over te gaan. 14.6 Terugvordering: overig Art.
9.4 Verordening Er zijn ook andere situaties denkbaar waarin het college kan overgaan tot terugvordering, namelijk: bij het niet voldoen aan voorwaarden verbonden aan de maatwerkvoorziening of het pgb, als de maatwerkvoorziening of het pgb niet wordt gebruikt of voor een ander doel dan waarvoor het is verstrekt, bij een onverschuldigde betaling, als de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid in geval van een tegemoetkoming meerkosten voor een sportvoorziening. Niet voldoen aan de voorwaarden Alvorens over te kunnen gaan tot terugvordering moet het college eerst een herzienings- of intrekkingsbesluit nemen onder toepassing van art. 2.3.10 lid 1 onder d Wmo 2015. Zie voorbeelden wanneer het college daartoe over kan gaan in 14.4 van deze beleidsregels. Als gevolg van het herzienings- of intrekkingsbesluit ontstaat of kan de vordering ontstaan. Dat is afhankelijk van de datum van inwerkingtreding van het besluit. Niet of voor een ander doel gebruikt Alvorens over te kunnen gaan tot terugvordering moet het college eerst een herzienings- of intrekkingsbesluit nemen onder toepassing van art. 2.3.10 lid 1 onder e Wmo 2015. Zie voorbeelden wanneer het college daartoe over kan gaan in 14.4 van deze beleidsregels.
Als gevolg van het herzienings- of intrekkingsbesluit ontstaat of kan de vordering ontstaan. Dat is afhankelijk van de datum van inwerkingtreding van het besluit. Onverschuldigde betaling Bij een onverschuldigde betaling gaat het om een betaling die zonder rechtsgrond wordt gedaan. Denk aan de administratieve vergissing door bijvoorbeeld de Svb (zie art. 2.6.2 Wmo 2015), of het college in geval van mandaat. Ook de financiële tegemoetkoming die rechtstreeks onverschuldigd aan de cliënt wordt uitbetaald valt hier onder. Onder een zonder rechtsgrond verrichte betaling kunnen ook de (gemaakte) kosten van een maatwerkvoorziening in natura worden verstaan (art. 9.4 lid 3 Verordening). Daarmee sluit het college aan bij de wettelijke mogelijkheid van het vorderen van de geldswaarde. Uit CRVB:2006:AX5819 kan onder meer worden afgeleid dat in het geval van het ontbreken van een wettelijke bepaling op grond waarvan van de cliënt kan worden teruggevorderd, niets aan terugvordering in de weg staat, nu (ook) in het publiekrecht als in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel is aanvaard, dat een zonder rechtsgrond verrichte betaling ongedaan moet worden gemaakt.
86
DEF. februari 2024
Deze terugvorderingsbevoegdheid kan alleen worden uitgeoefend als de cliënt redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat ten onrechte: ondersteuning in natura is ontvangen, een financiële tegemoetkoming werd uitbetaald, het pgb werd uitbetaald. Zelfstandig terugvorderingsbesluit Het gaat bij de onverschuldigde betaling om een zelfstandig terugvorderingsbesluit. Dat wil zeggen dat het college niet eerst een herzienings- of intrekkingsbesluit hoeft te nemen. Verjaringstermijn Op grond van art. 3:309 BW verjaart de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag, volgend op die waarop de schuldeiser (het college) zowel van het bestaan van zijn vordering, als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden. De verjaringstermijn voor het nemen van een terugvorderingsbesluit over de onverschuldigde betaling, begint op het moment waarop het college bekend is geworden met feiten of omstandigheden op basis waarvan voldoende duidelijk is dat een besluit over terugvordering in de rede ligt (vergelijk CRVB:2007:BA2284 en CRVB:2008:BD6928). Schending inlichtingenplicht tegemoetkoming meerkosten De Wmo 2015 sluit niet uit dat het college de tegemoetkoming meerkosten kan terugvorderen in het geval de cliënt de inlichtingenplicht heeft geschonden zonder dat er sprake is van opzet (zie art. 9.4 lid 2 verordening). 14.7 Invordering Art.
