Bijlage Buitengebied, Delmaweg 14, Ketnerweg 2, Kapsweg 46.pdf
Tekst van het document
31
Door Montferland Milieu B.V. is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd aan de Ketnerweg 2 in Geesteren (Bijlage 5). De aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen sloopwerkzaamheden. Er bestaat een vermoeden dat ter plaatse van de druppelzone sprake zou kunnen zijn van een eventuele asbestverontreiniging in de grond. Het onderzoek heeft tot doel vaststellen of er een grondverontreiniging aanwezig is, welke mogelijk een belemmering kan vormen. Het veldonderzoek is op 13-01-2021 conform BRL SIKB 2000 protocol 2018 uitgevoerd door een erkende medewerker van Montferland Milieu B.V. Tijdens het veldonderzoek is de opgeboorde grond beoordeeld op zintuiglijk waarneembare verontreinigingindicaties. Zintuiglijk zijn in de vaste bodem geen noemenswaardige bijmengingen met bodemvreemde materialen waargenomen. In de vaste bodem is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Bij het asbestonderzoek zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In de grove fractie van de bodem is over de gehele locatie geen asbest aangetroffen. In mengmonster ASMM01 van de fijne fractie is een gehalte van 3,3 mg/kg d.s. aangetoond. Het mengmonsters bevindt zich onder het criterium voor nader onderzoek (50 mg/kg d.s.) en een nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.
Conclusie Ketnerweg 2 Voor de slooplocatie aan de Ketnerweg 2 in Geesteren geldt dat voor wat betreft bodem dat er reeds sprake is van een woonerf. Op dit woonerf wordt één van de schuren gesaneerd. De bestemming voor het woonerf wijzigt als gevolg van deze ingreep niet en ook binnen het huidig bestemmingsplan is sloop van de schuur reeds mogelijk. De onderzochte druppelzone geeft aan dat er geen reden is tot nader onderzoek. Gezien het feit er geen sprake is van een gewijzigd gebruik en er geen nieuwe bodemgevoelige activiteiten worden gerealiseerd, blijft er voor wat betreft bodem sprake van een aanvaardbare situatie en een uitvoerbaar bestemmingsplan. Kapsweg 46, Tubbergen Door Montferland Milieu B.V. is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd aan de Kapsweg 46 in Tubbergen (Bijlage 6). De aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen sloopwerkzaamheden in combinatie met het omzetten van de agrarische bedrijfsbestemming naar een woonbestemming. Het doel van het onderzoek is vaststellen of het plangebied verdacht is op het voorkomen van een verontreiniging. In het onderzoek wordt vastgesteld of er in het verleden bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden die aanleiding geven tot het uitvoeren van een bodemonderzoek.
NEN-normen en uitvoeringskader Het vooronderzoek is uitgevoerd conform de Nederlandse Norm NEN5725 (NEN 5725:2017 nl 'Bodem Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek'). Informatie gemeente In 2012 is door Lycens een bodemonderzoek op de locatie uitgevoerd. Dit is gerapporteerd onder projectnummer: 2012.0274. Destijds werden er in zowel de boven- als ondergrond geen verhoogde gehalten aangetoond. Het grondwater bleek licht verontreinigd met barium en xylenen. Op de locatie hebben zich in het verleden, voor zover bekend, geen calamiteiten voorgedaan. Bij de locatie inspectie zijn geen bijzonderheden waargenomen. De schuur heeft een asbestgolfplaten dak. De platen zijn voor zover waarneembaar niet beschadigd. Het regenwater wordt opgevangen door dakgoten en afgevoerd naar het riool. Hierdoor is de mogelijkheid van besmetting van het maaiveld zeer klein. Conclusie Kapsweg 46 Het historisch onderzoek is uitgevoerd conform NEN-5725 en wordt door de Omgevingsdienst Twente als voldoende beoordeeld. De locatie is onverdacht. Er is voldoende inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse. Daarom zijn geen milieuhygiënische gronden tegen de bestemmingsplanwijziging en de sloop van de schuur op de locatie Kapsweg 46 in Tubbergen.
Eindconclusie Op basis van het verrichtte bodemonderzoek is er voor wat betreft het aspect bodem sprake van een aanvaardbare ontwikkeling. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het voornemen.
