Bijlage Bp. Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum.pdf
Tekst van het document
Situatie plangebied
In paragraaf 5.3.1.1 is een lijst met categorieën van gevallen beschreven, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling in vergelijking met voorgenoemde voorbeelden van categorieën, kan worden aangenomen, vooral omdat er geen toename van het aantal verkeersbewegingen is, dat voorliggende ontwikkeling 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. De oppervlakte van de bedrijfsbestemming neemt niet toe. Daarnaast nemen de bouwmogelijkheden niet toe waardoor er, van een relevante toename van de emissie fijnstof of stikstofdepositie is geen sprake. Tevens wordt opgemerkt dat deze ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.
28
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
5.4 Externe veiligheid 5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2
Beoordeling
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven.
Afbeelding 5.1 Uitsnede Risicokaart Overijssel (Bron: Risicokaart Overijssel) Uit de inventarisatie blijkt dan ook dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de inventarisatie blijkt dat op 520 meter van het plangebied één buisleiding voorkomt. Voor het overige zijn in de buurt van het plangebied geen risicobronnen aanwezig. Op de hiervoor genoemde risicobron wordt in de volgende alinea nader ingegaan Buisleiding Op een afstand van circa 520 meter bevindt zich ten zuiden van het plangebied een gasleiding (N-531-10) van de Gasunie Grid Service. De gasleiding heeft een diameter van 8,36 inch en een maximale werkdruk van 40 bar. Bij een dergelijke gasleiding ligt de 1% letaliteitsgrens op 100 meter. Het plangebied ligt op een afstand van 520 meter en valt daarmee buiten het groepsrisico-aandachtsgebied. Bovendien wordt middels voorliggend bestemmingsplan enkel het bouwvlak opnieuw gesitueerd. 5.4.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
29
5.5 Milieuzonering 5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 5.5.2
Gebiedstypen
Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een 'rustige woonwijk' of een 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Tubbergen waar geen sprake is van matige of sterke functiemenging. Daarom wordt in voorliggend geval uitgegaan van het omgevingstype “rustige woonwijk”. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
30
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
5.5.3
Beoordeling
Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.3.1 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of wanneer de nieuwe functie de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantast. Op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ valt een melkveehouderij als inrichting onder ‘Fokken en houden van rundvee’. Het wordt hiermee aangemerkt als een inrichting in milieucategorie 3.2 met als grootste richtafstand voor het aspect geur. Opgemerkt wordt dat bij veehouderijen niet de adviesafstanden maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuromissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend zijn. Hier wordt in paragraaf 5.6 nader op ingegaan.
Indien het aspect geur buiten beschouwing wordt gelaten geldt er een richtafstand van 30 meter voor de aspecten geluid en stof. De afstand tussen het nieuwe agrarische bouwvlak en het dichtstbijzijnde gevoelig object (Stroveldsweg 17) bedraagt circa 82 meter. Opgemerkt wordt dat het bouwvlak nabij de Stroveldsweg 17 niet dichter, maar zelfs verder van de woning af wordt gesitueerd. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand. 5.5.3.2 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. In dit geval wordt geen milieugevoelig object gerealiseerd, waardoor van het ondervinden van hinder van bestaande functies in de omgeving geen sprake is. 5.5.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmeringen voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
5.6 Geur 5.6.1
Algemeen
5.6.1.1 Wet geurhinder en veehouderij en activiteitenbesluit De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht.
De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging voor een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Dit wordt 'de omgekeerde werking' genoemd.