9.3 en 9.4 Verordening De cliënt of de derde is in beginsel verplicht om binnen zes weken na het verzenden van het terugvorderingsbesluit het gehele bedrag ineens terug te betalen (art. 4:87 lid 1 Awb). Het college kan uitstel van betaling geven en daarbij als voorwaarde stellen dat de cliënt of de derde zich houdt aan de vast te stellen aflosregeling (art. 4:94 Awb). Als de cliënt of de derde zich niet houdt aan de aflosregeling kan het college het uitstel van betaling weer intrekken (art. 4:96 Awb). Het college stelt de aflosbedragen zo vast dat de cliënt of de derde nog de beschikking heeft over een inkomen van tenminste de beslagvrije voet. Het college kan het terug te vorderen bedrag invorderen bij dwangbevel (art. 2.4.1 lid 2 Wmo 2015). Verder biedt de verordening ook de bevoegdheid tot verrekenen met de verstrekte uitkering voor het levensonderhoud. Dringende redenen Geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering (invordering) is mogelijk in het geval van dringende redenen. Deze dringende redenen moeten betrekking hebben op de gevolgen van de terugvordering (invordering) en dus niet op de omstandigheden die daartoe hebben geleid. Het gaat daarbij dan om een zodanige bijzondere situatie dat terugvordering (invordering) leidt tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties voor de cliënt of de derde (vergelijk CRVB:2015:4067).
Daarbij wordt opgemerkt dat de bescherming van de beslagvrije voet maakt dat er praktisch gezien nooit sprake kan zijn van onaanvaardbare financiële consequenties (vergelijk bijv. CRVB:2016:3749).
87
DEF. februari 2024
15
Advisering
15.1 Inleiding Voor de uitvoering van de Wmo 2015 kan het zijn dat het college advies moet vragen omdat het zelf niet ter zake deskundig is. Vereist is namelijk dat de beperkingen van de cliënt objectiveerbaar zijn, dat wil zeggen vast te stellen aan de hand van reguliere onderzoeksmethoden (vergelijk CRVB:2009:BK4567 en CRVB:2012:BY0324). In het algemeen geldt dat het college allereerst een standpunt moet innemen of het zelf over de benodigde deskundigheid beschikt om de aanspraak op een maatwerkvoorziening te kunnen beoordelen. Daarvoor moet het college zelf in staat zijn om: • de beperkingen van de cliënt op het gebied van de zelfredzaamheid en/of participatie te kunnen vaststellen (wettelijk toetsingskader); • zaken van technische aard te beoordelen, zoals die bij woningaanpassingen aan de orde kunnen zijn. Denk bijvoorbeeld aan de mogelijkheden van een inpandige woningaanpassing. Advies vragen In het algemeen geldt dat als dat oordeel betrekking heeft op een medische kwalificatie van lichamelijke of geestelijke gebreken en de beperkingen die daaruit kunnen voortvloeien, het college in beginsel niet ter zake kundig zal zijn. Afhankelijk van de aard van de problematiek moet het college onderzoek laten doen door een deskundige die (zonodig) op het niveau van een arts functioneert.
Gaat het niet om het vaststellen van beperkingen, dan kan het advies bijvoorbeeld ook door een paramedicus worden gegeven. Het college kan advies vragen gedurende de procedure (melding, onderzoek of alvorens te beslissen op de aanvraag). Ook als het college het besluit heroverweegt als bedoeld in art. 2.3.9 Wmo 2015, kan er aanleiding om advies op te vragen. Het is van belang dat het college een juiste vraagstelling formuleert voor de adviseur. 15.2 Beoordeling advies In dit onderdeel van de beleidsregels staat een overzicht van eisen die gebruikt kunnen worden om te beoordelen of het advies zorgvuldig tot stand is gekomen. Het overzicht is niet-limitatief beschreven, er zijn dus meer criteria of voorbeelden denkbaar. Het advies moet volledig en zorgvuldig zijn en de bestaande informatie moet bij de advisering betrokken zijn. Verder moet de adviseur in ieder geval alle de aan hem gestelde vragen beantwoorden, tenzij daar gemotiveerd van kan worden afgeweken. Onderzoeksmethode en informatie Hieruit moet blijken op welke datum, manier en plaats door welke adviseur (naam en zijn deskundigheid) onderzoek is verricht. Dat kan door een huisbezoek, een telefoongesprek, maar ook zonder de cliënt te spreken.
