Bijlage Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen Bijlagen bij de toelichting.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen
Status: vastgesteld
Status: Datum: IMRO-Code: Auteur(s):
vastgesteld NL.IMRO.0183.BUIBPHARDENBERW208VG01
Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen
Inhoudsopgave Bijlagen bij de toelichting
3
Bijlage 1
Ruimtelijk kwaliteitsplan
4
Bijlage 2
Verkennend bodemonderzoek
27
Bijlage 3
Aerius-berekening
76
Bijlage 4
Quickscan natuurwaardenonderzoek
86
Bijlage 5
Watertoets
116
Bijlage 6
Zienswijzennota
120
2
bestemmingsplan Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen
Bijlagen bij de toelichting
bestemmingsplan Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen 3
Bijlage 1
4
Ruimtelijk kwaliteitsplan
bestemmingsplan Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen
RU I M T E L I J K K WA L IT E IT S P L A N K G O •
Hardenberger weg 208 - Langeveen •
Tubbergen, 27 maart 2023 - Versie 1 Definitief
Project: KGO
2
Afbeelding: Ontwikkeling Hardenbergerweg 208 Langeveen (Bron: N+L Landschapsontwerpers)
Ruimtelijk kwaliteitsplan Project:
KGO
Locatie: Hardenbergerweg 208 Langeveen
Titel rapport
RKP KGO - Hardenbergerweg 208 Langeveen
Opgesteld:
27 maart 2023, Tubbergen
Gewijzigd:
-
Status:
Versie 1 - Definitief
Auteur:
N+L Landschapsontwerpers Ing. NH Oldenzaalseweg 38 7651 KC Tubbergen 06-83337880 info@nl-landschap.nl www.nl-landschap.nl
3
4
1. Aanleiding
05
2. Huidige situatie
06
3. Beleid
08
4. Nieuwe situatie
16
5. Investeringen KGO
18
1. Aanleiding Aan de Hardenbergerweg in Langeveen is Autobedrijf H. Tijhuis gevestigd. Het autobedrijf is al ruim 25 jaar een begrip in de regio. Klanten kunnen er terecht voor het (ver)kopen van een auto, de APK keuring, (winter)banden en het onderhoud van hun auto. Ook houdt het bedrijf zich bezig met de import en export van auto’s. In de handel kan het aantal auto’s ernstig fluctueren. Het bedrijf heeft echter minimaal altijd 100 auto’s en/of bedrijfsauto’s staan, maar dat aantal kan ook uitkomen op een kleine 200 auto’s en/of bedrijfsauto’s. Het bedrijf is door de jaren gegroeid, maar kampt al jaren met een tekort aan bedrijfsruimte. Het gaat dan met name om een tekort aan verhard oppervlak voor het stallen van auto’s. Een groot deel van de auto’s staat nu bovendien buiten de bedrijfsbestemming in het agrarisch gebied. Hoewel het niet altijd volledig vol staat past de functie niet meer bij de huidige agrarische bestemming. Het autobedrijf wil daarom de oppervlakte bedrijfsbestemming uitbreiden via de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO regeling).
Via de KGO regeling kan het bedrijf een uitbreiding tegemoet zien, mits een evenwichtige bijdrage in de ruimtelijke kwaliteit wordt geleverd. Landschappelijke inpassing De gemeente Tubbergen eist voor de ontwikkeling een landschappelijke inpassing. In dit document wordt daarom de landschappelijke inpassing uiteengezet. Er wordt een beschrijving van het plangebied gegeven, het omliggende landschap en het vigerende beleid. Dat resulteert in een beschrijving van de nieuwe situatie die aan het gestelde beleid voldoet.
Het bedrijf vraagt via de KGO regeling een ruimere bedrijfsbestemming aan om meer verhard oppervlak te krijgen om zodoende meer (bedrijfs) auto’s te kunnen stallen. Daarnaast wil het bedrijf haar bedrijfsbebouwing verder uitbreiden om onder meer het aantal reparaties te kunnen vergroten. De gemeente Tubbergen heeft op een eerder verzonden principeverzoek aangegeven op voorhand geen belemmeringen te zien en mee willen te werken aan de gevraagde uitbreiding.
5
2. Huidige situatie Het plangebied is in Langeveen gelegen. Hoewel Langeveen voornamelijk bestond uit veen- en heidegebieden, was er pleksgewijs ook sprake van wat hogere gronden waar men wat landbouw kon ontwikkelen. Er waren diverse akkers met boerenerven in een heel beperkt, kleinschalig kampenlandschap. Daar ontstond dan ook de oorspronkelijke kern van Langeveen. De hogere gronden waren het gevolg van de aanwezigheid van een Esker. Een unieke verschijning voortkomend uit de laatste ijstijd. Op het moment dat het landijs zich terugtrok ontstonden er in het ijs stroompjes met smeltwater. Dit waren tunnels waar steeds meer sediment werd afgezet. Uiteindelijk smolt al het ijs en bleef het afgezette sediment in het landschap over als een rug door het landschap. De hoogteverschillen zijn nog altijd goed waar te nemen in en rondom Langeveen. Heideontginning Het plangebied ligt in de heideontginning. Dat was in dit geval door de hogere ligging erg geschikt om te bouwen. Voor de ontginning van de heide in de jaren ‘30 bestond het slechts uit een aantal erven, maar na de ontginning groeit dit uit tot het tweede gedeelte van Langeveen. Verder richting het oosten gaat de heideontginning langzaam over in de veenontginning. Het is van oorsprong een open tot half open landschap waarbij een groot gedeelte is ingevuld door woningbouw en bedrijvigheid.
Desondanks is daarom heen het oorspronkelijke landschap grotendeels nog goed herkenbaar. Grote en middelgrote percelen worden afgewisseld met houtsingels, houtwallen of kleine (landschaps) bosjes. Veelal de functionele en/of robuuste landschapselementen zijn bewaard gebleven.
6
Nieuwe elementen Bij ontwikkelingen is het van belang dat bestaande landschapselementen behouden blijven en het landschap herkenbaar blijft. Nieuwe elementen kunnen toegevoegd worden, maar moeten geen gevolgen hebben voor de korrelgrootte en de herkenning van het landschap. Hoewel de bestemming van het bedrijf in dit geval wordt vergroot, is er geen sprake van een fysieke vergroting. Er zijn daarom geen gevolgen voor het landschap. Huidige indeling Er is geen sprake van een cultuurhistorische opzet en/of kenmerkende structuur. Het is een functioneel ingerichte bedrijfskavel met meerdere gebouwen en een buitenterrein. Het is pas in de jaren ‘90 ontwikkeld en maakt nu onderdeel uit van een veel groter bedrijventerrein.
Planlocatie omstreeks 1910. (Bron: topotijdreis.nl)
Locatie plangebied in het zuidelijke gedeelte van Langeveen. (Bron: geo.overijssel.nl)
Plangebied. (Bron: geo.overijssel.nl)
7
3. Beleid 3.1 Omgevingsvisie Overijssel Het provinciaal beleid van Overijssel is verwoord en vastgelegd in meerdere plannen. De belangrijkste is de Omgevingsvisie 2017 welke is vastgesteld op 12 april 2017. Nadien is deze visie meerdere keren geactualiseerd. De laatste actualisatie is betreft maart 2021. In de visie bakent de provincie af wat zij voor de fysieke leefomgeving in Overijssel van provinciaal belang vinden. De Omgevingsvisie Overijssel is dé provinciale visie voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. In de visie worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur bekeken in samenhang met een duurzame ontwikkeling van onze leefomgeving. Het beleid staat primair in dienst van de sociaaleconomische ontwikkeling van Overijssel om het toekomstbestendig te houden. Rode draden en beleidsambities De opgaven en kansen zijn vertaald in centrale beleidsambities en negen beleidsthema’s. Deze worden benaderd vanuit de rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit waarvoor thema overstijgende kwaliteitsambities zijn geformuleerd. Vanuit het uitvoeringsmodel (of, waar en hoe) worden generieke beleidskeuzes, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken beschreven. Generieke beleidskeuzes: Deze keuzes vloeien voort uit keuzes van EU, Rijk of Provincie. Het zijn
8
keuzes die bepalend zijn of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. Vooral reserveringen voor integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid, ruimtegebruik, waterveiligheid, externe veiligheid, LOG gebieden en begrenzingen als Nationale Landschappen, NNN-gebieden (natuurnetwerk Nederland) en de EHS zijn voorbeelden van generieke beleidskeuzes. Daarnaast zijn er gebied specifieke beleidskeuzes. De beleidskeuzes hebben geen invloed op de voorgenomen ontwikkeling. Ontwikkelingsperspectieven: In de visie zijn drie ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en drie voor de stedelijke omgeving. Deze perspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. Het plangebied is aangemerkt als “Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap”. Dat betekent dat diverse functies verweven moeten worden. Het belangrijkste land gebruik blijft melkveehouderij en akkerbouw, maar aan de andere kant is er ruimte voor landschap, natuur, milieubescherming, cultuurhistorie, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. In elk geval staat de ambitie, “voortbouwen op kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen”, voorop. De voorgenomen ontwikkeling past bij de gestelde ambitie indien de kenmerken waar mogelijk behouden blijven.
