Bijlage Buitengebied, Oldenzaalseweg 84 Fleringen.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Buitengebied, Oldenzaalseweg 84 Fleringen
Status: vastgesteld
Status: Datum: IMRO-Code: Auteur(s):
vastgesteld NL.IMRO.0183.BUIBPOLDENZLSEW84VG01
Buitengebied, Oldenzaalseweg 84 Fleringen
Inhoudsopgave Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging van het plangebied 1.3 De bij het plan behorende stukken 1.4 Huidig planologisch regiem 1.5 Leeswijzer
7 7 7 8 8 9
Hoofdstuk 2 Huidige situatie 2.1 Huidige situatie plangebied
11 11
Hoofdstuk 3 Planbeschrijving 3.1 Gewenste ontwikkeling 3.2 Verkeer en parkeren
13 13 15
Hoofdstuk 4 Beleidskader 4.1 Rijksbeleid 4.2 Provinciaal beleid 4.3 Gemeentelijk beleid
17 17 18 22
Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten 5.1 Geluid
25 25
5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7
25 26 27 27 28 30
Bodemkwaliteit Luchtkwaliteit Externe veiligheid Milieuzonering Ecologie Archeologie & cultuurhistorie
Hoofdstuk 6 Wateraspecten 6.1 Vigerend beleid 6.2 Waterparagraaf
33 33 33
Hoofdstuk 7 Juridische aspecten en planverantwoording 7.1 Inleiding 7.2 Opzet van de regels 7.3 Verantwoording van de regels
35 35 35 36
Hoofdstuk 8
39
Economische uitvoerbaarheid
Hoofdstuk 9 Vooroverleg 9.1 Vooroverleg
41 41
Bijlagen bij de toelichting
43
Bijlage 1
Ruimtelijk kwaliteitsplan
44
Bijlage 2
Milieuhygiënisch vooronderzoek
67
Bijlage 3
Quickscan natuurwaarden
103
2
bestemmingsplan Buitengebied, Oldenzaalseweg 84 Fleringen
Bijlage 4
Watertoetsresultaat
143
Regels
147
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
149 149 155
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5
Bestemmingsregels Agrarisch - 1 Wonen Waarde - Archeologie 3
157 157 160 165
Hoofdstuk 3 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overige regels
167 167 168 169 170 171 172 173
Hoofdstuk 4 Artikel 13 Artikel 14
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
175 175 176
Bijlagen bij de regels
177
Bijlage 1
Ruimtelijk kwaliteitsplan Oldenzaalseweg 84
178
Bijlage 2
Ondergeschikte tweede tak of een deeltijdfunctie
180
Bijlage 3
Bestaande sierteeltgebieden
185
bestemmingsplan Buitengebied, Oldenzaalseweg 84 Fleringen
3
4
bestemmingsplan Buitengebied, Oldenzaalseweg 84 Fleringen
Toelichting
bestemmingsplan Buitengebied, Oldenzaalseweg 84 Fleringen
5
6
bestemmingsplan Buitengebied, Oldenzaalseweg 84 Fleringen
Hoofdstuk 1
Inleiding
1.1 Aanleiding Het voornemen is om aan de Hilbertweg 14 te Weerselo (gem. Dinkelland) en de Oldenzaalseweg 84 te Fleringen (gem. Tubbergen) in het kader van de Rood voor Rood-regeling landschapsontsierende bebouwing te slopen. Concreet gaat het om 711 m² aan de Hilbertweg 14 en 405 m² aan de Oldenzaalseweg 84. Respectievelijk 611 m² en 305 m² (totaal 916 m²) van het sloopoppervlak wordt ingezet in het kader van Rood voor Rood-regeling. Ter compensatie van de sloop van 850 m² aan landschapsontsierende bebouwing wordt het bouwrecht op een compensatiewoning met bijgebouw verkregen. Het voornemen is om deze compensatiewoning op het woonerf aan de Ootmarsumsedijk 9 te Weerselo (gem. Dinkelland) te realiseren. Daarnaast wordt een deel van het restant van het sloopoppervlak ingezet om ter plaatse van de Hilbertweg 14 en de Oldenzaalseweg 84 het toegestane oppervlak aan bijgebouwen beperkt uit te breiden.
Samenvattend bestaat de voorgenomen ontwikkeling uit: de sloop van 405 m² landschapsontsierende bebouwing aan de Oldenzaalseweg 84 in Fleringen; de sloop van 711 m² landschapsontsierende bebouwing aan de Hilbertweg 14 in Weerselo; het realiseren van één compensatiewoning op het woonperceel aan de Ootmarsumsedijk 9; vergroten van het toegestane oppervlak aan bijgebouwen op het perceel Ootmarsumsedijk met 100 m² middels de zogenaamde 'hobbyboer regeling'; inzet van 100 m² sloopoppervlak (overschot) aan de Hilbertweg 14 om het toegestane oppervlak aan bijgebouwen ter plaatse te maximeren op 200 m²; inzet van 100 m² sloopoppervlak (overschot) aan de Oldenzaalseweg 84 om het toegestane oppervlak aan bijgebouwen ter plaatse te maximeren op 250 m²; landschappelijke inpassing van alle betrokken percelen. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dinkelland heeft in een brief van 19 februari 2019 principemedewerking aan de voorgenomen ontwikkeling verleend. De voorgenomen ontwikkeling is niet in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan. Een bestemmingsplanherziening is noodzakelijk om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken, waarbij wordt opgemerkt dat voor de beide locaties in Weerselo een afzonderlijk bestemmingsplan is opgesteld.