In dat laatste geval heeft mogelijk alleen dossieronderzoek plaatsgevonden of heeft de adviseur contact gehad met de behandelende sector, bijvoorbeeld de huisarts of een andere behandelaar. Dat moet blijken uit het advies waarbij de opgevraagde informatie een juist en actueel beeld moeten geven van de gezondheidstoestand. Ook moet het advies vermelden of de adviseur zelf (lichamelijk) onderzoek heeft gedaan, en zo niet, wat daarvan de reden is. Is het advies alleen gebaseerd op een anamnese, dan kan het advies onvolledig zijn. Uit het advies moet blijken hoe de anamnese zich verhoudt tot resultaten van het (eigen) onderzoek en/of de conclusies die daaraan worden verbonden. Uit advies moet blijken wat de deskundigheid is van de adviseur. Dat kan blijken uit de ondertekening van het advies. Is de cliënt onder behandeling en is zijn behandelaar niet geraadpleegd, dan moet het advies vermelden waarom de adviseur dat niet noodzakelijk acht. 88
DEF. februari 2024
Het advies moet gebaseerd zijn op actuele feiten en gegevens. De term 'actueel' laat zich niet als standaard kwantificeren, maar is afhankelijk van de individuele situatie. Uit het advies moet blijken volgens welke maatstaven het onderzoek is verricht. Heeft de adviseur intercollegiaal overleg gevoerd, dan moet het advies vermelden waar dat overleg betrekking op had en wat de invloed is geweest op de inhoud en de conclusie(s) van het advies. De bevindingen van de adviseur moeten zodanig zijn gepresenteerd dat controle ervan (ook) door een andere deskundige mogelijk is. Als de adviseur (namens het college) een expertiseonderzoek laat uitvoeren, dan mag aan die deskundige worden gevraagd beperkingen vast te stellen. In die gevallen worden zware eisen gesteld aan de deskundigheid van die adviseur.
Probleemanalyse in het advies Hieruit moet blijken of de cliënt beperkingen ondervindt in zijn zelfredzaamheid en/of participatie. En zo ja, welke dat zijn en in welke mate. In het advies moeten allereerst alle relevante feiten worden vermeld die tijdens het onderzoek naar voren zijn gekomen en vervolgens moeten deze feiten zijn betrokken in de probleemanalyse en de conclusie(s). Het advies moet vermelden wat bijvoorbeeld de stoornis (verlies van functies of anatomische eigenschappen) is en welke beperkingen (problemen bij uitvoeren van activiteiten) daar uit voorvloeien. Het advies zelf mag geen diagnose bevatten, omdat het advies dan niet meer objectief is. Het is van belang dat het advies vermeldt wat de prognose van de beperkingen is, zo mogelijk met een tijdpad. Een prognose kan progressief of stationair zijn. Inhoud, motivering en gegevens van het advies Het advies moet inzichtelijk en logisch zijn en de bestaande informatie moet bij de advisering betrokken worden. De bevindingen en de overwegingen van de adviseur moeten zodanig zijn gepresenteerd dat controle ervan (ook) door een andere deskundige mogelijk is (zie ook hiervoor). Het advies moet zijn voorzien van een deugdelijke en voor derden kenbare schriftelijke motivering.
Conclusie(s) en ondertekening van het advies De conclusie(s) van de adviseur moeten aansluiten op zijn bevindingen en mogen daar zeker niet mee in tegenspraak zijn. Het advies moet concludent zijn; uit de overwegingen van het advies volgt logischerwijs de conclusie. Dat wil zeggen: het advies maakt inzichtelijk waar waarnemingen en verklaringen op zijn gebaseerd en langs welke weg vervolgens die conclusies zijn bereikt. Het advies wordt ondertekend door de adviseur zelf en eventueel (ook) door de adviseur (meestal een arts) onder wiens verantwoordelijkheid het advies tot stand is gekomen. Het advies moet vermelden dat de strekking ervan is verteld aan de cliënt en of deze zich daarin kan vinden.