4.4 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. 32
bestemmingsplan Buitengebied, Delmaweg 14, Ketnerweg 2, Kapsweg 46
De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b. in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e.
wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Toets Als gevolg van onderhavig plan wordt een extra vrijstaand bijbehorend bouwwerk mogelijk gemaakt op een bestaand woonerf. Het plangebied voor de bouwlocatie is gelegen aan de Delmaweg. Dit betreft een rustige weg in het buitengebied van Geesteren, vooral gebruikt voor bestemmingsverkeer (60 km/u). Gelet op de functie als erftoegangsweg en de breedte van de weg kan geconcludeerd worden dat het aantal verkeersbewegingen op deze weg zeer gering is. Derhalve kan gesteld worden dat het wegverkeerslawaai ten gevolge van deze weg zeer gering is. Daarnaast wordt er momenteel reeds gewoond aan de Delmaweg en treed er ten aanzien van de woning geen wijziging op. Er wordt met het realiseren van een extra bijbehorend bouwwerk geen nieuwe geluidsgevoelige functie mogelijk gemaakt. Tot slot zijn er in de directe omgeving van het plangebied geen spoorwegen en/of geluidsgezoneerde bedrijventerreinen aanwezig die voor mogelijke belemmeringen kunnen worden. Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect 'geluid' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.5 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. bestemmingsplan Buitengebied, Delmaweg 14, Ketnerweg 2, Kapsw eg 46
33
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets Onderhavig plan maakt geen nieuwe woning mogelijk. Het betreft enkel de toevoeging van een extra bijgebouw bij een bestaand woonerf aan de Delmaweg 14 in Geesteren. Het aantal verkeersbewegingen neemt derhalve niet toe. Daarnaast wordt een woning niet aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. Derhalve kan geconcludeerd worden dat het aspect 'luchtkwaliteit' geen belemmering oplevert voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.6 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken.
Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied.
Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Toets 34
bestemmingsplan Buitengebied, Delmaweg 14, Ketnerweg 2, Kapsweg 46
Figuur 4.2: uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl). Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van 1,4 kilometer afstand van de bouwlocatie geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen, derhalve geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid. Voor de slooplocaties geldt dat er geen srpake is van een wijziging ten aanzien van het aspect externe veiligheid. Het aspect staat de ontwikkeling op deze locaties niet in de weg.
4.7 Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021.
De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en bestemmingsplan Buitengebied, Delmaweg 14, Ketnerweg 2, Kapsw eg 46
35
het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Waterbeheerplan 2016-2021 Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater.
Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Watertoetsproces Op 29 januari 2021 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 7. Op basis van de toets blijkt dat er geen waterschapbelangen worden geraakt. Dit houdt in dat direct door kan worden doorgegaan met de planvorming. Voor de berging van hemelwater is voldoende ruimte aan de Delmaweg beschikbaar om te infiltreren. Extra bergingscapaciteit is dan ook niet noodzakelijk. Het aspect 'water' vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
4.8 Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toets Bij dit bestemmingsplan wordt hiervoor gebruik gemaakt van een quickscan natuurwaarden [kenmerk 3040, versie 1.0], zie ook bijlage Bijlage 8 Quickscan natuurwaardenonderzoek. De resultaten zijn in de volgende alinea's opgenomen. Het plangebied is op 24 november 2020 (deels) en 27 januari 2021 (deels) onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied.
Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, zoals de toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied, kan uitgesloten worden voor de werkzaamheden in de deelgebieden Delmaweg en Ketnerweg, maar niet voor de werkzaamheden die uitgevoerd worden in deelgebied Kapsweg. Om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in deelgebied Kapsweg kunnen middels een stikstofberekeing inzichtelijk worden gemaakt. Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. 36
bestemmingsplan Buitengebied, Delmaweg 14, Ketnerweg 2, Kapsweg 46
Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezet een beschermd grondgebonden zoogdier er een vaste rust- en/of voortplantingsplaats, bezet een amfibie er een (winter)rustplaats en nestelen er vogels in het plangebied. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. In deelgebied Kapsweg hoeft geen rekening gehouden te worden met de mogelijke aanwezigheid van een bezet vogelnest. Als gevolg van het verwijderen rommel, opgeslagen goederen, strooisel en bladeren en uitvoeren van grondverzet, wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie beschadigd en vernield.
Voor de beschermde grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, en die mogelijk gedood worden, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’ Het aantasten van de functie van het plangebied als foerageergebied, leidt niet tot wettelijke consequenties. Samenvattende conclusie Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd dier gedood en een vaste rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd dier beschadigd en/of vernield. Voor de meeste beschermde dieren, die mogelijk gedood worden en waarvan de vaste rust- en/of voortplantingsplaats beschadigd of vernield wordt, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen omdat de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. Deze vrijstelling geldt echter niet voor vogels. Vogels mogen niet gedood worden en bezette vogelnesten mogen niet verstoord, beschadigd of vernield worden. Mits bij de uitvoering rekening wordt gehouden met mogelijk aanwezige bezette vogelnesten, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.
Om te voorkomen dat vogels gedood worden en een bezet vogelnest negatief beïnvloed wordt, wordt geadviseerd de werkzaamheden uit te voeren buiten de voortplantingsperiode. Het is op voorhand niet uit te sluiten dat de voorgenomen activiteiten in deelgebied Kapsweg leiden tot een negatief effect op Natura 2000-gebied. Een stikstofberekening kan uitsluitsel bieden of er sprake is van wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten op de locatie Kapsweg. Het aspect natuurwaarden vormt op voorhand geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het voorliggend bestemmingsplan.