Een deel van het plangebied is bestempeld als “woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken”. Dorpen mogen ter plaatse altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid. De voorgenomen
Ontwikkelingsperspectief, beide plangebieden zijn lichtgroen wat betekent “Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap. (Bron: overijssel.tercera-ro.nl)
9
ontwikkeling past (ook) bij deze ambitie. Gebiedskenmerken Tenslotte wordt de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan de gebiedskenmerken. Er zijn vier lagen te onderscheiden (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving). Er gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Er staat omschreven in een catalogus gebiedskenmerken welke kenmerken diverse gebieden en hoe een ontwikkeling invulling dient te krijgen. De gebiedskenmerken zijn richtinggevend op aspecten als landschap, infrastructuur, milieu, bodem en cultuurhistorie. De stedelijke laag is niet opgenomen; deze is niet relevant wat betreft de voorgenomen ontwikkeling.
overgang met de lagere gronden. De akkers op de hogere gronden werden intensief gebruikt en bemest met heideplaggen uit het voormalige potstal systeem. De kampen kwamen daardoor hoger in het landschap te liggen met veelal scherpe randen. Al dan niet werden randen van de es beplant met houtsingels (steilrand beplanting) of houtwallen zoals dat aan in het noordelijke gedeelte van Langeveen het geval was. Het plangebied ligt in het zuidelijke gedeelte van Langeveen dat veel vlakker was. Ter plaatse was sprake van heide dat tussen de jaren ‘30 en ‘60 ontgonnen is. Dit landschap is daarna functioneler ingericht waarbij bebouwing onder meer georiënteerd is op de hoofdontsluiting. Er was sprake van een open tot half open landschap. De ontwikkeling moet bijdragen aan de herkenning van de heideontginning.
Natuurlijke laag De natuurlijke laag is aanvankelijk ontstaan zonder toedoen van de mens door onder andere invloeden van abiotische processen als de ijstijden, de wind en water. De locatie is gelegen in een dekzandgebied. Er is daarnaast sprake van enig reliëf in de omgeving door de uitloper van een zogeheten Esker. In de jaren zijn hoogteverschillen gedeeltelijk geërodeerd door de wind en weer versterkt door de wijze van agrarisch gebruik, maar toch zijn de hoogteverschillen nog altijd goed herkenbaar.
Laag van de beleving De locatie is omschreven als donkerte. De donkere gebieden zijn veelal de buitengebieden van onder andere Overijssel. Waar elders dorpen, autowegen, kassengebieden en attractieparken zorgen voor licht, is het buitengebied een plek waar men nog de sterrenhemel kan waarnemen. De ambitie is om donkere plekken te behouden en waar mogelijk nog donkerder te maken. De ontwikkeling houdt rekening met deze ambitie. Er mag geen onnodig licht worden toegevoegd.
Laag van cultuurlandschap Door menselijk ingrijpen in de natuurlijke omstandigheden ontstaat er een (agrarisch) cultuurlandschap. De eerste nederzettingen in Nederland werden gesticht op de rand van de hogere stuwwallen en dekzandruggen naar de
3.2 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving Tubbergen (KGO)
10
De gemeenten Tubbergen en Dinkelland hebben gezamenlijk de uitwerking van de omgevingsvisie opgepakt. Bij elke ontwikkeling dient de aantasting
Links: natuurlijke laag. Plangebieden zijn omschreven als: “stuwwallen”. Midden: laag van Cultuurlandschap. Plangebieden zijn omschreven als: “Essenlandschap”. Rechts: laag van de beleving. Plangebieden zijn omschreven als: “Donkerte”. (Bron: overijssel.tercera-ro.nl)
11
van de landschappelijke en ecologische waarden gecompenseerd te worden. Bij een grootschalige ontwikkeling dient men naast een basisinspanning en een extra investering aan te bieden. Men onderscheidt een aantal stappen: -
Wat is de omvang van de ontwikkeling; Welke locatie wordt er voorgesteld voor de elementen; Maken de gronden deel uit van bepaalde natuurwaarden; Welk landschapstype en bouwstenen zijn van toepassing; Welke ambities en streefbeeld moet er nagestreefd worden; Waar en hoe kunnen wij daaraan voldoen?
In dat proces wordt er, net als bij de omgevingsvisie gekeken naar vier lagen; de natuurlijke, de agrarische, de stedelijke en de laag van de beleving. De kwaliteitsimpuls moeten zonder meer bijdrage leveren aan een stevig en robuust landschappelijk raamwerk. Onder andere kunnen de verdwenen kenmerken terug worden gebracht. Het volgende uit het KiGO is van toepassing op de uitbreiding van het bouwblok: ‘‘Bij elke ontwikkeling op een bestaand bouwblok waarbij meer dan 500m3 bebouwing wordt toegevoegd, geldt op basis van de regels van het bestemmingsplan Buitengebied en het gemeentelijk beleid, de noodzaak tot landschappelijke inpassing. Zodra sprake is van een grootschalige ontwikkeling, geldt een meer gebiedsgerichte benadering. Indien er een bestemmingsplanprocedure genoodzaakt is, wordt een ontwikkeling gezien als grootschalig. De Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving is dan van toepassing, náást de
12
basisinspanning. Dat geldt voor nieuwe functies en grootschalige uitbreiding van bestaande functies in het buitengebied.’’ Om de bijdrage KGO te bepalen is er een berekening opgesteld. In dit geval vindt er een vergroting plaats van het bestaande bouwvlak. De feitelijke bestemming breidt uit met 2.776 m2. De grootste gedeelte daarvan (2.355 m2) bestaat uit het vergroten van de bedrijfsbestemming ten koste van de agrarische bestemming. Het totaal wordt bepaald door diverse correcties waarbij overwegend de bedrijfsbestemming wordt verruimd. Daar waar het gaat om het vergroten van het bouwblok is sprake van een waardevermeerdering. Ter plaatse van het verkleinen van het bouwblok een waardevermindering. Dit is in de tabel specifiek omschreven. Daarnaast is er sprake van een waardevermindering ter plaatse van de landschappelijke inpassing. Door de bestemming bos en natuur krijgt de inpassing een extra bescherming. Het voorgenoemde betekent dat de totale waardevermeerdering (inclusief correcties) € 168.114,83 bedraagt. Als er sprake is van een niet aan het buitengebied gebonden ontwikkeling in een kernrandzone moet de helft worden geïnvesteerd. Dat betekent dat de investering € 84.057,41 bedraagt. De kernrandzone is een niet vast afgebakend gebied direct rondom en grenzend aan het dorp.
De kosten voor het KGO plan (met een maximum van 10%) worden afgetrokken, evenals de kosten voor het kwaliteitsteam. Omdat het 2 bezoekmomenten betreft is dat € 500,--. De bijdrage voor een investering in de ruimtelijke kwaliteit bedraagt daardoor € 75.151,67.