89
DEF. februari 2024
16
Slotbepalingen
16.1 Inwerkingtreding en citeertitel 1. De beleidsregels treden met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2024. 2. De beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Tubbergen 2024 worden per 1 januari 2024 ingetrokken. 3. De beleidsregels worden aangehaald als: Gewijzigde Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Tubbergen 2024.
Aldus besloten in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen van 28 mei 2024. De secretaris,
De burgemeester,
Ing. J.L.M. Scholten
drs. A.H. Postma
90
DEF. februari 2024
Bijlagen I Onderzoek naar (dreigende) overbelasting Algemeen Het college onderzoekt als daar aanleiding voor is of er in de individuele situatie moet worden afgeweken van de algemene regels. Reden om in de individuele situatie af te wijken, kan zijn dat degene van wie wordt verwacht dat hij taken of activiteiten overneemt in het kader van gebruikelijke hulp, overbelast dreigt te raken. Ook kan het college onderzoek laten doen naar de (dreigende) overbelasting van de mantelzorger. Overbelasting is: meer belasten dan het prestatievermogen toelaat. In medische kringen praten we over het(on)evenwicht tussen draagkracht (belastbaarheid) en draaglast (belasting). Overbelasting kan veroorzaakt worden door een combinatie van symptomen van lichamelijke of psychische aard en wordt bepaald door in- en uitwendige factoren.
Factoren die van invloed zijn op de draagkracht • lichamelijke conditie huisgenoot/mantelzorger • geestelijke conditie huisgenoot/mantelzorger • wijze van omgaan met problemen (coping) • motivatie voor ondersteunings- en/of zorgtaak • sociaal netwerk Factoren die van invloed zijn op de draaglast • omvang en mate van (on)planbaarheid van ondersteuningstaken; ziektebeeld en prognose • inzicht van persoon in ziektebeeld van de cliënt • woonsituatie • bijkomende sociale problemen • bijkomende emotionele problemen • bijkomende relationele problemen Onderzoek naar de draaglast en draagkracht Het kan soms heel duidelijk zijn dat de huisgenoot/mantelzorger overbelast is. Is dit minder duidelijk, dan zal hier in het gesprek, maar zeker bij de beoordeling van de aanspraak (indicatie) duidelijkheid over moeten komen. De beperkingen in de belastbaarheid vanwege de gezondheid worden in principe beoordeeld door een deskundige. In voorkomende gevallen kan het opnemen van contact met de behandelende sector volstaan om hierover een oordeel te vormen. In andere gevallen zal om een extern medisch advies moeten worden gevraagd. Symptomen die zouden kunnen wijzen op overbelasting Diverse symptomen zijn waar te nemen bij (dreigende) overbelasting. De mate waarin ze zich manifesteren, zal van persoon tot persoon verschillen.
Bedenk daarnaast dat het hierbij veelal om aspecifieke symptomen gaat die ook bij andere stoornissen kunnen passen. Dit is een van de redenen waarom de beoordeling hiervan bij een deskundige moet worden neergelegd. Het bestaan van deze symptomen moet dus als een mogelijk signaal worden opgevat. Mogelijke symptomen van overbelasting zijn: • Gespannen spieren, vaak in schoudergordel en rug. • Hoge bloeddruk. 91
DEF. februari 2024
• • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • •
Gewrichtspijn. Gevoelens van slapte. Slapeloosheid. Migraine, duizeligheid. Spierkrampen. Verminderde weerstand, ziektegevoeligheid. Opvliegingen. Ademnood en gevoelens van beklemming op de borst. Plotseling hevig zweten. Gevoelens van beklemming in de hals. Spiertrekkingen in het gezicht. Verhoogde algemene prikkelbaarheid, boosheid, (verbale) agressie, zwijgen. Ongeduld. Vaak huilen. Neerslachtigheid. Isolering. Verbittering. Concentratieproblemen. Dwangmatig denken, niet meer kunnen stoppen. Rusteloosheid. Perfectionisme. Geen beslissingen kunnen nemen. Denkblokkades.