4.9 Archeologie en Cultuurhistorie Archeologie Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.
Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Toets In het bestemmingsplan zijn voor alle drie locaties dubbelbestemmingen met archeologie verwachting opgenomen: bestemmingsplan Buitengebied, Delmaweg 14, Ketnerweg 2, Kapsw eg 46
37
Delmaweg 14: 'Waarde - Archeologie 4'; hiervoor geldt dat archeologisch onderzoek verplicht is bij werkzaamheden over een oppervlakte groter dan 5.000 m² en dieper dan 0,40 m onder het maaiveld. Ketnerweg 2: 'Waarde - Archeogie 3'; hiervoor geldt dat archeologisch onderzoek verplicht is bij werkzaamheden over een oppverlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 0,40 m onder het maaiveld. Kapsweg 46: 'Waarde - Archeologie 4'; hiervoor geldt dat archeologisch onderzoek verplicht is bij werkzaamheden over een oppervlakte groter dan 5.000 m² en dieper dan 0,40 m onder het maaiveld. Alle drie planlocaties blijven ruimschoots onder de grenswaarden. Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'archeologie'. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties.
Toets Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat er geen cultuurhistorische waarden in de directe omgeving van de plangebieden aanwezig zijn waarop het voorliggende plan mogelijk een negatieve impact heeft. Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.
4.10
Verkeer / parkeren
Verkeer Het plangebied van de bouwlocatie wordt ontsloten via de Delmaweg. De verkeersbewegingen kunnen eenvoudig via de huidige weg worden afgewikkeld. Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op voor dit plan. Parkeren Het parkeren vindt plaats op eigen terrein, waar voldoende ruimte is om in parkeerplaatsen te voorzien. Het aspect 'parkeren' levert derhalve geen belemmeringen op voor dit plan.
38
bestemmingsplan Buitengebied, Delmaweg 14, Ketnerweg 2, Kapsweg 46
Hoofdstuk 5
Juridische toelichting
5.1 Planopzet en systematiek De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.
5.2 Toelichting op de regels 5.2.1
Opbouw
In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden.
Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen; wijzigingsregels bestemmingsplan Buitengebied, Delmaweg 14, Ketnerweg 2, Kapsw eg 46
39
In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene regels Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene bouwregels: In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene aanduidingsregels: In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen.
De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Algemene wijzigingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overige regels: Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro.
Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. 5.2.2
Bestemmingen
Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: Bestemmingen 'Wonen' De als 'Wonen' bestemde gronden zijn bestemd voor het wonen met bijbehorende bouwwerken en daaronder begrepen wegen en paden, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, water en nutsvoorzieningen. Op de slooplocaties worden de overbodige (voormalig agrarische) opstallen gesaneerd en de agrarische bedrijfsactiviteiten - voor zover nog aanwezig - gestaakt, zodoende vindt er een omschakeling naar regulier woonerf plaats en wordt de bestemming 'Wonen' toegekend. Aan de Delmaweg 14 mag op basis van het schuur voor schuur-beleid een extra bijgebouw gerealiseerd worden deze wordt conform het beleid voorzien van een passende woonbestemming. Tevens worden de houthandel en installatiebedrijf van initiatiefnemer aangeduid. 'Waarde - Archeologie 3' 40
bestemmingsplan Buitengebied, Delmaweg 14, Ketnerweg 2, Kapsweg 46
De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden. Voor bouwwerken waarbij grondroerende werkzaamheden over een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 0,40 m onder het maaiveld plaatsvinden moet aanvullend archeologisch onderzoek uitgevoerd worden. 'Waarde - Archeologie 4' De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden. Voor bouwwerken waarbij grondroerende werkzaamheden over een oppervlakte groter dan 5.000 m² en dieper dan 0,40 m onder het maaiveld plaatsvinden moet aanvullend archeologisch onderzoek uitgevoerd worden.
bestemmingsplan Buitengebied, Delmaweg 14, Ketnerweg 2, Kapsw eg 46
41
42
bestemmingsplan Buitengebied, Delmaweg 14, Ketnerweg 2, Kapsweg 46
Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.
bestemmingsplan Buitengebied, Delmaweg 14, Ketnerweg 2, Kapsw eg 46
43
44
bestemmingsplan Buitengebied, Delmaweg 14, Ketnerweg 2, Kapsweg 46
Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel De provincie Overijssel heeft in juli 2016 een uitzonderingslijst opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder categorie B onder 1, waardoor vooroverleg niet nodig is. Waterschap Vechtstromen Op 29 januari 2021 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap een positief advies geeft. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.