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
31
5.6.2
Beoordeling
Voor melkkoeien zijn in de Wet geurhinder en veehouderijen geen geuromissiefactoren vastgesteld. Dit houdt in dat in het buitengebied een vaste afstand van 50 meter dient te worden aangehouden tot geurgevoelige objecten. De dichtstbijzijnde geurgevoelige object betreft de woning aan de Stroveldsweg 17. De afstand tussen deze woning en het agrarisch bouwvlak bedraagt 82 meter. Er wordt dan ook voldaan aan de gestelde richtafstand en van een verslechtering van het woon- en leefklimaat geen sprake. Derhalve wordt gesteld dat door de ontwikkeling er geen nieuw geurgevoelig object wordt opgericht. Het voornemen vormt dan ook geen belemmering voor omliggende agrarische bedrijven. 5.6.3
Conclusie
Op basis van de Wgv en een goede ruimtelijke ordening zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van het plan.
5.7 Ecologie 5.7.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.7.2
Gebiedsbescherming
5.7.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. In afbeelding 5.2 is de ligging van het plangebied (rode ster) ten opzichte van de Natura 2000 gebieden weergegeven.
32
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
Afbeelding 5.2 Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000 (Bron: Atlas Leefomgeving) Stikstofdepositie Het plangebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden 'Achter de voort, Agelerbroek en Voltherbroek', 'Leemsermaten' en 'Springendal en Dal van de Mosbeek' liggen respectievelijk op een afstand van 3, 3,9 en 4 kilometer afstand. Gezien de ruime afstand tot Natura 2000-gebieden en de voorgenomen ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Voorliggend bestemmingsplan maakt enkel een nieuwe situering van het bouwvlak mogelijk. Er worden geen nieuwe bouwwerken opgericht of meer vee gehouden op het agrarische bedrijfsperceel. De werkzaamheden die plaats zullen vinden zijn zo gering dat verwacht wordt dat er geen negatieve effecten zullen optreden. Opgemerkt wordt dat het bedrijfsperceel zo wordt ingericht dat er sprake is van een efficiëntere bedrijfsvoering wat inhoudt dat de rijbewegingen van landbouwvoertuigen op het perceel worden gehalveerd. 5.7.2.2 Natuur Netwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe.
In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. In afbeelding 5.3 is de ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN weergegeven.
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
33
Afbeelding 5.3 Ligging van het plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (Bron: provincie Overijssel) Het plangebied ligt niet binnen gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Wel zijn gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren in de directe omgeving van het plangebied aanwezig. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is echter lokaal. De voorgenomen activiteiten hebben dan ook geen negatief effect op beschermd (natuur)gebied. Daarnaast heeft de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking, waardoor voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties leiden. 5.7.3
Soortenbescherming
5.7.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. In voorliggend geval heeft Ecochore Natuurtechniek een quickscan natuurtoets uitgevoerd om mogelijke negatieve effecten op flora en fauna in kaart te brengen. Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 2. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten.
34
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
5.7.3.2 Onderzoeksresultaten De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de beplanting verwijderd en de toegankelijke bebouwing gesloopt wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten.
Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de foeragerende diersoorten niet af. 5.7.4
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het aspect ecologie de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg staat.
5.8 Archeologie & cultuurhistorie 5.8.1
Archeologie
5.8.1.1 Algemeen De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, anneer deze (naar verwachting) in 2021 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Beoordeling De gemeente Tubbergen beschikt over een archeologische verwachtings- en advieskaart. Een uitsnede van de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart is opgenomen in afbeelding 5.4. Het plangebied is weergegeven met de blauwe cirkel.
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
35
Afbeelding 5.4 Archeologische verwachtings- en advieskaart (Bron: Gemeente Tubbergen) Uit de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart blijkt dat het plangebied grotendeels is gelegen in een gebied dat is aangemerkt als ‘dekzandwelvingen en –vlakten’ en ‘beekdalen en overige laagten’. Dergelijke gebieden kennen respectievelijk een middelmatige en lage archeologische waarde. In deze gebieden is archeologisch onderzoek noodzakelijk indien er sprake is van een bodemverstoring met een oppervlakte groter dan 5.000 m2 en dieper dan 0,4 meter. In voorliggend geval wordt er geen bebouwing gerealiseerd. De oppervlakte aan bodemverstoringen dieper dan 0,4 m blijft onder de gestelde 5.000 m². In het kader van dit bestemmingsplan is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. 5.8.2
Cultuurhistorie
5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.