II Richtlijn gebruikelijke hulp van ouder(s) voor minderjarige kinderen Kinderen van 0 tot 3 jaar hebben bij alle activiteiten zorg van een ouder nodig; hebben ouderlijk toezicht zeer nabij nodig; zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen; hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Kinderen van 3 tot 5 jaar kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer); hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen; ontvangen zindelijkheidstraining van ouders/verzorgers; hebben gedeeltelijk hulp en volledig stimulans en toezicht nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, inen uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen; hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding; zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven; hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
Kinderen van 5 tot 12 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week;
92
DEF. februari 2024
kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv. kind kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is); hebben toezicht, stimulans en controle nodig en vanaf 6 jaar tot 12 jaar geleidelijk aan steeds minder hulp nodig bij hun persoonlijke verzorging; hebben hulp nodig bij het gebruik van medicatie. Bij jonge(re) kinderen is het zo dat ouders de medicatie in principe toedienen; hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling en bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; zijn overdag zindelijk, en 's nachts merendeels ook; ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers; hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrije tijdsbesteding gaan; hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
Kinderen van 12 tot 18 jaar hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen; kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden; kunnen vanaf 16 jaar dag en nacht alleen gelaten worden; kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen; hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig; hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding; hebben bij gebruik van medicatie tot hun 18e jaar toezicht, stimulans en controle nodig; hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen); hebben tot 18 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
93
DEF. februari 2024
III Huishoudelijke ondersteuning (normtijden, activiteiten en frequentie) Resultaat Schoon en leefbaar huis Basiscliëntsituatie, volledige overname: 125 min/week
Minder inzet:
Resultaat Wasverzorging
Overname: Was 1-pers. huishouden: 35 min/week Was 2-pers. huishouden: 43 min/week Strijken (1 of 2 pers): 20 min/week Maatwerk als meer nodig blijkt te zijn Aanbieder maakt gebruik was-en strijkservice mogelijk: 5 min per keer
+
Minder inzet:
Eigen mogelijkheden cliënt en/of netwerk (zelf uitvoeren activiteiten) één of meerdere keren -/- 15 min Meer inzet:
+
+
Extra wasmachine/week Als gevolg van beperkingen en belemmeringen cliënt
Totaal …..minuten/week
Totaal …..minuten/week
94
DEF. februari 2024
Resultaat Regie/ organisatie, AIV Regie/organisatie: max 30 min/week AIV (6 weken): max 90 min/week
+
-/- 17 min
Eigen mogelijkheden cliënt en/of netwerk -/- 10 min
+ 16 min
Resultaat Maaltijden 2 broodmaaltijden: + 20 min/dag Opwarmen maaltijd: + 20 min/dag Maaltijd koken: + 20 min/dag
+
Beperkingen en belemmeringen cliënt of samenstelling huishouden - Enig extra inzet + 30 min - Veel extra inzet + 60 min Extra kamer - In gebruik als slaapkamer + 18 min - Niet in gebruik als slaapkamer + 5 min En/of extra inzet vanwege - Vervuiling huisdier + 15 min - Omvang inrichting of bewerkelijkheid woning + 15 min +
Minder inzet:
Eigen mogelijkheden cliënt en/of netwerk
Meer inzet:
Resultaat Boodschappen Overname: Boodschappen 51 min/week
+
Resultaat Kindzorg (tijdelijk) Tijden voor diverse activiteiten Maatwerk mogelijk
Geen indicatie maaltijden Maatwerk (afwassen handmatig of vaatwasser in- en uitruimen)rekening houdend met eigen kracht
Bereken minuten per week
Bereken minuten per week +
Totaal …..minuten/week
+
+
Totaal …..minuten/week
Resultaat: schoon en leefbaar huis Basisnorm bij basiscliëntsituatie (zie hiervoor onder normtijden activiteiten en frequentie, volledige overname) Minder inzet Eigen kracht cliënt en/of netwerk Zelf uitvoeren huishoudelijke activiteiten (één of meerdere keren per week). Meer inzet per huishouden 1. door beperkingen en belemmeringen cliënt of de omvang van het huishouden; en 2. er meer vervuiling is of een noodzaak tot hoger niveau schoonhouden woning; en 3. er meer nodig is dan de frequentie van basis- of incidentele activiteiten. Normtijd meer inzet (per huishouden) 1. Enige extra inzet, of 2. Veel extra inzet. Extra kamer (per huishouden) 1. In gebruik als slaapkamer. 2. Niet in gebruik als slaapkamer. En/of extra inzet per huishouden vanwege: Vervuiling huisdier. Omvang, inrichting of bewerkelijkheid woning. Resultaat Boodschappen Normtijd overname boodschappen Minder inzet Eigen kracht cliënt en/of netwerk: opstellen boodschappenlijst, opruimen boodschappen. Resultaat wasverzorging Aanbieder maakt gebruik algemene voorziening was- en strijkservice mogelijk (waszak klaarzetten, aanpakken en was opruimen): 5 min.