7.2 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 11 mei 2021 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn geen zienswijzen binnengekomen.
bestemmingsplan Buitengebied, Delmaweg 14, Ketnerweg 2, Kapsw eg 46
45
46
bestemmingsplan Buitengebied, Delmaweg 14, Ketnerweg 2, Kapsweg 46
Bijlagen bij de toelichting
bestemmingsplan Buitengebied, Delmaweg 14, Ketnerweg 2, Kapsw eg 46
47
Bijlage 1 Landschappelijke inpassing Delmaweg 14
48
bestemmingsplan Buitengebied, Delmaweg 14, Ketnerweg 2, Kapsweg 46
A:
Bestaande woning.
B:
Bestaand, te behouden bijgebouw.
C:
Nieuw te bouwen schuur op basis van de schuur voor schuur regeling (412,5 m2).
D:
Te slopen opstallen.
E:
Te vellen houtopstand, circa 974 m2.
F:
Grotendeels nieuw aan te planten houtopst and (donkergroene contour, rest reeds best aand en te
H
F
behouden). Belangrijk is dat er in de nieuwe situatie wederom sprake is van een robuust element. Totaal
I
wordt er 928 m2 aangeplant. Soorten: hazelaar, lijsterbes, els en berk. Aanplantmaat 80-100 (hoogte in
C
centimeters) met een plantafstand van 1,5 x 1,5 meter
D
in en tussen de rijen. Aanplant in een driehoeksverband. Totaal 415 stuks aan te planten.
G J
E B
J
G:
Te herstellen inrit. De inrit is de oorspronkelijke toegang van het toenmalige erf. De inrit was van
H
oorsprong de toegang tot het erf, maar dat is nu meer zuidelijk gelegen. Om de één-erf-gedachte te behouden
K
is één duidelijk hoofdinrit gewenst. Om toch het achterste gedeelte van het erf te kunnen bereiken met zwaarder verkeer is daarom gekozen voor een t weede,
I
informeel inrit. Het betreffen karresporen die de
A
bezoeker naar het achtererf begeleiden. H:
Bestaande, te behouden houtopstanden rondom plangebied.
I:
Gazon/gras.
J:
Beplanting (bestaand).
K:
Erfverharding.
Situatie omstreeks 1905 (topotijdreis.nl)
nl-landschap.nl
Project:
Schuur voor schuur
Getekend:
N. Hannink
Status:
Naam:
Hekhuis
Adres:
Delmaweg 14
Woonplaats:
Geesteren (ov.)
DO
Datum:
30-11-2020
Aantal pag.:
1
Gecontroleerd:
-
Formaat:
A3
Schaal:
1:1000
Noord:
Tekening is noordgericht
Bijlage 2 Landschappelijke inpassing Ketnerweg 2
50
bestemmingsplan Buitengebied, Delmaweg 14, Ketnerweg 2, Kapsweg 46
G
A:
Bestaande woning.
B:
Bestaand, te behouden bijgebouwen.
C:
Te slopen schuur (300 m2).
D:
Erfverharding.
E:
Gazon/gras.
F:
Hagen, bestaand.
G:
Bestaande houtopstanden rondom plangebied.
Situatie omstreeks 1935 (topotijdreis.nl)
B
E C D
A
F
F E
B G
F
nl-landschap.nl
Project:
Schuur voor schuur
Getekend:
N. Hannink
Status:
Naam:
Evers
Adres:
Ketner weg 2
Woonplaats:
Geesteren
DO
Datum:
30-11-2020
Aantal pag.:
1
Gecontroleerd:
-
Formaat:
A3
Schaal:
1:1000
Noord:
Tekening is noordgericht
Bijlage 3 Landschappelijke inpassing Kapsweg 46
52
bestemmingsplan Buitengebied, Delmaweg 14, Ketnerweg 2, Kapsweg 46
F
A:
Bestaande woning.
B:
Bestaand, te behouden bijgebouwen.
C:
Te slopen schuur (275 m2).
D:
Erfverharding.
E:
Gazon/gras.
F:
Bestaande houtopstanden rondom het plangebied.
G:
Versterkte houtsingel (recentelijk uitgevoerd) á 5 meter breed.
F
H:
Bestaande hagen.
I:
Het erf heeft onderdeel uitgemaakt van het matenlandschap. Van het voormalige zéér kleinschalige
G
landschap is niets meer over. De omgeving heeft meer
B
de kwaliteit van de overgang met de heideontginning aangenomen. Er is een open verbinding ontst aan
J
B
tussen het erf en het direct aangrenzende landschap.
E
Het kleinschalige landschap is niet te herstellen,
B
waardoor nu juist ingezet moet worden op het
D
F
behouden van de open verbinding.
C
A
J:
Kippenren.