36
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
5.8.2.2 Beoordeling Er bevinden zich in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Opgemerkt wordt dat er geen sloop- of bouwwerkzaamheden worden uitgevoerd. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan. 5.8.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
5.9 Besluit milieueffectrapportage 5.9.1
Kader
In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is vastgelegd dat voorafgaande aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r. Een plan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn op de volgende manieren: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r..
Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activit eit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. 5.9.2
Situatie plangebied
5.9.2.1 Artikel 2.8, lid 1 van de Wet natuurbescherming Zoals in paragraaf 5.7.2.1 is aangegeven ligt het plangebied op grote afstand van een Natura 2000-gebied. Gelet op de ontwikkeling en werkzaamheden die zullen plaats vinden er geen negatieve effecten plaats op omliggende natura 2000-gebieden. 5.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. In voorliggend geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Voor voorliggend plan is wel de drempelwaarde voor het fokken, mesten en houden van dieren aan de orde (D 14). D 14 De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op meer dan: 10° 1.200 stuks vleesrunderen (Rav cat. A.4 t/m A.7) De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van het wijzigen van de situering van een agrarisch bouwvlak bij gelijkblijvend formaat. Het gaat om een (zeer) kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toeneemt en de bouwmogelijkheden niet worden verruimd. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een nieuwe functie die niet leidt tot een aantasting van het woonen leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen.
Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk en hoofdstuk 6 dat dit bestemmingsplan geen bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
37
belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. 5.9.3
Conclusie
Dit bestemmingsplan geeft geen aanleiding voor een vervolgonderzoek in het kader van het Besluit m.e.r.
38
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
Hoofdstuk 6
Wateraspecten
6.1 Vigerend beleid 6.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.1.3
Provinciaal beleid
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.1.4
Waterschap Vechtstromen
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober het 'Waterbeheerplan 2016-2021' vastgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op: voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem; het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties.
6.2 Waterparagraaf 6.2.1
Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
39
waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2
Watertoetsprocedure
Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat er 'geen waterschapsbelang' is. Het plan betreft alleen een nieuwe situering van het bouwvlak van het bestaande bedrijf en heeft geen invloed op de waterhuishouding. Met de voorgenomen ontwikkeling zijn geen waterbelangen gemoeid. De ontwikkeling heeft geen nieuwe lozingen op oppervlaktewater tot gevolg. In het gebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. De uitkomsten van de digitale watertoets is opgenomen in bijlage 3 van deze toelichting. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies.
40
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
Hoofdstuk 7 Juridische aspecten en planverantwoording 7.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels.
7.2 Opzet van de regels 7.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.
Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels.
7.2.2
Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. 7.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: Bestemmingsomschrijving: de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: in de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage, etc.); Afwijken van de bouwregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bouwregels. Specifieke gebruiksregels: in dit artikel is het strijdig gebruik geregeld en de voorwaardelijke verplichting opgenomen; Afwijken van de gebruiksregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven gebruiksmogelijkheden; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
41
omgevingsvergunningenstelsel; Wijzigingsbevoegdheden: onder welke voorwaarden mag de bestemming worden gewijzigd. In paragraaf 7.3 worden de bestemmingen nader toegelicht en wordt ook per bestemming aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze is gekozen. 7.2.4
Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Anti-dubbeltelregel (Artikel 6) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Algemene bouwregels (Artikel 7) In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen van geluidsgevoelige functies langs wegen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen. Algemene gebruiksregels (Artikel 8) In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Dit brengt met zich mee dat de bestemmingsomschrijving van de te onderscheiden bestemming helder en duidelijk moet zijn. Algemene aanduidingsregels (Artikel 9) In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven. Ter plaatse van het plangebied liggen de aanduidingen 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied', 'milieuzone - intrekgebied', 'overige zone - geen boom- en sierteelt toegestaan' en 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied'. Algemene afwijkingsregels (Artikel 10) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven.
Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Algemene wijzigingsregels (Artikel 11) In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om onderdelen van het bestemmingsplan te wijzigen. 7.2.5
Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
7.3 Verantwoording van de regels Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. 'Agrarisch – 2' (Artikel 3) Voorliggend plan voorziet in het opnieuw situeren van het agrarische bouwvlak. Er vinden geen uitbreidingen plaats. De bestane 'Agrarisch - 2' bestemming blijft daarbij behouden. De gebiedsbestemming ‘Agrarisch – 2’ omvat de agrarische gebieden, die naast een landschappelijke waarde ook een natuurlijke waarde bezitten. Het gaat hierbij voornamelijk om brongebieden van beken en/of beekdalen (geheel of gedeeltelijk) en kwelgebieden.
'Groen' (Artikel 4) De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor afschermende beplanting en bebossing met daaraan ondergeschikt wegen en paden, nutsvoorzieningen, water met de daarbijbehorende andere bouwwerken.
42
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
Op of in deze gronden zullen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd. 'Waarde - Archeologie 4' (Artikel 5) De gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde hebben de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 4' gekregen. De gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Deze dubbelbestemming is gekoppeld aan een plicht van een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden alsmede aan bouwwerkzaamheden.
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
43
44
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten, welke worden verhaald middels de gemeentelijke legesverordening. Eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. Ten behoeve van deze ontwikkeling is er een planschade-overeenkomst met de initiatiefnemer gesloten. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is op grond van artikel 6.12 Wro geen exploitatieplan nodig.
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
45
46
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
Hoofdstuk 9 zienswijzen
Vooroverleg, inspraak en
9.1 Vooroverleg 9.1.1
Het Rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat de gewenste ontwikkeling geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2
Provincie Overijssel
Het plan wordt in het kader van vooroverleg voorgelegd aan de provincie Overijssel. 9.1.3
Waterschap Vechtstromen
In het kader van de watertoets heeft er een digitale watertoets plaatsgevonden via de website www.dewatertoets.nl. De uitkomsten van deze watertoets hebben geleid tot 'geen waterschapsbelang'. Het waterschap geeft hiermee een positief wateradvies. De beantwoording van de vragen heeft er niet toe geleid dat er nader overleg met het waterschap moet worden gevoerd.
9.2 Inspraak Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. Gezien de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, is afgezien van een voorontwerpbestemmingsplan.
9.3 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend.
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
47
48
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
Bijlagen bij de toelichting
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
49
Bijlage 1
50
Erfinrichtingsplan
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
L A N D S C H A P P E L I J K E I N PA S S I N G •
Stroveldsweg 21a - Reutum •
Tubbergen, 4 maart 2023 - Definitief
Project: Landschappelijke inpassing
2
Afbeelding: Ontwikkeling Stroveldsweg 21a (Bron: N+L Landschapsontwerpers)
Landschappelijke inpassing Project:
Landschappelijke inpassing
Locatie: Stroveldsweg 21a - Reutum
Titel rapport
Landschappelijke inpassing - Stroveldsweg 21a Reutum
Opgesteld:
26 september 2022, Tubbergen
Gewijzigd:
4 maart 2023
Status:
Definitief
Auteur:
N+L Landschapsontwerpers Ing. NH Oldenzaalseweg 38 7651 KC Tubbergen 06-83337880 info@nl-landschap.nl www.nl-landschap.nl
3
4
1. Aanleiding
05
2. Huidige situatie
06
3. Beleid
08
4. Nieuwe situatie
14
Aanleiding Aan de Stroveldsweg is een agrarisch bedrijf gelegen. Het bedrijf is met name in de laatste jaren sterk gegroeid. Er is een nieuwe, moderne stal gebouwd. Daarnaast is het voornemen om het erf verder uit te breiden. In combinatie daarmee worden ook enkele schuren aan de noordzijde gesloopt. Deze schuren maken plaats voor een nieuwe werktuigenberging. Aanvankelijk heeft het bedrijf daarvoor een bestemmingsplanwijziging doorlopen. Beperkende factor was tot nog toe de sloot van het Waterschap rondom het bedrijf. Door de ligging van de sloot was het bedrijf genoodzaakt om een gelijke, enigszins merkwaardige vorm aan te nemen. Na een vrijwillige ruilverkaveling in het gebied heeft men ook besloten om de sloot van het Waterschap te verleggen. Door het nieuwe tracé ligt de sloot niet langer rondom het bedrijf en kan het bedrijf een meer gelijke vorm aannemen.