4
1
5
6
2
3
7
8
Links: KGO berekening voor de ruimtelijke investering. Rechts: bestemming oud en nieuw. (Bron: N+L)
13
Hoewel er een aanplant plaats gaat vinden nabij het bedrijf mag deze investering niet meegenomen worden. Er zijn daarom enkele investeringen gevonden. Maximaal 20% van het te investeren bedrag mag worden ingezet ten behoeve van maatschappelijk rood. Om die reden kiest autobedrijf Tijhuis ervoor om 20% van het bedrag te reserveren voor de bouw van een nieuwe carnavalsloods. Deze carnavalsloods wordt opgericht aan de Tiemansweg 3 in Langeveen als een gedeelte van een machineberging. Ter plaatse is onlangs een schets akkoord bevonden. In totaal gaat het om een bedrag van € 15.030,33. -
Het bedrag (€ 15.030,33) blijft twee jaar lang beschikbaar voor de bouw van de machineberging, specifiek de carnavalsloods. Als het geldbedrag niet binnen twee jaar na vaststelling van het bestemmingsplan wordt gebruikt dan komt het geld vrij voor ruimtelijke initiatieven binnen de gehele gemeente Tubbergen.
Verder is besloten om uitvoering te geven aan een wandelpad en verbinding nabij het knooperf in Langeveen. Aansluitend op de bestaande routes is gekozen voor een route die meer beleving kent van het achterliggende landschap. De route loopt in de nieuwe situatie via de Grensweg langs de Veldboersweg weer terug naar Langeveen. Overwegend bestaat de route een pad met een verstevigde ondergrond in de vorm van gebroken puin. Langszij wordt een gemengde haag aangeplant. Ter plaatse van de verbinding van de Veldboersweg
14
met het Knooperf wordt een fiets- en voetpad aangelegd. Doel van de gedeeltelijke verharding is het toegankelijker maken voor voetgangers en fietsers. Er komt echter geen algehele verharding om te voorkomen dat de route veelvuldig gebruikt gaat worden door gemotoriseerd verkeer. De totale kosten voor uitvoering zijn geraamd op € 60.854,75. Een nadere omschrijving van het plan met bijbehorende kosten is opgenomen onder hoofdstuk 5, investeringen KGO. Met de gekozen investeringen wordt voldaan aan de gevraagde investering van (afgerond) € 75.000,--. 3.3 Casco benadering Noordoost Twente De gemeente Tubbergen hanteert, vooral ter bescherming van het bestaande landschap, het casco beleid. Door het casco beleid is het mogelijk om via een kaart te achterhalen of een ontwikkeling wel of niet in strijd is met elementen welke tot de casco behoren. Elementen als onderdeel uitmakend van de Casco zijn in principe niet te verwijderen (groen lijnen/vlakken op de kaart). Ter plaatse is een casco element ingetekend. Dit kan echter niet anders dan een vergissing zijn. Er is namelijk sprake van een bedrijf met buitenterrein. Daarom kan gesteld worden dat de ontwikkeling geen consequenties voor het cascobeleid heeft en/of het cascobeleid geen consequenties voor de ontwikkeling heeft.
Fragment van de cascokaart behorende bij de casco benadering. (Bron: geo.overijssel.nl)
15
4. Nieuwe situatie Het bedrijf is sinds het eind van de jaren ‘90 gevestigd op haar huidige locatie. Voor de ontwikkeling ervan was er sprake van agrarisch gebied dat aan deze kant van Langeveen snel terrein is verloren door de komst van industrie. Het bedrijventerrein is in de laatste 20 jaar enorm toegenomen. Het autobedrijf ligt er min of meer tegenaan geplakt en heeft dan ook geen rechtstreekse verbinding met de rest van het bedrijventerrein. Hoewel het bedrijf een uitbreiding aanvraagt via de zogeheten KGO regeling is al geruime tijd de gevraagde ruimte nodig voor de bedrijfsvoering. Een gedeelte van deze extra ruimte is om die reden ook al reeds verhard. Naast een toename van verharding (D op tekening) worden ook de bedrijfsopstallen verder uitgebreid (B en C op tekening).
met nieuwe aanplant als hazelaar, lijsterbes, hulst, taxus en vuilboom. Totaal 100 stuks aangevuld met de aanplant van 20 grote laurieren in de aanplant maat 200-250 (hoogte in centimeters). Met de aanplant wordt de reeds bestaande situatie beter ingepast vanuit de buurman vooral in de wintermaanden.
Het bedrijf heeft door de jaren heen zelf al de maximale grens opgezocht die vertaald kan worden naar een acceptabele grens zonder de bestaande landschapsstructuur, met name aan de oostzijde, aan te tasten. Wel zou de situatie nadrukkelijker ingepast kunnen worden. Om die reden zal met name aan de oostzijde sprake zijn van een kwaliteitsimpuls (E op tekening). De bestaande, relatief transparante houtsingel, zal verbreed worden tot 6 meter breed door de aanplant van 2 of 3 plantrijen afhankelijk van de bestaande situatie.
Met deze inpassing wordt voldaan aan het gestelde beleid.
De schuur (L op tekening) in de bestaande houtsingel langs de noordzijde (F) wordt gesloopt. Verder krijgt de houtsingel met name ter plaatse van de naastgelegen buurman aandacht. Ter plaatse is met de buurman afgesproken dat de bestaande houtsingel wordt ontdaan van achterstallig onderhoud. Er is sprake van meerdere dode bomen. Daarna wordt de houtsingel doorgeplant
16
Aan de voorzijde blijft de bestaande situatie behouden. Wel wordt een nieuwe boom aangeplant (H op tekening) die past in de visie van mijn dorp 2030 voor meer groen in het straatbeeld. Tot slot wordt aan de voor- en achterzijde een wadi aangelegd (K) voor de infiltratie van hemelwater. Er kan respectievelijk 69,6 m3 en 55,4 m3 (totaal 125 m2) worden opgevangen. Daarmee wordt voldaan aan de gestelde eisen voor het bergen van hemelwater.
A:
Best aande bedrijfsbebouwing .
B:
Uitbouw kantoor (21m2).
C:
Uitbreiding bedrijfsbebouwing met 645 m2.
D:
Erfverharding .
E:
Best aande landschappelijke inpassing te versterken door verbreding/ versterking van het best aande. Aan te vullen met 2 en ten dele 3
G
plantrijen met berk, els, zomereik, hazelaar, meidoorn en Gelderse roos zodat overal een breedte van 6 meter wordt gehaald. Aanplant in de maat 80-10 0 (hoogte in cm) in een driehoeksverband. Tot ale
L F G
aanplant 250 stuks in een gelijke verhouding .
K
2
F:
GBest aande inpassing bedrijf te behouden. Houtsingel ontdoen van achterst allig onderhoud (dode en/of minder vit ale bomen te vellen)
D
F1
en waar mogelijk door te planten. Tot ale kap best aat uit 15 bomen,
C
max. diameter 15 tot 25 cm. Nieuwe aanplant met hazelaar,
8
lijsterbes, hulst, t axus en vuilboom in de maat 80-10 0 (hoogte in
A
1
A
4
cm), tot aal 10 0 stuks in een gelijke verhouding . Daarnaast wordt
E
C
gewone laurier (‘Rotundifolia’ of ‘Caucasica’) toegevoegd zodat de
7
houtsingel ook in de wintermaanden ingepast blijft vanuit
3
huisnummer 214. Afgesproken is dat er 20 exemplaren van 20 0-250 (hoogte in cm) worden aangeplant. De daadwerkelijke aanplant
K
(positie in de praktijk) in overleg met de buren. Specifiek op “F1”
B
5
wordt de houtsingel verlengd/versterkt met de aanplant van 30 stuks
M
H
6
bosplantsoen.
N
G:
Best aande houtopstanden rondom plangebied.
