CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35 Bijlagen toelichting Bijlage 5 Quickscan ecologie.pdf

Gemeenteraad Tubbergen 31 oktober 2023, gemeente TubbergenBij agendapunt: 13: Bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 3512.001 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan natuurwaardenonderzoek Beekzijdeweg 33 Vasse

Effectbeoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000

Colofon Quickscan natuurwaardenonderzoek Beekzijdeweg 33 Vasse

Effectbeoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000

Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten BTW-ID: NL001388212B56 E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0543-451142 / 0614-435700

Opdrachtgever:

Dhr. V. Hövels

Abonnementhouder van de Nationale Databank Flora en Fauna

Projectnummer en versie: 4864 versie 8.0 Ligging plangebied: Beekzijdeweg 33 Vasse Auteur: H. van Gijn

Status: definitief Rapportdatum: 04-09-2023 Veldwerk uitgevoerd door: H. van Gijn

De vermelde medewerkers in deze rapportage zijn akkoord met openbaring van zijn of haar persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving. 1

Inhoudsopgave Samenvatting ..................................................................................................................................................... 3 Hoofdstuk 1

Inleiding .................................................................................................................................... 5

Hoofdstuk 2

Het plangebied ......................................................................................................................... 6

2.1 Situering ................................................................................................................................................... 6 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................... 6 Hoofdstuk 3

Voorgenomen activiteiten........................................................................................................ 8

3.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 8 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden .............. 10 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer ............................................................................................................. 10 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied .................................................................................................. 11 Hoofdstuk 4

Toetsingskaders ...................................................................................................................... 12

4.1 Algemeen ............................................................................................................................................... 12 4.2 Wet natuurbescherming; Natura 2000 .................................................................................................. 12 4.3 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming ..................................................................................... 12 4.4 Wet natuurbescherming; Houtopstanden ............................................................................................. 13 4.5 Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland ......................................................................... 13 Hoofdstuk 5

Gebiedsbescherming .............................................................................................................. 14

5.1 Algemeen ............................................................................................................................................... 14 5.2 Natuurnetwerk Nederland ..................................................................................................................... 14 5.3 Natura 2000............................................................................................................................................ 16 5.4 Slotconclusie........................................................................................................................................... 19 Hoofdstuk 6

Soortenbescherming .............................................................................................................. 20

6.1 Methode ................................................................................................................................................. 20 6.1.1 Algemeen ........................................................................................................................................ 20 6.1.2 Bronnenonderzoek .......................................................................................................................... 20 6.1.3 Veldonderzoek ................................................................................................................................ 21 6.3 Resultaten .............................................................................................................................................. 22 6.4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep............................................................................... 27 6.5 Historische gegevens en overige bronnen ............................................................................................. 29 6.6 Volledigheid van het onderzoek............................................................................................................. 29 Hoofdstuk 7

Conclusies ............................................................................................................................... 30

2

SAMENVATTING Er zijn plannen om het achterhuis van een boerderij, het ‘’Oale Hoes’’ en een hooischuur te verbouwen tot recreatieverblijven op een erf gelegen aan de Beekzijdeweg 33 te Vasse. Er zullen o.a. slaapmogelijkheden, grote multifunctionele ruimtes en een gezamenlijke keuken in deze bebouwing gerealiseerd worden. In totaal gaat het om 17 recreatieve eenheden en in de hooischuur wordt ook een mantelzorgwoning gerealiseerd. Op het dakvlak van het achterhuis worden ook enkele zonnepanelen geplaatst. Het voorhuis van de boerderij en de aanwezige vakwerkschuur blijven in gebruik voor privédoeleinden. In het noordelijke deel van het plangebied en op het erf worden parkeerplaatsen aangelegd. De noordelijk gelegen parkeerplaatsen (20 plekken) bestaan uit grasbeton en de overige parkeerplekken op het erf worden halfverhard. Tevens worden karresporen, semi-verharde paden en erfverharding aangelegd en wordt een deel van de bestaande beplanting verwijderd. In het zuidelijke deel van het plangebied wordt een houtsingel aangelegd. Het erf wordt nadien landschappelijk ingepast middels aanplant van erfbeplanting, loofbomen, onder beplanting en een fruitboomgaard. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden.

Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 28 oktober 2022 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde gebieden: Het plangebied ligt deels binnen het Natuurnetwerk Nederland en ligt deels binnen het Natura 2000-gebeid Springendal & Dal van de Mosbeek. De delen van het plangebied welke behoren tot het NNN zijn aangeduid als ‘Bestaand’. Het noordelijke van het plangebied dat valt binnen de NNN vormt een bomenrij. Naast deze bomenrij wordt een nieuw karrespoor aangelegd, welke aantakt op het huidige karrespoor (landbouwontsluitingsroute) vanaf de Beekzijdeweg.