Deze locaties worden dan ook slechts waar relevant genoemd in deze toelichting, maar maken geen onderdeel van dit bestemmingsplan dat enkel gericht is op de slooplocatie aan de Oldenzaalseweg 84. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een passend juridisch-planologisch kader om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken. Daarbij wordt aangetoond dat het gewenste plan vanuit ruimtelijk en planologisch oogpunt verantwoord is en in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
1.2 Ligging van het plangebied Het plangebied ligt in Fleringen, in het buitengebied van de gemeente Tubbergen. In afbeelding 1.1 is de ligging van het plangebied ten opzichte van de kern Fleringen (rode ster) weergegeven.
bestemmingsplan Buitengebied, Oldenzaalseweg 84 Fleringen
7
Afbeelding 1.1 Ligging van het plangebied t.o.v. de kern Fleringen (Bron: PDOK)
1.3 De bij het plan behorende stukken Het bestemmingsplan "Buitengebied, Oldenzaalseweg 84 Fleringen" bestaat uit de volgende stukken: verbeelding (NL.IMRO.0183.BUIBPOLDENZLSEW84-VG01) en een renvooi; regels. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.
1.4 Huidig planologisch regiem 1.4.1
Algemeen
De slooplocatie ligt binnen de begrenzing van de bestemmingsplannen “Tubbergen buitengebied 2016” en “Facetbestemmingsplan parkeren Tubbergen” van de gemeente Tubbergen, die op respectievelijk 23 mei 2016 en 28 mei 2018 zijn vastgesteld door de raad. Daarnaast is ook het “Voorbereidingsbesluit Wonen Buitengebied” van toepassing. In de volgende subparagraaf wordt ingegaan op de ter plaatse geldende bestemming op basis van het in dit kader meest relevante bestemmingsplan “Tubbergen buitengebied 2016”. 1.4.2
Oldenzaalseweg 84 Fleringen (slooplocatie)
In afbeelding 1.2 is een uitsnede opgenomen van de verbeelding behorende bij het geldende bestemmingplan. Het plangebied is indicatief weergegeven met de rode omlijning. Aangrenzende agrarische gronden zijn meegenomen in het plangebied in verband met de ter plaatse noodzakelijk landschappelijke inpassing. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding.
8
bestemmingsplan Buitengebied, Oldenzaalseweg 84 Fleringen
Afbeelding 1.2 Uitsnede verbeelding bestemmingsplan “Tubbergen buitengebied 2016” (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Bestemmingen De binnen dit bestemmingsplan betrokken gronden zijn reeds voorzien van de juiste bestemmingen. Dit bestemmingsplan voorziet uitsluitend in een verplichting tot sloop van de schuren die zijn betrokken in het kader van de Rood voor Rood ontwikkeling en een verhoging van de toegestane omvang aan bijgebouwen tot 250 m². De bestaande bestemmingen blijven behouden. Daarom wordt het uitgebreid beschrijven van het huidige planologische regime niet noodzakelijk geacht. 1.4.3
Strijdigheid
Ter plaatse van het plangebied is het nu mogelijk en toegestaan om de jongveeschuur van 405 m², waarvan 305 m² wordt gesloopt in het kader van Rood voor Rood, te behouden. Deze schuur wordt gesloopt en mag niet worden teruggebouwd. Daarnaast wordt 100 m² van het sloopoppervlak ingezet om het toegestane oppervlak aan bijgebouwen na sloop, te vergroten met 100 m². Dit bestemmingsplan voorziet in de gewenste planologische kaders waarin het vorenstaande is geregeld.
1.5 Leeswijzer Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de huidige situatie in het plangebied gegeven. Hoofdstuk 3 bevat een omschrijving van de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, provincie Overijssel en de gemeente Tubbergen beschreven. In hoofdstuk 5 passeren alle relevante milieu- en omgevingsthema's de revue en hoofdstuk 6 gaat in op de wateraspecten. In de hoofdstukken 7 en 8 wordt respectievelijk ingegaan op de juridische aspecten/planverantwoording en de economische uitvoerbaarheid. Tot slot gaat hoofdstuk 9 in op het vooroverleg.
bestemmingsplan Buitengebied, Oldenzaalseweg 84 Fleringen
9
10
bestemmingsplan Buitengebied, Oldenzaalseweg 84 Fleringen
Hoofdstuk 2
Huidige situatie
2.1 Huidige situatie plangebied De slooplocatie is gelegen aan de Oldenzaalseweg 84 direct ten westen van de kern Fleringen. De ruimtelijk-functionele structuur van de omgeving bestaat voornamelijk uit agrarische gronden en verspreid liggende woonerven. Aan de oostzijde aan de overzijde van de N343 bevindt zich de kern Fleringen. De huidige situatie ter plaatse van het plangebied is in afbeelding 2.1 weergegeven.