per keer Bij noodzaak overname (algemene voorziening was- en strijkservice is geen passende oplossing) Was 1 persoonshuishouden (2 x wassen per week) Was 2 persoonshuishouden (5 x wassen per 2 weken) Strijken, alleen bij medische noodzaak (1- of 2 persoonshuishouden, 1 x keer per week) Maatwerk als meer nodig blijkt te zijn Minder inzet Eigen kracht cliënt en/of netwerk: zelf uitvoeren van bijv.: was sorteren, was in de wasmachine of droger stoppen, etc. Meer inzet gerelateerd aan cliënt Extra wasmachine per week (als gevolg van beperkingen en belemmeringen cliënt).
95
DEF. februari 2024
125 min/week -/- 15 min/week
+ 30 min/week + 60 min/week + 18 min/week + 5 min/week + 15 min/week + 15 min/week 51 min/week -/- 10 min/week Tijd invullen 35 min/week 43 min/week 20 min/week Tijd invullen -/- 17 min/week + 16 min/week
Resultaat maaltijden Onder dit resultaat valt ook: tafel dekken, eten en drinken klaarzetten, afruimen, afwassen of vaatwasser inruimen/uitruimen. Frequentie maaltijden 1 x per dag tenzij de cliënt zelf of met hulp van anderen hierin kan voorzien. Twee broodmaaltijden per dag (1 op tafel + 1 in de koelkast) + 20 min per dag (bereken per week) Warme maaltijd (opwarmen) + 20 min per dag (bereken per week) Koken warme maaltijd + 20 min per dag (bereken per week) Geen indicatie maaltijden: maatwerk afwassen of vaatwasser in- en uitruimen Tijd invullen per keer (bereken per week) Resultaat regievoering/organisatie van het huishouden Het kan zijn dat een cliënt niet meer zelf (volledig) de regie kan voeren over het huishouden. Als het zo is dat een hulp daardoor aantoonbaar extra werkzaamheden moet doen of bijvoorbeeld door het gedrag van de cliënt extra tijd nodig heeft, dan kan hiervoor 30 minuten per week structureel extra worden geïndiceerd. Van hulpen mag worden verwacht dat deze zelfstandig hun werkzaamheden kunnen plannen. Het gegeven dat een cliënt de hulp niet kan instrueren, betekent dus niet automatisch inzet van extra ondersteuningstijd. Er moet wel sprake zijn van extra werk.