H:
Nieuw aan te planten beeldbepalende boom. Dit sluit aan bij de visie van mijn dorp 2030. De soort is linde of haagbeuk
I
in de maat 14-16 (stamomtrek in cm) en voorzien van t wee boompalen bij aanplant.
J
I:
Gras/gazon.
J:
Best aande beukenhagen.
K:
Ruimte voor aanleg van wadi voor opvang hemelwater.
L:
Te slopen aanwezige opstal.
M:
Best aande bedrijfsbestemming.
N:
Nieuw bedrijfsbestemming . Deze wordt op diverse plekken gecorrigeerd. Daarnaast wordt een houtsingel afgewaardeerd.
G G
1: Vergroten bouwblok á 82,02 m2. 2: Verkleinen bouwblok á 15,34 m2.
G
3: Vergroten bouwblok á 333,16 m2. 4: Verkleinen bouwblok á 72,25 m2. 5: Vergroten bouwblok á 104,49 m2. 6: Verkleinen bouwblok á 11,35 m2. 7: Vergroten bouwblok á 30 04,38 m2. 8: Afwaarderen houtsingel á 1273,54 m2.
Nieuwe situatie, niet op schaal. (Bron: N+L Landschapsontwerpers) Project:
KGO
NH
St atus:
DO
Adres:
Hardenberger weg 208 Datum:
Getekend:
27-03-2023
Aant al pag .:
1 van 1
Woonplaats:
Langeveen
Gecontroleerd:
-
Formaat:
A3
Schaal:
1:750
Noord:
Tekening is noordgericht
nl-landschap.nl
17
5. Investeringen KGO In het kader van de KGO regeling dient er geïnvesteerd te worden in de ruimtelijke kwaliteit. Dat kan op het gebied van natuur, landschap, water, cultuurhistorie en (mede) recreatie. De aanvrager heeft vanaf beginsel aangegeven in de directe omgeving van Langeveen te willen investeren. Hij wil graag bijdragen in een project dat tastbaar is voor hemzelf en voor inwoners van Langeveen.
carnaval loods dat onderdeel is van een nieuw te bouwen werktuigenberging aan de Tiemansweg 3. Hiervoor wordt een separate omgevingsvergunning doorlopen. De situatie is op pagina 21 weergegeven met een rode markering.
Nabij plan Veldboer heeft zich een initiatief aangedragen. Ter plaatse is sprake van een wandelnetwerk ten behoeve van een ommetje. Het bestaande netwerk kan worden vergroot waarbij het landschap rondom Langeveen beter beleefbaar kan worden gemaakt. De gronden van de Mandjesberg aan de noordzijde van Langeveen zijn in gebruik als akkerbouwgronden en recentelijk is daar een wijngaard gerealiseerd. Het is de bedoeling dat inwoners van Langeveen met dit dorpsommetje straks langs een dubbele gemengde haag lopen en daardoor de Mandjesberg beter kunnen beleven evenals de uitzichten op Duitsland. De bestaande openheid wordt gerespecteerd, maar het dorpsommetje bevat meer uitdaging. Het voert daarnaast langs de recent aangelegde wijngaard. Het onverharde gedeelte weg vanaf het knooperf naar de Veldboersweg is met name in de nattere delen van het jaar onbegaanbaar. Er wordt daarom een enkel karrespoor aangelegd bestaande uit gebakken klinkers voor voetgangers om het dorpsommetje te completeren, maar het pad is ook geschikt voor fietsers. Er is bewust niet voor een dubbel karrespoor gekozen om de route luw te houden voor gemotoriseerd verkeer. De kosten voor de uitvoering worden geraamd op (afgerond) € 61.000,--. Daarnaast wordt 20% van het te investeren bedrag gereserveerd voor de uitvoering van een 18
Kosten m.b.t. ommetje en karrespoor. (Bron: N+L Landschapsontwerpers)
A:
Aanleg wandelpad t.b.v. wandelommetje “Veldboersweg”. Wandelpad met enkel wat gebroken puin ter versteviging en aan de binnenzijde een gemengde haag met o.a. beukhaag , haagbeuk, hondsroos, meidoorn en liguster.
H
Aanplant in de maat 80-100 (hoogte in centimeters) met 9 stuks per strekkende meter. Tot ale lengte bedraagt 550 meter, tot aal circa 4360 stuks. Aan de
A
buitenkant een gekloofd eiken raster met 2 gladdraden over eenzelfde lengte.
A B:
Aan te leggen karrespoor (gebakken steen). Het karrespoor is een wens van de omgeving om ener zijds de weg beter begaanbaar te maken voor fietsers en
C
voetgangers, maar anderzijds gemotoriseerd verkeer tegen te gaan. Zo zal een volledige element- of asfalt verharding tot gevolg hebben dat er meer verkeer gaat
F
Fragment uit 1905 (topotijdreis.nl)
D D
dubbel).
A
E G
rijden. Het gaat om een enkelvoudig karrespoor (niet
C
C:
Grotendeels aangelegde wijngaard. Initiatief omwonende.
D:
Best aande en te behouden wandelmogelijkheid / ommetje.
E:
Op te heffen wandelverbinding .
F:
Aanbrengen van voor zieningen t.b.v. tegengaan gemotoriseerd verkeer.
B
G:
Weiland.
H:
Aan te vullen houtsingel. De houtsingel is grotendeels best aand.
Voorstel hek tegen gem. verkeer
Nieuwe situatie, niet op schaal. (Bron: N+L Landschapsontwerpers) Project:
KGO
Getekend:
NH
St atus:
DO
Adres:
Veldboersweg
Datum:
04-02-2022
Aant al pag .:
1
Woonplaats:
Langeveen
Gecontroleerd:
-
Formaat:
A3
Schaal:
1:150 0
Noord:
Tekening is noordgericht
nl-landschap.nl
19
20
A:
Best aande bedrijfswoning .
B:
Best aande schuren (voornamelijk loonbedrijf, ondergeschikt opslag hout).
I G
D C
F
C:
Best aande mestsilo.
D:
Nieuw te bouwen werktuigenberging .
E:
Te slopen 20 0 m2.
F:
Erfverharding .
G:
Best aande houtopstanden (te behouden).
H:
Gras / gazon.
I:
Weiland.
