CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35 Toelichting.pdf

Commissie Omgeving en Economie 11 oktober 2023, gemeente TubbergenBij agendapunt: 10: Bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 3523.280 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

5.6 Geur 5.6.1

Algemeen

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten.

Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging voor een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Dit wordt 'de omgekeerde werking' genoemd.

46

bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35

5.6.2

Situatie plangebied

In het kader van de toetsing aan de Wgv dient beoordeeld te worden of er sprake is van de realisatie van een 'geurgevoelig object'. Op grond van het bepaalde in artikel 1 van de Wgv is een geurgevoelig object als volgt gedefinieerd: gebouw bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruik. Met voorliggend initiatief wordt voorzien in het toevoegen van geurgevoelige objecten, namelijk de recreatieverblijven. In de directe omgeving van het plangebied is zoals aangegeven één grondgebonden veehouderij aanwezig. Ter plaatse wordt melkvee gehouden. Voor melkvee gelden geen geuremissiefactoren, maar vaste richtafstanden. De afstand voor dieren zonder geuremissiefactor (artikel 4 lid 1 Wgv) bedraagt 50 meter indien het geurbelastend object buiten de bebouwde kom is gelegen. Daar is in dit geval sprake van. De vaste afstand van 50 meter wordt ten aanzien van het bedrijf ruimschoots gehaald. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast wordt het bedrijf niet in haar ontwikkelingsmogelijkheden beperkt. 5.6.3

Conclusie

Op basis van de Wgv en een goede ruimtelijke ordening zijn geen belemmeringen voor de realisatie van het plan.

5.7 Ecologie 5.7.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.7.2

Gebiedsbescherming

5.7.2.1 Algemeen Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van de NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 5.7.2.2 Natura 2000-gebieden In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied is voor een zeer klein deel gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het gaat om het Natura 2000-gebied 'Springendal en dal van de Mosbeek'. In afbeelding 5.2 is een uitsnede weergegeven van de ligging ten opzichte van het Natura 2000-gebied en het NNN.

Het projectgebied is met de roze button weergegeven. De zuidelijke houtsingel ligt deels binnen dit Natura 2000-gebied. Het betreft echter een natuurlijke houtwal, waarvan de aanleg niet zorgt voor aantasting van het Natura 2000-gebied. Dit blijkt ook uit de stikstofberekening, waar hierna op wordt ingegaan.

bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35

47

Afbeelding 5.2 Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000 en het NNN (Bron: Provincie Overijssel) In dit geval is door BJZ.nu een stikstofberekening uitgevoerd voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase. De resultaten zijn hierna samengevat weergegeven. Het volledige rapport is als Bijlage 7 opgenomen. Uit zowel de rekenresultaten van de AERIUS-berekening voor de gebruiksfase alsook de aanlegfase blijkt dat er in de voorgenomen ontwikkeling sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Om deze reden is intern salderen toegepast met de agrarische percelen gelegen binnen het plangebied. Hiertoe is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in artikel 6.6 van de planregels, die ziet op een verplichting tot het beëindigen van het bemesten van agrarische gronden voordat de nieuwe recreatieve functie in gebruik mag worden genomen. Uit de rekenresultaten van beide berekeningen blijkt dat er in de salderingsberekening geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Daarbovenop wordt gesteld dat er in beide situaties sprake is van een afname in depositie namelijk 0,09 mol/ha/jr voor de aanlegfase en 0,12 mol/ha/jr voor de gebruiksfase. Er is geen sprake van een plan dat significante gevolgen kan hebben als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, Wet natuurbescherming.