Meer of minder inzet Meer of minder inzet kan worden geïndiceerd wanneer het niet alleen gaat om het aansturen maar ook om het “samen opwerken” met betrekking tot huishoudelijke taken, niet zijnde begeleiding. Resultaat advies, instructie, voorlichting (AIV) over het huishouden Aanleren van activiteiten en samen uitvoeren van de activiteiten gericht op een schoon en leefbaar huis en de wasverzorging. Aanleren van activiteiten en samen uitvoeren van activiteiten gericht op boodschappen en maaltijden. Inzet is gemaximeerd en tijdelijk: 3 x keer week voor 6 weken. 30 min per keer per week max. 90 min/week Resultaat kindzorg (tijdelijke ondersteuning bij regie/zorg) Het gaat hierbij om een ouder die tijdelijk niet in staat is de ouderrol op zich te nemen en er geen sprake is van gebruikelijke hulp. Maximaal gedurende 3 maanden. Verzorging van kinderen < 12 jaar. De ouder(s) blijft ALTIJD verantwoordelijk voor de kinderen. De crèche, kinderdagverblijf, overblijven op school, voor- en naschoolse opvang is een voorliggende oplossing. Normtijden o.b.v. de beleidsregels die tot 1-1-2024 golden naar bed brengen / uit bed halen 10 min per keer per kind wassen en aankleden 30 min per dag per kind eten en/of drinken geven 20 min (broodmaaltijd), 25 min (warme maaltijd)
babyvoeding (flesje/ borstvoeding) luier verschonen naar school/crèche brengen/halen Maatwerk (meer inzet)
Als opvang noodzakelijk is: tot 40 uur per week
96
DEF. februari 2024
20 min per keer per kind
10 min per keer per kind 15 min per keer per gezin
min/week min/week min/week Min/week 30 min/week
min/week
min/week
min/week min/week min/week min/week min/week min/week min/week
Activiteiten benodigd voor een schoon en leefbaar huis Woonruimten Schoon en leefbaar Woonkamer Slaapkamer(s) huis Afnemen nat en • Stof afnemen • Stof afnemen droog laag/midden/hoog laag/midden/hoog incl. incl. tastvlakken en tastvlakken en luchtfilter luchtfilter • Deuren/deurposten nat afdoen • Deuren/deurposten incl. deurlichten nat afdoen incl. • Radiatoren reinigen deurlichten • Zitmeubels afnemen (droog/nat) • Radiatoren reinigen Stofzuigen en dweilen Stofzuigen Stofzuigen Dweilen Dweilen Ramen en gordijnen
Bed verschonen Keuken schoonmaken
97
DEF. februari 2024
• Gordijnen wassen • Lamellen/luxaflex reiniging • Ramen binnenzijde wassen
• Gordijnen wassen • Lamellen/luxaflex reiniging • Ramen binnenzijde wassen Bed verschonen Matras draaien
Keuken
Badkamer en toilet
Hal
• Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten • Radiatoren reinigen
• deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten • Radiatoren reinigen
• Stof afnemen laag/midden/hoog incl. tastvlakken en luchtfilter • Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten • Radiatoren reinigen
Stofzuigen Dweilen • Gordijnen wassen • Lamellen/luxaflex reiniging • Ramen binnenzijde wassen
• Keukenblok en – apparatuur (buitenzijde) • Afval opruimen • Keukenkastjes (binnenzijde) • Koelkast (binnenzijde) • Oven/magnetron • Vriezer los reinigen binnenzijde (ontdooid) • Afzuigkap reinigen (binnenzijde) • Bovenkant keukenkastjes • Tegelwand (los van keukenblok)
Stofzuigen Dweilen Trap stofzuigen • Gordijnen wassen • Lamellen/luxaflex reiniging • Ramen binnenzijde wassen
Sanitair schoonmaken
Opruimen
Opruimen
Opruimen
•Badkamer schoonmaken (incl. stofzuigen en dweilen) • Toilet schoonmaken • Tegelwand badkamer afnemen
Frequenties benodigd voor een schoon en leefbaar huis (basisactiviteiten) Ruimte Basisactiviteit Woonkamer (en Stof afnemen hoog incl. luchtfilters andere kamers) Stof afnemen midden Stof afnemen laag Opruimen Stofzuigen Dweilen Slaapkamers Stof afnemen hoog incl. tastvlakken en luchtfilters Stof afnemen midden Stof afnemen laag Opruimen Stofzuigen Dweilen Bed verschonen of opmaken Keuken Stofzuigen Dweilen Keukenblok(buitenzijde)inclusief tegelwand, kookplaat, spoelbak, koelkast, eventuele tafel Keukenapparatuur (buitenzijde) Afval opruimen Afwassen (* onderdeel van maaltijden) Sanitair Badkamer schoonmaken (inclusief stofzuigen en dweilen) Toilet schoonmaken Hal Stof afnemen hoog incl. tastvlakken en luchtfilters Stof afnemen midden Stof afnemen laag Stofzuigen Trap stofzuigen (binnenshuis) Dweilen Frequenties benodigd voor een schoon en leefbaar huis (incidentele activiteiten) Ruimte Incidentele activiteit
