CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Geesteren, De Milt 21 en De Steenberg 5.pdf

Commissie Omgeving en Economie 5 september 2023, gemeente TubbergenBij agendapunt: 7: Bestemmingsplan Geesteren, De Milt 21 en De Steenberg 530.264 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Bestemmingsplan

Geesteren, De Milt 21 En De Steenberg 5

Status: vastgesteld

Status: Datum: IMRO-Code: Auteur(s):

vastgesteld NL.IMRO.0183.GEEBPMILT21STEENB5VG01

Geesteren, De Milt 21 en De Steenberg 5

Inhoudsopgave Toelichting

5

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging van het plangebied 1.3 De bij het plan behorende stukken 1.4 Huidig planologisch regime 1.5 Leeswijzer

7 7 7 7 8 9

Hoofdstuk 2 Huidige situatie 2.1 Huidige situatie plangebied

11 11

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving 3.1 Gewenste ontwikkeling 3.2 Verkeer en parkeren

13 13 14

Hoofdstuk 4 Beleidskader 4.1 Rijksbeleid 4.2 Provinciaal beleid 4.3 Regionaal beleid - Regionale afspraken bedrijventerrein 4.4 Gemeentelijk beleid

17 17 19 27 27

Hoofdstuk 5

33

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8

Milieu- en omgevingsaspecten

Geluid Bodemkwaliteit Luchtkwaliteit Externe veiligheid Milieuzonering Ecologie Archeologie & cultuurhistorie Besluit milieueffectrapportage

33 33 34 35 36 37 39 40

Hoofdstuk 6 Wateraspecten 6.1 Vigerend beleid 6.2 Waterparagraaf

43 43 43

Hoofdstuk 7 Juridische aspecten en planverantwoording 7.1 Inleiding 7.2 Opzet van de regels 7.3 Verantwoording van de regels

45 45 45 46

Hoofdstuk 8

49

Economische uitvoerbaarheid

Hoofdstuk 9 Vooroverleg, inspraak en zienswijzen 9.1 Vooroverleg 9.2 Inspraak 9.3 Zienswijzen

51 51 51 51

Bijlagen bij de toelichting

53

Bijlage 1

54

2

Inpassingsplan

bestemmingsplan Geesteren, De Milt 21 en De Steenberg 5

Bijlage 2

Verkennend bodemonderzoek

56

Bijlage 3

Aerius bereking

100

Bijlage 4

Quickscan ecologie

131

Bijlage 5

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.

163

Bijlage 6

Besluit vormvrije m.e.r. beoordeling

178

Bijlage 7

Watertoetsresultaat

186

Regels

193

Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2

Inleidende regels Begrippen Wijze van meten

195 195 199

Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6

Bestemmingsregels Bedrijventerrein Groen Waarde - Archeologie 3 Waarde - Archeologie 4

201 201 205 206 208

Hoofdstuk 3 Artikel 7 Artikel 8

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels

211 211 212

Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11

Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Overige regels

213 214 215

Hoofdstuk 4 Artikel 12 Artikel 13

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

217 217 218

Bijlagen bij de regels

219

Bijlage 1

Staat van Bedrijfsactiviteiten Bedrijventerrein

220

Bijlage 2

Inpassingsplan

238

bestemmingsplan Geesteren, De Milt 21 en De Steenberg 5

3

4

bestemmingsplan Geesteren, De Milt 21 en De Steenberg 5

Toelichting

bestemmingsplan Geesteren, De Milt 21 en De Steenberg 5

5

6

bestemmingsplan Geesteren, De Milt 21 en De Steenberg 5

Hoofdstuk 1

Inleiding

1.1 Aanleiding Voorliggend bestemmingsplan ziet toe op een ontwikkeling op een perceel, gelegen tussen de Steenberg en de Milt, te Geesteren. Het plangebied betreft een klein deel van het bedrijventerrein 'Lutkeberg' met aangrenzende agrarische percelen. Op het bedrijventerrein, grenzend aan het plangebied, zijn een timmerbedrijf (Noordelijke helft) en een autoservice bedrijf (Zuidelijke helft) gevestigd. Beide bedrijven (hierna initiatiefnemers) zijn voornemens uit te breiden in hun werkzaamheden en willen hiervoor hun bedrijf uitbreiden ter plaatse van de agrarische percelen. In 2019 is er een principeverzoek ingediend waarop de gemeente heeft aangegeven mee te willen werken met de planologische procedure die nodig is voor het beoogde gebruik. Ter plaatse van de beoogde uitbreiding van de bedrijven geldt momenteel een 'agrarische' bestemming en de bestemming 'Bedrijventerrein' zonder bouwvlak. Hierdoor zijn het beoogde gebruik en bijbehorende bouwactiviteiten niet toegestaan. Voorliggend bestemmingsplan ziet toe op de wijziging van het geldende bestemmingsplan teneinde de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken. In voorliggende toelichting wordt aangetoond dat voorgenomen ontwikkeling past binnen een goede ruimtelijke ordening.

1.2 Ligging van het plangebied Het plangebied ligt aan de zuidrand van de kern Geesteren. Hieronder is de ligging van het plangebied weergegeven met de rode ster en rode omlijning.

Afbeelding 1.1 Ligging plangebied ten opzichte van de omgeving (bron: PDOK, bewerking BJZ.nu)

1.3 De bij het plan behorende stukken Het bestemmingsplan "Geesteren, De Milt 21 en De Steenberg 5" bestaat uit de volgende stukken: verbeelding (NL.IMRO.0183.GEEBPMILT21STEENB5-VG01) en een renvooi; regels en bijbehorende bijlagen. toelichting en bijbehorende bijlage Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.

bestemmingsplan Geesteren, De Milt 21 en De Steenberg 5

7

1.4 Huidig planologisch regime Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het bestemmingsplan "Albergen en Geesteren" vastgesteld per 19 maart 2015 en "(veeg)bestemmingsplan kernen gemeente Tubbergen" vastgesteld per 25 mei 2020, op deze gronden bevindt zich het bestaande bedrijventerrein. Het gebied ligt eveneens binnen het bestemmingsplan 'Buitengebied Tubbergen 2016' vastgesteld op 13 mei 2016 en tot slot het bestemmingsplan 'Tubbergen Buitengebied 2016 Veegplan' vastgesteld 15 december 2020. Ter plaatse van deze twee laatste bestemmingsplannen bevinden zich de agrarische gronden. Op de gronden waar het bestemmingsplan "Albergen en Geesteren" geldt, kent het plangebied de bestemming 'Bedrijventerrein' met de functieaanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.2' en de maatvoering 'maximum bouwhoogte 10 m'. In het meest zuidelijke deel geldt tevens de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' en functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - hoge archeologische verwachting'. Het plangebied kent binnen het bestemmingsplan 'Buitengebied Tubbergen 2016" de bestemming 'Agrarisch -1' zonder bouwvlak. Daarnaast geldt voor de locatie deels de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 4' en 'Waarde - Archeologie 3'.