G B
B
A
G
E
I
H G
Nieuwe situatie, niet op schaal. (Bron: N+L Landschapsontwerpers) Project:
Landschappelijke inpassing
Getekend:
NH
St atus:
DO
Adres:
Tiemansweg 3
Datum:
24-01-2022
Aant al pag .:
1 van 1
Woonplaats:
Langeveen
Gecontroleerd:
-
Formaat:
A3
Schaal:
1:1250
Noord:
Tekening is noordgericht
nl-landschap.nl
21
l a n d s c h a p s o n t w e r p e r s
Oldenzaalseweg 38 • 7651 KC Tubbergen • info@nl-landschaps.nl • www.nl-landschap.nl
Bijlage 2 Verkennend bodemonderzoek
bestemmingsplan Buitengebied, Hardenbergerweg 208 Langeveen 27
RAPPORT VERKENNEND BODEMONDERZOEK conform NEN 5740 Hardenbergerweg 208 - Langeveen
Opdrachtgever: Autobedrijf H. Tijhuis Locatie: Hardenbergerweg 208 7479 VJ Langeveen Mei 2020
Kruse Milieu BV Bezoekadres: Huyerenseweg 33 7678 SC Geesteren
Internet: info@krusegroep.nl www.krusegroep.nl
Postadres: Postbus 51 7650 AB Tubbergen
Bankgegevens: ABN AMRO: NL34ABNA0501538739
Tel: 0546 - 63 96 63
KvK: 06068751 BTW-nr: NL 8019.25.125.B01
Rapport Verkennend Bodemonderzoek conform NEN 5740 Hardenbergerweg 208 - Langeveen
Opdrachtgever: Autobedrijf H. Tijhuis Hardenbergerweg 208 7479 VJ Langeveen Locatie: Hardenbergerweg 208 7479 VJ Langeveen Projectcode: 20002910 Rapportagedatum: 18 mei 2020 Auteur: ing. H. Stevelink
Kruse Milieu BV
INHOUD Pagina 1
Inleiding
1
2.1 2.2 2.3
Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie Vooronderzoek Bodemsamenstelling en geohydrologie
2 2 2 3
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie Veldwerkzaamheden Analyses Toetsing chemische analyses Toetsing asbestanalyses
4 4 5 5 6 7
4.1 4.2 4.3 4.4
Resultaten Algemeen Veldwerkzaamheden Resultaten en toetsing van de chemische analyses Bespreking resultaten chemische analyses
8 8 8 10 10
5
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
11
6
Literatuur en bronvermelding
13
2
3
4
Bijlagen I Regionale ligging locatie Tekening toekomstige situatie Boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu BV, mei 2020 II Boorstaten Legenda boorstaten III Resultaten chemische analyses Toetsing chemische analyses IV Informatie van gemeente Tubbergen V Fotoreportage terreininspectie VI Verklaring van enkele gebruikte termen en afkortingen
Kruse Milieu BV
Project: 20002910
1
Inleiding
Dit rapport beschrijft het verkennend bodemonderzoek, dat in opdracht van Autobedrijf H. Tijhuis op een terreindeel aan de Hardenbergerweg 208 te Langeveen door Kruse Milieu BV is uitgevoerd. De aanleiding van dit onderzoek is de bestemmingsplanwijziging en de geplande uitbreidingen van het bedrijfspand. Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van de omgevingsvergunning. Derhalve dient de milieukundige kwaliteit van de bodem bekend te zijn. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een standaard vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN 5725. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat er sprake is van een verdachte deellocatie op het terrein (wasplaats). Het overige deel van de onderzoekslocatie kan als onverdacht voor chemische componenten worden beschouwd. De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN 5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” NNI Delft, januari 2009; - de aanvulling NEN 5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016.
De doelstelling van het onderzoek op een onverdachte locatie is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of in het freatisch grondwater. De doelstelling van het onderzoek op een verdachte deellocatie is vast te stellen of de vooronderstelde verontreinigingskern ook daadwerkelijk op de vermoede plaats aanwezig is en in hoeverre de verontreinigende stoffen in de grond en het freatisch grondwater respectievelijk de achtergrond- en de streefwaarden overschrijden. Het veldwerk is uitgevoerd in april en mei 2020 conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001 en 2002, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Hierbij wordt verklaard dat Kruse Milieu BV financieel en juridisch onafhankelijk is van de opdrachtgever. In dit rapport worden de resultaten besproken van het veld- en het laboratoriumonderzoek. De gemeten gehalten in de grond worden vergeleken met de achtergrondwaarden (AW 2000) en de interventiewaarden om vast te stellen of er al dan niet verontreinigingen aanwezig zijn. De in het grondwater gemeten gehalten worden vergeleken met de streef- en interventiewaarden. Tevens worden eventuele resultaten met betrekking tot asbest vergeleken met de wetgeving inzake asbest in bodem en puin, welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld.
In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen.
Kruse Milieu BV
Project: 20002910
Pagina 1 van 13
2
Locatiegegevens 2.1
Beschrijving huidige situatie
Algemeen De onderzoekslocatie is gelegen aan de Hardenbergerweg 208, in het zuidelijke deel van de bebouwde kom van Langeveen. Het centrale punt van het te onderzoeken deel van het terrein heeft de RD-coördinaten x = 245.624 en y = 497.940 en is kadastraal bekend als: gemeente Tubbergen, sectie A, nummers 8634 (ged.), 7595 en 7343 (ged.). De Hardenbergerweg is ten westen van de onderzoekslocatie gelegen. Bebouwing en verharding Op het terrein is een autobedrijf gevestigd. Het terrein is bebouwd met 2 bedrijfshallen. Inpandig zijn vloeistofdichte vloeren aanwezig. Het terrein rondom de bedrijfspanden is geheel verhard met klinkers. Aan de noordzijde van het westelijk gelegen bedrijfspand is een wasplaats met vloeistofdichte vloer aanwezig. Deze wordt beschouwd als verdachte deellocatie (zie foto 5 van fotoblad van de terreininspectie, welke is opgenomen in bijlage V). Het overige terrein rondom de bedrijfspanden worden gebruikt voor de stalling van auto’s (zie foto’s 1, 2, 3 en 5). Onderzoekslocatie Er zijn plannen om de bedrijfsbebouwing uit te breiden. In het dient onderzoek te worden uitgevoerd naar de bodemkwaliteit op het terreindeel. De onderzoekslocatie is deels bebouwd en geheel verhard (klinkers) en omvat circa 1475 m². In bijlage I zijn de regionale ligging van de locatie weergegeven en is het boorplan van Kruse Milieu BV van mei 2020 opgenomen. 2.2
Vooronderzoek
In het vooronderzoek komt naast informatie uit het huidige gebruik het vroegere gebruik van het terrein aan de orde evenals de vraag of er in het verleden reeds bodemonderzoeken zijn verricht op het terrein. Het vroegere gebruik van het terrein is van belang, omdat bronnen van verontreiniging aanwezig geweest kunnen zijn. Er is navraag gedaan bij de opdrachtgever en bij de gemeente Tubbergen. De heer P. Haverkort heeft op 7 februari 2020 archiefonderzoek bij gemeente Tubbergen verricht. De volgende informatie is verzameld: - De onderzoekslocatie heeft al jaren de huidige bestemming. De westelijke bedrijfshal dateert van 1992 (voorheen nummer 190 genoemd) en de oostelijke bedrijfshal dateert van 2010 en beiden hebben een bedrijfsbestemming. Het oostelijke terreindeel heeft de bestemming agrarisch. - In de westelijke bedrijfshal is een bovengrondse tank voor afgewerkte olie (1000 liter), een tank voor motorolie (1000 liter), een vat voor oude oliefilters (200 liter), 2 vaten met koelvloeistof (elk 200 liter), een vat wisselbakolie (60 liter) en een ontvetterbak (30 liter) aanwezig. Deze bedrijfshal is voorzien van een vloeistofdichte vloer. - Aan de noordzijde van de westelijke bedrijfshal is een wasplaats met OBAS (olie/benzineafscheider) aanwezig (betonvloer circa 35 m2 , Deellocatie A).
Het overige te onderzoeken terreindeel is voor zover bekend nooit gebruikt voor werkzaamheden of (bedrijfs)activiteiten, die verontreinigend kunnen zijn. Voor zover bekend hebben er nooit calamiteiten plaatsgevonden, zoals lekkages van bodembedreigende vloeistoffen. - Voor zover bekend is het te onderzoeken terreindeel in het verleden niet opgehoogd en hebben er geen dempingen van lager gelegen delen of sloten plaatsgevonden. - Voor zover bekend bevindt zich geen asbest op of in de bodem van de onderzoekslocatie. Er bevinden zich geen asbesthoudende beschoeiingen of sloopafval direct naast de onderzoekslocatie. Tevens is de locatie niet gelegen aan een asbestweg. Kruse Milieu BV
Project: 20002910
Pagina 2 van 13
- Op de asbestsignaleringskaart van de Provincie Overijssel is weergegeven dat er een kleine kans is op aanwezigheid van asbest in de bodem. - Er is niet eerder een bodemonderzoek uitgevoerd op het terrein. Direct ten zuidwesten van de onderzoekslocatie heeft een eerder bodemonderzoek plaatsgevonden. Deze worden hieronder verder toegelicht: Terra, Verkennend bodemonderzoek Hardenbergerweg 202 te Langeveen, d.d. 1 oktober 2007 met rapportnummer 2007-067-NEN. Het rapport is door ons bureau niet ingezien. Uit de resultaten blijkt dat in de bovengrond een licht verhoogd gehalte aan koper is aangetoond. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. In het grondwater is een licht verhoogd chroomgehalte aangetoond. 2.3
Bodemsamenstelling en geohydrologie
Op basis van literatuurstudie is de onderstaande regionale geohydrologische situatie afgeleid: - Het maaiveld bevindt zich ongeveer 19 meter boven NAP. - De deklaag bestaat uit kwartair zand en is ter plaatse circa 20 meter dik. Het doorlatend vermogen is ongeveer 250 m²/dag. - De grondwaterspiegel bevindt zich circa 4.0 meter onder het maaiveld. Het freatisch grondwater stroomt in zuidwestelijke richting met een verhang van 1.5 m/km. - Op circa 850 meter ten oosten stroom de Itterbeek. Mogelijk wordt de lokale grondwaterstand en -stromingsrichting van het freatische grondwater beïnvloed. - In de directe omgeving van de onderzoekslocatie bevindt zich geen waterwingebied.