98
DEF. februari 2024
Frequenties 1 x per 2 weken 1 x per week 1 x per week 1 x per week 1 x per week 1 x per week 1 x per 6 weken 1 x per week 1 x per week 1 x per week 1 x per week 1 x per 2 weken 1 x per 2 weken 1 x per week 1 x per week 1 x per week 1 x per week 1 x per week 1 x per week 1 x per week 1 x per week 1 x per week 1 x per week 1 x per week 1 x per week 1 x per week 1 x per week Frequenties
Woonkamer (en andere kamers)
Gordijnen wassen Reinigen lamellen/luxaflex Ramen binnenzijde wassen Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten Zitmeubels afnemen (droog/nat) Radiatoren reinigen Slaapkamers Gordijnen wassen Reinigen lamellen/luxaflex Ramen binnenzijde wassen Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten Radiatoren reinigen Matras draaien Keuken Gordijnen wassen Reinigen lamellen/luxaflex Ramen binnenzijde wassen Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten Radiatoren reinigen Keukenkastjes (binnenzijde) Koelkast (binnenzijde) Oven/magnetron (grondig schoonmaken) Vriezer los reinigen binnenzijde (ontdooid) Afzuigkap reinigen (binnenzijde) - vaatwasserbestendig Afzuigkap reinigen (binnenzijde) - niet vaatwasserbestendig Bovenkant keukenkastjes Tegelwand (los van keukenblok) Sanitair Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten Radiatoren reinigen Tegelwand badkamer afnemen Gordijnen wassen Ramen binnenzijde wassen Reinigen lamellen/luxaflex Hal Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten Radiatoren reinigen Activiteiten en frequenties benodigd voor de wasverzorging Activiteit Wasgoed sorteren Behandelen van vlekken
99
DEF. februari 2024
1 x per jaar 2 x per jaar 4 x per jaar 2 x per jaar 1 x per 8 weken 2 x per jaar 1 x per jaar 2 x per jaar 4 x per jaar 2 x per jaar 2 x per jaar 2 x per jaar 2 x per jaar 3 x per jaar 4 x per jaar 2 x per jaar 3 x per jaar 3 x per jaar 3 x per jaar 4 x per jaar 1 x per jaar 2 x per jaar 2 x per jaar 1 x 6 weken 2 x per jaar 2 x per jaar 2 x per jaar 4 x per jaar 1 x per jaar 4 x per jaar 3 x per jaar 2 x per jaar 2 x per jaar Frequenties* 1 x per week 5 x per 2 weken (indien nodig)
Was in de wasmachine stoppen (incl. wasmachine aan- zetten) 5 x per 2 weken Wasmachine leeghalen 5 x 2 weken Sorteren naar droger of waslijn 5 x 2 weken Was in de droger stoppen 5 x per 2 weken Droger leeghalen 5 x per 2 weken Was ophangen 5 x per 2 weken Was afhalen 5 x per 2 weken Was opvouwen 5 x per 2 weken Was strijken (indien medisch noodzakelijk) 1 x per week Was opbergen/opruimen 5 x 2 weken * In een tweepersoonshuishouden wordt uitgegaan van een frequentie van 5 x per 2 weken voor de was, in een eenpersoonshuishouden is dat 2 x per week. Activiteiten en frequentie benodigd voor de boodschappen Onderdeel Activiteit Frequentie Boodschappen Het opstellen van boodschappenlijst 1 x per week Het doen van boodschappen 1 x per week Het opruimen van de boodschappen 1 x per week Activiteiten en frequentie benodigd voor de maaltijden Onderdeel Activiteit Frequentie Maaltijden Broodmaaltijden: tafeldekken, eten en drinken klaarzetten (1 maaltijd op tafel, 1 maaltijd in de koelkast), afruimen, afwassen of 1 x per dag* vaatwasser inruimen/uitruimen Opwarmen maaltijd: maaltijd opwarmen, tafeldekken, eten en drinken klaarzetten, afruimen, afwassen of vaatwasser in/uitruimen 1 x per dag* * Of minder als de cliënt hierin een deel van de week zelf of met behulp van het netwerk kan voorzien.