In afbeelding 1.2 is een uitsnede van het geldende bestemmingsplan ('Buitengebied Tubbergen 2016' en "Albergen en Geesteren") opgenomen, waarbij het plangebied met rode omlijning is aangeduid. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding.

`Afbeelding 1.2 Uitsnede geldend bestemmingsplannen (Bron: ruimtelijkeplannen.nl, BJZ.nu) 1.4.1

Beschrijving bestemmingen

"Albergen en Geesteren" Bestemming 'Bedrijventerrein' De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijven genoemd in de in Bijlage 2, van het bestemmingsplan "Albergen en Geesteren", opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten Bedrijventerrein, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.2' uitsluitend een bedrijf tot en met categorie 3.2 is toegestaan. De gronden zijn medebestemd voor onder andere groenvoorzieningen. Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen geldt onder andere dat: bedrijfsgebouwen uitsluitend binnen een bouwvlak mogen worden gebouwd, dat het maximale bebouwingspercentage van een bouwperceel ten hoogste 80% mag bedragen en dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' de bouwhoogte van bedrijfsgebouwen ten hoogste de aangegeven hoogte mag bedragen. Dubbelbestemming 'Waarde - archeologie' De gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van en onderzoek naar aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden. Voor 'waarde - Archeologie' bestemde gronden met de functieaanduiding 8

bestemmingsplan Geesteren, De Milt 21 en De Steenberg 5

'specifieke vorm van waarde - hoge archeologische verwachting' geldt een archeologische onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 0,40 m onder maaiveld. "Buitengebied Tubbergen 2016" Bestemming 'Agrarisch -1' Gronden met de bestemming 'Agrarisch - 1' zijn hoofdzakelijk bedoeld voor het agrarisch gebruik en de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Het bouwen van bebouwing is vanwege het ontbreken van een bouwvlak niet toegestaan. Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' De gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 3' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden. Voor waarde 3 geldt een archeologische onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 0,40 m onder maaiveld. Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' De gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 4' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden. Voor waarde 4 geldt een archeologische onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 5.000 m2 en dieper dan 0,40 m onder maaiveld. 1.4.2

Strijdigheid

Binnen de bestemming 'Bedrijventerrein" zijn geen passende bouwregels aanwezig, vanwege het ontbreken van een bouwvlak. Ter plaatse van de agrarische percelen ontbreken zowel de bouw- als gebruiksregels voor de beoogde ontwikkeling. Met voorliggende bestemmingsplan wordt een passend juridisch-planologisch kader vastgelegd en aangetoond dat de ontwikkeling in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

1.5 Leeswijzer Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de huidige situatie in het plangebied gegeven. Hoofdstuk 3 bevat een omschrijving van de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, provincie Overijssel en de gemeente Tubbergen beschreven. In hoofdstuk 5 passeren alle relevante milieu- en omgevingsthema's de revue en hoofdstuk 6 gaat in op de wateraspecten. In de hoofdstukken 7 en 8 wordt respectievelijk ingegaan op de juridische aspecten/planverantwoording en de economische uitvoerbaarheid. Tot slot gaat hoofdstuk 9 in op het vooroverleg.

bestemmingsplan Geesteren, De Milt 21 en De Steenberg 5

9

10

bestemmingsplan Geesteren, De Milt 21 en De Steenberg 5

Hoofdstuk 2

Huidige situatie

2.1 Huidige situatie plangebied Het plangebied tussen de Steenberg en de Milt ligt aan de zuidrand van de kern Geesteren, op de grens van het buitengebied en het bedrijventerrein 'Lutkeberg'. De Milt ligt aan de noordzijde van het plangebied. De Steenberg ligt aan de zuidzijde. Het bedrijventerrein Lutkeberg ligt ten westen en noorden van het plangebied. Ten oosten en het zuiden liggen afwisselend agrarische gronden met woningen en agrarische erven. De westzijde van het plangebied betreft een deel van het bestaande bedrijventerrein, waaronder de bedrijven van de initiatiefnemers gevestigd zijn. Het plangebied zelf bestaat uit drie delen. Het meest westelijke deel betreft zoals aangegeven een deel van het bestaande bedrijventerrein. Op de noordelijke helft bevindt zich een timmerbedrijf, op het zuidelijke deel bevindt zich een autoservice bedrijf. Tussen dit bedrijventerrein en de agrarische gronden ligt een groenstrook, die momenteel in eigendom is van de gemeente. Het grootste deel van het plangebied, betreffende het oostelijke deel bestaat momenteel uit agrarische percelen. De huidige situatie in het plangebied is op een luchtfoto weergegeven in afbeelding 2.1. In afbeeldingen 2.2 en 2.3 zijn straatbeeldfoto's opgenomen.

Afbeelding 2.1 Luchtfoto plangebied (Bron: PDOK, bewerking BJZ.nu)

bestemmingsplan Geesteren, De Milt 21 en De Steenberg 5

11

Afbeelding 2.2 Straatbeeld plangebied vanaf de Steenberg (Bron: Google Streetview)

Afbeelding 2.3 Straatbeelden plangebied vanaf de Milt (Bron: Google Streetview)