zogeheten moederplan van het bestemmingsplan “Tubbergen Buitengebied 2016”. Dit geldt voor de kuilvoerplaten en voor eventuele bebouwing. Met het aangaan van een nieuwe bestemmingsplanwijziging is een overschrijding van het bouwblok wel weer mogelijk. De oppervlakte van het bouwvlak blijft gelijk aan het huidige. Er is daarom geen verplichting vereist via een ruimtelijke regeling zoals de kwaliteitsimpuls groene omgeving. Landschappelijke inpassing De gemeente Tubbergen eist voor de ontwikkeling een landschappelijke inpassing. In dit document wordt daarom de landschappelijke inpassing uiteengezet. Er wordt een beschrijving van het plangebied gegeven, het omliggende landschap en het vigerende beleid. Dat resulteert in een beschrijving van de nieuwe situatie die aan het gestelde beleid voldoet.
Door de nieuwe vorm kan de bedrijfsvoering beter en efficiënter ingericht worden. Door middel van een (tijdelijke) omgevingsvergunning is met de aanleg van kuilvoerplaten al vooruit gelopen op de definitieve inrichting. Ter plaatse van de kuilvoerplaten is toen ook al een gedeelte van de betreffende sloot gedempt en verlegd. Via deze nieuwe aanvraag wordt ook het tweede gedeelte gedempt en wordt tevens de bestemming “Water - 2” opgeheven. Deze bestemming maakt plaats voor de bestemming “Agrarisch - 2” al dan niet voorzien van een bouwvlak. Aanleiding om dat te doen is dat het in de huidige situatie onmogelijk is om het bouwblok te overschrijden vanwege het
5
Huidige situatie Net als andere grote delen van Overijssel ligt het plangebied in een landschap dat is opgebouwd door dekzandvlakten met minimale hoogteverschillen. Dit is ontstaan in de laatste ijstijd waar zandruggen en beekdalen na verloop van tijd zijn geërodeerd. Hoogteverschillen waren grotendeels verdwenen en door de grootschalige ontginning van heide en de moderne landbouw is het landschap nog eens sterk geërodeerd. Het plangebied ligt in een landschap dat nagenoeg vlak is geworden. Wel zijn er in de grond sporen van het voormalige beekdallandschap aan te treffen. Jonge heideontginningslandschap en matenlandschap Het plangebied ligt op de overgang van het matenlandschap naar het jonge heideontginningslandschap. Ten zuiden grenst het jonge heideontginningslandschap dat eerder ook op delen van de grond van het erf van melkveehouderij Groothuis heeft gelegen. De Hondenveldsweg heeft echter een relatief harde grens gemaakt tussen beide landschappen. De namen rondom het bedrijf verraden de vroegere situatie. Zo worden begrippen gebruikt als “Achterste maten” en “Achterveld”. Precies tussen beide ligt het erf van de melkveehouderij. Rond 1930 is het erf op kaarten weergegeven. Het landschap Het landschap rondom het erf heeft enerzijds een zekere openheid gekend.