De overige delen van het plangebied welke binnen het NNN vallen vormen een beek (centrale deel plangebied) en een gedeelte van een bosperceel (zuidelijke deel plangebied). Er worden geen fysieke werkzaamheden/maatregelen/ingrepen uitgevoerd aan de beek en het bosperceel. Het gewijzigde gebruik van het erf zal tevens ook niet leiden tot een aantasting van de beek. Het aanleggen van het karrespoor en de wijziging van het gebruik leidt tevens ook niet tot een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten blijven de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland behouden. De voorgenomen activiteiten zijn uitvoerbaar en leiden niet tot een overtreding van de beleidsregels van het Natuurnetwerk Nederland. Binnen het Natura 2000-gebeid Springendal & Dal van de Mosbeek vormen kwalificerende habitattypen en kwalificerende habitatrichtlijnsoorten de instandhoudingsdoelstellingen. Als gevolg van de bouwwerkzaamheden en de wijziging van het gebruik, is enig geluid mogelijk waarneembaar in het Natura 2000-gebied Springendal & Dal van de Mosbeek.

In dit betreffende deel van het Natura 2000-gebied is geen functioneel leefgebied aanwezig voor deze soorten en er zijn in de Nationale Databank flora- en fauna ook geen waarnemingen opgenomen van deze kwalificerende habitatrichtlijnsoorten in het plangebied en directe omgeving (NDFF, 2023). Kwalificerende habitattypen hebben geen last van de bouwwerkzaamheden en de wijziging van het gebruik. Tevens vinden er geen werkzaamheden plaats in het betreffende deel van Natura 2000-gebied. De houtsingel wordt aangelegd tot aan het bosperceel. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Springendal & Dal van de Mosbeek. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de ontwikkel- en gebruiksfase. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen worden uitgesloten. De stikstofberekening is reeds uitgevoerd door BJZ.NU. 3

Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in het plangebied maar benutten het wel als foerageergebied. De beek vormt geen functioneel leefgebied van beschermde vissoorten. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de boerderij en hooischuur verbouwd, de beplanting en nestkasten verwijderd en de zonnepanelen geplaatst worden tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten.

Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden zonder voorbereiding, kan niet uitgesloten worden dat een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibieën gedood wordt. Ook worden mogelijk vaste (winter)rusten/of voortplantingsplaatsen van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dient het werkterrein ongeschikt gemaakt te worden, zodat deze dieren op eigen beweging vertrekken of dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde dieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende foeragerende diersoorten af. Deze afname leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming.

Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: • Werkzaamheden afstemmen op de voortplantingsperiode van vogels; • Geen beschermde amfibieën of zoogdieren doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein ongeschikt maken); • Stikstofberekening uitvoeren (ontwikkel- en gebruiksfase). Deze is al reeds uitgevoerd door BJZ.

4

HOOFDSTUK 1

INLEIDING Er zijn plannen om het achterhuis van een boerderij, het ‘’Oale Hoes’’ en een hooischuur te verbouwen tot recreatieverblijven op een erf gelegen aan de Beekzijdeweg 33 te Vasse. Er zullen o.a. slaapmogelijkheden, grote multifunctionele ruimtes en een gezamenlijke keuken in deze bebouwing gerealiseerd worden. In totaal gaat het om 17 recreatieve eenheden en in de hooischuur wordt ook een mantelzorgwoning gerealiseerd. Op het dakvlak van het achterhuis worden ook enkele zonnepanelen geplaatst. Het voorhuis van de boerderij en de aanwezige vakwerkschuur blijven in gebruik voor privédoeleinden. In het noordelijke deel van het plangebied en op het erf worden parkeerplaatsen aangelegd. De noordelijk gelegen parkeerplaatsen (20 plekken) bestaan uit grasbeton en de overige parkeerplekken op het erf worden halfverhard. Tevens worden karresporen, semi-verharde paden en erfverharding aangelegd en wordt een deel van de bestaande beplanting verwijderd. In het zuidelijke deel van het plangebied wordt een houtsingel aangelegd. Het erf wordt nadien landschappelijk ingepast middels aanplant van erfbeplanting, loofbomen, onder beplanting en een fruitboomgaard. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden.

Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming (soorten en Natura 2000-gebied) en de Omgevingsverordening Overijssel (Natuurnetwerk Nederland). Doel van deze rapportage: De Quickscan natuurwaardenonderzoek is uitgevoerd als één van de verschillende (milieu)onderzoeken in het kader van besluitvorming binnen de Ruimtelijke Ordening (doorgaans het wijzigen van het bestemmingsplan) of het aanvragen van een Omgevingsvergunning.