12

bestemmingsplan Geesteren, De Milt 21 en De Steenberg 5

Hoofdstuk 3

Planbeschrijving

3.1 Gewenste ontwikkeling 3.1.1

Aanleiding en voornemen

Zoals in de aanleiding reeds vermeld zijn de initiatiefnemers voornemens om de bestaande bedrijfsactiviteiten uit te breiden ter plaatse van het naastgelegen agrarische perceel. Hiervoor dient de bedrijfsbestemming met bouwvlak in oostelijke richting te worden vergroot. Het nieuwe bouwvlak waarbinnen gebouwd mag worden heeft een oppervlak van 5.543,6 m2. In de regels mag maximaal 80% hiervan worden bebouwd. In de praktijk mag er zo circa 4.435 m2 bijgebouwd worden. Het aansluitende bouwvlak aan de westzijde van het plangebied heeft een grootte van 11.205 m2. In de voorgenomen situatie, na de uitbreiding van het bouwvlak, heeft het nieuwe bouwvlak in totaal dus een oppervlakte van circa 16.750 m2. Aanleiding voor het uitvoeren van voorgenomen ontwikkeling op deze locatie is het beëindigen van het agrarisch bedrijf van Weerink Poolsweg 8 te Geesteren en ruimtegebrek van de beide naastliggende bedrijven van Timmerbedrijf Hilberink BV en Auto Brooks. Hieronder wordt nader ingegaan op beide bedrijven: Timmerbedrijf Hilberink BV: Timmerbedrijf Hilberink bestaat 26 jaar en is gegroeid van een éénmanszaak tot 19 werknemers. Maatwerk is 1 van de sterkste punten. Het bedrijf staat bekend in het maken van zware houtafmetingen, ronde en schuine kozijnen, renovatie en speciaal werk. Het timmerbedrijf maakt trappen in allerlei houtsoorten en modellen.

Naast het maken van kozijnen en trappen is het bedrijf actief in het renoveren van woningen en het maken en plaatsen van prefab dakkapellen. Momenteel zit het bedrijf aan de maximale inhoud en worden ze beperkt in de bedrijfsvoering. Ze willen graag zo efficiënt mogelijk werken door een extra bedrijfshal te bouwen naar de wensen van deze tijd voor het personeel en het bedrijf zelf. Het bedrijf wil graag alles onder 1 dak hebben, om zo makkelijk mogelijk en volgens de wensen van KOMO (bouwkeurmerk) te werken. Tevens is het bedrijf voornemens de prefab-afdeling verder uit te breiden. Auto Brooks: Auto Brooks is een familiebedrijf dat bestaat uit een VOF van vier werkzame eigenaren en daarnaast zeven medewerkers. De zoons van de familie Broekhuis willen het bedrijf voortzetten. Het bedrijf demonteert auto’s ten behoeve van verkoop van onderdelen, ze reviseren motoren en versnellingsbakken en repareren en keuren personenauto’s. Zes jaar geleden is ook begonnen met het repareren en keuren van vrachtauto’s. Het bedrijf is opgericht in 1990, eerst in een agrarisch leegstaande schuur in het buitengebied van Geesteren en in 1998 is het bedrijf verhuisd naar het industrieterrein. Daar is diverse keren uitgebreid en inmiddels zijn de hal en het buitenterrein alweer te klein.

Vandaar het verzoek een stuk grond aan te kunnen kopen om het bedrijf verder te ontwikkelen en voort te zetten, zodat het bedrijf in de toekomst duurzaam kan voortbestaan. De bewoner aan de Poolsweg 8, eigenaar van het naastgelegen agrarische perceel is voornemens om de gronden te verkopen onder voorwaarde. Een voorwaarde is dat de bestemming 'Bedrijventerrein' niet dichter dan 110 meter vanaf de woning aan de Poolsweg 8 komt te liggen en dat langs de oostzijde van de bedrijfsbestemming een zone van 27 meter breed aanwezig is waar geen installaties (zoals afzuigapparatuur) worden geplaatst. Vorenstaande is met bewoner van de Poolsweg 8 afgestemd. 3.1.2

Groeninpassing

Om ervoor te zorgen dat de uitbreiding van het bedrijventerrein in de nabijheid van het buitengebied groen wordt ingepast, is door N+L landschapsontwerpers een inpassingsplan opgesteld. Het inpassingsplan is in Bijlage 1 opgenomen. In afbeelding 3.1 is een uitsnede van het inpassingsplan weergegeven.

bestemmingsplan Geesteren, De Milt 21 en De Steenberg 5

13

Afbeelding 3.1

Gewenste situatie plangebied (Bron: N+L Landschapsontwerpers)

De groeninpassing bestaat hoofdzakelijk uit de aanleg van een nieuwe houtsingel (E in afbeelding 3.1). De houtsingel zorgt voor een groen aanzicht op de nieuwe rand van het bedrijventerrein. Daarnaast wordt ten behoeve van de waterberging een sloot aangelegd (J in afbeelding 3.1).

3.2 Verkeer en parkeren 3.2.1

Algemeen

Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient rekening te worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat als gevolg van een nieuwe ontwikkeling. De gemeente hanteert voor het bepalen van de parkeerbehoefte de 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018', hierin wordt voor het buitengebied verwezen naar de publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)’ van het CROW. Op basis van deze publicatie kan eveneens de verkeersgeneratie worden bepaald. In voorliggend geval is sprake van de volgende uitgangspunten: Verstedelijkingsgraad: niet stedelijk / gemeente Tubbergen (Bron: CBS Statline); Stedelijke zone: buitengebied. Functie bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief Aantal bvo bedrijfsoppervlak: 4435 m2 1. parkeerbehoefte (per 100m2 bvo): gemiddeld 1,1 parkeerplaatsen: 2. verkeersgeneratie (per 100m2 bvo ): gemiddeld 4,8 per weekdagetmaal: Er wordt uitgegaan van de functie bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief, gezien de bedrijven beide relatief veel ruimte nodig hebben voor opslag (machines, autovoertuigen). Daarnaast is het gelet op het beoogde gebruik waarschijnlijk dat ter plaatse van de nieuwe ontwikkeling weinig bezoekers komen. Er is immers geen verkoopfunctie. Het gaat puur om werkplaatsen. 3.2.2

Nieuwe parkeerbehoefte

Op basis van de gemeentelijke parkeernota hoeft enkel de parkeerbehoefte van een nieuwe ontwikkeling te worden berekend. In de parkeernota staat het volgende: Bij verbouw of wijziging van een bestaand bouwwerk, mag de parkeerbehoefte van de bestaande (oude) situatie in mindering worden gebracht. Aldus wordt voorkomen dat een nieuw bouwplan bezwaard wordt met tekortkomingen uit het verleden (b.v. te weinig parkeerplaatsen bij het bestaande gebouw of functie). In het 14

bestemmingsplan Geesteren, De Milt 21 en De Steenberg 5

kader van een bouwplan hoeft alleen de toename van de parkeerdruk, die dus het gevolg is van het bouwplan zelf, te worden gecompenseerd door de aanvrager. In onderstaande tabel is op basis van bovenstaande uitgangspunten de parkeerbehoefte berekend. Hierbij wordt uitgegaan van de gemiddelde parkeerbehoefte. Parkeerbehoefte gewenste situatie Functie