H
E
I
Situatie omstreeks 1905 (topotijdreis.nl)
nl-landschap.nl
Project:
Schuur voor schuur
Getekend:
N. Hannink
Status:
Naam:
Heerts
Adres:
Kapsweg 46
Woonplaats:
Tubbergen
DO
Datum:
30-11-2020
Aantal pag.:
1
Gecontroleerd:
-
Formaat:
A3
Schaal:
1:1000
Noord:
Tekening is noordgericht
Bijlage 4 Verkennend bodemonderzoek Delmaweg 14
54
bestemmingsplan Buitengebied, Delmaweg 14, Ketnerweg 2, Kapsweg 46
2021 Verkennend bodemonderzoek Delmaweg 14 te Geesteren
MM21008 Montferland Milieu B.V. 1-2-2021
Montferland Milieu B.V. Lindestraat 11 7039 AW Stokkum (Gld) Tel: 0314-640414 info@montferlandmilieu.nl www.montferlandmilieu.nl
TITELBLAD Projectnaam Projectnummer
Adres Postcode en plaats
Aanleiding
Versienummer
Delmaweg 14 te Geesteren MM21008
Delmaweg 14 7678 RL Geesteren
Omgevingsvergunning
1
Status
Definitief
Datum
1-2-2021
Plaats
Stokkum
Opsteller
Montferland Milieu B.V.
INHOUDSOPGAVE 1.
INLEIDING ...................................................................................................................................................... 3 1.1
Achtergrond .......................................................................................................................................... 3
1.2
Kwaliteit ................................................................................................................................................ 3
1.3
Betrouwbaarheid .................................................................................................................................. 3
1.4
Onafhankelijkheid ................................................................................................................................. 3
1.5
Leeswijzer ............................................................................................................................................. 3
2.
VOORONDERZOEK ......................................................................................................................................... 4 2.1
Geraadpleegde bronnen ....................................................................................................................... 4
2.2
Huidige situatie ..................................................................................................................................... 4
2.3
Historie ................................................................................................................................................. 5
2.4
Asbest ................................................................................................................................................... 6
2.5
Voorgaande onderzoeken .................................................................................................................... 6
2.6
Geohydrologie ...................................................................................................................................... 6
2.7
Locatie inspectie ................................................................................................................................... 6
2.8
Conclusie vooronderzoek ..................................................................................................................... 6
3.
HYPOTHESE EN ONDERZOEKSOPZET ............................................................................................................. 7 3.1
Hypothese ............................................................................................................................................. 7
3.2
Onderzoeksopzet .................................................................................................................................. 7
4.
RESULTATEN .................................................................................................................................................. 8 4.1
Uitvoering veldwerk.............................................................................................................................. 8
4.2
Samenstelling (meng)monsters en chemische analyses ...................................................................... 8
4.3
Interpretatie analyseresultaten ............................................................................................................ 9
5.
CONCLUSIE .................................................................................................................................................. 10 5.1
Algemeen ............................................................................................................................................ 10
5.2
Conclusie en aanbevelingen ............................................................................................................... 10
BIJLAGEN BIJLAGE 1 BIJLAGE 2 BIJLAGE 3 BIJLAGE 4 BIJLAGE 5 BIJLAGE 6 BIJLAGE 7 BIJLAGE 8 BIJLAGE 9 BIJLAGE 10 BIJLAGE 11 BIJLAGE 12
Topografische kaart Kadastrale kaart met gegevens Situatietekening met monsternamepunten Boorprofielen Analysecertificaten grond Analysecertificaten grondwater Toetsingstabellen Projectfoto's Informatie vooronderzoek Onafhankelijkheidsverklaring Toegepaste normen Toelichting toetsingskader
1.
INLEIDING
1.1 Achtergrond In opdracht van initiatiefnemer heeft Montferland Milieu B.V. een verkennend bodemonderzoek verricht aan de Delmaweg 14 te Geesteren (gemeente Tubbergen). Het bodemonderzoek is uitgevoerd in het kader van een omgevingsvergunning. Het onderzoek heeft tot doel vaststellen of er een grond- of grondwaterverontreiniging aanwezig is en welke mogelijk een belemmering kan vormen. 1.2 Kwaliteit De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door Montferland Milieu B.V. conform de beoordelingsrichtlijn BRL-SIKB 2000. Montferland Milieu B.V. is gecertificeerd en erkend voor het uitvoeren van milieuhygiënisch bodemonderzoek conform deze beoordelingsrichtlijn. Het toepassingsgebied van dit certificaat betreft de BRLSIKB protocollen 2001 (plaatsen handboringen en peilbuizen, nemen grondmonsters), 2002 (nemen van grondwatermonsters) en 2018 (maaiveldinspectie en monsterneming asbest in bodem). De grond- en grondwatermonsters zijn (voor)behandeld door middel van de AS3000-methode in het door de Raad voor Accreditatie erkende laboratorium Eurofins Analytico B.V. te Barneveld. Montferland Milieu B.V. werkt volgens een kwaliteitssysteem, zoals beschreven in het kwaliteitshandboek. Ons kwaliteitssysteem is gecertificeerd volgens de kwaliteitsborgingsnormen van de NEN-EN-ISO 9001:2000.