Het onderzoek is uitgevoerd om antwoord te kunnen geven op de vraag: is er sprake van een goede ruimtelijke ordening (is de voorgenomen activiteit uitvoerbaar?). Het is nadrukkelijk geen ecologisch werkprotocol dat opgesteld wordt om te voorkomen dat de Wet natuurbescherming overtreden wordt als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De Wet natuurbescherming is tijdens de uitvoering van voorgenomen activiteiten altijd van toepassing en het is aan de uitvoerende partijen om de noodzakelijke zorgvuldigheid te betrachten tijdens de uitvoering. Om een goed ecologisch werkprotocol op te kunnen stellen is meer detailinformatie vereist, zoals de planning in uitvoering, in te zetten materieel en informatie over type bebouwing, bouwwijze, materiaalgebruik etc.

5

HOOFDSTUK 2

HET PLANGEBIED

2.1 Situering Het plangebied is gesitueerd aan de Beekzijdeweg 33 te Vasse, gemeente Tubbergen. Het ligt in het buitengebied van de gemeente Tubbergen en ligt circa 960 meter ten zuiden van de woonkern Vasse. Het plangebied wordt omgeven door landelijk- en bosgebied. Op onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart.

Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid (bron: ruimtelijkeplannen.nl).

2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied vormt een woonerf en bestaat uit bebouwing, beplanting, agrarisch cultuurland en erfverharding. De bebouwing bestaat uit een monumentale boerderij (voor- en achterhuis), een vakwerkschuur, het ‘’Oale Hoes’’ en een hooischuur. Het voorhuis van de boerderij vormt een woning en het achterhuis vormt een stal en een deel. De vakwerkschuur, het ‘’Oale Hoes’’ en de boerderij beschikken over gemetselde buitengevels maar alleen de vakwerkschuur beschikt over een spouwmuur. De hooischuur is volledig van hout en beschikt over een dakpannen gedekt zadeldak met dakisolatie. Het ‘’Oale Hoes’’ en de vakwerkschuur beschikken ook over een dakpannen gedekt zadeldak met dakisolatie. De boerderij is gedekt met golfplaten en met dakpannen en beschikt deels over dakisolatie. De beplanting bestaat uit een klein deel van bosperceel, loofbomen (o.a. zomereik en berk), jonge opslag en heesters. Het meest zuidelijke deel van het plangebied vormt een klein gedeelte van bosperceel. Het agrarisch cultuurland, tijdens het veldbezoek in gebruik als grasland bestaat uit een soortenarme vegetatie en wordt intensief beheerd (bemesten, maaien en afvoeren maaisel). Op onderstaande luchtfoto is de begrenzing van het plangebied aangegeven. Voor een verbeelding van de huidige situatie wordt verwezen naar de fotobijlage.

6

Begrenzing van het plangebied; deze wordt met de gele lijn aangeduid (bron luchtfoto: ruimtelijkeplannen.nl).

7

HOOFDSTUK 3

VOORGENOMEN ACTIVITEITEN

3.1 Algemeen Het voornemen bestaat om het achterhuis van de boerderij, het ‘’Oale Hoes’’ en de hooischuur te verbouwen tot recreatieverblijven. Er zullen o.a. slaapmogelijkheden, grote multifunctionele ruimtes en een gezamenlijke keuken in gerealiseerd worden. In totaal gaat het om 17 recreatieve eenheden en in de hooischuur wordt ook een mantelzorgwoning gerealiseerd. Op het dakvlak van het achterhuis worden ook enkele zonnepanelen geplaatst. Er wordt gebruik gemaakt van een stokschroef die de montage schroeven van het golfplaten dak vervangt en op de gording van het dak wordt gemonteerd. De kabels lopen onder de zonnepanelen aan de bovenkant van het dak, er zal op een plek een kabel naar binnen gaan richting meterkast. Het voorhuis van de boerderij en de vakwerkschuur blijven in gebruik voor privédoeleinden. In het noordelijke deel van het plangebied en op het erf worden parkeerplaatsen aangelegd. De noordelijk gelegen parkeerplaatsen (20 plekken) bestaan uit grasbeton en de overige parkeerplekken op het erf worden halfverhard. Tevens worden karresporen, semi-verharde paden en erfverharding aangelegd en wordt een deel van de bestaande beplanting verwijderd. In het zuidelijke deel van het plangebied wordt een houtsingel aangelegd. Deze houtsingel wordt aangelegd tot aan het bosperceel.

Het plangebied wordt nadien landschappelijk ingepast middels aanplant van erfbeplanting, loofbomen, onder beplanting en een fruitboomgaard. Op onderstaande afbeeldingen zijn plattegronden van het wenselijk eindbeeld weergegeven.

8

Plattegronden van het wenselijk eindbeeld (bron: Initiatiefnemer & Odin). 9

De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming: • Verwijderen beplanting; • Bouwrijp maken bouwplaats; • Realiseren recreatieve eenheden en mantelzorgwoning; • Plaatsen zonnepanelen; • Aanleggen parkeerplaatsen • Aanleggen erfverharding, semi-verharde paden en karresporen; • Aanleggen erfbeplanting, loofbomen, onder beplanting en een fruitboomgaard;

3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: • Verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden; Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; • Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; • Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten;

3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt gekeken naar de uitvoering van fysieke werkzaamheden en wijzigingen in gebruik, zoals bouwwerkzaamheden, wijziging van gebruik van het bestaande erf en het gebruik van het parkeerterrein, het rooien van beplanting en het aanleggen van karresporen, semi-verharde paden, parkeerplaatsen, beplanting en erfverharding. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: Om de effecten van een voorgenomen activiteiten goed in beeld te kunnen brengen, is het soms van belang ook buiten het plangebied te kijken. In voorliggend geval grenst het plangebied aan agrarisch cultuurland, bosperceel, bomenrijen en een karrespoor (meest noordelijke deel). Als gevolg van de bouwwerkzaamheden, is enig geluid mogelijk waarneembaar tijdens deze werkzaamheden in het aangrenzende agrarisch cultuurland, bomenrijen en bosperceel.

Dit geldt ook voor de wijziging van het gebruik van het erf en het gebruik van de nieuwe parkeerplaatsen. Er worden recreatieve eenheden gerealiseerd op het erf en er worden nieuwe parkeerplaatsen aangelegd waardoor ook optische- en geluidsverstoring kan ontstaan in het aangrenzende agrarisch cultuurland, bomenrijen en bosperceel. Echter vormt het aangrenzende agrarisch cultuurland geen nestplaats voor weidevogels. Tevens zijn er in de Nationale Databank flora en fauna geen nestplaatsen van weidevogels in het aangrenzende agrarisch cultuurland opgenomen (NDFF, 2023). Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten (incl. wijziging gebruik) kan niet uitgesloten worden dat beschermde waarden in de aangrenzende bomenrijen en bosperceel negatief beïnvloed worden als gevolg van geluid of optische verstoring. Het zuidelijke deel van het plangebied grenst ook aan bosperceel, echter wordt in het zuidelijke deel van het plangebied alleen een housingel aangelegd, waardoor verstoring in dit aangrenzende bosperceel verwaarloosbaar is.

10

3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Om het effect van de voorgenomen activiteiten volledig in beeld te kunnen brengen, is een strook van 20 meter ten oosten (in het aangrenzende bosperceel) en zijn de aangrenzende bomenrijen ten noorden en ten westen van het plangebied meegenomen in het onderzoek. In het meest zuidelijke deel van het plangebied wordt slechts een houtsingel aangeplant tot aan het bosperceel. Door deze uitvoering vindt er geen geluidsof optische verstoring plaats in het zuidelijk gelegen bosperceel. Het aangrenzende bosperceel ten zuiden van het plangebied wordt om deze reden niet vergroot. Indien in dit rapport gesproken wordt over plangebied, wordt onderstaand onderzoeksgebied bedoeld.

Begrenzing van het onderzoeksgebied; deze wordt met de rode lijn aangeduid (bron luchtfoto: ruimtelijkeplannen.nl).

11

HOOFDSTUK 4

TOETSINGSKADERS

4.1 Algemeen In dit Hoofdstuk worden de diverse toetsingskaders toegelicht waaraan het initiatief getoetst wordt. 4.2 Wet natuurbescherming; Natura 2000 Het gebiedsbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming. 4.3 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten.

In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.): • lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; • lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; • lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; • lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.); • lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; • lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; • lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; • lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: • onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; • onderdeel b.

de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of

12

•

onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit ontheffingsplicht artikel 3.10 uit de Wet natuurbescherming. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wn een ontheffing te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wet natuurbescherming. Er is dan geen ontheffing nodig.

4.4 Wet natuurbescherming; Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermd het areaal bos in ons land. Houtopstanden die voldoen aan één van onderstaande criteria vallen onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming. Dit geldt voor bossen, houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen en beplanting van bosplantsoen. De opstand moet buiten het erf liggen. - De houtopstand ligt buiten de bebouwde kom houtopstanden en vormt een zelfstandige eenheid groter dan 10 are (1.000m2); - De houtopstand ligt buiten de bebouwde kom houtopstanden en vormt een rijbeplanting van meer dan 20 bomen. 4.5 Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is verankerd. De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).

Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel

13

HOOFDSTUK 5

GEBIEDSBESCHERMING

5.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteiten op Natura 2000gebied en het Natuurnetwerk Nederland. 5.2 Natuurnetwerk Nederland Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (verder NNN genoemd). De beoordeling of de voorgenomen activiteit past in het NNN, dient met name uitgevoerd te worden in de afweging van een ‘goede ruimtelijke ordening’ als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is daarbij niet direct van belang. Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor het gehele NNN. Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij"-regime vast gelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan. De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden.

Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van toepassing blijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken) Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor grootschalige ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: her-begrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het ‘nee, tenzij’-principe en de overige spelregels hebben is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening van Overijssel. Er is door toepassing van de spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt. Ligging t.o.v. het Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt deels binnen het Natuurnetwerk Nederland (deelgebied, 19 Mander/Reutum).

Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.

14

Ligging van Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode lijnen aangeduid. Gronden die tot Natuurnetwerk Nederland behoren worden met de lichtgroene kleur op de kaart aangeduid (bron: ruimtelijkeplannen.nl).

Kernkwaliteiten deelgebied 19 Mander/Reutum (Vasser & Mander) Binnen het deelgebied Mander/Reutum wordt een tweetal samenhangende ecologische kernkwaliteiten onderscheiden die de basis vormen voor het behoud van (inter)nationaal en regionaal belangrijke biodiversiteit. Het plangebied valt binnen het deelgebied Vasser & Mander: Stuwwal en slenk met fijnmazige brongebieden en bovenlopen. Vasser & Mander: Stuwwal en slenk met fijnmazige brongebieden en bovenlopen. Het uitgestrekte deelgebied rondom Vasser en Mander heeft een zeer divers en kleinschalig karakter. Het deelgebied kent een grote verwevenheid tussen landbouw en natuur. In het landschap wisselen bosgebieden zich af met heide, graslanden, vochtige hooilanden, akkers, bronnen en beken. De belangrijkste kwaliteit bestaat uit de aanwezige gradiënt van de hooggelegen stuwwal naar de laaggelegen slenk, wat wereldwijd gezien uniek is. In combinatie met een grote bodemcomplexiteit, met onder meer slechtdoorlatende keileemlagen, resulteert dit in de aanwezigheid van een groot aantal brongebieden. De brongebieden op de stuwwal en stuwwalflanken kenmerken zich door vochtige omstandigheden, terwijl de lager gelegen slenk droger is.

Door het natuurlijke karakter en de permanent natte en zwak zure tot basenrijke omstandigheden zijn de bronnen ecologisch zeer waardevol en komen vegetaties voor die op Europees niveau bijzonder zijn (zie nadere toelichting hieronder). Het gebied kent zowel beschaduwde bronnen (bosbronnen) als onbeschaduwde bronnen (weidebronnen). De oude bossen in het deelgebied bieden leefgebied aan bosvogels, zoals middelste bonte specht, appelvink en boomklever. Eén van de bijzondere natuurwaarden in het gebied is het vliegend hert, een soort die landelijk in een matig ongunstige staat van instandhouding verkeert. Verspreid in het gebied liggen een aantal kruidenrijke akkers, met soorten als korensla, dreps, slofhak en valse kamille. Hieronder worden enkele belangrijke delen van het gebied met hoge concentraties aan natuurwaarden nader uitgelicht.

15

Toetsing aan provinciaal beleid Beschermingsregime Gebieden die op de kaart als bedoeld in artikel 2.7.2 zijn aangeduid als ‘Bestaand' moeten een bestemming krijgen die uitsluitend is gericht op het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden. In het bestemmingplan Buitengebied 2016 en in het Bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35 is het bestaande NNN voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde-Ecologie’. De delen van het plangebied welke behoren tot het NNN zijn aangeduid als ‘Bestaand’. Het noordelijke van het plangebied dat valt binnen de NNN vormt een bomenrij. Naast deze bomenrij wordt een nieuw karrespoor aangelegd, welke aantakt op het huidige karrespoor (landbouwontsluitingsroute) vanaf de Beekzijdeweg. De overige delen van het plangebied welke binnen het NNN vallen vormen een beek (centrale deel plangebied) en een gedeelte van een bosperceel (zuidelijke deel plangebied). Er worden geen fysieke werkzaamheden/maatregelen/ingrepen uitgevoerd aan de beek en het bosperceel. Het gewijzigde gebruik van het erf zal tevens ook niet leiden tot een aantasting van de beek. Het aanleggen van het karrespoor en de wijziging van het gebruik leidt tevens ook niet tot een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.

Conclusie Als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten blijven de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland behouden. De voorgenomen activiteiten zijn uitvoerbaar en leiden niet tot een overtreding van de beleidsregels van het Natuurnetwerk Nederland.

5.3 Natura 2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Beschermingsregime De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 2 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: • de leefgebieden van vogels; • de natuurlijke habitats of habitats van soorten (art. 2.1 Wet natuurbescherming); De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op (art. 2.3 Wet natuurbescherming).

In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met 16

andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Ligging van het plangebied t.o.v. Natura-2000 Het plangebied behoort voor een deel tot het Natura 2000-gebied: Springendal & Dal van de Mosbeek. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.

Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode lijnen aangeduid. Gronden die tot Natura 2000 behoren worden met de okergele kleur aangeduid (bron: pdok.nl).

Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten Het plangebied valt binnen Natura 2000-gebied Springendal & Dal van de Mosbeek. Binnen het Natura 2000gebeid Springendal & Dal van de Mosbeek vormen kwalificerende habitattypen en kwalificerende habitatrichtlijnsoorten de instandhoudingsdoelstellingen (zie onderstaande afbeelding). Als gevolg van de bouwwerkzaamheden en de wijziging van het gebruik, is enig geluid mogelijk waarneembaar in het Natura 2000-gebied Springendal & Dal van de Mosbeek. De kwalificerende habitatrichtlijnsoorten binnen het Natura 2000-gebied Springendal & Dal van de Mosbeek zijn: - Vliegend hert - Beekprik - Kamsalamender - Drijvende waterwaterweegbree

17

Voor deze soorten vormt het betreffende deel binnen Natura 2000-gebied geen functioneel leefgebied. De beekprik verschanst zich vooral in kleine rivieren in beken, soms in snel stromend water. Daarnaast kan hij zich ook vestigen in stilstaande meren. Kamsalamanders komen voor in een verscheidenheid aan typen visvrije wateren. Op de zandgronden en in beekdalen leeft de soort in poelen, vijvers, matig voedselrijke (mesotrofe) vennen en in leemputten. In het rivierengebied komt de soort voor in zelden overstromende (laagdynamische) strangen, kleiputten en kolken. Waterweegbree komt voor op zonnige plaatsen in stilstaand of zwak stromend, voedselarm tot matig voedselrijk, zwak zuur tot licht basisch, zwak stromend tot stilstaand water met een bodem van meestal niet of maar weinig humeus zand. Ook op periodiek droogvallende oevers. Het vliegend hert leeft vooral in oude eikenbossen, aan de bosrand of op open plekken. De vrouwtjes leggen al kruipend geen grote afstanden af, daarom komt de soort enkel voor waar dood hout jarenlang blijft liggen. In het betreffende deel van het Natura 2000-gebied is geen functioneel leefgebied aanwezig voor deze soorten en er zijn in de Nationale Databank flora- en fauna ook geen waarnemingen opgenomen van deze kwalificerende habitatrichtlijnsoorten in het plangebied en directe omgeving (NDFF, 2023).

Kwalificerende habitattypen hebben geen last van de bouwwerkzaamheden en de wijziging van het gebruik. Tevens vinden er geen werkzaamheden plaats in het betreffende deel van Natura 2000-gebied. De houtsingel wordt aangelegd tot aan het bosperceel. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Springendal & Dal van de Mosbeek.

Kwalificerende habitattypen en habitatrichtlijnsoorten Springendal & Dal van de Mosbeek.

18

Beoordeling stikstof (ontwikkelfase) Ten behoeve van de totale ontwikkeling, wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de aan- en afvoer van materialen en vervoer van materieel en personeel. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, de duur van de ontwikkelfase, kan een negatief effect op Natura-2000 gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. Deze stikstofberekening is reeds uitgevoerd door BJZ.NU Beoordeling stikstof (gebruiksfase) Het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied neemt toe als gevolg van de bewoning van de recreatieve wooneenheden en het gebruik van de parkeerplaatsen. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en toename verkeer in gebruiksfase kan een negatief effect op Natura 2000gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, niet op voorhand uitgesloten worden.

Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. Deze stikstofberekening is reeds uitgevoerd door BJZ.NU

5.4 Slotconclusie Het plangebied ligt deels binnen het Natuurnetwerk Nederland en ligt deels binnen het Natura 2000-gebeid Springendal & Dal van de Mosbeek. De delen van het plangebied welke behoren tot het NNN zijn aangeduid als ‘Bestaand’. Het noordelijke van het plangebied dat valt binnen de NNN vormt een bomenrij. Naast deze bomenrij wordt een nieuw karrespoor aangelegd, welke aantakt op het huidige karrespoor (landbouwontsluitingsroute) vanaf de Beekzijdeweg. De overige delen van het plangebied welke binnen het NNN vallen vormen een beek (centrale deel plangebied) en een gedeelte van een bosperceel (zuidelijke deel plangebied). Er worden geen fysieke werkzaamheden/maatregelen/ingrepen uitgevoerd aan de beek en het bosperceel. Het gewijzigde gebruik van het erf zal tevens ook niet leiden tot een aantasting van de beek. Het aanleggen van het karrespoor en de wijziging van het gebruik leidt tevens ook niet tot een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten blijven de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland behouden. De voorgenomen activiteiten zijn uitvoerbaar en leiden niet tot een overtreding van de beleidsregels van het Natuurnetwerk Nederland.

Binnen het Natura 2000-gebeid Springendal & Dal van de Mosbeek vormen kwalificerende habitattypen en kwalificerende habitatrichtlijnsoorten de instandhoudingsdoelstellingen. Als gevolg van de bouwwerkzaamheden en de wijziging van het gebruik, is enig geluid mogelijk waarneembaar in het Natura 2000-gebied Springendal & Dal van de Mosbeek. In dit betreffende deel van het Natura 2000-gebied is geen functioneel leefgebied aanwezig voor deze soorten en er zijn in de Nationale Databank flora- en fauna ook geen waarnemingen opgenomen van deze kwalificerende habitatrichtlijnsoorten in het plangebied en directe omgeving (NDFF, 2023). Kwalificerende habitattypen hebben geen last van de bouwwerkzaamheden en de wijziging van het gebruik. Tevens vinden er geen werkzaamheden plaats in het betreffende deel van Natura 2000-gebied. De houtsingel wordt aangelegd tot aan het bosperceel. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Springendal & Dal van de Mosbeek. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden.

Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de ontwikkel- en gebruiksfase. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen worden uitgesloten. De stikstofberekening is reeds uitgevoerd door BJZ.NU.

19

HOOFDSTUK 6

SOORTENBESCHERMING

6.1 Methode 6.1.1 Algemeen Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • Bronnenonderzoek (o.a. internet en de Nationale databank flora en fauna); • Veldbezoek door ervaren ecoloog; 6.1.2 Bronnenonderzoek Op 9 augustus 2023 is de NDFF geraadpleegd en is gekeken of waarnemingen van beschermde planten en dieren aanwezig zijn in de databank. In een ruime begrenzing van het zoekgebied rondom het plangebied, zijn 269 verschillende waarnemingen bekend in de NDFF. Voor de verspreiding van de waarnemingen, zie luchtfoto onder.

Verspreiding van alle bekende records in het plangebied (bron: NDFF).

Er zijn waarnemingen ingevoerd van overige zoogdieren (4), vogels (30), vissen (1), dagvlinders (7), nachtvlinders (2), libellen (7), sprinkhanen en krekels (1), alle insecten (34), kevers (1), geleedpotigen exclusies insecten (1), vaatplanten (138), mossen (1), korstmossen (20), schimmels (19) en weekdieren (3). Uit de databank kwamen de volgende bruikbare gegevens: De waarnemingen hebben hoofdzakelijk betrekking op korstmossen, alle insecten, vaatplanten en vogels. De vogelwaarnemingen betroffen niet relevante waarnemingen (zoals overvliegende vogels of losse waarnemingen) of waarnemingen buiten het plangebied. Er zijn geen nestelende vogels in het plangebied opgenomen in de NDFF. Verder zijn er geen waarnemingen opgenomen die relevant zijn voor deze studie, anders dan dat het een bevestiging is van het voorkomen van bepaalde soorten in en rond het plangebied. 20

6.1.3 Veldonderzoek In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 28 oktober 2022 tijdens de daglichtperiode (middag) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x50) en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. De onderzoeker beschikte tevens over een warmtebeeldcamera (Helion Pulsar xq28). Het plangebied vormt een woonerf en bestaat uit bebouwing, beplanting, agrarisch cultuurland en erfverharding. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een potentieel geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten.

Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het plangebied mogelijk tot functioneel leefgebied van sommige algemene en weinig kritische diersoorten uit onderstaande soortgroepen: • vogels; • vleermuizen; • grondgebonden zoogdieren; • amfibieën; • vissen; Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als reptielen, libellen, vissen, dag- en nachtvlinders, bladmossen, sporenplanten, haften en kreeftachtigen omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die (soms) moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren, reptielen en voor planten. Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. Vogels hebben geen bezet nest meer gedurende deze tijd van het jaar. De zomergasten zijn vanuit het broedgebied vertrokken naar de overwinteringsgebieden.

In het plangebied is gekeken en geluisterd naar vogels, (oude) nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek, maar matig geschikt voor onderzoek naar voortplantingslocaties. Nog maar weinig grondgebonden diersoorten hebben zogende jongen in deze tijd van het jaar. Wel benutten veel grondgebonden zoogdieren de voortplantingsplaats als vaste rustplaats buiten de voortplantingsperiode. Er is in het plangebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het plangebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Vleermuizen De onderzoeksperiode is matig geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen.

Sommige vleermuizen bezetten de zomerverblijfplaatsen nog in deze tijd van het jaar, maar er zijn ook soorten die de 21

zomerverblijfplaatsen verlaten hebben en vetrokken zijn naar de winterverblijfplaats, soms op ruime afstand van de zomerverblijfplaats. Er is in het plangebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- verblijfplaatsen van vleermuizen. Het plangebied is bezocht op een moment op de dag dat vleermuizen niet foerageren en geen lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute. De mogelijke betekenis van het plangebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. Amfibieën De onderzoeksperiode is ongeschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën en ongeschikt voor onderzoek naar voortplantingswateren. Amfibieën bezetten de winterrustplaats in deze tijd van het jaar en zitten dan weggekropen in de sliblaag van open water of diep weggekropen in holen en gaten in de grond, of onder strooisel, bladeren, takken, rommel of opgeslagen goederen. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het plangebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten.

Vissen De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar vissen. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het plangebied voor beschermde vissen en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van beschermde vissoorten.

6.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en vermoedelijk nestelen er jaarlijks vogels in het plangebied. Vogels kunnen een nestlocatie bezetten in de hooischuur, boerderij, nestkasten en beplanting. Het Oale Hoes en de vakwerkschuur zijn voor vogels niet toegankelijk en daardoor niet geschikt om een nestplaats in te bezetten. Vogelsoorten die mogelijk in het plangebied nestelen zijn merel, vink, zanglijster, roodborst, pimpelmees, koolmees, tjiftjaf, houtduif, winterkoning en holenduif. Verder zijn in het plangebied geen aanwijzingen gevonden dat uilen er een vaste rust- of nestplaats bezetten. Aanwezigheid van uilen is doorgaans gemakkelijk vast te stellen aan de hand van braakballen, schijtsporen en ruiveren. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat boeren- en huiszwaluwen een vaste rust- of nestplaats in het plangebied bezetten.

Tijdens het veldbezoek zijn geen huismussen visueel en auditief in het plangebied en directe omgeving waargenomen en de dakpannen van de bebouwing sluiten strak op elkaar aan, er ontbreken kieren of openingen en kapotte dakpannen. Gelet op de geïsoleerde ligging van het erf en het ontbreken van de aanwezigheid van huismussen is het aannemelijk dat het erf niet tot het verspreidingsgebied van huismussen behoort. Tevens zijn er in het plangebied en directe omgeving geen waarnemingen van huismussen opgenomen in de NDFF (NDFF, 2023). Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat roofvogels er een vaste rust- of nestplaats bezetten. In de Nationale Databank Flora- en fauna zijn ook geen nestplaatsen van uilen of roofvogels in het plangebied en directe omgeving opgenomen (NDFF, 2023). Het agrarisch cultuurland vormt geen nestplaats voor weidevogels maar dient wel als foerageergebied voor tal vogels die foerageren in het open agrarisch cultuurland. Het plangebied dient niet als essentieel foerageergebied voor vogels waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is zoals steenuil en huismus. 22

Foto links; De dakpannen van het Oale Hoes sluiten nauw op elkaar aan. Foto rechts; deze nestkasten zijn geschikt voor koolmees en pimpelmees.

Door het verbouwen van de boerderij en de hooischuur, het verwijderen van beplanting en het verwijderen van nestkasten tijdens de voortplantingsperiode, wordt mogelijk een jonge vogel gedood en een bezet vogelnest beschadigd of vernield. Als gevolg van het plaatsen van de zonnepanelen op het dakvlak van de boerderij tijdens de voortplantingsperiode, wordt mogelijk een bezet vogelnest in de boerderij verstoord. Door het verharden van agrarisch cultuurland neemt oppervlakte agrarisch cultuurland af. Hierdoor neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende vogelsoorten af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Verbouwen boerderij en hooischuur tijdens de voortplantingsperiode; - Verwijderen nestkasten tijdens de voortplantingsperiode; - Verwijderen beplanting tijdens de voortplantingsperiode; - Plaatsen zonnepanelen dakvlak boerderij tijdens de voortplantingsperiode; - Verharden agrarisch cultuurland; Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen, maar het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende algemene- en weinig kritische grondgebonden zoogdiersoorten als huisspitsmuis, bosmuis, veldmuis, egel, steenmarter, haas, vos en ree.

Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten bosmuizen, veldmuizen en huisspitsmuizen er ook een vaste rust- en voortplantingsplaats. Deze soorten kunnen een rust- en voortplantingsplaats bezetten in het holen en gaten in de grond (veldmuis in agrarisch cultuurland en bos- en huisspitsmuis in de gronden op en rondom het erf) en onder strooisel en bladeren (bos- en huisspitsmuizen). De aanwezige heesters zijn te open aan de onderzijde en er ontbreekt een strooisellaag waardoor deze heesters geen geschikte rust- en voortplantingsplaats vormen voor egel en steenmarter. Tevens zijn er geen aanwijzingen gevonden die duiden op de aanwezigheid van steenmarter en egel in het plangebied zoals uitwerpselen of prooiresten. De hooischuur is voor grondgebonden zoogdieren weliswaar toegankelijk maar is helemaal leeg vanbinnen (er ontbreken spullen/materialen o.i.d. waar bosen huisspitsmuizen een rust- en voortplantingsplaats onder kunnen bezetten). De overige bebouwing is voor grondgebonden zoogdieren niet toegankelijk en daardoor niet geschikt om er een rust- en voortplantingsplaats in te bezetten.

Gelet op de inrichting, het gevoerde beheer en het ontbreken van geschikte rust- en voortplantingsplaatsen zoals houtstapels, holenbomen en takkenbossen wordt het plangebied niet tot functioneel leefgebied van kleine marterachtigen beschouwd. Door het uitvoeren van grondverzet en het verwijderen van strooisel en bladeren wordt mogelijk een grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en voortplantingsplaats beschadigd en vernield. Door het verharden van agrarisch cultuurland neemt oppervlakte agrarisch cultuurland af. Hierdoor

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/987/documents/22646