Aantal

Bedrijf arbeidsextensief/ bezoekersextensief Totaal Verkeersgeneratie

4435m2

Parkeerbehoefte (100 m2) 1,1

Totale parkeerbehoefte 48,84 49

In onderstaande tabel is op basis van de uitgangspunten de verkeersintensiteit berekend. Hierbij wordt uitgegaan van de gemiddelde verkeersgeneratie. Verkeersgeneratie gewenste situatie Functie

Aantal

Bedrijf arbeidsextensief/ 44,4 bezoekersextensief Totaal

Verkeersgeneratie (100 m2) 4,8

Totale verkeersgeneratie 213,12 214

3.2.2.1 Parkeren In dit geval nemen de planologische parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie toe als gevolg van de uitbreiding. Op basis van de parkeernormen ontstaat er een parkeerbehoefte van 49 perkeerplaatsen. De parkeerplaatsen worden voorzien op eigen terrein. Enkel 80% van het bouwperceel mag bebouwd worden, waardoor er ruimte is om parkeerplaatsen te realiseren. De feitelijke parkeerbehoefte zal niet toenemen met 49 parkeerplaatsen. Voor beide bedrijven zal het personeelsbestand toenemen met maximaal 1 tot 5 personen. De parkeerbehoefte voor bezoekers zal eveneens niet dusdanig toenemen, gezien op de gronden hoofdzakelijk productie en opslag plaatsvindt. Gelet op bovenstaande wordt afgeweken van de parkeerbehoefte van 49 parkeerplaatsen en worden per bedrijf vijf extra parkeerplaatsen aangelegd (zie I in afbeelding 3.1). 3.2.2.2 Verkeersgeneratie Ten aanzien van de verkeersgeneratie wordt gesteld dat, er een parkeerbehoefte van 214 verkeersbewegingen per etmaal wordt berekend. Ook ten aanzien van het aantal verkeersbewegingen wordt verwacht dat de feitelijke situatie fors lager ligt. Hierbij geldt eveneens dat het personeelsbestand nauwelijks toeneemt en er ook geen forse verhoging van het aantal bezoekers komt. De verkeersgeneratie wordt in de nieuwe situatie verhoudinggewijs aan het aantal parkeerplaatsen circa 22.

De toename betreft een zeer geringe toename in het aantal verkeersbewegingen. Vanaf het plangebied liggen diverse wegen met een directe afwikkeling op grote wegen, zo ontsluit verkeer zich van de Steenberg soepel op de Haarbrinkweg, via de poolsweg. De andere kant op rijdt verkeer via de Lutkeberg en de Delmaweg vrij direct richting de Vriezeveenseweg. Gesteld wordt dat de omliggende wegen over voldoende capaciteit beschikken om deze zeer geringe verkeerstroom soepel af te wikkelen. 3.2.3

Conclusie

Op basis van het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn waardoor de voorgenomen ontwikkeling geen belemmering vormt wat betreft parkeren. Wat betreft verkeersgeneratie worden er geen belemmeringen verwacht.

bestemmingsplan Geesteren, De Milt 21 en De Steenberg 5

15

16

bestemmingsplan Geesteren, De Milt 21 en De Steenberg 5

Hoofdstuk 4

Beleidskader

Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven. Het beleid is in dit bestemmingsplan afgewogen en doorvertaald in de verbeelding en in de regels.

4.1 Rijksbeleid 4.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

4.1.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. 4.1.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut.

Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3. Sterke en gezonde steden en regio's Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw.

Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. 4.1.1.3 Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte;

bestemmingsplan Geesteren, De Milt 21 en De Steenberg 5

17

2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten komst gaat van die van toekomstige generaties. 4.1.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking In de SVIR (voorganger NOVI) is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigd en geoptimaliseerd instrument. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt.

Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en 'stedelijke ontwikkeling'. In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor: bestaand stedelijk gebied: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.´ Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). 4.1.2

Toetsing van het initiatief aan het Rijksbeleid

Het betreft een project waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Geconstateerd dat voorliggende ontwikkeling passend is voor deze locatie. Bij het uitwerken van het plan zijn de kenmerken en identiteit van het gebied centraal gesteld. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling. Wat betreft de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' wordt opgemerkt dat deze van toepassing is bij 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen' (3.1.6 Bro). Er is geen ondergrens bepaald voor wat een 'stedelijke ontwikkeling' is. Op basis van jurisprudentie blijkt dat de vraag of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Zo is bijvoorbeeld sprake van een ladderplichtige ontwikkeling wanneer minimaal 12 woningen worden toegevoegd aan de woningvoorraad (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953) en bij relatief grootschalige uitbreidingen van bouwmogelijkheden (meer dan 500 m² bvo). Wat betreft de “Ladder voor duurzame verstedelijking” wordt opgemerkt dat deze van toepassing is bij “nieuwe stedelijke ontwikkelingen” (3.1.6 Bro). In dit geval gaat het om de uitbreiding van een bedrijf met een bedrijfshal van circa 4.435 m2 op een perceel van 5.000 m2.

Hiermee is er sprake van een stedelijke ontwikkeling. Hierna wordt op de ladder ingegaan. Behoefte Voorliggend voornemen voorziet in het vergroten van de bedrijfsbestemming met bouwvlak in oostelijke richting. Het nieuwe bouwvlak waarbinnen gebouwd mag worden heeft een oppervlak van 5.543,6 m2. In de regels mag maximaal 80% hiervan worden bebouwd. In de praktijk mag er zo circa 4.435 m2 bijgebouwd worden. Als onderdeel van het voornemen wordt daarnaast een deel van het perceel met de bestemming 'Groen' bestemd. Deze uitbreiding is noodzakelijk voor de bedrijven timmerfabriek 'Hilberink' en autobedrijf 'Brooks' om de werkzaamheden te kunnen uitbreiden. Beide bedrijven hebben voorgenomen om te groeien. De bestaande bedrijfspercelen zijn namelijk te klein voor de beoogde activiteiten van beide bedrijven om in de toekomst duurzaam te kunnen blijven voortbestaan. Beide bedrijven lopen momenteel tegen een ruimte tekort aan. Door de uitbreiding kunnen de bedrijven beter 18