Kruse Milieu BV
Project: 20002910
Pagina 3 van 13
3
Uitvoering bodemonderzoek 3.1
Onderzoeksstrategie
De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN 5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” NNI Delft, januari 2009; - de aanvulling NEN 5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016. Onderhavig onderzoek richt zich op de volgende terreindelen: - Overig terreindeel (circa 1475 m2) - Deellocatie A: Wasplaats (circa 35 m2). Strategie deellocatie A De locatie van de wasplaats met OBAS wordt beschouwd als verdacht ten aanzien van de aanwezigheid van minerale olie in de bovengrond en van minerale olie, vluchtige aromaten en naftaleen in het grondwater (NEN 5740, VEP). Strategie overig terreindeel Op basis van de beschikbare informatie omtrent het historisch en huidig gebruik van de locatie, kan de onderzoekslocatie als niet verdacht worden beschouwd. De hypothese "onverdachte locatie" uit NEN 5740 (ONV-NL) wordt voor de locatie gebruikt. Deze hypothese gaat ervan uit dat op een locatie geen of slechts licht verhoogde gehalten worden gemeten. In de norm NEN 5740 zijn voor onverdachte en verdachte locaties richtlijnen gegeven voor een systematisch veldonderzoek, de bemonsteringsstrategie en de uit te voeren analyses.
De gekozen onderzoeksstrategie is voldoende intensief voor het verkrijgen van inzicht in de bodemkwaliteit ten behoeve van de omgevingsvergunning, bestemmingsplanwijziging of eigendomsoverdracht. Tevens dient te worden vermeld dat is besloten geen inpandige boringen te verrichten, vanwege de vloeistofdichte vloer. Deze strategie is goedgekeurd door de Omgevingsdienst Twente. Bij het verkennend bodemonderzoek worden de volgende uitgangspunten in acht genomen: - in door mensen bewoonde gebieden kunnen door jarenlang gebruik van de grond verhoogde gehalten aan PAK en/of zware metalen voorkomen. Deze worden over het algemeen aangeduid als lokale achtergrondwaarden. Deze gehalten zijn vaak gerelateerd aan het voorkomen van puin- en/of kooldeeltjes in de bodem. - in humeuze of veenhoudende bodems worden regelmatig verhoogde gehalten minerale olie waargenomen. Deze gehalten worden veroorzaakt door humuszuren en overig organisch materiaal, dat van nature aanwezig is en door een florisilbehandeling niet geheel wordt verwijderd. Tijdens chemische analyses worden deze verbindingen gedetecteerd als de zware fractie van minerale olie (C27 tot C40). Bij veenbodems betreft het gehalten van 50 tot 100 mg/kg droge stof; bij humeuze bodemlagen gaat het om bijdrages van 10 tot 50 mg/kg droge stof.
Deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden - in het grondwater kunnen van nature verhoogde gehalten aan zware metalen en fenolen voorkomen. Deze worden doorgaans aangeduid als natuurlijke achtergrondwaarden. Een voorbeeld wordt gevormd door (sterk) verhoogde arseengehalten in gebieden, die zeer ijzerrijk zijn. Door kwel kunnen bij hoge grondwaterstanden eveneens verhoogde gehalten aan arseen in de grond ontstaan. Ook deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden.
Kruse Milieu BV
Project: 20002910
Pagina 4 van 13
Bij percentages bodemvreemd materiaal van meer dan 50% is er geen sprake van bodem. Het opgeboorde materiaal wordt wel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. In geval er sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal/puin is norm NEN 5897+C2 van toepassing: “Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat” NNI Delft, december 2017. Eventuele puinlagen (onder de verhardingslagen) worden indicatief onderzocht op asbest. 3.2
Veldwerkzaamheden
Het onderzoek is uitgevoerd volgens de onderzoeksstrategie voor onverdachte locaties uit NEN 5740. Bij de boringen en monsternemingen is gewerkt volgens de geldende NEN- en NPRvoorschriften, alsmede conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001 en 2002, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Deellocatie A: Wasplaats met OBAS Ter plaatse van de wasplaats worden 3 boringen verricht tot 1.0 meter minus maaiveld (A1 t/m A3). Voor het meten van het grondwaterpeil en het nemen van grondwatermonsters wordt gebruik gemaakt van peilbuis 1. Overig terreindeel Op een terrein van 1475 m² worden in totaal 8 boringen verricht, waarvan 6 boringen tot 0.5 meter en 2 tot 2.0 meter diepte of tot de grondwaterspiegel geplaatst. Voor het meten van het grondwaterpeil en het nemen van grondwatermonsters wordt 1 diepe boring overeenkomstig NEN 5766 afgewerkt tot peilbuis. Van elk monsterpunt wordt de samenstelling van de bodem beschreven volgens NEN 5104. Het opgeboorde materiaal wordt tevens beoordeeld door zintuiglijke waarneming op verontreinigingskenmerken zoals afwijkende geur en/of kleur. 3.3
Analyses
De chemische analyses worden uitgevoerd door Eurofins Analytico BV te Barneveld, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor analyses conform de AS3000-protocollen. Eventuele asbestmonsters worden onderzocht door Eurofins Omegam in Amsterdam, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor vezelonderzoek. Voor het uitvoeren van deze analyses worden in een verkennend onderzoek van deze omvang 2 (meng)monsters samengesteld en er wordt 1 grondwatermonster genomen. De samenstelling van de mengmonsters vindt plaats op basis van de zintuiglijke waarnemingen, de bodemopbouw en/of posities van de boringen. De samenstelling van de mengmonsters staat vermeld in paragraaf 4.2 in tabel 2. De monsters worden volgens de voorschriften uit NEN 5740 onderzocht. In de onderstaande tabel 1 is weergegeven welke chemische analyses worden uitgevoerd.
Kruse Milieu BV
Project: 20002910
Pagina 5 van 13
Tabel 1: Analysepakket per (meng)monster Monster
Analysepakket Overig terreindeel
Bovengrond (1x) Ondergrond (1x)
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, PCB, PAK (10), organisch stof, lutum en droge stof
Grondwater (1x)
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX), naftaleen, styreen en gechloreerde koolwaterstoffen (oplosmiddelen standaardpakket), zuurgraad (pH), elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting Deellocatie A - Wasplaats met OBAS
Bovengrond (1x)
Minerale olie, organische stof en droge stof
Grondwater (1x)
Minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX), naftaleen, pH, EC en troebelheid.