1.3 Betrouwbaarheid Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de Nederlandse Norm NEN5740 (NEN5740:2009+A1:2016 nl ‘Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond’). Het vooronderzoek, dat parallel loopt aan deze norm, is uitgevoerd conform de Nederlandse Norm NEN5725 (NEN 5725:2017 nl 'Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek'). Ondanks de zorgvuldigheid waarmee het onderzoek is uitgevoerd, is het altijd mogelijk dat eventueel lokaal voorkomende verontreinigingen niet zijn ontdekt. 1.4 Onafhankelijkheid Tussen Montferland Milieu B.V. en de opdrachtgever is geen sprake van een relatie, die de onafhankelijkheid en de integriteit zouden beïnvloeden en/of haar werkzaamheden zou kunnen belemmeren. De onafhankelijkheidsverklaring van het uitgevoerde veldwerk is opgenomen in bijlage 10. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door erkende medewerker van Montferland Milieu B.V. 1.5 Leeswijzer In hoofdstuk 2 is de voorinformatie beschreven. Aan de hand van deze gegevens is in hoofdstuk 3 de hypothese gedefinieerd en is de onderzoeksopzet vastgesteld. Hoofdstuk 4 behandelt de resultaten van het onderzoek. Ten slotte zijn in hoofdstuk 5 de conclusies en aanbevelingen gedefinieerd.
MM21008 3
2.
VOORONDERZOEK
2.1 Geraadpleegde bronnen Voor aanvang van het bodemonderzoek zijn de (historische) gegevens, die relevant zijn voor het onderzoek verzameld. In bijlage 9 is de informatie van het vooronderzoek opgenomen. Bij het vooronderzoek zijn de volgende bronnen aanvullend geraadpleegd: informatie van de gemeente/opdrachtgever informatie uit het Provinciaal informatiesysteem informatie van de website topotijdreis.nl informatie van de website bodemloket.nl informatie van de website DINOloket.nl informatie van de website ruimtelijkeplannen.nl locatie inspectie 2.2 Huidige situatie De onderzoekslocatie is gelegen aan de Delmaweg 14 te Geesteren (gemeente Tubbergen). De locatie is kadastraal bekend als gemeente TBG02, sectie K, nummer 5292. De totale onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van circa 400 m2. In bijlage 1 is de topografische kaart weergegeven. Bijlage 2 bevat de kadastrale kaart met kadastrale gegevens en in bijlage 3 is de situatietekening met monsternamepunten weergegeven. De onderzoekslocatie is gelegen in het buitengebied van Geesteren. Het perceel is in gebruik ten behoeve van agrarische- /natuurdoeleinden. De initiatiefnemer is voornemens nieuwbouw op het perceel te realiseren.
Figuur 1: Weergave ruimtelijkeplannen.nl
Figuur 2: Weergave beoogde situatie
MM21008 4
2.3 Historie Informatie van de gemeente/opdrachtgever Op de locatie is in 2012 een bodemonderzoek uitgevoerd. Zie hiervoor §2.5 voor de uitwerking. Op de locatie hebben zich in het verleden, voor zover bekend, geen calamiteiten voorgedaan. Informatie van de website topotijdreis.nl Uit historisch kaartmateriaal is gebleken dat de locatie in het verleden altijd in gebruik is geweest ten behoeve van agrarische- /natuurdoeleinden. De onderzoekslocatie is nimmer bebouwd geweest. De historische kaarten kunnen enigszins zijn verschoven en geven geen geheel goed beeld van de locatie.
Figuur 3: Historische kaart (1901)
Figuur 4: Historische kaart (1940)
Figuur 5: Historische kaart (1970)
Figuur 6: Historische kaart (2000)
Informatie uit het Provinciaal informatiesysteem Uit informatie van het Provinciaal informatiesysteem blijkt dat er historische activiteiten van het perceel bekend zijn.
Figuur 7: Weergave omgevingsrapportage
MM21008 5
2.4 Asbest Bij het vooronderzoek zijn geen gegevens naar voren gekomen die kunnen duiden op de aanwezigheid van asbest op of in de bodem van de onderzoekslocatie. 2.5 PFAS Er zijn geen specifieke aanwijzingen voor de aanwezigheid van PFAS ter plaatse van de onderzoekslocatie. Atmosferische depositie kan de enige (beperkte) bron van PFAS-verontreiniging op het de locatie zijn. Van atmosferische depositie is bekend dat dit beperkt tot verhoogde PFAS-gehaltes voornamelijk in de bovengrond. 2.6 Voorgaande onderzoeken In 2021 is door Krusse Milieu B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op het perceel. Dit is gerapporteerd onder projectnummer: 05040510. Destijds werden er in de bovengrond licht verhoogde gehalten aan kwik aangetoond. In de ondergrond werden geen verhoogde gehalten aangetoond. Het grondwater bleek licht verontreinigd met cadmium. In de directe omgeving van de projectlocatie zijn geen relevante bodemverontreiniging aanwezig die eventueel invloed hebben op de onderzoeksstrategie. 2.7 Geohydrologie Op basis van de geologische overzichtskaarten en grondwaterkaart van Nederland kan het volgende beeld van de bodemopbouw worden geschetst. Het maaiveld bevindt zich volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) op een hoogte van circa 12,5 m +NAP.