bestemmingsplan Geesteren, De Milt 21 en De Steenberg 5

hun buitenterrein ordenen en hun productiecapaciteit vergroten. Hilberink is voornemens om ten oosten de bestaande timmerfabriek uit te breiden. Met deze uitbreiding kan het bedrijf volgens de wensen van KOMO (keurmerk) werken en de prefabafdeling verder uitbreiden. De huidige bedrijfshal is immers te klein voor de productie, waardoor het bedrijf niet door kan groeien en de klant niet optimaal van dienst kan zijn. Auto Brooks is voornemens om ten oosten van hun huidige bedrijfsperceel de ruimte voor bedrijfsbuitenruimte te gebruiken en overweegt om hier een nieuw bedrijfspand te plaatsen. Het bedrijf is immers dusdanig gegroeid dat het huidige perceel te weinig capaciteit heeft voor opslag van auto's. De twee groeiende bedrijven hebben de ruimte nodig. Er is in voorliggend geval dan ook sprake van concrete behoefte aan de uitbreiding van bouwmogelijkheden. Binnen of buiten bestaand stedelijk gebied De bestaande bedrijven liggen binnen het stedelijk gebied. De uitbreiding is gelegen buiten het stedelijk gebied. Het is echter niet wenselijk en realistisch de uitbreiding elders te realiseren. Beide bedrijven bevinden zich namelijk op de rand van het bedrijventerrein, ingeklemd tussen de Milt en de Steenberg ten westen en noorden en ten zuiden. De enige mogelijke en logische uitbreidingsrichting is oostelijk gericht, op gronden die formeel tot het buitengebied behoren.

Volledige verplaatsing naar een locatie elders (bijv. een ander bedrijventerrein) is eveneens niet realistisch, dit vanwege de goede staat van de bedrijfsbebouwing en de forse investeringen die beide bedrijven hebben uitgevoerd op de huidige locatie. Verplaatsing van de bedrijven betekent gelet hierop kapitaalvernietiging en brengt onevenredige bedrijfseconomische gevolgen met zich mee. Verplaatsing naar een andere kern is ook geen optie, gezien de bedrijven lokaal geworteld zijn en fors bijdragen aan de plaatselijke economie en werkgelegenheid. Gezien de opzet van de bedrijven in relatie tot het beoogde doel van de uitbreiding is uitbreiding van de bebouwing op de huidige locatie het meest voor de hand liggend. Het uitbreiden van de bouwmogelijkheden op het bestaande bedrijfsperceel betreft de enige realistische mogelijkheid. Het plan voldoet hiermee aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.

4.2 Provinciaal beleid Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. Het belangrijkste plan betreft de Omgevingsvisie Overijssel en de daarbij behorende Omgevingsverordening Overijssel. 4.2.1

Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie is een integrale visie waarin de beleidsambities en doelstellingen staan die van provinciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Overijssel. Het uitgangspunt is gericht op het jaar 2030. De visie biedt kaders in de vorm van ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Daarbinnen krijgen gemeenten, waterschappen, maatschappelijke organisaties en andere initiatiefnemers mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen te realiseren. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn verwerkt in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. Deze beleidsthema's worden benaderd vanuit de overkoepelende rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit. Duurzame ontwikkeling voorziet in de behoefte van de huidige generatie, zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien. Ruimtelijke kwaliteit is datgene wat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is. Ruimtelijke kwaliteit gaan vooral over 'goed': mooi, functioneel en toekomstbestendig. Sociale kwaliteit gaat over het welzijn of 'goed voelen' van de mens. In de omgevingsvisie gaat het over het welzijn van de mens in relatie tot de fysieke leefomgeving. 4.2.2

Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening bestemmingsplan Geesteren, De Milt 21 en De Steenberg 5

19

Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. 4.2.3

Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving: een ontwikkelingsgerichte aanpak

De provincie wil ontwikkelingen in de Groene omgeving samen laten gaan met een impuls in kwaliteit. Daarom is de 'Kwaliteitsimpuls Groene omgeving' ontwikkelt als een eenduidige bundeling van diverse bestaande regelingen als rood voor rood, rood voor groen, vab's, landgoederen etc. Deze regelingen blijven daarin overigens wel herkenbaar. Er is een eenvoudige werkwijze ontwikkeld om principes van ontwikkelingsplanologie toepasbaar te maken voor sociaaleconomische ontwikkelingen in de Groene omgeving. De basis ligt in de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, de ontwikkelingsperspectieven en 'Catalogus Gebiedskenmerken'. Ontwikkelingen in de Groene omgeving worden als volgt benaderd: Er wordt ruimte voor sociaaleconomische ontwikkeling geboden als deze ontwikkeling vanuit zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik verantwoord is en in het ontwikkelingsperspectief ter plekke past en volgens de 'Catalogus Gebiedskenmerken' wordt uitgevoerd. Aan de geboden ontwikkelruimte worden dus voorwaarden verbonden om ruimtelijke kwaliteit te handhaven danwel in voorkomende gevallen de gewenste ruimtelijke kwaliteit te kunnen realiseren. Het gaat hierbij in alle gevallen in ieder geval om een goede ruimtelijke inpassing van de ontwikkeling. Eén en ander moet nader worden onderbouwd in een bij het ruimtelijk plan behorende toelichting. 4.2.4

Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: 1. Of - generieke beleidskeuzes; 2. Waar - ontwikkelingsperspectieven; 3. Hoe - gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hierna nader toegelicht. 4.2.4.1 Of - Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een maatschappelijke opgave. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Andere generieke beleidskeuzes betreffen het voorkomen van overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantoorlocaties. Ook wordt in deze fase de zogenaamde Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking gehanteerd. Deze Overijsselse ladder geeft een nadere invulling aan de vraag hoe de behoefte moet worden bepaald, zowel in de stedelijke als in de groene omgeving, en op welke wijze de regionale afstemming vorm gegeven moet worden.

Integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid, (boven)regionale afstemming en zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik zijn beleidskeuzes die invulling geven aan de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking. Voor specifieke gebieden in Overijssel geldt dat niet alle initiatieven mogelijk zijn. Dit heeft te maken met zwaarwegende publieke belangen, Gebiedsspecifieke beleidskeuzes om de zwaarwegende publieke belangen te borgen, zijn: reservering voor waterveiligheid en beperking wateroverlast, drinkwater/grondwaterbeschermingsgebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)), de Nationale Landschappen en het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen. 4.2.4.2 Waar - Ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de 20

bestemmingsplan Geesteren, De Milt 21 en De Steenberg 5

ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst. 4.2.4.3 Hoe - Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden. Afbeelding 4.1 geeft dit schematisch weer.