Afbeelding 2.1 Luchtfoto huidige situatie plangebied (Bron: PDOK)
bestemmingsplan Buitengebied, Oldenzaalseweg 84 Fleringen
11
12
bestemmingsplan Buitengebied, Oldenzaalseweg 84 Fleringen
Hoofdstuk 3
Planbeschrijving
3.1 Gewenste ontwikkeling 3.1.1
Aanleiding
De eigenaar van het woonperceel aan de Ootmarsumsedijk 9 in Weerselo (gemeente Dinkelland) is voornemens om een tweede woning met vrijstaand bijgebouw op het perceel te realiseren. De gewenste extra bebouwing past niet binnen de bouwmogelijkheden zoals opgenomen in het daar geldende bestemmingsplan. Op het woonperceel aan de Oldenzaalseweg 84 in Fleringen bevindt zich een voormalig agrarisch bedrijfsperceel. De agrarisch bedrijfsactiviteiten zijn al geruime tijd beëindigd en het perceel is inmiddels al voorzien van een passende woonbestemming. Op het perceel is naast de boerderij met bijgebouw tevens nog een voormalige jongveeschuur van 405 m² aanwezig. Deze schuur heeft geen vervolgfunctie en de eigenaar wenst deze landschapsontsierende schuur en de nog aanwezige kuilvoerplaten etc. te slopen/saneren om zodoende het erf op te schonen. Op basis van de gemeentelijke Rood voor Rood regeling kan het te slopen oppervlak, of een deel hiervan, worden ingezet om ontwikkelingen elders in de provincie Overijssel mogelijk te maken. In voorliggend geval wordt 305 m² sloopoppervlak ingezet ten behoeve van de ontwikkeling aan de Ootmarsumsedijk 9 in Weerselo. Toevoegen dat ogv beleid Dinkelland er in het kader van Rood voor Rood een deel van de sloopmeters afkomstig mag zijn van een slooplocatie die niet binnen de gemeente Dinkelland ligt, maar wel binnen de provincie Overijssel.
Aangezien slechts 305 m² wordt ingezet in het kader van de Rood voor Rood-regeling kan het restant van 100 m² op een andere wijze worden ingezet. Omdat er in totaliteit sprake is van een overschot aan sloopmeters binnen deze Rood voor Rood-ontwikkeling wenst de eigenaar van Oldenzaalseweg 84 het restant van 100 m² in te zetten om het toegestane oppervlakte aan bijgebouwen, na sloop van de jongveeschuur, te vergroten tot maximaal 250 m². Daarnaast wordt een deel van de bestaande woning herbouwd op basis van het bestaande bouwrecht. Na herbouw zal er sprake zijn van een woning met inwoonsituatie. 3.1.2
Gewenste invulling Oldenzaalseweg 84
Er is een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld door Hannink landschapsvormgeving voor de landschappelijke inpassing van de locatie aan de Oldenzaalseweg 84. Afbeelding 3.1 toont het ruimtelijk kwaliteitsplan voor deze locatie. Hierin zijn de in 3.1.1 genoemde ontwikkelingen weergegeven. Het volledige ruimtelijk kwaliteitsplan is als Bijlage 1 bijgevoegd. Afbeelding 3.1 toont het ruimtelijk kwaliteitsplan voor deze locatie. Hierin zijn de bovengenoemde ontwikkelingen zichtbaar gemaakt. Deze worden aansluitend toegelicht.
bestemmingsplan Buitengebied, Oldenzaalseweg 84 Fleringen
13
Afbeelding 3.1 Ruimtelijk kwaliteitsplan Oldenzaalseweg 84 (Bron: Hannink Landschapsvormgeving)
3.1.3
Landschappelijke inpassing
Aan de Oldenzaalseweg 84 wordt een voormalige veestal gesloopt ten behoeve van de rood voor rood regeling. Los daarvan is de familie bezig met de ontwikkeling van het verbouwen van de bestaande woning naar een situatie met woning en inwoning. Om een volledig beeld te verkrijgen is daarom gekeken naar de sloop in het kader van de rood voor rood regeling, naar de verbouw van de woning, maar ook naar de sloop en nieuwbouw van bijgebouwen. De huidige woning is ook het hoofdgebouw op het erf. Het is echter bijzonder klein en daarnaast is de positie ten opzichte van het erf wat ongelukkig. Naar alle waarschijnlijkheid heeft de oorspronkelijke boerderij wat centraler gelegen. Slopen is echter kapitaalvernietiging en daarom heeft Building Design Architectuur een woning met inwoning ontworpen met een buitengewoon landelijk karakter. De woning (A op tekening) mag totaal 1000 m3 inhoud hebben, maar door het ontwerp neemt de uitbreiding de taak van het hoofdgebouw over. Niet gebruikelijk is dat op een erf een (bij)gebouw voor het hoofdgebouw is gepositioneerd. Echter, in enkele gevallen kwam het voor als er een gebrek aan ruimte was. Ten zuiden van de woning is het voornemen om de bestaande kapschuur (D) te slopen en deze in te ruilen voor twee bijgebouwen (B). Belangrijk is om een erfensemble te verkrijgen, maar voorkomen moet worden dat het (erf) bos (L) moet wijken.