De gemiddelde stand van het freatisch grondwater bedraagt ± 11,5 m +NAP, waardoor het grondwater zich op ± 1,0 m -mv zou bevinden. Uit de grondwaterkaarten van TNO blijkt dat de regionale grondwaterstromingsrichting west- zuidwestelijk is gericht. De lokale grondwaterstromingsrichting kan plaatselijk worden beïnvloed door sloten, beken, rivieren, rioleringen, onttrekkingen e.d. 2.8 Locatie inspectie Bij de locatie inspectie zijn geen bijzonderheden waargenomen. De onderzoekslocatie werd aangetroffen zoals op basis van het vooronderzoek kon worden verwacht. 2.9 Conclusie vooronderzoek De onderzoekslocatie is op basis van het vooronderzoek onverdacht op het voorkomen van bodemverontreinigingen. De onderzoekslocatie is eveneens onverdacht op het voorkomen van asbest in de bodem.
MM21008 6
3.
HYPOTHESE EN ONDERZOEKSOPZET
3.1 Hypothese Op basis van de beschikbare informatie omtrent het historisch en huidig gebruik van de locatie, kan de gehele onderzoekslocatie als niet verdacht worden beschouwd. De gehele locatie conform de strategie 'Onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie (ONV)' onderzocht. Deze hypothese gaat ervan uit dat op een locatie geen of slechts licht verhoogde gehalten worden gemeten. 3.2 Onderzoeksopzet In de onderstaande tabel is de onderzoeksopzet weergegeven. Aantal boringen (excl. peilbuizen) Aantal peilbuizen 2 tot ± 0,5 m -mv 1 1 tot ± 2,0 m -mv AS3000-pakket grond: • Lutum en organische stof • Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Pb, Mo, Ni, Zn) • PCB's • Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen • Minerale olie (C10-40)
Analyses grond 1 * AS3000-pakket bovengrond 1 * AS3000-pakket ondergrond
Analyses water 1 * AS3000-pakket grondwater
AS3000-pakket grondwater: • Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Pb, Mo, Ni, Zn) • Vluchtige aromaten (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen, styreen, naftaleen) • Vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (vinylchloride, chloorethenen, chloormethaan, chloroform, chloorethanen, chloorpropanen en bromoform) • Minerale olie (C10-40)
Opgemerkt wordt dat de gehanteerde onderzoeksstrategie (NEN 5740) niet geschikt is om de eventuele aanwezigheid van asbest in de bodem aan te tonen. Onderzoek naar asbest in de grond dient plaats te vinden conform de NEN 5707. Uit het vooronderzoek is gebleken dat de locatie onverdacht is met betrekking tot asbest. Opgemerkt wordt dat bij de uitvoering van het veldwerk aandacht is besteed aan het eventueel zintuiglijk voorkomen van asbest op en in de bodem.
MM21008 7
4.
RESULTATEN
4.1 Uitvoering veldwerk De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd op 13-01-2021 en op 22-01-2021 is de peilbuis bemonsterd. Op de tekening in bijlage 3 staan de diverse boringen weergegeven. Tijdens het opstellen van het boorplan is rekening gehouden met de doelstellingen en de richtlijnen, welke geformuleerd zijn in de inleiding. Daarnaast is rekening gehouden met de onderzoeksprotocollen en de ligging van kabels en leidingen. Van het opgeboorde materiaal is een boorbeschrijving conform de NEN 5104 gemaakt en zijn er grondmonsters genomen over trajecten van ten hoogste 0,5 m, waarbij bodemlagen met verontreinigingskenmerken of een afwijkende textuur separaat bemonsterd zijn. Hierbij is gebruik gemaakt van de olie/watertest (O/W-test) en is gelet op afwijkende kleur of geur van de bodem. In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen noemenswaardige bijmengingen met bodemvreemde materialen waargenomen. In de vaste bodem is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. De bovengrond bestaat overwegend uit donkerbruin bruin, matig siltig, zwak humeus, zeer fijn zand. Daaronder bestaat de ondergrond overwegend uit neutraal bruin beige, matig siltig, matig fijn zand. De complete omschrijvingen van de boorprofielen staan vermeld in bijlage 4. Voor de geplaatste peilbuis geldt dat het onderste gedeelte van de peilbuis (het peilfilter) is geperforeerd.