Afbeelding 4.1 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) 4.2.5

Toetsing van het initiatief aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. 4.2.5.1 Of- Generieke beleidskeuzes Bij de afwegingen in de eerste fase 'Of- generieke beleidskeuzes' blijkt dat met name de artikelen 2.1.3, lid 1 (Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik) en 2.1.5 (Ruimtelijke kwaliteit) van de Omgevingsverordening Overijssel van belang zijn. Artikel 2.1.3, lid 1

Principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik

Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de groene omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: 1. dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie; 2. dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip “groene omgeving” nader gedefinieerd als: de gronden die niet vallen onder bestaand bebouwd gebied. In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip “bestaand bebouwd gebied” nader gedefinieerd als: de gronden binnen steden en dorpen die benut kunnen worden voor stedelijke functies op grond van geldende bestemmingsplan Geesteren, De Milt 21 en De Steenberg 5

21

bestemmingsplannen en op grond van voorontwerp-bestemmingsplannen voor zover de provinciale diensten daarover schriftelijk een positief advies hebben uitgebracht in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.3, lid 1 van de Omgevingsverordening De principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik zijn een Overijsselse variant op de ladder voor duurzame verstedelijking ten behoeve van de toepassing binnen de groene omgeving. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de transformatie van agrarische gronden tot bedrijventerrein. Voorliggend initiatief is in paragraaf 4.1 getoetst aan de ladder van duurzame verstedelijking. Gesteld wordt dat er bewust en zorgvuldig met de ruimte wordt omgegaan. Geconcludeerd dat het voornemen voldoet aan de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Artikel 2.1.5

Ruimtelijke kwaliteit

In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. In het kader van toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan het Uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) die in de Omgevingsvisie Overijssel is neergelegd. In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief dat in de Omgevingsvisie Overijssel voor het gebied is neergelegd. In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan de vier-lagenbenadering die onderdeel uitmaakt van het Uitvoeringsmodel en op welke wijze de Catalogus Gebiedskenmerken is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.5 van de Omgevingsverordening Ten aanzien van artikel 2.1.5 ruimtelijk kwaliteit wordt opgemerkt dat de uitbreiding landschappelijk wordt ingepast. Zo wordt een 8 meter brede strook groen aan de oostzijde en een 5 meter brede strook aan de zuidzije van het bedrijventerrein gerealiseerd.

Deze groenstrook is beduidend breder dan de huidige situatie, waardoor het zicht vanaf de weg verbetert en de bedrijfspanden goed ingepast worden. De groenstrook gaat vergezeld met de bestemming 'Groen' waardoor de instandhouding van de groenstrook gewaarborgd blijft. Door voorliggend initiatief wordt er aan concrete behoefte voldaan. In paragraaf 4.4.3.3 wordt nader op KGO ingegaan. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de basisinspanning van het provinciaal beleid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. 4.2.5.2 Waar- Ontwikkelingsperspectieven Het plangebied behoord tot het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken buiten de stedelijke netwerken'. In afbeelding 4.2 is een uitsnede van de perspectievenkaart behorende bij de Omgevingsvisie opgenomen.

22

bestemmingsplan Geesteren, De Milt 21 en De Steenberg 5

Afbeelding 4.2 Uitsnede ontwikkelingsperspectief (Bron: Provincie Overijssel) 'Wonen en werken buiten de stedelijke netwerken' De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico’s op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten). Toetsing van het initiatief aan de 'Ontwikkelingsperspectieven' De functionele structuur van de omgeving rondom het plangebied is divers, zoals ook beoogd in dit gebied. Met voorliggende ontwikkeling vindt hier geen verandering in plaats.

Op basis van dit bestemmingsplan kunnen twee bestaande lokale gewortelde bedrijf uitbreiden. Door de uitbreiding krijgen de bedrijven de mogelijkheid om de bedrijfsvoering in te richten op de toenemende vraag naar de diensten die ze leveren. Hierdoor krijgen de bedrijven een duurzaam toekomstperspectief en wordt de sociale en economische vitaliteit in Geesteren behouden. Daarnaast is het plan op basis van milieu- en omgevingsaspecten toelaatbaar op de betreffende locatie. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar Hoofdstuk 5. Tot slot wordt opgemerkt dat de ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling passend is binnen de structuur van de omgeving. 4.2.5.3 Hoe - Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en de laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De 'Laag van beleving' en wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten, aangezien voor de plandelen geen specifieke eigenschappen vanuit deze laag gelden. 1.

De 'Natuurlijke laag'

Overijssel bestaat uit een rijk en gevarieerd spectrum aan natuurlijke landschappen. Deze vormen de basis voor het gehele grondgebied van Overijssel. Het beter afstemmen van ruimtelijke ontwikkelingen op de natuurlijke laag kan ervoor zorgen dat de natuurlijke kwaliteiten van de provincie weer mede beeldbepalend worden. Ook in steden en dorpen bijvoorbeeld in nieuwe waterrijke woonmilieus en nieuwe natuur in stad en dorp. Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart van de “Natuurlijke laag” aangeduid met het gebiedstype 'Dekzandvlakte en ruggen'. In onderstaande afbeelding is dit weergegeven.

bestemmingsplan Geesteren, De Milt 21 en De Steenberg 5

23

Afbeelding 4.3 Natuurlijke laag (Bron: Provincie Overijssel) 'Dekzandvlakten en ruggen' De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/ nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijdert. De ambitie is de natuurlijke verschillen tussen hoog en laag en tussen droog en nat functioneel meer sturend en beleefbaar te maken. Dit kan bijvoorbeeld door een meer natuurlijk watersysteem, door beplanting met 'natuurlijke' soorten en door de (strekkings)richting van het landschap te benutten in gebiedsontwerpen. Toetsing van het initiatief aan de 'Natuurlijke laag' Ter plaatse van het plangebied zijn de kenmerken van het oorspronkelijk landschap nauwelijks meer waarneembaar. Dit komt vanwege het huidige functionele gebruik als landbouwgrond. Geconcludeerd wordt dat het initiatief geen invloed heeft op de gebiedskenmerken van de 'Natuurlijke laag'. In het bestemmingsplan hoeft geen beschermende regeling te worden opgenomen ter waarborging van de gebiedskenmerken van de natuurlijke laag. 2.

De 'Stedelijke laag'

In de stedelijke laag is de koppeling van de sociale en fysieke dynamiek van de stedelijke functies aan het verbindende netwerk van wegen, paden, spoorwegen en kanalen een belangrijk ordenend principe. Efficiëntie en nabijheid zijn belangrijke vestigingsoverwegingen, maar daarbij wordt kwaliteit eigenheid en onderscheidend vermogen (mede gevormd door de historie) van de regio steeds belangrijker. Steden zijn de economische motors van Overijssel. Ook hier is sprake van een rijk palet: dorpen met centrumfuncties, landstadjes, steden en stedelijke netwerken. Elk met een eigen karakteristieke ruimtelijke, sociale en functionele opbouw en kwaliteiten. Het projectgebied is volgens de stedelijke laag gelegen in het gebiedstype 'woonwijken 1955-nu' en 'bedrijventerreinen'. In afbeelding 3.3 is het projectgebied met een rood kader weergegeven.

24

bestemmingsplan Geesteren, De Milt 21 en De Steenberg 5

Afbeelding 4.4 Stedelijke laag (Bron: Provincie Overijssel) 'Woonwijken 1955 – nu' De woonwijken van 1955 tot nu zijn planmatig opgezette uitbreidingswijken op basis van een collectief idee en grotere bouwstromen. De functies (wonen, werken, voorzieningencentra) zijn uiteengelegd en de wijken zijn opgedeeld in buurten met een homogeen bebouwingskarakter: buurten met eengezinswoningen, flatwijken, villawijken, wijk(winkel)centra. Er is sprake van een tijdsgebonden verkavelingsstructuur op basis van verschillende ordeningsprincipes. Als ontwikkelingen plaatsvinden in de naoorlogse woonwijken, dan voegt nieuwe bebouwing zich in de aard, maat en het karakter van het grotere geheel (patroon van o.a. wooneenheden en parken), maar is als onderdeel daarvan wel herkenbaar. De groenstructuur is onderdeel van het wijkontwerp. 'Bedrijventerreinen' De bedrijventerreinen zijn georganiseerd op basis van uitgegeven kavels aan bedrijven. Het zijn meestal monofunctionele werkgebieden met een ‘no nonsense’ karakter en vaak krappe openbare ruimtes. De gebieden zijn ingericht en bebouwd op basis van een beperkte set aan kwaliteitsregels. De terreinen zijn veelal volledig gericht op auto bereikbaarheid en hermetisch van karakter en liggen los van de woonwijken en het buitengebied. Er zijn veel verschillen in uitstraling en ambitieniveau per terrein.

De bebouwing is functioneel, vaak eenvoudig en eenvormig, soms karakteristiek en historisch De ambitie binnen deze gebieden is vitale werklocaties. Een vernieuwings-\ en herstructureringsproces van bedrijventerreinen op gang brengen waardoor o.a.: de aansluiting op het landschap en de omliggende wijken verbetert; verdichting en intensivering van grondgebruik plaats vindt, en nieuwe uitleg wordt vermeden (zuinig ruimtegebruik) en duidelijke profilering en differentiatie van terreinen wordt verkregen kwaliteit van de buitenruimte en de architectuur verbetert en meer samenhang krijgt. Toetsing van het initiatief aan de “Stedelijke laag” In het voorliggende geval wordt ter plaatse van de 'woonwijken 1955 - nu' het bedrijventerrein uitgebreid op agrarische gronden. De uitbreiding sluit aan op de omliggende bebouwing van het naastgelegen bedrijventerrein. De groenstructuren in het gebied blijven behouden, zo wordt het bedrijventerrein afgeschermd met een groenstrook, zodat er een goede overgang naar het landelijk gebied behouden blijft. Ten aanzien van de laag bedrijventerreinen wordt gesteld dat de aansluiting van het landschap en de omliggende wijken wordt verbeterd doordat er een bredere groenstrook wordt aangelegd. In het rijksbeleid is aangetoond dat er bewust wordt omgegaan met de ruimte en de gekozen uitbreidingsrichting de enige logische optie betreft.

Geconcludeerd wordt dat de invulling van de locatie in overeenstemming is met de gebiedskenmerken van de 'Stedelijke laag'. 3.

De 'Laag van het agrarische cultuurlandschap' bestemmingsplan Geesteren, De Milt 21 en De Steenberg 5

25

In het agrarisch cultuurlandschap gaat het er altijd om dat de mens inspeelt op de natuurlijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Hierbij hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld. Wel zijn we ze in de loop van de tijd gaan waarderen om hun ruimtelijke kwaliteiten. Vooral herkenbaarheid, contrast en afwisseling worden gewaardeerd. De ambitie is gericht op het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen door óf versterking óf behoud óf ontwikkeling of een combinatie hiervan. Het plangebied is aangeduid met het gebiedstype 'Jonge heide- en broekontginningslandschap'. In afbeelding 4.4 is dit weergegeven.

Afbeelding 4.4 Laag van het agrarisch cultuurlandschap (Bron: Provincie Overijssel) 'Jonge heide- en broekontginningslandschap' De grote oppervlakte aan – voormalige – natte en droge heidegronden was oorspronkelijk functioneel verbonden met het essen- en oude hoevenlandschap; hier werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal; in de stal bemeste plaggen dienden als structuurverbeteraar en bemesting voor de akkergronden op de essen. Na de uitvinding van kunstmest ging deze functie verloren en werden deze gronden grotendeels in cultuur gebracht. Aanvankelijk kleinschalig en min of meer individueel door keuterboertjes, later werd de ontginning planmatig en grootschalig aangepakt (tot in de jaren 60 van de 20e eeuw). De grote natte broekgebieden ondergingen een vergelijkbare ontwikkeling, waardoor de natte en de droge jonge ontginningen nu gelijkenis vertonen. De ambitie is de ruimtelijke kwaliteit van deze gebieden een stevige impuls te geven en soms een transformatie wanneer daar aanleiding toe is. De dragende structuren worden gevormd door landschappelijk raamwerken van lanen, bosstroken en waterlopen, die de rechtlijnige ontginningsstructuren versterken. Binnen deze raamwerken is ruimte voor verdere ontwikkeling van bestaande erven en soms de vestiging van nieuwe erven, mits deze een stevige landschappelijke jas krijgen.