Het bestemmingsplan kan in overeenstemming met de Wet natuurbescherming worden vastgesteld. Gelet op dit onderzoek geldt er bovendien geen natuurvergunningplicht. 5.7.2.3 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Hierna wordt nader op de NNN ingegaan, met het bijbehorende beschermingsregime. Het beschermingsregime voor deze gebieden wordt vastgelegd in een bestemmingsplan of in beheersverordening. Voor de overige gebieden binnen het NNN geldt dat het beschermingsregime uitsluitend vastgelegd kan worden in een bestemmingsplan. Het plangebied ligt deels in het NNN. In dit geval worden er echter geen waarden van het NNN aangetast. Er worden namelijk geen groenelementen verwijderd, maar puur versterkt. Er is dan ook geen sprake van aantasting van het NNN. In paragraaf 4.2.3.3 is dit nader getoetst.

48

bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35

5.7.3

Soortenbescherming

5.7.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. 5.7.3.2 Situatie plangebied In dit geval is door natuurbank Overijssel en quickscan ecologie uitgevoerd. Het volledige rapport is als Bijlage 5 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste conclusies ingegaan. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied.

Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de boerderij en hooischuur verbouwd, de beplanting en nestkasten verwijderd en de zonnepanelen geplaatst worden tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden zonder voorbereiding, kan niet uitgesloten worden dat een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibieën gedood wordt. Ook worden mogelijk vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaatsen van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën.

Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dient het werkterrein ongeschikt gemaakt te worden, zodat deze dieren op eigen beweging vertrekken of dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde dieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende foeragerende diersoorten af. Deze afname leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming. 5.7.4

Conclusie

De ontwikkeling heeft naar verwachting geen invloed op beschermde natuurgebieden, flora en fauna. Nader onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

5.8 Archeologie & cultuurhistorie 5.8.1

Archeologie

5.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35

49

5.8.1.2 Beoordeling In dit geval is er nagenoeg geen sprake van bodemingrepen. Bovendien gelden op basis van het gemeentelijk archeologiebeleid (de gemeentelijke archeologische verwachtings- en advieskaart) ter plaatse van het plangebied de gebiedstypen ‘dekzandwelvingen en vlakten’ en ‘beekdalen en overige laagten’. Voor deze gebieden geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 5.000 m2 en dieper dan 40 cm. Ook ligt het gehele plangebied binnen de attentiezone van een erf. Vanwege deze zone geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 2.500 m2 en 40 centimeter. Ook deze oppervlakte wordt niet gehaald. Het gaat immers om de bouw van slechts één gebouw van slechts 50 m2. Dat wordt in dit geval niet gehaald. Een archeologisch onderzoek kan daarom achterwege blijven. Een uitsnede van de archeologische verwachtingskaart is in afbeelding 5.3 weergegeven.

Afbeelding 5.3 Uitsnede gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidskaart (Bron: Gemeente Tubbergen)

5.8.2

Cultuurhistorie

5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.

50

bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35

5.8.2.2 Beoordeling In dit geval gaat het om nieuwe functies op een historisch erf, waar enkele gebouwen als rijksmonument zijn aangewezen. De gemeente is daardoor bij bepaalde ingrepen verplicht om advies te vragen aan de Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed, die namens de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (RCE) adviseert. Voor de ingrepen zal een monumentenvergunning aangevraagd worden, die door de RCE zal worden getoetst. Overigens is in de plannen uitvoerig rekening gehouden met de rijksmonumentale waarde. De van belang zijnde monumentale aspecten blijven behouden. Uiteindelijk wordt door de ontwikkeling het monumentale landgoed toekomstbestendig behouden en krijgt het een duurzame vervolgfunctie, waarmee eventuele verpaupering voorkomen wordt. 5.8.3

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er sprake is van positieve effecten op de cultuurhistorische waarden. Door de nieuwe functie worden monumentale gebouwen namelijk toekomstbestendig behouden.

5.9 Besluit milieueffectrapportage 5.9.1

Kader

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.

Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of bestemmingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. 5.9.2

Artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op 100 meter afstand van het plangebied. Uit de stikstofberekening (paragraaf 5.6) is reeds gebleken dat er geen sprake is van negatieve effecten ten aanzien van het betreffende Natura 2000-gebied. Daarom is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 5.9.3

DrempelwaardenBesluit m.e.r.

In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en daarmee geen sprake van een directe m.e.r.-plicht. In onderdeel D 11.2 van het besluit wordt de “aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen” genoemd. Indien geoordeeld wordt dat sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' is mogelijk een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk.

bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35

51

Uit jurisprudentie volgt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van een functieverandering van een monumentaal woonerf, waarbij inpandig verblijfsrecreatieve functies worden gerealiseerd. Het gaat om een (zeer) kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen niet (onevenredig) toeneemt. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen of een beperking voor andere functies in de directe omgeving. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk en hoofdstuk 6 dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. 5.9.4

Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

52

bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35

Hoofdstuk 6

Wateraspecten

6.1 Vigerend beleid 6.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2

Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.1.3

Provinciaalbeleid

In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.1.4

Waterschap Vechtstromen

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober het 'Waterbeheerplan 2016-2021' vastgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op: voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem; het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties.

6.2 Waterparagraaf 6.2.1

Algemeen

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35

53

waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2

Watertoetsprocedure

Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het voornemen door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). De beantwoording van de vragen heeft geleid tot de 'normale procedure'. Het afvalwater wordt conform de huidige situatie afgevoerd via de gemeentelijke riolering. Het hemelwater wordt niet aangesloten op de riolering maar afgekoppeld. Op eigen terrein zullen er waterhuishoudkundige voorzieningen worden aangelegd, waardoor het hemelwater op eigen terrein zal infiltreren. Gezien de omvang van het erf en het groen wordt gesteld dat hier voldoende ruimte voor is. Het waterschap adviseert hiermee positief.

54

bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35

Hoofdstuk 7 Juridische aspecten en planverantwoording 7.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

7.2 Opzet van de regels 7.2.1

Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.

Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels.

7.2.2

Inleidenderegels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. 7.2.3

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: Bestemmingsomschrijving: de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: in de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage, etc.); Afwijken van de bouwregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bouwregels. Specifieke gebruiksregels: in dit artikel is het strijdig gebruik geregeld en zijn de voorwaardelijke verplichtingen opgenomen; Afwijken van de gebruiksregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven gebruiksmogelijkheden; bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35

55

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: omgevingsvergunningenstelsel; Wijzigingsbevoegdheden: onder welke voorwaarden de bestemming mag worden gewijzigd. In paragraaf 7.3 worden de bestemmingen nader toegelicht en wordt ook per bestemming aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze is gekozen. 7.2.4

Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Anti-dubbeltelregel (Artikel 10) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Algemene gebruiksregels (Artikel 12) In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Hierin wordt in het algemeen ingegaan op het strijdige gebruik en eventuele afwijkingen hiervan. Algemene aanduidingsregels (Artikel 13) In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven. Daar waar deze zijn opgenomen kunnen extra voorwaarden ten aanzien van bepaalde aspecten gelden. In dit geval is tevens een algemene aanduidingsregel opgenomen ter bescherming van de monumentale waarde van de rijksmonumenten. Algemene afwijkingsregels (Artikel 14) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Algemene wijzigingsregels (Artikel 15) In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om onderdelen van het bestemmingsplan te wijzigen.

Overige regels (Artikel 16) In dit artikel worden de overige regels beschreven. Hier staan regels ten aanzien van parkeren beschreven. 7.2.5

Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

7.3 Verantwoording van de regels 7.3.1

Bestemmingen

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Agrarisch - 2 (Artikel 3) De gronden rond het woonerf en ter plaatse van het parkeerterrein, behouden de agrarische bestemming. Het gaat om de gronden die mee dienen te worden genomen aangezien ter plaatse landschapsmaatregelen plaatsvinden en de gronden waar het parkeerterrein wordt gesitueerd. De voor 'Agrarisch - 2' aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor het agrarisch gebruik. Tevens is het uitvoeren van erfinrichtingsplannen, inpassingsplannen en/of landschapsplannen toegestaan. Voor het parkeerterrein binnen deze gronden is een specifieke aanduiding opgenomen.

Het bouwen van gebouwen en overkappingen is niet toegestaan. Er zijn uitsluitend andere bouwwerken toegestaan. 56

bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35

Er zijn specifieke gebruiksregels opgenomen, waarin vormen van strijdig gebruik opgenomen zijn. Van deze regels kan op ondergeschikte punten af worden geweken. Er is een omgevingsvergunningenstelsel opgenomen voor werken en werkzaamheden. Specifiek is voor maatregelen die worden uitgevoerd in het kader van het ruimtelijk kwaliteitsplan een uitzondering opgenomen. Op deze manier is het uitvoeren van het landschapsplan behorend bij dit bestemmingsplan zonder vergunning mogelijk. Bos - Natuur (Artikel 4) De gronden ter plaatse van het bestaande bos zijn conform huidige situatie bestemd met de bestemming Bos-Natuur. Deze gronden zijn met name bestemd voor natuur, bosbouw en houtproductie. Ook zijn ze bestemd voor het behoud, herstel en de ontwikkeling van de cultuurhistorische, natuurlijke en landschappelijke waarde. Naast de huidige gronden hebben ook huidige agrarische gronden deze bestemming gekregen. Het gaat om gronden die worden afgewaardeerd naar natuurlijk gebruik. Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan. Wel kan hier van afgeweken worden voor het bouwen van beheergebouwen. Er zijn specifieke gebruiksregels opgenomen, waarin vormen van strijdig gebruik opgenomen zijn. Van deze regels kan op ondergeschikte punten af worden geweken. Er is een omgevingsvergunningenstelsel opgenomen voor werken en werkzaamheden.

Specifiek is voor maatregelen die worden uitgevoerd in het kader van het ruimtelijk kwaliteitsplan een uitzondering opgenomen. Op deze manier is het uitvoeren van het landschapsplan behorend bij dit bestemmingsplan zonder vergunning mogelijk. Water - 2 (Artikel 5) De gronden ter plaatse van de bestaande beek zijn bestemd met Water – 2. Gronden met deze bestemming zijn met name bestemd voor beken, sloten en daarmee gelijk te stellen waterlopen voor de waterafvoer en het behoud van natuurlijke en landschappelijke waarden. Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan. Er zijn enkel andere gebouwen toegestaan. Er zijn specifieke gebruiksregels opgenomen, waarin vormen van strijdig gebruik opgenomen zijn. Van deze regels kan op ondergeschikte punten af worden geweken. Er is een omgevingsvergunningenstelsel opgenomen voor werken en werkzaamheden. Specifiek is voor maatregelen die worden uitgevoerd in het kader van het ruimtelijk kwaliteitsplan een uitzondering opgenomen. Op deze manier is het uitvoeren van het landschapsplan behorend bij dit bestemmingsplan zonder vergunning mogelijk. Wonen (Artikel 6) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van het bestaande erf, waarbij het bestaande erf enigszins is vergroot aan de noordzijde. Dit is gedaan aangezien ter plaatse een nieuw bijgebouw en verharding ten behoeve van erfontsluiting, behorend bij het woonerf, worden gerealiseerd.

Gronden met deze bestemming zijn met name bestemd voor woonhuizen en verblijfsrecreatie. De verblijfsrecreatie vormt een vorm van maatwerk en is specifiek aangeduid. Tevens zijn aan de verblijfsrecreatie gerelateerde ondergeschikte detailhandel, horeca en dienstverlening toegestaan. De bouwregels maken onderscheid tussen regels voor hoofdgebouwen en aangebouwde bijbehorende bouwwerken, vrijstaande bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken. De regels zijn zoveel mogelijk overgenomen van het nu geldende bestemmingsplan. Specifiek is bepaald dat twee woonhuizen zijn toegestaan en dat als hoofdgebouwen ook gebouwen ten behoeve van verblijfsrecreatie gebouwd mogen worden. Qua maatvoering is voor zowel inhoud, bouw- en goothoogten als dakhelling opgenomen dat de bestaande maatvoeringen tevens toegestaan zijn, wanneer deze afwijken van de standaardbepalingen. Ten aanzien van de vrijstaande bijbehorende bouwwerken is belangrijk dat bepaald is dat maximaal de bestaande oppervlakte is toegestaan. Wel is specifiek bepaald dat het bouwen van een gebouw van 75 m2 ten behoeve van ruimte voor berging en opslag is toegestaan. Hiermee is het plan uitvoerbaar, waarbij er sprake is van het bouwen van één nieuw gebouw van maximaal 50 m2 en voor het overige gebruik maken van bestaande bebouwing. Van de bouwregels kan worden afgeweken op ondergeschikte punten.

In de specifieke gebruiksregels zijn vormen van strijdig gebruik opgenomen. Ook van de specifieke gebruiksregels kan onder voorwaarden afgeweken worden. Specifiek zijn voorwaardelijke verplichtingen opgenomen die voorzien in de landschappelijke inpassing en een verplichting tot het beëindiging van het bemesten van agrarische gronden, voordat de nieuwe recreatieve functie in gebruik genomen wordt. Deze is gekoppeld aan een aanduiding ter plaatse van waar de saldering plaats zal vinden. Ook is er specifiek een voorwaardelijke verplichting opgenomen die voorziet in het aanleggen en in stand houden van de noordelijke ontsluiting en parkeerplaatsen.

bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35

57

Waarde - Archeologie 3 en Waarde - Archeologie 4 (Artikel 7 en Artikel 8) Met het oog op het behoud van de archeologische waarden van de gronden zijn de archeologische dubbelbestemmingen opgenomen, conform het geldende bestemmingsplan. Hier is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden nodig, wanneer de grond over een bepaalde oppervlakte en diepte wordt geroerd. Waarde - Ecologie (Artikel 9) Deze bestemming is conform geldende situatie overgenomen ter plaatse van het NNN. Gronden met deze bestemming zijn, behalve de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud, herstel en de ontwikkeling van de gronden ten behoeve van de instandhouding van het Natuurnetwerk Nederland. Er is een specifiek verbod voor boom- en sierteelt opgenomen.

58

bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35

Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten, welke worden verhaald middels de gemeentelijke legesverordening. Eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. Ten behoeve van deze ontwikkeling is een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer gesloten. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is op grond van artikel 6.12 Wro geen exploitatieplan nodig.

bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35

59

60

bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35

Hoofdstuk 9

Vooroverleg

9.1 Vooroverleg Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. 9.1.1

Het Rijk

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat de gewenste ontwikkeling geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2

Provincie Overijssel

Het bestemmingsplan wordt in het kader van vooroverleg aan de provincie Overijssel voorgelegd. 9.1.3

Waterschap Vechtstromen

In het kader van de watertoets heeft een digitale watertoets plaatsgevonden via de website www.dewatertoets.nl. De uitkomsten van deze watertoets hebben geleid tot de 'normale procedure'. Het waterschap geeft in een reactie een positief wateradvies (zie paragraaf 6.2).

9.2 Inspraak Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In dit geval wordt geen voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. Initiatiefnemer heeft daarnaast de plannen uitvoerig met de directe omwonenden besproken.

9.3 Zienswijzen Het plan heeft voor een periode van zes weken als ontwerp ter inzage gelegen. In deze periode is er één zienswijze ingediend. De behandeling van de zienswijze heeft geleid tot enkele aanpassingen. In de zienswijzennota, die is opgenomen als Bijlage 8, wordt hier nader op ingegaan. Het vooroverleg is hiermee positief afgerond.

bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35

61

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/980/documents/22087