Algemene opmerkingen - Op de grondmengmonsters wordt standaard een florisilbehandeling uitgevoerd om verstoring van de analyse op minerale olie door natuurlijke humuszuren tegen te gaan. - De zuurgraad (pH), het elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting (NTU), van het grondwater worden in het veld gemeten. Filtratie van het grondwater voor de metalenanalyse vindt eveneens in het veld plaats. Indien visueel asbestverdachte materialen worden waargenomen, wordt per gat een materiaal(verzamel)monster samengesteld. De eventuele monsters worden onderzocht door Eurofins Omegam in Amsterdam, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium. 3.4
Toetsing chemische analyses
De resultaten van de chemische analyses uit het bodemonderzoek worden beoordeeld aan de hand van de gecorrigeerde achtergrond-, streef- en interventiewaarden voor verontreinigingen in de bodem uit de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en tabel 1 van bijlage B, Regeling bodemkwaliteit van het ministerie van I&M. De achtergrondwaarden voor grond zijn vastgelegd in de Regeling bodemkwaliteit (Staatsblad, 22 november 2012). De interventiewaarden voor grond en grondwater zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering. De toetsing aan de eisen in de Wet Bodembescherming en de Circulaire Bodemsanering is beoogd om te beoordelen of er sprake is van een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en/of het milieu. Hierbij worden de volgende waarden onderscheiden: achtergrondwaarde (AW) voor grond: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van de grond; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; streefwaarde (S) voor grondwater: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van het grondwater; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; interventiewaarde bodem (I): het niveau waarbij de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, plant of dier ernstig verminderd zijn of ernstig bedreigd worden; bij overschrijding wordt gesproken van een sterke verontreiniging. Kruse Milieu BV
Project: 20002910
Pagina 6 van 13
tussenwaarde (T): Gelijk aan het gemiddelde van de achtergrond- of streefwaarde en de interventiewaarde, dus (A+I)/2 (grond) of (S+I)/2 (grondwater). Wanneer bij een verkennend onderzoek een component met concentratie boven deze waarde wordt gevonden is in principe een nader onderzoek nodig. Bij de toetsing van de analyseresultaten aan de landelijke achtergrondwaarden en de interventiewaarden worden deze eerst omgerekend naar een gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD). Bij de toetsing van de grondresultaten wordt daarbij gebruik gemaakt van de gemeten percentages lutum en organische stof in de grond(meng)monsters. De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn volgens BoToVa getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden. Het toetsingsresultaat is overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner of gelijk aan AW of S; * concentratie groter dan AW of S en kleiner of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner of gelijk aan I. *** concentratie groter dan I. Een locatie wordt als verontreinigd beschouwd als de GSSD groter is dan de achtergrondwaarde of streefwaarde. Voor een aantal stoffen kan de rapportagegrens bepalend zijn voor de achtergrondwaarde of streefwaarde.
De locatie wordt niet verontreinigd verklaard als geen van de onderzochte stoffen in de bodem aanwezig is met een concentratie hoger dan de achtergrondwaarde of streefwaarde. Eventuele resultaten van de eventuele PFAS-analyses worden getoetst aan de achtergrondwaarden in de landbodem genoemd in de kamerbrief “Aanpassing tijdelijke Handelingskader PFAS” van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 29 november 2019 en sinds 5 maart 2020 de door het RIVM afgeleide INEV’s (Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreinigingen) voor de stoffen PFOS, PFOA en GenX in grond en grondwater. 3.5
Toetsing asbestanalyses
Eventuele resultaten van de asbestanalyses worden getoetst aan de wetgeving inzake asbest in bodem en puin welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen. De restconcentratienorm beschrijft de concentratie asbest, waaronder hergebruik nog is toegestaan. De interventiewaarde beschrijft de concentratie asbest in bodem, waarboven in principe gesaneerd dient te worden. Voor asbest is de restconcentratienorm gelijk aan de interventiewaarde en deze waarde bedraagt 100 mg/kg gewogen asbest. De gewogen concentratie asbest is gelijk aan de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met 10 maal de concentratie amfiboolasbest. Voor puinverhardingen dient de asbestconcentratie te worden getoetst aan de normen uit het Besluit Asbestwegen Wet Milieugevaarlijke Stoffen (WMS). Hierin wordt tevens een restconcentratie van 100 mg/kg gewogen asbest genoemd. Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de interventiewaarde is een nader onderzoek asbest verplicht. De hoogste bepaalde waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Indien overschrijding van de restconcentratienorm plaatsvindt, dan dienen werkzaamheden met de betreffende bodem/puinverharding plaats te vinden onder asbestcondities.
Bij asbestconcentraties lager dan de restconcentratienorm zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk bij be- en verwerking van de grond of puinverharding.
Kruse Milieu BV
Project: 20002910
Pagina 7 van 13
4
Resultaten 4.1
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de veldwerkzaamheden en de analyseresultaten. De uitgevoerde veldwerkzaamheden en waarnemingen, de samenstelling van de mengmonsters en de grondwatergegevens worden beschreven in paragraaf 4.2. De resultaten van de chemische analyses worden weergegeven in paragraaf 4.3. en in paragraaf 4.4. worden de resultaten besproken. 4.2
Veldwerkzaamheden
De veldwerkzaamheden zijn in april en mei 2020 uitgevoerd door de heren R. Veltmaat en L. Haverkort. De eerst genoemde is een veldwerker conform BRL SIKB 2000 gecertificeerd en erkend (certificaatnummer K44441/08). Overig terreindeel Er zijn op 28 april 2020 in totaal 8 boringen verricht met behulp van een Edelmanboor, waarvan er 2 zijn doorgezet met behulp van een zuigerboor tot 2.0 m-mv of tot het grondwaterniveau. Ten behoeve van het grondwateronderzoek is één diepe boring doorgezet in de diepere ondergrond (5.00 m-mv) en afgewerkt tot peilbuis (peilbuis 1). Boring 7 is op 0.5 meter diepte gestaakt op een rioolbuis. Deellocatie A: Wasplaats met OBAS Ter plaatse van de wasplaats op deellocatie A zijn op 28 april 2020 in totaal 3 boringen verricht met een Edelmanboor (gecodeerd als boring A1 t/m A3). Er is ter plekke van de wasplaats zintuiglijk geen minerale olie waargenomen in de grond of in het grondwater (geen oliegeur, geen olie/water-reactie). De situering van de monsterpunten is weergegeven op de situatieschets van bijlage I. Tijdens de boorwerkzaamheden is de bodemopbouw beschreven en is de grond zintuiglijk beoordeeld op eventuele aanwezigheid van verontreinigingen. De boorbeschrijvingen zijn weergegeven in bijlage II. De bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat globaal uit matig tot zeer grof zand.
Op het oostelijke terreindeel is onder de klinkers puingranulaat aangetroffen (boring 2, 3, 4 en 5 tot circa 0.6 m-mv). Op het maaiveld bij boring 3 is puin op het maaiveld aangetroffen, hier is geen klinkerverharding aanwezig. Er zijn verder geen bodemvreemde materialen waargenomen. De veldwerker heeft visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld of in de bodem. Op basis van de zintuiglijke waarnemingen, bodemsamenstelling en/of geografische positie van de boringen zijn de mengmonsters samengesteld, zoals in tabel 2 staat omschreven.
Kruse Milieu BV
Project: 20002910
Pagina 8 van 13
Tabel 2: Samenstelling mengmonsters. (Meng)monster
Boringnummer
Traject (diepte in m -mv)
Analyse
Overig terreindeel
BG
1 2 3 4 5 6
0.3 - 0.6 0.5 - 0.8 0.15 - 0.5 0.6 - 1.0 0.6 - 0.9 0.2 - 0.6
Standaard pakket
OG
1 1 2 2
0.6 - 1.1 1.2 - 1.7 0.8 - 1.1 1.2 - 1.7
Standaard pakket
Deellocatie A - Wasplaats met OBAS A - BG
A1 t/m A3
0.07 - 0.57
Minerale olie
Boring 1 is doorgezet tot circa 5.00 m-mv. Wanneer het grondwater werd bereikt, werd een zuigerboor gebruikt om een PVC-peilbuis te kunnen plaatsen. Een peilbuis bestaat uit een filter met een lengte van 1.0 meter, gekoppeld aan een blinde stijgbuis. Ter hoogte van het filter, met een diameter van 28 x 32 mm, is filtergrind in het boorgat gestort. Rondom het filter is een filterkous aangebracht. Er is bentoniet in het boorgat gestort om directe indringing van hemelwater in het filter tegen te gaan. De rest van het boorgat is opgevuld met het oorspronkelijke bodemmateriaal. Vervolgens is de peilbuis doorgepompt. Peilbuis 1 is niet geheel op de gewenste diepte geplaatst in verband met de diepte van de peilbuis. Er wordt geen significante invloed op de resultaten verwacht als gevolg van deze afwijking. Op 8 mei 2020 is de peilbuis bemonsterd. Het voorpompen en bemonsteren heeft conform NEN 5744 plaatsgevonden met een laag debiet (tussen 100 en 500 ml/min). Er is op toegezien dat de grondwaterstand tijdens het voorpompen niet meer dan 50 cm is gedaald en dat er is bemonsterd met hetzelfde (of lager) debiet als waarmee is voorgepompt (bemonstering maximaal 200 ml/min in verband met vluchtige stoffen). De grondwatergegevens staan weergegeven in tabel 3. Tabel 3: Weergave gegevens grondwater. Peilbuis
Filterstelling (m-mv)
Grondwaterstand (m-mv)
pH (-)
EC (μS/cm)
Troebelheid (NTU)
Toestroming
PB 1
4.00 - 5.00
3.60
6
61
5.71
Goed
De waarden voor de pH, de EC en de troebelheid worden normaal geacht.
Kruse Milieu BV
Project: 20002910
Pagina 9 van 13
4.3
Resultaten en toetsing van de chemische analyses
In algemene zin dient opgemerkt te worden dat indien de analyses van de grondmonsters zijn uitgevoerd op mengmonsters, dit kan betekenen dat de gehaltes hoger kunnen zijn in de individuele monsters. De analyseresultaten en de toetsingstabellen zijn weergegeven in bijlage III. Bij de toetsing van de analyseresultaten aan de landelijke achtergrondwaarden en de interventiewaarden worden deze eerst omgerekend naar een gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD). Bij de toetsing van de grondresultaten wordt daarbij gebruik gemaakt van de gemeten percentages lutum en organische stof in de grond(meng)monsters. De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn volgens BoToVa getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden. In de bovengrond en in het grondwater zijn lichte verontreinigingen aangetoond. Deze zijn weergegeven in tabel 4. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten gemeten. Tabel 4: Verhoogde concentraties (mg/kg droge stof of μg/l). Monster
1
Component
Gemeten concentratie
GSSD
Achtergrondwaarde1 of Streefwaarde
Interventiewaarde
Bovengrond PAK
2.4
2.399 *
1.5
40
Peilbuis 1
100
100 *
50
625
Barium
AW2000
In de vierde kolom van tabel 4 wordt het toetsingsresultaat overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner of gelijk aan AW of S; * concentratie groter dan AW of S en kleiner of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner of gelijk aan I; *** concentratie groter dan I. 4.4
Bespreking resultaten chemische analyses
Zoals in de vorige paragraaf is weergegeven, zijn enkele lichte verontreinigingen aangetoond. In deze paragraaf worden mogelijke verklaringen gegeven voor de analyseresultaten. Bovengrond - PAK Zoals reeds beschreven in paragraaf 3.1, zijn verontreinigingen in de grond met PAK niet ongebruikelijk op locaties, waar al tientallen jaren sprake is geweest van bebouwing (en bewoning). Aangezien de tussenwaarde niet wordt overschreden, is het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk. Grondwater - Peilbuis 1 - Barium Het zeer licht verhoogde gehalte aan barium in het grondwater is waarschijnlijk te wijten aan een plaatselijk (natuurlijk) verhoogde achtergrondwaarde. In de regio Twente kunnen zware metalen van nature in de ondergrond aanwezig zijn. In de loop der jaren zijn deze metalen uitgespoeld naar het grondwater. Aangezien de tussenwaarde niet wordt overschreden, wordt het uitvoeren van nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. De wasplaats heeft geen aantoonbare negatieve invloed gehad op de bodemkwaliteit.
Kruse Milieu BV
Project: 20002910
Pagina 10 van 13
5
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
Algemeen In opdracht van Autobedrijf H. Tijhuis is in een verkennend bodemonderzoek de bodem onderzocht op een terreindeel ter grootte van circa 1475 m² aan de Hardenbergerweg 208 te Langeveen. De onderzoekslocatie is deels bebouwd en geheel verhard (beton en klinkers). Aanleiding voor het bodemonderzoek is de geplande uitbreiding van het bedrijfspand. Resultaten veldwerk Het terreindeel is beschouwd als niet verdacht. Er is een verdachte deellocatie aanwezig (Deellocatie A, wasplaats met OBAS). In totaal zijn er 11 boringen verricht, waarvan 1 tot circa 5.00 meter diepte welke is afgewerkt met een peilbuis. Gebleken is dat de grond globaal bestaat uit matig grof tot zeer zand. Op het oostelijke terreindeel is onder de klinkers puingranulaat aangetroffen (boring 2, 3, 4 en 5 tot circa 0.6 m-mv). Op het maaiveld bij boring 3 is puin op het maaiveld aangetroffen, hier is geen klinkerverharding aanwezig. Er zijn geen bodemvreemde materialen waargenomen. De veldwerker heeft visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld of in de bodem. Het freatische grondwater in de peilbuis is aangetroffen op 3.60 meter min maaiveld.
Resultaten chemische analyses Op basis van de resultaten van de chemische analyses kan het volgende worden geconcludeerd: - de bovengrond (BG) is zeer licht verontreinigd met PAK; - de ondergrond (OG) is niet verontreinigd; - het grondwater (PB 1) is zeer licht verontreinigd met barium. Hypothese De hypothese "onverdachte locatie" dient te worden verworpen, aangezien er overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden zijn aangetoond. Conclusies en aanbevelingen In de bovengrond en in het grondwater zijn verontreinigingen aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, wordt het uitvoeren van nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. De wasplaats heeft geen aantoonbare negatieve invloed gehad op de bodemkwaliteit. Slotconclusie Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen geplande nieuwbouw (uitbreiding van het bedrijfspand), aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico’s voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (bedrijf).
Standaard slotopmerkingen Het volgende dient opgemerkt te worden: gezien het verkennende karakter van dit onderzoek is het, ondanks de zorgvuldigheid waarmee het is uitgevoerd, altijd mogelijk dat eventueel lokaal voorkomende verontreinigingen niet zijn ontdekt.
Kruse Milieu BV
Project: 20002910
Pagina 11 van 13
Hoewel voldaan wordt aan de geldende wet- en regelgeving, wordt tijdens een verkennend of nader bodemonderzoek een beperkt aantal boringen, inspectiegaten of inspectiesleuven verricht. Vermeld dient tevens te worden dat op basis van voorliggend onderzoek geen conclusies kunnen worden getrokken omtrent de bodemkwaliteit van andere terreindelen of aangrenzende percelen. Tenslotte dient in acht genomen te worden dat elk bodemonderzoek een momentopname is. Eventuele toekomstige calamiteiten (bijvoorbeeld brand of morsing van bodemvreemde vloeistoffen), sloopwerkzaamheden of bouwrijp maken en aanvoer van grond van elders kunnen de bodemkwaliteit (sterk) beïnvloeden.
Kruse Milieu BV
Project: 20002910
Pagina 12 van 13
6
Literatuur en bronvermelding
Informatie van de gemeente Tubbergen NEN 5725, “Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek”, NNI Delft, oktober 2017 NEN 5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, januari 2009 NEN 5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016 De kamerbrief “Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie”, Ministerie van I en W, 8 juli 2019 De kamerbrief “Aanpassing tijdelijk handelingskader PFAS”, Ministerie van I en W, 29 november 2019 Document “Indicatieve niveaus voor ernstige bodem- en grondwaterverontreinigingen (INEV’s) voor de stoffen PFOS, PFOA en GenX, RIVM, 15 januari 2020 Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013, Ministerie van I&M Topografische kaarten, kaartblad 28 E, Topografische Dienst Kadaster Grondwaterkaart van Nederland, TNO Grondwater en Geo-Energie, Delft Archief Kruse Milieu BV www.overijssel.nl, bodem- en wateratlas www.ahn.nl www.topotijdreis.nl www.dinoloket.nl