Boven het filter is een laag zwelklei aangebracht, zodat er géén verontreinigingen van bovenaf in de peilbuis kunnen migreren. De filterstelling is bepaald op basis van de grondwaterstand en/of storende laag, zoals deze tijdens de veldwerkzaamheden is ingeschat. In de onderstaande tabel staan de meetresultaten van het grondwater weergegeven: Peilbuis 01
Filterstelling (m -mv) 1,10 - 2,10
Grondwaterstand (m -mv) 0,58
Zuurgraad (pH) 7.40
Geleidbaarheid EGV (µS/cm) 780
Troebelheid (NTU) 7
Toelichting: Geen van de gemeten waarden wijkt duidelijk af van de waarde, welke gezien de natuurlijke omstandigheden verwacht kan worden. 4.2 Samenstelling (meng)monsters en chemische analyses Op basis van de zintuiglijke waarnemingen zijn (meng)monsters samengesteld van de grond. In onderstaande tabel staan de mengmonsters weergegeven. Grond(meng)monster(s) MM01 MM02
Grondwatermonster(s) 01
Samenstelling 01: 0.00 - 0.20, 02: 0.00 - 0.30, 03: 0.00 0.20, 04: 0.00 - 0.30 01: 0.20 - 0.50, 01: 0.50 - 1.00, 02: 0.30 0.50, 03: 0.20 - 0.50, 04: 0.30 - 0.50, 04: 0.50 - 1.00
Traject (m -mv) 0,00 - 0,30
Analyse AS3000-pakket grond
0,20 - 1,00
AS3000-pakket grond
01-1-1
1,10 - 2,10
AS3000-pakket grondwater
Motivatie: MM01 is samengesteld uit de individuele grondmonsters van de bovengrond (bouwvoor). MM02 is samengesteld uit de individuele grondmonsters van de ondergrond (ongeroerde laag).
MM21008 8
4.3 Interpretatie analyseresultaten In bijlage 5 zijn de analyserapporten van de grond opgenomen en in bijlage 6 van het grondwater. De toetsingstabellen zijn weergegeven in bijlage 7. De gemeten gehalten zijn met behulp van het organisch stof- en lutumgehalte, omgerekend naar gehalten in een standaardbodem en vervolgens getoetst. In algemene zin wordt opgemerkt dat bij analyse van mengmonsters het gehalte in de individuele deelmonsters zowel hoger als lager kunnen zijn dan het aangetoonde gehalte in het betreffende mengmonster. In de onderstaande tabel worden de concentraties aangegeven die de geldende toetsingskaders overschrijden, daarnaast is een indicatie van de te verwachten bodemkwaliteitsklasse volgens het Besluit Bodemkwaliteit weergegeven. Grond (meng)monster(s)
Traject (m -mv)
Gehalte > AW/S
MM01 0,00 - 0,30 MM02 0,20 - 1,00 Grondwatermonster(s) 01-1-1 1,10 - 2,10 Betekenis van de tekens en afkortingen WBB: S = streefwaarde AW = achtergrondwaarde (licht verontreinigd) T = tussenwaarde (matig verontreinigd) I = interventieaarde (sterk verontreinigd) - = onder achtergrondwaarde of detectiegrens
Gehalte > T
Gehalte > I
Indicatie BBK
-
-
AW AW
-
N.v.t. Betekenis van de afkortingen BBK: AW= toepasbaar voldoet aan Achtergrondwaarde Wonen= toepasbaar (functieklasse Wonen) Industrie= toepasbaar (functieklasse industrie) NT= niet toepasbaar
Toelichting: In de grond(meng)monsters en het grondwater zijn geen van de onderzochte stoffen aangetroffen in een concentratie boven de achtergrondwaarde of de detectiegrens van de desbetreffende stof.
MM21008 9
5.
CONCLUSIE
5.1 Algemeen In opdracht van initiatiefnemer heeft Montferland Milieu B.V. een verkennend bodemonderzoek verricht aan de Delmaweg 14 te Geesteren (gemeente Tubbergen). Het bodemonderzoek is uitgevoerd in het kader van een omgevingsvergunning. 5.2 Conclusie en aanbevelingen Uit het uitgevoerde bodemonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: ▪ Tijdens het veldwerk is de opgeboorde grond zintuiglijk beoordeeld op de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging. Hierbij zijn geen indicaties waargenomen die hierop duiden. ▪ In de grond(meng)monsters en het grondwater zijn geen van de onderzochte stoffen aangetroffen in een concentratie boven de achtergrondwaarde of de detectiegrens van de desbetreffende stof. ▪ Uit de onderzoeksresultaten kan geconcludeerd worden dat er op de locatie geen ernstige bodem- of grondwaterverontreinigingen aanwezig zijn. ▪ De tevoren gestelde hypothese ‘De gehele onderzoekslocatie kan op basis van het vooronderzoek als niet-verdacht worden beschouwd’ wordt aangenomen. ▪ Uit milieukundig oogpunt is er naar onze mening geen bezwaar tegen de voorgenomen nieuwbouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreiniging geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik.