CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Bp Langeveenseweg 36, Geesteren.pdf

Gemeenteraad Tubbergen 15 februari 2022, gemeente TubbergenBij agendapunt: 10: Bestemmingsplan Geesteren, Langeveenseweg 3628.380 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.6

Luchtkwaliteit

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;

bestemmingsplan Geesteren, Langeveenseweg 36 NL.IMRO.0183.GEEBPLANGEVWG36-VG01

30

woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO 2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets De ontwikkeling van het plangebied betreft het toevoegen van maximaal twee nieuwe woningen. Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen op 16 per dag gesteld worden. Er zal geen sprake zijn van vrachtverkeer als gevolg van de woonfunctie, waardoor het percentage vrachtverkeer op 0% gezet kan worden.

In figuur 4.3 is de worst-case berekening weergegeven met 16 extra voertuigbewegingen. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor voorliggend plan.

Figuur 4.3: NIBM-tool (bron: Info Mill)

4.7

Externe veiligheid

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

bestemmingsplan Geesteren, Langeveenseweg 36 NL.IMRO.0183.GEEBPLANGEVWG36-VG01

31

Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening.

Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Toets

Figuur 4.4: Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl). Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van 740 meter (autobedrijf Haarhuis) van het

bestemmingsplan Geesteren, Langeveenseweg 36 NL.IMRO.0183.GEEBPLANGEVWG36-VG01

32

plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen, derhalve geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.

4.8

Water

Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021.

De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Waterbeheerplan 2016-2021 Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit.

Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het

bestemmingsplan Geesteren, Langeveenseweg 36 NL.IMRO.0183.GEEBPLANGEVWG36-VG01

33

hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Watertoetsproces Op 5 november 2020 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 3. De initiatiefnemer heeft het waterschap Vechtstromen geinformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van de watertoets is toegepast. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies.

4.9

Ecologie

Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toetsing Bij dit bestemmingsplan wordt hiervoor gebruik gemaakt van een quickscan natuurwaarden (projectnummer 2942, d.d. 30 oktober 2020), zie ook Bijlage 4. De resultaten zijn in de volgende alinea's opgenomen. Natura 2000-gebied Het plangebied ligt niet in of direct grenzend aan beschermd natuurgebied zoals een Natura 2000-gebied of beschermd natuurmonument. Het plangebied ligt op minimaal 4,43 kilometer afstand van Natura 2000-gebied Enbertsdijksvenen. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteit is lokaal. Dat wil zeggen dat er geen negatief effect op natuurgebied buiten het onderzoeksgebied op treedt. Gelet op de invloedsfeer en de ligging op enige afstand van Natura 2000-gebied, wordt gesteld dat de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied niet negatief beïnvloed wordt.

Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) Het Nederlands Natuurnetwerk (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied ligt op minimaal 2,17 kilometer afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Beoordeling Stikstof Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling, wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van aanen afvoer van sloop- en/of bouwmaterialen, materieel en personeel. Natura 2000-gebied Enbertsdijksvenen ligt op minimaal 4,43 kilometer afstand van het plangebied. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, is het niet aannemelijk dat voorgenoemde activiteiten zullen leiden tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal.

De voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied. Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland. Omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Soortenbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied voor verschillende algemene- en weinig kritische beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het

bestemmingsplan Geesteren, Langeveenseweg 36 NL.IMRO.0183.GEEBPLANGEVWG36-VG01

34

plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en voortplantingsplaats, bezetten sommige amfibieënsoorten er een (winter)rustplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied. Van de in het plangebied nestelende vogels, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Voor de amfibieën, die vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'doden' en het 'beschadigen en vernielen van vaste rust- en/of voortplantingsplaats'. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Deze vrijstelling geldt ook voor de meeste grondgebonden zoogdiersoorten die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, maar is niet toepasbaar voor de egel. Deze soort is eind 2019 van de vrijstellingslijst gehaald van soorten waarvoor een vrijstelling geldt in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling.

Om activiteiten uit te mogen voeren, met een negatief effect op de egel, dient een ontheffing aangevraagd te worden, of dient gewerkt te worden, conform een toepasbare gedragscode. In dit geval kan dat de Gedragscode ruimtelijke ontwikkeling en inrichting van Stadswerk zijn. Indien gekozen wordt een ontheffing aan te willen vragen, dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de functie van het plangebied voor egels. Indien aangenomen wordt dat de egel er een vaste rust- en/of voortplantingsplaats bezet, en er gekozen wordt te gaan werken volgens de Gedragscode, dient gewerkt te worden volgens de eisen en voorwaarden, zoals verwoord in de Gedragscode. Zo dient de beplanting verwijderd te worden buiten de kwetsbare periode en dient een vervangende vaste rust- en/of voortplantingsplaats aangeboden te worden. Ook dient een ecologisch werkprotocol opgesteld te worden en dient een logboek bijgehouden te worden, waarin de genomen maatregelen beschreven staan. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: Nader onderzoek naar functie van plangebied voor egels uitvoeren of; Werken volgens Gedragscode; Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor vogels, amfibieën, vleermuizen en grondgebonden zoogdieren niet aangetast.

4.10

Archeologie en Cultuurhistorie

Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.

Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie De gemeente Tubbergen heeft een archeologische verwachtings- en advieskaart opgesteld. Het rapport is opgesteld door RAAP en geeft voor het grondgebied de verwachtingswaarde voor archeologische resten aan. Aan de hand van deze kaart kan bepaald worden of archeologisch onderzoek noodzakelijk is. In figuur 4.5 is een fragment van de verwachtingswaardenkaart weergegeven, waarbij het plangebied rood omkaderd is.

bestemmingsplan Geesteren, Langeveenseweg 36 NL.IMRO.0183.GEEBPLANGEVWG36-VG01

35

Figuur 4.5: Uitsnede archeologische verwachtingenkaart (bron: gemeente Tubbergen) Toets De locatie waar nieuwbouw gaat plaatsvinden heeft de aanduiding 'beekdalen en overige laagten'. De verwachtingswaarde voor deze gronden is laag voor resten uit alle perioden. Archeologisch onderzoek noodzakelijk in plangebieden groter dan 5000 m² en bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 5000 m² geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek. Er is geen archeologisch onderzoek vereist, aangezien het plangebied kleiner is dan 5000m². Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Overijssel, in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden.

Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan.

bestemmingsplan Geesteren, Langeveenseweg 36 NL.IMRO.0183.GEEBPLANGEVWG36-VG01

36

4.11

Verkeer / parkeren

Verkeer Het plangebied wordt ontsloten via de Langeveenseweg en de Schotboersweg, welke beide een snelheidsregime kennen van 30 km/h. De woningen hebben ieder een eigen inrit. Een (beperkte) toename van verkeersbewegingen kan eenvoudig via de huidige weg worden afgewikkeld. Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op voor dit plan. Parkeren Om te bepalen of bij een nieuwe ontwikkeling voldoende parkeergelegenheid aanwezig is wordt gebruik gemaakt van de “Beleidsnotitie Bouwen & Parkeren 2018”. Er is sprake van de ontwikkeling van twee vrijstaande levensloopbestendige woningen en het handhaven van de bestaande woning in de zone rest bebouwde kom van Geesteren. Voor een vrijstaande woning is een parkeerbehoefte van 2.3 parkeerplaatsen per woning. Het parkeren vindt plaats op eigen terrein, waar voldoende ruimte is om in voldoende parkeerplaatsen te voorzien. Het aspect 'parkeren' levert derhalve geen belemmeringen op voor dit plan.

bestemmingsplan Geesteren, Langeveenseweg 36 NL.IMRO.0183.GEEBPLANGEVWG36-VG01

37

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische toelichting

Planopzet en systematiek

De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.

5.2

Toelichting op de regels

5.2.1

Opbouw

In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden.

Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); nadere eisen In deze regels kunnen Burgemeester en Wethouders, ten behoeve van de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing. afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; specifieke gebruiksregels:

bestemmingsplan Geesteren, Langeveenseweg 36 NL.IMRO.0183.GEEBPLANGEVWG36-VG01

38

In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen; wijzigingsregels In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.

Algemene regels Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene bouwregels: In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene aanduidingsregels: In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Algemene wijzigingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking.

De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overige regels: Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

bestemmingsplan Geesteren, Langeveenseweg 36 NL.IMRO.0183.GEEBPLANGEVWG36-VG01

39

5.2.2

Bestemmingen

Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: Bestemmingen Wonen De nieuwe woonpercelen en de bestaande woning in het plangebied zijn bestemd tot 'Wonen'. De gronden met de bestemming 'Wonen' zijn bestemd voor wonen met de daarbij behorende voorzieningen. Hoofdgebouwen: mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd, mogen vrijstaand gebouwd worden. De dakhelling bedraagt ten minste 18 graden en ten hoogste 70 graden. Bijbehorende bouwwerken mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd. Ook is een bepaling opgenomen voor het maximaal toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken. De grootte van het perceel bepaalt het toegestane aantal m2 aan bijbehorende bouwwerken. Groen Een klein deel van de voormalige bedrijfsbestemming ligt op gemeentelijke grond. Deze gronden zullen de bestemming 'Groen' krijgen zodat de bestemming aansluit op de omgeving.

bestemmingsplan Geesteren, Langeveenseweg 36 NL.IMRO.0183.GEEBPLANGEVWG36-VG01

40

Hoofdstuk 6

Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.

bestemmingsplan Geesteren, Langeveenseweg 36 NL.IMRO.0183.GEEBPLANGEVWG36-VG01

41

Hoofdstuk 7 7.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel De provincie Overijssel heeft een lijst opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Woningbouwplannen binnen bestaand stedelijk gebied met minder dan zeven woningen die in lijn zijn met het regionale woningbouwprogramma, hoeven niet voor vooroverleg te worden aangeboden. Het plan voor twee woningen in dit bestemmingsplan voldoet aan deze voorwaarden. Vooroverleg is niet vereist. Waterschap Vechtstromen Op 5 november 2020 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen.

De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap een positief advies geeft. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.

7.2

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 10 maart 2021 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn zienswijzen binnengekomen. De behandeling van de zienswijzen en de doorgevoerde wijzigingen aan het bestemmingsplan zijn verwoord in een zienswijzenota welke is opgenomen in Bijlage 5.

bestemmingsplan Geesteren, Langeveenseweg 36 NL.IMRO.0183.GEEBPLANGEVWG36-VG01

42

Bijlagen bij toelichting

bestemmingsplan Geesteren, Langeveenseweg 36 NL.IMRO.0183.GEEBPLANGEVWG36-VG01

43

Bijlage 1

Geuronderzoek

bestemmingsplan Geesteren, Langeveenseweg 36 NL.IMRO.0183.GEEBPLANGEVWG36-VG01

44

het woon- en leefklimaat een beoordeling van het woon- en leefklimaat inzake de ontwikkeling op de locatie Langeveenseweg 36 te Geesteren

Locatie: Langeveenseweg 36 7678 VE Geesteren

Opgesteld door:

16-7-2021

1 Langeveenseweg 36 Geesteren

De voorgenomen ontwikkeling op de locatie betreft de bouw van twee levensloopbestendige woningen. De schuren en het kruidenierszaakje zullen gesloopt worden. Zie figuur 1.

Figuur 1 Schets ontwikkellocatie

In de nabijheid van de ontwikkellocatie ligt het agrarisch bedrijf van de maatschap Ophof. Zie figuur 2.

Figuur 2 Omgeving ontwikkellocatie

2 Langeveenseweg 36 Geesteren

De aanwezigheid van het agrarisch bedrijf in de directe omgeving maakt dat de effecten van dit bedrijf op de ontwikkellocatie in beeld gebracht moeten worden. Zolang de voorgrondbelasting meer dan de helft van de cumulatieve belasting bedraagt is deze bepalend voor de mate van hinder. In de directe omgeving zijn een beperkt aantal veehouderijen gelegen die een zeer geringe bijdrage leveren aan de cumulatieve belasting. Het feit dat er vanuit de voorgrondbelasting geuroverbelaste situaties zijn, maakt dat de voorgrondbelasting bepalend is in deze casus. Een cumulatieonderzoek is dan ook buiten beschouwing gelaten. Een beoordeling van het woon- en leefklimaat inzake de ontwikkeling aan de Langeveenseweg 36 te Geesteren vindt in deze notitie plaats, waarbij ook bijlage 6 en 7 van de handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij wordt betrokken. Van belang is de inmiddels onherroepelijk geworden Omgevingsvergunning Beperkte Milieutoets op de locatie Schotboersweg 10a te Geesteren met de daarbij behorende vstacks berekening met daarin ook de woningen 1, 2 en 3 op de ontwikkellocatie:

3 Langeveenseweg 36 Geesteren

In deze vigerende situatie is dus sprake van een geur overbelaste situatie op de locaties Sekhuisstraat 10-24. De locaties Sekhuisstraat 18 en Sekhuisstraat 20 kennen een hogere mate van overbelasting dan woning 1 op de ontwikkellocatie. Daarmee zijn de locaties Sekhuisstraat 18 en Sekhuisstraat 20 bepalend voor de mogelijkheden op de locatie Schotboersweg 10a. Kortom: de ontwikkelmogelijkheden op de locatie Schotboersweg 10a in Geesteren zijn begrenst. Bij alle nieuwe ontwikkelingen vindt er een afname van de geurbelasting plaats. Dit brengt met zich mee dat de geurbelasting op de ontwikkellocatie in ieder geval niet zal toenemen. Om tot een beoordeling van het woon- en leefklimaat te komen is de V-stacks berekening vanuit de vigerende vergunning van de locatie Schotboersweg 10a het uitgangspunt. Dit geeft een precies beeld van de hindersituatie die maximaal kan ontstaan. Vanuit de voorgrondbelasting is de bijbehorende hindersituatie in beeld gebracht. Als geurgevoelige object zijn de toekomstige positie van de woningen èn de huidige posities van de geurgevoelige objecten( conform de OBM) meegenomen:

Figuur 3 Kadastrale situatie Langeveenseweg 36 en omgeving

4 Langeveenseweg 36 Geesteren

Figuur 4 Toekomstige positie van de woningen

Voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat op grond van de huidige vergunning zijn vanuit bijlage 6 en 7 van de handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij tabel B. Relatie tussen de voorgrondbelasting en de geurhinder en tabel uit bijlage 7 van de handreiking Wet geurhinder en veehouderij van belang.

5 Langeveenseweg 36 Geesteren

Tabel uit bijlage 7 van de handreiking Wet geurhinder en veehouderij

Het percentage geurgehinderden bij een geurbelasting van 3 odour units per seconde per dier bedraagt 5-10% . Dat percentage komt overeen met de milieukwaliteit goed, oftewel er is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd.

6 Langeveenseweg 36 Geesteren

Bij een volgende ontwikkeling van het agrarisch bedrijf op de locatie Schotboersweg 10a te Geesteren zal de geurbelasting op woning 1 van de ontwikkellocatie moeten dalen. Het Activiteitenbesluit kent voor deze situaties een faciliteit dat er toch sprake kan zijn van een uitbreiding waarbij de nieuwe geurbelasting op de betreffende geurgevoelige objecten maximaal het verschil mag bedragen van een bestaande belasting en de toegestane belasting. Onderstaand is dat effect in beeld gebracht:

Geur gevoelige locaties: Volgnummer

GGLID

3 4

Sekhuisstraat 18 Sekhuisstraat 20

Geurnorm 3,0 3,0

Geurbelasting 3,7 3,9

Max norm bij volgende ontwikkeling 3,35 3,45

Door deze ontwikkeling is bij een geurbelasting van 3 odour units per seconde per dier het percentage geurgehinderden 8% . Dat percentage komt overeen met de milieukwaliteit goed, oftewel het aanvaardbaar woon- en leefklimaat blijft gegarandeerd als het bedrijf aan de Schotboersweg 10a een uitbreiding zou doen. Concluderend: er is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de voorgestane ontwikkelingen op de locatie Langeveenseweg 36 te Geesteren. Deze ontwikkelingen belemmeren ook niet de ontwikkelingen van het bedrijf aan de Schotboersweg 10a. Sterker nog : bij ontwikkelingen van het bedrijf aan de Schotboersweg 10a daalt het percentage geurgehinderden. Dit komt het woon- en leefklimaat op de ontwikkellocatie ten goede.

Bijlage: V-stacks berekening 2020 met de uitgangspunten conform de nog te verlenen OBM incl. de positie van de woningen op de ontwikkellocatie.

7 Langeveenseweg 36 Geesteren

Bijlage: V-stacks berekening 2020 met de uitgangspunten conform de nog te verlenen OBM incl. de positie van de woningen op de ontwikkellocatie

8 Langeveenseweg 36 Geesteren

Gegenereerd op: 16-07-2021

berekend met : V-Stacks Vergunning 2020 Release juli 2020

(c) DNV GL

Page 1

Naam van de berekening: OPhof OBM Gemaakt op: 2021-07-16 17:26:45 Rekentijd: 0:00:38 Naam van het bedrijf: Ophof OBM Berekende ruwheid: 0,212 m

Brongegevens: Volgnr. BronID

X-coord.

Y-coord.

EP Hoogte

EP Diam.

EP Uittr. snelh. E-Aanvraag

Geb. Hoogte

1

luchtwasser zeugen

246 639

493 938

4,0

2,3

4,00

12 281

3,3

2

luchtwasser vlvl

246 643

493 947

4,0

1,1

4,00

3 764

5,4

3

dr z nieuw 280 z.2b

246 682

493 927

4,0

1,2

4,00

2 905

4,6

Geur gevoelige locaties: Volgnr. BronID

X-coord.

Y-coord.

Geurnorm

Geurbelasting

4

1.1

246 589

493 768

3,0

3,1

5

1.2

246 579

493 777

3,0

3,3

6

1.3

246 570

493 768

3,0

3,0

7

2.1

246 566

493 764

3,0

2,9

8

2.2

246 556

493 753

3,0

2,6

9

3.1

246 573

493 745

3,0

2,5

10

Sekhuisstr 6-links

246 679

493 738

3,0

2,5

11

Sekhuisstr 6-rechts

246 684

493 742

3,0

2,6

12

Sekhuisstr 8-links

246 689

493 746

3,0

2,7

13

Sekhuisstr 8-rechts

246 695

493 750

3,0

2,8

14

Sekhuisstr 10-links

246 705

493 756

3,0

2,9

15

Sekhuisstr 10-rechts

246 716

493 768

3,0

3,3

16

Sekhuisstr 12

246 734

493 769

3,0

3,2

17

Sekhuisstr 16

246 758

493 781

3,0

3,3

18

Sekhuisstr 18-links

246 766

493 793

3,0

3,7

19

Sekhuisstr 18-rechts

246 771

493 798

3,0

3,7

20

Sekhuisstr 20-links

246 781

493 803

3,0

3,7

21

Sekhuisstr 20-rechts

246 783

493 818

3,0

4,1

22

Sekhuisstr 24-links

246 817

493 815

3,0

3,3

23

Sekhuisstr 24-rechts

246 826

493 811

3,0

3,1

24

Croonenstraat 2

246 667

493 710

3,0

1,9

25

Croonenstraat 4

246 648

493 725

3,0

2,1

26

Croonenstraat 6

246 627

493 734

3,0

2,3

27

Croonenstr 8-links

246 613

493 757

3,0

2,9

28

Croonenstr 8-rechts

246 618

493 754

3,0

2,8

29

Langeveenseweg 36

246 554

493 753

3,0

2,6

30

Langeveenseweg 38

246 544

493 813

14,0

4,1

31

Langeveenseweg 44

246 548

493 900

14,0

11,7

32

Langeveenseweg 44a

246 539

493 909

14,0

10,9

33

Langeveenseweg 50

246 532

493 988

14,0

7,2

34

Langeveenseweg 52a

246 535

493 989

14,0

7,5

35

Schotboersweg 8

246 777

493 920

14,0

8,4

36

Schotboersweg 8a

246 775

493 899

14,0

7,9

Gegenereerd op: 16-07-2021

berekend met : V-Stacks Vergunning 2020 Release juli 2020

(c) DNV GL

Page 2

Bijlage 2

Bodemonderzoek

bestemmingsplan Geesteren, Langeveenseweg 36 NL.IMRO.0183.GEEBPLANGEVWG36-VG01

55

RAPPORT VERKENNEND (ASBEST)BODEMONDERZOEK conform NEN 5740 en NEN 5707 Langeveenseweg 36 - Geesteren

Opdrachtgever: Ad Fontem Locatie: Langeveenseweg 36 7678 VE Geesteren November 2020

Kruse Milieu BV Bezoekadres: Huyerenseweg 33 7678 SC Geesteren

Internet: info@krusegroep.nl www.krusegroep.nl

Postadres: Postbus 51 7650 AB Tubbergen

Bankgegevens: ABN AMRO: NL34ABNA0501538739

Tel: 0546 - 63 96 63

KvK: 06068751 BTW-nr: NL 8019.25.125.B01

Rapport Verkennend (asbest)bodemonderzoek conform NEN 5740 en NEN 5707 Langeveenseweg 36 - Geesteren

Opdrachtgever: Ad Fontem Stationsstraat 37 7622 LW Borne Locatie: Langeveenseweg 36 7678 VE Geesteren Projectcode: 20069616 Rapportagedatum: 27 november 2020 Auteur: Mevr. ing. H. Stevelink

Kruse Milieu BV

INHOUD Pagina 1

Inleiding

1

2.1 2.2 2.3

Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie Vooronderzoek Bodemsamenstelling en geohydrologie

2 2 2 3

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie Veldwerkzaamheden Analyses Toetsing chemische analyses Toetsing asbestanalyses

4 4 5 5 6 7

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6

Resultaten Algemeen Veldwerkzaamheden Resultaten en toetsing van de chemische analyses Bespreking resultaten chemische analyses Resultaten van de asbestanalyses Bespreking resultaten asbestanalyses

8 8 8 11 12 12 13

5

Samenvatting, conclusies en aanbevelingen

14

6

Literatuur en bronvermelding

16

2

3

4

Bijlagen I Regionale ligging locatie Boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu BV, november 2020 II Boorstaten Legenda boorstaten III Resultaten chemische analyses Toetsing chemische analyses IV Resultaten asbestanalyses V Informatie van gemeente Tubbergen VI Verklaring van enkele gebruikte termen en afkortingen

Kruse Milieu BV

Project: 200069616

1

Inleiding

Dit rapport beschrijft het verkennend bodemonderzoek, dat in opdracht van Ad Fontem op een terreindeel aan de Langeveenseweg 36 in Geesteren door Kruse Milieu BV is uitgevoerd. De aanleiding van dit onderzoek is de geplande nieuwbouw van drie woningen. Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van de omgevingsvergunning. Hiervoor dient de milieukundige kwaliteit van de bodem bekend te zijn. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een standaard vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN 5725. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat er 2 asbestverdachte druppelzones op het terrein aanwezig zijn. Deze locaties worden als verdachte deellocaties beschouwd. De bovengrond van de onderzoekslocatie is verdacht voor de aanwezigheid van asbest. De ondergrond en het grondwater zijn onverdacht voor chemische componenten.

De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN 5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” NNI Delft, januari 2009; - de aanvulling NEN 5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016; - NEN 5707+C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017. De doelstelling van het onderzoek op een onverdachte locatie is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater. De doelstelling van het onderzoek op (asbest)verdachte (deel)locaties is vast te stellen of de vooronderstelde verontreinigingskernen ook daadwerkelijk op de vermoede plaats aanwezig zijn en in hoeverre de verontreinigende stoffen in de grond en het freatisch grondwater respectievelijk de achtergrond-, norm- en de streefwaarden overschrijden. Het veldwerk is uitgevoerd in november 2020 conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001, 2002 en 2018 waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Hierbij wordt verklaard dat Kruse Milieu BV financieel en juridisch onafhankelijk is van de opdrachtgever.

In dit rapport worden de resultaten besproken van het veld- en het laboratoriumonderzoek. De gemeten gehalten in de grond worden vergeleken met de achtergrondwaarden (AW 2000) en de interventiewaarden om vast te stellen of er al dan niet verontreinigingen aanwezig zijn. De in het grondwater gemeten gehalten worden vergeleken met de streef- en interventiewaarden. Tevens worden de resultaten met betrekking tot asbest vergeleken met de wetgeving inzake asbest in bodem en puin, welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen.

Kruse Milieu BV

Project: 20069616

Pagina 1 van 16

2

Locatiegegevens 2.1

Beschrijving huidige situatie

Algemeen De onderzoekslocatie is gelegen aan de Langeveensweg 36, binnen de bebouwde kom van Geesteren. Het centrale punt van het te onderzoeken terrein heeft de RD-coördinaten x = 246.570 en y = 493.749 en is kadastraal bekend als: gemeente Tubbergen, sectie K, nummers 7105, 10315 en 10316. De Langeveenseweg bevindt zich ten zuidwesten van de onderzoekslocatie en de Schotboersweg bevindt zich ten noorden. Bebouwing en verharding Op de onderzoekslocatie staan momenteel een woning, een voormalige buurtsuper, berging, een schuur en een kapschuur. Alle panden staan momenteel leeg. In de woning, de voormalige buurtsuper en de schuur zijn betonvloeren aanwezig. Op het dak van de kapschuur en de berging zijn asbestverdachte golfplaten aanwezig. Het terrein rondom de panden is in gebruik als tuin en is deels verhard met klinkers en asfalt. Onderzoekslocatie Het dak van de kapschuur is voorzien van asbestverdachte golfplaten. Er is sprake van een druppelzone wanneer hemelwater via asbestverdachte dakplaten afwatert op onverhard terrein. De druppelzones bevinden zich aan de oost- en westzijde van de kapschuur (zie boorplan). Deze druppelzones worden als verdachte deellocaties beschouwd (deellocatie A en B). In het kader van de geplande bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van de omgevingsvergunning is een bodemonderzoek noodzakelijk.

De onderzoekslocatie is bebouwd en grotendeels onverhard en omvat circa 1950 m². In bijlage I zijn de regionale ligging van de locatie weergegeven en is het boorplan van Kruse Milieu BV van november 2020 opgenomen. 2.2

Vooronderzoek

In het vooronderzoek komt naast informatie uit het huidige gebruik het vroegere gebruik van het terrein aan de orde evenals de vraag of er in het verleden reeds bodemonderzoeken zijn verricht op het terrein. Het vroegere gebruik van het terrein is van belang, omdat bronnen van verontreiniging aanwezig geweest kunnen zijn. Er is navraag gedaan bij de opdrachtgever, de eigenaar en de gemeente Tubbergen. Op 5 november 2020 heeft de heer P. Haverkort van Kruse Milieu BV een locatiebezoek afgelegd. De volgende informatie is verzameld: - De onderzoekslocatie heeft al jaren de huidige (bedrijfs)bestemming. De woning en het voormalige winkelpand dateren van 1899 en de kapschuur dateert van 1970. - Voor zover bekend is er op de onderzoekslocatie nooit sprake geweest van opslag in tanks van chemicaliën of brandstoffen, zoals huisbrandolie of diesel. - Voor zover bekend is de onderzoekslocatie in het verleden niet opgehoogd en hebben er geen dempingen van lager gelegen delen of sloten plaatsgevonden. Oe de oostzijde van de onderzoekslocatie is een sloot aanwezig. - De onderzoekslocatie is voor zover bekend nooit gebruikt voor werkzaamheden of (bedrijfs)activiteiten, die verontreinigend kunnen zijn. - Vanwege de aard, ligging en ouderdom van de onderzoekslocatie is de bovengrond verdacht voor asbest.

Kruse Milieu BV

Project: 20069616

Pagina 2 van 16

- Op het dak van de kapschuur en de berging liggen asbestverdachte golfplaten. Er is sprake van een druppelzone wanneer hemelwater via asbestverdachte dakplaten afwatert op onverhard terrein. Aan de noord- en zuidzijde van de berging is geen sprake van een druppelzone, omdat het hemelwater van de berging afwatert op een klinkerverharding of een sloot. De druppelzones van de kapschuur bevinden zich aan de oost- en westzijde (zie boorplan). Deze druppelzones worden als verdachte deellocaties beschouwd (deellocatie A en B). Voor zover bekend bevinden verder zich geen asbesthoudende beschoeiingen of sloopafval direct naast of op de onderzoekslocatie. Tevens is de locatie niet gelegen aan een asbestweg. - Er is nog niet eerder een bodemonderzoek uitgevoerd op het terrein. Direct ten oosten van de huidige onderzoekslocatie hebben eerder bodemonderzoeken plaatsgevonden (Mensinkkamp III). De boorplannen zijn niet opgenomen. Oranjewoud, indicatief bodemonderzoek bestemmingsplan ‘Mensinkkamp III’ te Geesteren, december 1992 met projectnummer 10078-09764-2 De aanleiding van het onderzoek is de geplande ontwikkeling van een nieuwbouwwijk. Uit de resultaten bleek dat plaatselijk in de bovengrond licht verhoogde gehalten aan koper, lood en EOX zijn aangetoond. In het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetoond. Wel zijn verhoogde EC-waarden en een verlaagde pH-waarden aangetoond.

Oranjewoud, aanvullend bodemonderzoek Mensinkkamp III te Geesteren, d.d. 10 januari 1994 met ons kenmerk 10078-09764-6 De aanleiding van het onderzoek direct ten oosten van de onderhavige onderzoekslocatie was het verhoogde loodgehalten in de bovengrond en de verhoogde EC-waarden in de peilbuizen in het verkennende bodemonderzoek van 1992. Geconcludeerd word verder dat de gedempte sloot op circa 250 meter ten oosten van de onderhavige onderzoekslocatie is gedempt met potentieel verontreinigd materiaal. 2.3

Bodemsamenstelling en geohydrologie

Op basis van literatuurstudie is de onderstaande regionale geohydrologische situatie afgeleid: - Het maaiveld bevindt zich ongeveer 16 meter boven NAP. - De deklaag bestaat uit kwartair zand en is ter plaatse circa 20 meter dik (formaties Boxtel, Drente en Oosterhout). Het doorlatend vermogen is ongeveer 100 - 250 m²/dag. - De eerste scheidende laag is een kleiige eenheid van de formatie van Breda en Rupel en reikt tot meer dan 300 meter diepte. - De grondwaterspiegel bevindt zich circa 1.5 meter onder het maaiveld. Het freatisch grondwater stroomt in noordwestelijke richting. - Op circa 2.5 kilometer ten noordnoordwesten stroomt de Itterbeek. De invloed van deze watergang op de lokale stand en stromingsrichting van het freatische grondwater is bij ons bureau onbekend. - In de directe omgeving van de onderzoekslocatie bevindt zich geen waterwingebied.

Kruse Milieu BV

Project: 20069616

Pagina 3 van 16

3

Uitvoering bodemonderzoek 3.1

Onderzoeksstrategie

De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN 5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” NNI Delft, januari 2009; - de aanvulling NEN 5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016; - NEN 5707+C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017. Onderzoekslocatie De hypothese "onverdachte locatie" uit norm NEN 5740 (niet-lijnvormige locatie, ONV-NL), en asbestverdacht uit norm NEN 5707 (verdacht, heterogeen verdeeld, VED-HE) worden voor het overige deel van de onderzoekslocatie gebruikt. Beide strategieën worden gecombineerd. De boringen tot 0.5 meter diepte worden vervangen door inspectiegaten. Ter plekke van de betonverharding worden, in afwijking van de richtlijnen, betonboringen van 120 mm verricht. Er wordt mogelijk een geringe negatieve invloed op de analyseresultaten verwacht als gevolg van deze afwijking op de richtlijnen. Tijdens het veldwerk kan de bodem onder het beton minder goed beoordeeld worden, waardoor de resultaten van het asbestonderzoek onder het beton als indicatief dienen te worden beschouwd.

Tijdens het veldwerk zal visueel worden gelet op de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal op en in de bodem. Strategie deellocaties A en B De druppelzones worden beschouwd als verdacht ten aanzien van de aanwezigheid van asbest. De hypothese “verdachte locatie" uit NEN 5707 wordt voor de druppelzones gebruikt. De onderzoeksstrategie op deze deellocaties is gebaseerd op de NEN 5707, paragraaf 6.4.4: verdachte locatie met plaatselijke bodembelasting met duidelijke verontreinigingskern (VEP). Druppelzone A en B hebben een lengte van 10 meter met een oppervlakte van circa 10 m2 . In de normen NEN 5740 en NEN 5707 zijn voor onverdachte en verdachte locaties richtlijnen gegeven voor een systematisch veldonderzoek, de bemonsteringsstrategie en de uit te voeren analyses. De gekozen onderzoeksstrategie is voldoende intensief voor het verkrijgen van inzicht in de bodemkwaliteit ten behoeve van de omgevingsvergunning, bestemmingsplanwijziging of eigendomsoverdracht. Bij het verkennend bodemonderzoek worden de volgende uitgangspunten in acht genomen: - in door mensen bewoonde gebieden kunnen door jarenlang gebruik van de grond verhoogde gehalten aan PAK en/of zware metalen voorkomen. Deze worden over het algemeen aangeduid als lokale achtergrondwaarden.

Deze gehalten zijn vaak gerelateerd aan het voorkomen van puin- en/of kooldeeltjes in de bodem - in humeuze of veenhoudende bodems worden regelmatig verhoogde gehalten minerale olie waargenomen. Deze gehalten worden veroorzaakt door humuszuren en overig organisch materiaal, dat van nature aanwezig is en door een florisilbehandeling niet geheel wordt verwijderd. Tijdens chemische analyses worden deze verbindingen gedetecteerd als de zware fractie van minerale olie (C27 tot C40). Bij veenbodems betreft het gehalten van 50 tot 100 mg/kg droge stof; bij humeuze bodemlagen gaat het om bijdrages van 10 tot 50 mg/kg droge stof. Deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden - in het grondwater kunnen van nature verhoogde gehalten aan zware metalen en fenolen voorkomen. Deze worden doorgaans aangeduid als natuurlijke achtergrondwaarden. Een voorbeeld wordt gevormd door (sterk) verhoogde arseengehalten in gebieden, die zeer ijzerrijk zijn. Door kwel kunnen bij hoge grondwaterstanden eveneens verhoogde gehalten aan arseen in de grond ontstaan. Ook deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden. Kruse Milieu BV

Project: 20069616

Pagina 4 van 16

Bij percentages bodemvreemd materiaal van meer dan 50% is er geen sprake van bodem. Eventuele funderingslagen (asfalt- en puingranulaat) vallen buiten de scope van dit onderzoek. Het opgeboorde materiaal wordt wel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. In geval er sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal/puin is norm NEN 5897+C2 van toepassing: “Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat” NNI Delft, december 2017. 3.2

Veldwerkzaamheden

Bij de boringen en monsternemingen is gewerkt volgens de geldende NEN- en NPRvoorschriften, alsmede conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001, 2002 en 2018, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Onderzoekslocatie Op een terrein met een oppervlakte van circa 1950 m² worden in totaal 12 inspectiegaten gegraven met een lengte en een breedte van minimaal 0.3 meter (er wordt doorgeboord tot op de ondergrond (ongeroerde bodem) met een maximum diepte van 2.0 meter minus maaiveld). Het opgegraven en opgeboorde materiaal wordt uitgezeefd over 20 mm en visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbest. Ter plekke van het beton worden de gaten vervangen door boringen van 120 mm doorsnede. De gaten worden handmatig met een schop gegraven. De inspectie-gaten worden over het te onderzoeken terreindeel verdeeld en gecodeerd als 1 tot en met 12. Vier inspectiegaten worden met behulp van een Edelmanboor doorgezet in de ondergrond tot maximaal 2.0 m-mv. Voor het meten van het grondwaterpeil en het nemen van grondwater-monsters wordt overeenkomstig NEN 5766 1 diepe boring afgewerkt tot peilbuis (PB 1). Deellocaties A en B Ter plekke van de druppelzones worden in totaal 6 gaten gegraven (A1, A2, A3, B1, B2 en B3). De gaten hebben een lengte en breedte van minimaal 0.3 meter. Het opgegraven materiaal wordt uitgezeefd over 20 mm en visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbest.

Alleen de toplaag wordt bemonsterd. Van elk inspectiegat en/of boring wordt de samenstelling van de bodem beschreven volgens NEN 5104. Het opgeboorde materiaal wordt tevens beoordeeld door zintuiglijke waarneming op verontreinigingskenmerken zoals afwijkende geur en/of kleur. 3.3

Analyses

De chemische analyses worden uitgevoerd door Eurofins Analytico BV te Barneveld, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor analyses conform de AS3000-protocollen. De asbestmonsters worden onderzocht door Eurofins Omegam in Amsterdam, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor vezelonderzoek. Voor het uitvoeren van deze analyses worden in dit verkennend onderzoek 7 grondmengmonsters (waarvan 4 mengmonsters van de fijne fractie) samengesteld en er wordt 1 grondwatermonster genomen. De samenstelling van de mengmonsters vindt plaats op basis van de zintuiglijke waarnemingen, de bodemopbouw en/of posities van de boringen. De samenstelling van de mengmonsters staat vermeld in paragraaf 4.2 in tabel 3. De monsters worden volgens de voorschriften uit NEN 5740 en NEN 5707 onderzocht. In tabel 1 is weergegeven welke chemische analyses worden uitgevoerd.

Kruse Milieu BV

Project: 20069616

Pagina 5 van 16

Tabel 1: Analysepakket per (meng)monster Monster

Analysepakket Onderzoekslocatie

Bovengrond (2x) Ondergrond (1x)

Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, PCB, PAK (10), organisch stof, lutum en droge stof

Bovengrond (2x)

Asbest en droge stof

Grondwater (1x)

Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX), naftaleen, styreen en gechloreerde koolwaterstoffen (oplosmiddelen standaardpakket), zuurgraad (pH), elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting Deellocaties A en B

Bovengrond (2x)

Asbest en droge stof

Algemene opmerkingen - Op de grondmengmonsters wordt standaard een florisilbehandeling uitgevoerd om verstoring van de analyse op minerale olie door natuurlijke humuszuren tegen te gaan. - De zuurgraad (pH), het elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting, van het grondwater worden in het veld gemeten. Filtratie van het grondwater voor de metalenanalyse vindt eveneens in het veld plaats. 3.4

Toetsing chemische analyses

De resultaten van de chemische analyses uit het bodemonderzoek worden beoordeeld aan de hand van de gecorrigeerde achtergrond-, streef- en interventiewaarden voor verontreinigingen in de bodem uit de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en tabel 1 van bijlage B, Regeling bodemkwaliteit van het ministerie van I&M. De achtergrondwaarden voor grond zijn vastgelegd in de Regeling bodemkwaliteit (Staatsblad, 22 november 2012). De interventiewaarden voor grond en grondwater zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering. De toetsing aan de eisen in de Wet Bodembescherming en de Circulaire Bodemsanering is beoogd om te beoordelen of er sprake is van een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en/of het milieu. Hierbij worden de volgende waarden onderscheiden: achtergrondwaarde (AW) voor grond: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van de grond; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; streefwaarde (S) voor grondwater: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van het grondwater; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; interventiewaarde bodem (I): het niveau waarbij de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, plant of dier ernstig verminderd zijn of ernstig bedreigd worden; bij overschrijding wordt gesproken van een sterke verontreiniging.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/781/documents/15179