Door de positionering van de bijgebouwen wordt het erf op een prachtige wijze omsloten door bijgebouwen. Er zijn geen opties om ten westen van het erfensemble te bouwen in verband met de openheid. Ten oosten van de weg is evenwel geen optie door de ligging van de provinciale weg. Dan is het, in dit geval, goed te motiveren om voor deze oplossing te kiezen waarbij een deel van de woning voor het hoofdgebouw staat. Belangrijk is dat er aandacht wordt gevestigd op het vormen van een achtererf. Veel verharding (I) met duidelijke verbindingen met het hoofdgebouw en de schuren. Rondom worden nieuwe hagen en bomen aangeplant ter inpassing van de nieuwe situatie. De kwaliteitswinst wordt met name behaald door sloop van de schuur (C) en de kuilvoerplaten (E). Er worden ten behoeve van de landschappelijke inpassing nieuwe hagen met een gemengd assortiment (wilde boerenhaag) onder andere met kardinaalsmuts, veldesdoorn en hondsroos aangeplant. Daarnaast worden enkele beeldbepalende bomen en enkele fruitbomen aangeplant. Tot slot wordt nog opgemerkt dat de gronden met de letteraanduiding 'K' niet in eigendom zijn van initiatiefnemer. Deze gronden maken formeel dan ook geen onderdeel uit van dit bestemmingsplan. In de 14
bestemmingsplan Buitengebied, Oldenzaalseweg 84 Fleringen
planregels is hier in het kader van de voorwaardelijke verplichting rekening mee gehouden.
3.2 Verkeer en parkeren Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie die ontstaat als gevolg van een nieuwe ontwikkeling. Voorliggend plan voorziet enkel in een planologische wijziging waarbij per saldo de bebouwingsmogelijkheden worden beperkt. Voorliggende ontwikkeling heeft dan ook geen toename van de verkeersgeneratie of parkeerbehoefte tot gevolg. Geconcludeerd wordt dat er vanuit verkeerskundig oogpunt geen bezwaren zijn tegen de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
bestemmingsplan Buitengebied, Oldenzaalseweg 84 Fleringen
15
16
bestemmingsplan Buitengebied, Oldenzaalseweg 84 Fleringen
Hoofdstuk 4
Beleidskader
Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven. Het beleid is in dit bestemmingsplan afgewogen en doorvertaald in de verbeelding en in de regels.
4.1 Rijksbeleid 4.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
4.1.1.1 Algemeen De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het een aantal ruimtelijke doelen en uitspraken in onder andere de Agenda Landschap en de Agenda Vitaal Platteland. Daarmee wordt de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. 4.1.1.2 Rijksdoelen en regionale opgaven In de SVIR heeft het Rijk drie rijksdoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Voor de drie rijksdoelen worden de 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken.
Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De drie hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid kennen nationale opgaven die regionaal neerslaan. Opgaven van nationaal belang in Oost-Nederland (de provincies Gelderland en Overijssel) zijn: Het waar nodig verbeteren van de internationale achterlandverbindingen (weg, spoor en vaarwegen) die door Oost Nederland lopen. Dit onder ander ten behoeve van de mainports Rotterdam en Schiphol; Het formuleren van een integrale strategie voor het totale revierengebied van Maas en Rijntakken (Waal, Nederrijn, Lek en de IJssel, deelprogramma rivieren van het Deltaprogramma) en de IJsselvechtdelta (deelprogramma's zoetwater en rivieren) voor waterveiligheid in combinatie met bereikbaarheid, ruimtelijke kwaliteit, natuur, economische ontwikkeling en woningbouw; Het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) NNN, inclusief de Natura 2000 gebieden (zoals de Veluwe); Het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk (380 kV), onder andere door het aanwijzen van het tracé voor aansluiting op het Duitse hoogspanningsnet.
4.1.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In de SVIR is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigd en geoptimaliseerd instrument. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en 'stedelijke ontwikkeling'. bestemmingsplan Buitengebied, Oldenzaalseweg 84 Fleringen
17
In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor: bestaand stedelijk gebied: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.´ Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). 4.1.2
Toetsing van het initiatief aan het Rijksbeleid
De SVIR laat zich niet specifiek uit over dergelijke kleinschalige ontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op het aanwezige radargebied en raakt ook verder geen rijksbelangen zoals opgenomen in de SVIR. De ontwikkeling Wat betreft de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' wordt opgemerkt dat deze van toepassing is bij 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen'. Het voorliggend plan voorziet enkel in het beperken van de bouwmogelijkheden. Van een nieuwe stedelijke ontwikkeling is geen sprake. Een toetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking is niet noodzakelijk. Geconcludeerd wordt dat voorliggend bestemmingsplan niet in strijd is met rijksbeleid.
4.2 Provinciaal beleid Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. Het belangrijkste plan betreft de Omgevingsvisie Overijssel en de daarbij behorende Omgevingsverordening Overijssel. 4.2.1
Omgevingsvisie Overijssel
De Omgevingsvisie is een integrale visie waarin de beleidsambities en doelstellingen staan die van provinciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Overijssel. Het uitgangspunt is gericht op het jaar 2030. De visie biedt kaders in de vorm van ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Daarbinnen krijgen gemeenten, waterschappen, maatschappelijke organisaties en andere initiatiefnemers mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen te realiseren. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn verwerkt in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. Deze beleidsthema's worden benaderd vanuit de overkoepelende rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit. Duurzame ontwikkeling voorziet in de behoefte van de huidige generatie, zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien. Ruimtelijke kwaliteit is datgene wat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is. Ruimtelijke kwaliteit gaan vooral over 'goed': mooi, functioneel en toekomstbestendig. Sociale kwaliteit gaat over het welzijn of 'goed voelen' van de mens. In de omgevingsvisie gaat het over het welzijn van de mens in relatie tot de fysieke leefomgeving. 4.2.2
Omgevingsverordening Overijssel
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.
18
bestemmingsplan Buitengebied, Oldenzaalseweg 84 Fleringen
4.2.3
Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving: een ontwikkelingsgerichte aanpak
De provincie wil ontwikkelingen in de Groene omgeving samen laten gaan met een impuls in kwaliteit. Daarom is de 'Kwaliteitsimpuls Groene omgeving' ontwikkelt als een eenduidige bundeling van diverse bestaande regelingen als rood voor rood, rood voor groen, vab's, landgoederen etc. Deze regelingen blijven daarin overigens wel herkenbaar. Er is een eenvoudige werkwijze ontwikkeld om principes van ontwikkelingsplanologie toepasbaar te maken voor sociaaleconomische ontwikkelingen in de Groene omgeving. De basis ligt in de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, de ontwikkelingsperspectieven en 'Catalogus Gebiedskenmerken'. Ontwikkelingen in de Groene omgeving worden als volgt benaderd: Er wordt ruimte voor sociaaleconomische ontwikkeling geboden als deze ontwikkeling vanuit zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik verantwoord is en in het ontwikkelingsperspectief ter plekke past en volgens de 'Catalogus Gebiedskenmerken' wordt uitgevoerd. Aan de geboden ontwikkelruimte worden dus voorwaarden verbonden om ruimtelijke kwaliteit te handhaven dan wel in voorkomende gevallen de gewenste ruimtelijke kwaliteit te kunnen realiseren. Het gaat hierbij in alle gevallen in ieder geval om een goede ruimtelijke inpassing van de ontwikkeling. Eén en ander moet nader worden onderbouwd in een bij het ruimtelijk plan behorende toelichting. 4.2.4
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: 1. generieke beleidskeuzes; 2. ontwikkelingsperspectieven; 3. gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hierna nader toegelicht. 4.2.4.1 Of - Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een maatschappelijke opgave. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Andere generieke beleidskeuzes betreffen het voorkomen van overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantoorlocaties. Ook wordt in deze fase de zgn. Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking gehanteerd. Deze Overijsselse ladder geeft een nadere invulling aan de vraag hoe de behoefte moet worden bepaald, zowel in de stedelijke als in de groene omgeving, en op welke wijze de regionale afstemming vorm gegeven moet worden.
Integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid, (boven)regionale afstemming en zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik zijn beleidskeuzes die invulling geven aan de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking. Voor specifieke gebieden in Overijssel geldt dat niet alle initiatieven mogelijk zijn. Dit heeft te maken met zwaarwegende publieke belangen, gebiedsspecifieke beleidskeuzes om de zwaarwegende publieke belangen te borgen, zijn: reservering voor waterveiligheid en beperking wateroverlast, drinkwater/grondwaterbeschermingsgebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de Nationale Landschappen en het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen. 4.2.4.2 Waar - Ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.
De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst.
bestemmingsplan Buitengebied, Oldenzaalseweg 84 Fleringen
19
4.2.4.3 Hoe - Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden. Afbeelding 4.1 geeft dit schematisch weer.
Afbeelding 4.1 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) 4.2.5
Toetsing van het initiatief aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. 4.2.5.1 Of- Generieke beleidskeuzes Bij de afwegingen in de eerste fase 'generieke beleidskeuzes' blijkt dat met name artikel 2.1.3 (Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik) van de Omgevingsverordening Overijssel van belang is.
Artikel 2.1.3, lid 1
Principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik
Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie; dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip “groene omgeving” nader gedefinieerd als: de gronden die niet vallen onder bestaand bebouwd gebied. In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip “bestaand bebouwd gebied” nader gedefinieerd als: de gronden binnen steden en dorpen die benut kunnen worden voor stedelijke functies op grond van geldende bestemmingsplannen en op grond van voorontwerp-bestemmingsplannen voor zover de provinciale diensten 20
bestemmingsplan Buitengebied, Oldenzaalseweg 84 Fleringen
daarover schriftelijk een positief advies hebben uitgebracht in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening Door middel van toepassing van de Rood voor Rood regeling wordt ter plaatse van het plangebied voorzien in de sloop van 405 m2 aan landschapsontsierende bebouwing met asbesthoudende golfplaten. Per saldo, maar ook binnen het plangebied, heeft dit een afname van bebouwing in het buitengebied van de gemeenten Dinkelland en Tubbergen tot gevolg, waardoor dit plan per definitie niet voorziet in extra ruimtebeslag op de groene omgeving. 4.2.5.2 Waar- Ontwikkelingsperspectieven Het plangebied behoort tot het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. In afbeelding 4.2 is een uitsnede van de perspectievenkaart behorende bij de Omgevingsvisie opgenomen.
Afbeelding 4.2 Uitsnede ontwikkelingsperspectievenkaart Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)
'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar ook die voor de andere sectoren, wil de provincie Overijssel in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbinden met behoud en versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de lokaal aanwezige functies, rekening houdend met de klimaatopgave en de kenmerken van het watersysteem.