De ambitie is verder de landschappelijke karakteristieken voor weidevogels in stand te houden en te versterken Toetsing van het initiatief aan de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap” Door uitbreiding van het bedrijventerrein op de agrarische gronden worden de kenmerken van het jonge heideen broekontginningslandschap niet aangetast. Door de nieuwe bebouwing en het aanleggen van een brede groenstrook langs de oostzijde is sprake van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit passend bij de kenmerken van het jonge heide- en broekontginningslandschap. Geconcludeerd wordt dat het initiatief geen invloed heeft op de gebiedskenmerken van de 'Laag van het agrarische cultuurlandschap'. In het bestemmingsplan hoeft geen beschermende regeling te worden opgenomen ter waarborging van de gebiedskenmerken van de laag van het agrarisch cultuurlandschap. 4.2.6

Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid

Geconcludeerd wordt dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming is met het provinciaal ruimtelijk beleid.

26

bestemmingsplan Geesteren, De Milt 21 en De Steenberg 5

4.3 Regionaal beleid - Regionale afspraken bedrijventerrein 4.3.1

Algemeen

Gemeenten (colleges van B&W) en de provincie Overijssel (college van GS) hebben prestatieafspraken over bedrijventerreinen gemaakt over de periode 2017-2020. Een onderdeel van de afspraken was om na 2 jaar een nieuwe analyse uit te voeren van de cijfers van vraag en aanbod in de regio Twente, en per gemeente. Als gevolg van deze afspraak is in 2018 door de STEC-groep, in opdracht van de Overijsselse gemeenten en de provincie Overijssel, een nieuw vraag- en prognoseonderzoek uitgevoerd: “Ruimte voor economische groei in Overijssel”. Begin 2019 heeft STEC samen met de gemeenten en de provincie een doorvertaling gemaakt van deze vraagraming naar gemeenteniveau. Het bestuurlijk overleg programmering bedrijventerreinen Twente heeft op 4 april 2019 besloten de nieuwe toedeling voortaan als uitgangspunt te willen nemen en de oude afspraken daarmee te laten vervallen. Dit document treedt dus in de plaats van de in 2017 getekende afspraken “Afspraken Regionale Bedrijventerreinen Programmering Twente 2017-2020”, die daarmee vervallen. 4.3.2

Criteria

Afspraken Regionale Bedrijventerreinen Programmering Twente 2019 -2022 Gemeenten (Colleges van B&W) en Provincie Overijssel (College van GS) hebben prestatieafspraken over bedrijventerreinen gemaakt over de periode 2019-2022. Hierin is onder meer afgesproken dat een kruimelregeling geldt bij ondergeschikte uitbreiding van reeds gevestigde bedrijven. De voorgestelde uitbreiding is in dit geval ondergeschikt aan de reeds gevestigde bedrijven, omdat de uitbreiding qua oppervlakte minder groot is dan dat de bedrijven in de huidige situatie groot zijn. De Ladder voor duurzame verstedelijking verzet zich er namelijk niet altijd tegen dat een plan met een goede kwalitatieve onderbouwing toch mogelijk wordt gemaakt in een situatie dat er meer aanbod is dan vraag. Uitbreiding van bedrijventerreinen is hiervoor toegestaan wanneer: De uitbreiding het gevolg is van een actuele marktvraag; Deze onderbouwd is conform de vereisten vanuit de Ladder voor Duurzame Verstedelijking; Financieel en economisch is aangetoond dat uitbreiding in overig bestaand planaanbod financieel en economisch geen reële optie is (dit betekent dat aangetoond moet worden dat geschikte locaties niet voorzien in de behoefte); De realisatie van de uitbreiding binnen twee jaar na start tervisielegging van het ontwerp bestemmingsplan zal plaatsvinden. 4.3.3

Toetsing Afspraken Regionale Bedrijventerreinen Programmering Twente 2019 -2022

Voorliggend initiatief Voorziet in de uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein in Geesteren. Hieronder wordt per criteria aangetoont hoe hier aan wordt voldaan: Voorliggend initiatief komt voort vanuit twee lokaal gevestigde bedrijven die beiden een groei doormaken. Ten behoeve van deze groei zijn zij opzoek naar bedrijfsruimte. Gesteld wordt dat voorgenomen ontwikkeling voort komt uit een actuele marktvraag. In paragraaf 4.1 wordt getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking, Hieruit volgt dat het plan voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid. In paragraaf 4.1 wordt eveneens aangetoond dat er er naar locaties elders is gezocht, gezien de liggen van de twee bedrijven die willen uitbreiden en de investeringen die op deze locatie zijn gemaakt is het geen optie om binnenstedelijk uit te breiden en leidt een locatie elders tot onevenredige financiële gevolgen voor de initiatiefnemers. De uitvoering van het initiatief zal binnen twee jaar na start tervisielegging van het ontwerp bestemmingsplan plaatsvinden. Geconcludeerd wordt dat het initiatief voldoet aan de eisen van de Regionale Bedrijventerreinen Programmering Twente 2019 - 2022

4.4 Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste beleidsdocumenten die van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling worden hieronder in willekeurige volgorde behandeld.

bestemmingsplan Geesteren, De Milt 21 en De Steenberg 5

27

4.4.1

Omgevingsvisie Tubbergen

4.4.1.1 Algemeen De gemeenteraad van Tubbergen heeft de 'MijnOmgevingsvisie' op 16 maart 2021 vastgesteld. Hier zijn de bestaande waarden en toekomstige waarden vastgelegd. MijnOmgevingsvisie bestaat uit een beschrijving van de bestaande waarden en 11 verschillende speerpunten. Bij ontwikkelingen moet worden aangesloten op de bestaande waarden en wordt ook gekeken of er bij zoveel mogelijk speerpunten kan worden aangesloten. 4.4.1.2 Waardenkaart Volgens de waardenkaart behorende bij de omgevingsvisie Tubbergen ligt het plangebied in de waarde 'Kernen met woon- en centrumfunctie'. In deze gebieden wordt ingespeeld op onder andere voldoende vestigingsmogelijkheden voor bedrijven en ondernemers passend binnen het aanbod van de kern. 4.4.1.3 Ruimte voor ondernemen De gemeente wil zorgen voor voldoende ontwikkelruimte voor bedrijven en voor plekken waar bedrijven zich kunnen vestigen. Zo draagt zij bij aan de werkgelegenheid en kunnen verschillende soorten bedrijvigheid ontstaan. De gemeente streeft naar levendige compacte kernwinkelgebieden. Voor duurzame, kansrijke initiatieven leveren we maatwerk. Daarbij ligt de nadruk op het behouden en versterken van het lokale bedrijfsleven. Samenvattend gaat Tubbergen voor: goede vestigings- en ontwikkelingsmogelijkheden voor het bedrijfsleven; het faciliteren van ondernemers met als principe “ja- tenzij”.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/973/documents/20981