Toetsing van het initiatief aan de 'Ontwikkelingsperspectieven' Op het perceel wordt uitsluitend nog maar gewoond en het perceel heeft reeds een passende woonbestemming. Voorliggend plan voorziet uitsluitend in het beperken van de planologische bouwmogelijkheden voor het bouwen van bijgebouwen bij de woning. Het vorenstaande is mogelijk binnen het geldende ontwikkelingsperspectief.
bestemmingsplan Buitengebied, Oldenzaalseweg 84 Fleringen
21
4.2.5.3 Hoe - Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied ligt voor zover ter plaatse fysieke ingrepen plaatsvinden binnen de gebiedskenmerken; 'Beekdalen en natte laagtes' (natuurlijke laag); 'Essenlandschap' (laag van het agrarisch cultuurlandschap); Toetsing van het initiatief aan de gebiedskenmerken In voorliggend geval is er geen sprake van fysieke ingrepen/wijzigingen welke invloed zouden kunnen hebben op de gebiedskenmerken uit de 'natuurlijke laag' of de 'laag van het agrarisch cultuurlandschap'. Deze waarden zijn, voor zover nog aanwezig binnen het plangebied, dan ook niet in het geding. Dit temeer nu het plangebied op passende wijze landschappelijk wordt ingericht met (groen)structuren passend bij de gebiedskenmerken. Voor een nadere verantwoording wordt verwezen naar het ruimtelijk kwaliteitsplan opgenomen als Bijlage 1. 4.2.6
Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid
Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming is met het provinciaal ruimtelijk beleid.
4.3 Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste beleidsdocumenten die van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling worden hieronder in willekeurige volgorde behandeld. 4.3.1
Structuurvisie Tubbergen
4.3.1.1 Algemeen Op 14 maart 2016 is de Structuurvisie gemeente Tubbergen vastgesteld. In de structuurvisie wordt vooruitgekeken naar 2025, met een doorkijk naar 2030. Toekomstige ontwikkelingen zijn echter onzeker wat vraagt om flexibiliteit. Wanneer trends of ontwikkelingen daarom vragen, wordt de structuurvisie geactualiseerd. De structuurvisie is daarmee een levend en dynamisch document. De rode draad door de structuurvisie vormt de samenhang tussen de begrippen 'sociaal', 'vitaliteit' en 'ruimte'. De gemeente streeft naar een vitale samenleving met een goed woon- en leefklimaat, met voldoende (en juiste) woningen voor de inwoners en met goede mogelijkheden voor het starten van een bedrijf. Burgers en bedrijven krijgen de ruimte om samen met de gemeente te werken aan een duurzame samenleving met ruimtelijke kwaliteit. Dit is vertaald in drie hoofdkeuzen, namelijk: (1) vitale sociale infrastructuur, (2) economische dynamiek en vitaliteit en (3) ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Voor de ontwikkeling in het voorliggend geval is de hoofdkeuze 'ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid' het meest relevant. 4.3.1.2 Ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid Deze hoofdkeuze heeft betrekking tot het behoud en versterken van de kwaliteit van de historisch kernen structuur, het landschap, de natuur en cultuurhistorie.
Bij (her)ontwikkelingen betekent dit dat zorgvuldig aangesloten moet worden op de gebiedskenmerken. Aandachtspunten zijn het behouden van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen, structuren en open ruimtes in de kernen, de relatie tussen de kernen en het landschap en het versterken van het groene karakter, de kleinschaligheid van het coulisselandschap, het vergroten van de diversiteit in belevingskwaliteit en het behouden van waardevolle (en beschermde) gebieden. 4.3.1.3 Buitengebied In het buitengebied is de structuurvisie gericht op een leefbaar, vitaal en aantrekkelijk buitengebied. Met onder andere de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) wordt op de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied gestuurd. De hooflijnen van de visie op het buitengebied zijn als volgt: 1. 2. 3. 4.
De kenmerkende landschapsstructuur versterken Ruimte bieden aan duurzame landbouw De sociaaleconomische positie van het buitengebied versterken Behoud en ontwikkelen van natuurwaarden
22
bestemmingsplan Buitengebied, Oldenzaalseweg 84 Fleringen
5. Recreatieve mogelijkheden benutten 6. Geen 'verstedelijking' van het landelijk gebied
4.3.1.4 Toetsing van het initiatief aan de structuurvisie gemeente Tubbergen Zoals aangegeven maakt de locatie onderdeel uit van een Rood voor Rood ontwikkeling waarbij binnen het plangebied een landschapsontsierende schuur wordt gesloopt. Het restant van de sloopmeters wordt ingezet om bij de woning in totaal 250 m2 aan bijgebouwen te mogen realiseren. Tot slot wordt opgemerkt dat het perceel landschappelijk wordt ingepast conform de gebiedskenmerken. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de 'Structuurvisie Gemeente Tubbergen'. 4.3.2
Casco-benadering in Noordoost-Twente
4.3.2.1 Algemeen In het Ontwikkelingsperspectief voor het Nationale Landschap Noordoost-Twente hebben de hierbij betrokken partijen de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Zowel gemeenten als provincie hadden behoefte aan een praktisch concept om in de dagelijkse praktijk invulling te geven aan deze ambitie. Voor het bereiken van deze ambitie is het, het meest wenselijk om de belangen van initiatiefnemers die elementen willen verwijderen te koppelen aan grondeigenaren die bereid zijn nieuwe elementen te plaatsen om zo het landschap te versterken. Alle individuele aanvragen zullen dan uiteindelijk moeten leiden tot een beter functionerend en herkenbaar landschap. Om dit te bereiken is de casco-benadering ontwikkeld. Met de casco-benadering beschikken de provincie Overijssel en de deelnemende gemeenten van Noordoost-Twente over een generieke methode om vorm te geven aan de doelen voor het Nationaal Landschap: behoud en ontwikkeling van het landschap inclusief al haar functies. In relatie tot het provinciaal beleid is de cascobenadering een middel om invulling te geven aan het fenomeen 'ruimtelijke kwaliteit' en uitvoering aan de kwaliteitsagenda van de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel.
4.3.2.2 Casco-benadering in de praktijk De landschapstypen van Noordoost-Twente vormen, samen met de ontwikkeling die deze landschappen hebben doorgemaakt (dynamiek), het uitgangspunt van de casco-benadering. Elk landschapstype heeft een eigen kenmerkende structuur van opgaande beplantingen. Deze structuur is het casco van het landschap. Het kan daarbij gaan om bomenrijen, houtwallen, houtsingels en (kleinere) bosjes. Het beleid is er op gericht om dit casco te versterken. Toepassing van de casco benadering leidt op termijn tot versterking van het 'kleinschalige groene karakter' van het landschap in totaliteit. De regels van de casco-benadering gelden niet voor: Punt elementen (zoals poelen en solitaire bomen). Lijn elementen (zoals stijlranden en zandwegen). Beplanting binnen bouwblokken/bebouwde kom. Boomgaarden. Bos groter dan 0,5 hectare. Voor bovenstaande elementen en het beheer van casco elementen geldt het reguliere beleid van elke afzonderlijke gemeente. De basis voor initiatieven is de cascokaart. Hierop staan drie typen elementen weergegeven, zie de navolgende tabel. Landschapstype Elementen die tot het casco behoren Elementen die niet tot het casco behoren
Opmerking Mogen in principe niet verplaatst worden Mogen verplaatst worden, als aan de regels van de casco-benadering wordt voldaan Te compenseren elementen Locaties waar de initiatiefnemer de elementen heen kan verplaatsen Aan de hand van de casco-kaart wordt beoordeeld of het landschapselement tot het casco behoort of niet. Uit de beoordeling hiervan volgen drie mogelijke opties: Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de casco-kaart. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de casco-kaart. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element
bestemmingsplan Buitengebied, Oldenzaalseweg 84 Fleringen
23
ligt of op de casco-kaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie). 4.3.2.3 Situatie plangebied Ter plaatse van het plangebied zijn onderdelen van het casco aanwezig. De situering van het plangebied op de Casco kaart is globaal met de zwarte onderbroken omlijning weergegeven in de onderstaande afbeelding.
Afbeelding 4.3 Ligging plangebied op de Casco kaart Noordoost Twente (Bron: Casco kaart Noordoost Twente)
4.3.2.4 Toetsing van het initiatief aan de "Casco-benadering in Noordoost-Twente" In paragraaf 3.1 is reeds ingegaan op de gewenste invulling ter plaatse van het plangebied. Op basis van het opgestelde ruimtelijk kwaliteitsplan wordt geconcludeerd dat in geen geval sprake is van aantasting van de onderdelen van het casco. De onderdelen van het casco blijven behouden of worden door het treffen van maatregelen juist versterkt. Het plan is hiermee in overeenstemming met de 'Casco-benadering in Noordoost-Twente'. 4.3.3
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling goed past binnen de gemeentelijke beleidskaders.
24
bestemmingsplan Buitengebied, Oldenzaalseweg 84 Fleringen
Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie en archeologie & cultuurhistorie.
5.1 Geluid 5.1.1
Wettelijk kader
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2
Situatie plangebied
In voorliggend geval is er formeel geen sprake van de realisatie van nieuwe gebouwen waarin structureel en langdurig personen aanwezig zijn. Er is ten aanzien van de bestaande woning echter wel sprake van bouwkundige wijzigingen. De bestaande woning wordt uitgebouwd ten behoeve de gewenste inwoningssituatie. Deze uitbreiding wordt gerealiseerd aan de achterzijde van het gebouw en hiermee verder af van de N343. Er is ten aanzien van de afstand van de woning tot aan de N343 dan ook geen sprake van een verslechterde situatie. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai wordt niet noodzakelijk geacht. 5.1.3
Conclusie
De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.2 Bodemkwaliteit 5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of wijzigingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. 5.2.2
Situatie plangebied
In voorliggend geval is er geen sprake van de realisatie van nieuwe gebouwen waarin structureel en langdurig personen aanwezig zijn. Het woonperceel is reeds voorzien van een woonbestemming. In verband hiermee is in voorliggend geval enkel een milieuhygiënisch vooronderzoek conform NEN 5725 uitgevoerd. Hieronder wordt kort ingegaan op de belangrijkste onderzoeksresultaten van dit door Terra Agribusiness uitgevoerde onderzoek. De volledige onderzoeksrapportage is als Bijlage 2 opgenomen bij deze plantoelichting. De locatie bestaat uit een erf met een woning, een leegstaande melkveeschuur, een loods en tuin. Er zijn geen bodemrelevante gegevens bekend van de onderzoekslocatie bij zowel de Provincie Overijssel als de bestemmingsplan Buitengebied, Oldenzaalseweg 84 Fleringen
25
Gemeente Tubbergen. Er zijn geen potentieel bodembedreigende objecten op de locatie aangetroffen, met uitzondering van de druppelzone van de loods. De in het verleden aanwezige dieseltank heeft vermoedelijk in de loods gestaan. Deze druppelzone en voormalige dieseltank vallen echter buiten de huidige ontwikkeling, aangezien er geen relevante fysieke ontwikkelingen plaatsvinden ter plaatse van de loods. Gegeven het historische gebruik van de locatie en de resultaten van historisch onderzoek wordt een verkennend onderzoek op de locatie niet noodzakelijk geacht. 5.2.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor voorliggend plan.
5.3 Luchtkwaliteit 5.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Op grond van de Wet milieubeheer, gelet op artikel 5.16 lid 4 Wet Milieubeheer geldende de volgende regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);
5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. 5.3.2
Situatie plangebied
Het voornemen is aan te merken als een project welke “niet in betekenende mate bijdraagt” aan luchtverontreiniging. Daarnaast is er geen sprake van een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen.
26
bestemmingsplan Buitengebied, Oldenzaalseweg 84 Fleringen
5.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.
5.4 Externe veiligheid 5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden- en het groepsrisico. 5.4.2
Situatie plangebied
Het voornemen maakt geen nieuw (beperkt) kwetsbaar object mogelijk en de personendichtheid neemt ten gevolge van dit bestemmingsplan niet toe. De voorgenomen ontwikkeling heeft dan ook geen effect op het plaatsgebonden- en groepsrisico. 5.4.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
5.5 Milieuzonering 5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:
bestemmingsplan Buitengebied, Oldenzaalseweg 84 Fleringen
27
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 5.5.2
Situatie plangebied
De VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
5.5.2.1 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Dit bestemmingsplan voorziet niet in het mogelijk maken van een milieubelastende activiteit voor de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geen sprake. 5.5.2.2 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en omgekeerd of omliggende bedrijven door de ontwikkeling niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering en/of ontwikkelingsmogelijkheden. In het projectgebied wordt geen nieuwe milieugevoelige functie gerealiseerd. De locatie is reeds voorzien van een woonbestemming. De voorgenomen ontwikkeling ondervindt dan ook geen hinder van bestaande functies. 5.5.3
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmeringen voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
5.6 Ecologie 5.6.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.
28
bestemmingsplan Buitengebied, Oldenzaalseweg 84 Fleringen
5.6.2
Gebiedsbescherming
5.6.2.1 Natura 2000-gebieden In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Springendal en Dal van de Mosbeek' ligt op een afstand van ruim 4 kilometer. Gezien de afstand van het projectgebied tot aan een Natura 2000-gebied en de aard en omvang van de ontwikkeling, waarbij slechts gedurende zeer korte tijd sprake is van werkzaamheden, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. 5.6.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied is niet gelegen binnen het concreet begrensde NNN.
De dichtstbijzijnde gronden, die onderdeel uitmaken van het NNN liggen op ruim 300 meter afstand van het plangebied. Gezien het feit dat sprake is van een ontwikkeling buiten het NNN en gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling, wordt gesteld dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 5.6.3
Soortenbescherming
5.6.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. In voorliggend geval heeft Natuurbank Overijssel een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd ter plaatste van alle binnen de Rood voor Rood ontwikkeling betrokken locaties. In de komende subparagraaf worden de belangrijkste conclusies van dit onderzoek uiteengezet voor zover het de locatie Oldenzaalseweg 84 betreft. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar Bijlage 3 bij deze toelichting. 5.6.3.2 Situatie plangebied De locatie Oldenzaalseweg 84 bestaat uit bebouwing, erfverharding, moestuin, gazon en opgaande beplanting en ligt in het buitengebied. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten.
Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en/of voortplantingsplaats beschadigd en vernield. Voor de soorten, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'doden' en het 'beschadigen/vernielen van de vaste rust- en voortplantingsplaats'. Door het slopen van opstallen, het verwijderen van opgeslagen goederen en het rooien van beplanting tijdens de voortplantingsperiode, wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd en vernield en worden mogelijk jonge, niet vlieg-vlugge jonge vogels gedood. Er nestelen alleen vogelsoorten in het plangebied waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats.
Voor het verstoren/vernielen van een bezet nest (eieren) of het verwonden/doden van een vogel kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte bestemmingsplan Buitengebied, Oldenzaalseweg 84 Fleringen
29
periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is half augustus-maart. In voorliggend geval geldt dat mits geen bezette vogelnesten negatief beïnvloed worden, de voorgenomen activiteiten niet leiden tot wettelijke consequenties in het kader van gebieds- en soortenbescherming. 5.6.4
Conclusie
Indien de maatgevende activiteiten worden uitgevoerd buiten het broedseizoen van vogels zijn er geen negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten. Er worden daarnaast geen negatieve effecten op de NNN en Natura 2000-gebieden verwacht. Het aspect ecologie vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.