Met name ten zuiden van het plangebied zijn na de ontginning veel houtwallen aangelegd in de richting van het kanaal. Met name door de schaalvergroting zijn een aantal houtwallen verdwenen of is de kwaliteit van de individuele houtwal sterk verminderd. Het matenlandschap kenmerkt zich daarentegen door de relatief vochtige gronden, onregelmatige omzooming door groene
6
elementen, beslotenheid en kleinschaligheid. Het is een relatief oud landschap. Vanuit vroeger was het hooiland, nu is het vaak in gebruik als grasland. Nieuwe elementen Het huidige landschap is minder goed af te lezen. Door de ruilverkaveling is het kleinschalige matenlandschap grotendeels verdwenen. De kavels zijn groter en rationeler geworden. In het matenlandschap dienen beekdalen waar mogelijk weer geaccentueerd te worden en zou het coulisselandschap weer versterkt moeten worden. De erven dienen daarbij omzoomd te worden en opgenomen in het landschap, eventueel gecombineerd met de aanleg van kleine hakhoutbosjes. In het ontginningslandschap moeten overblijvende en/ of nieuw aan te leggen elementen een robuust karakter meekrijgen. Heldere landschappelijke structuren als wegbeplantingen, boscomplexen en brede bosachtige houtsingels ondersteunen het rationele landschap en verstevigen de rechtlijnige en blokachtige verkavelingen. Huidige erfindeling Hoewel het erf veel grootschaliger is geworden is er nog altijd sprake van een duidelijke en herkenbare hiërarchie. De woning staat aan de voorzijde van het erf voor de diverse schuren.
Planlocatie omstreeks 1910. (Bron: topotijdreis.nl)
Locatie plangebied ten westen van Fleringen en ten zuiden van Reutum. (Bron: geo.overijssel.nl)
Planlocatie. (Bron: geo.overijssel.nl)
7
Beleid 3.1 Omgevingsvisie Overijssel Het provinciaal beleid van Overijssel is verwoord en vastgelegd in meerdere plannen. De belangrijkste is de Omgevingsvisie 2017 welke is vastgesteld op 12 april 2017. Nadien is deze visie meerdere keren geactualiseerd. De laatste actualisatie is betreft maart 2021. In de visie bakent de provincie af wat zij voor de fysieke leefomgeving in Overijssel van provinciaal belang vinden. De Omgevingsvisie Overijssel is dé provinciale visie voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. In de visie worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur bekeken in samenhang met een duurzame ontwikkeling van onze leefomgeving. Het beleid staat primair in dienst van de sociaaleconomische ontwikkeling van Overijssel om het toekomstbestendig te houden. Rode draden en beleidsambities De opgaven en kansen zijn vertaald in centrale beleidsambities en negen beleidsthema’s. Deze worden benaderd vanuit de rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit waarvoor thema overstijgende kwaliteitsambities zijn geformuleerd. Vanuit het uitvoeringsmodel (of, waar en hoe) worden generieke beleidskeuzes, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken beschreven. Generieke beleidskeuzes: Deze keuzes vloeien voort uit keuzes van EU, Rijk of Provincie. Het zijn
8
keuzes die bepalend zijn of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. Vooral reserveringen voor integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid, ruimtegebruik, waterveiligheid, externe veiligheid, LOG gebieden en begrenzingen als Nationale Landschappen, NNN-gebieden (natuurnetwerk Nederland) en de EHS zijn voorbeelden van generieke beleidskeuzes. Daarnaast zijn er gebied specifieke beleidskeuzes. De beleidskeuzes hebben geen invloed op de voorgenomen ontwikkeling. Ontwikkelingsperspectieven: In de visie zijn drie ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en drie voor de stedelijke omgeving. Deze perspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. Het plangebied is aangemerkt als “Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap”. Dat betekent dat diverse functies verweven moeten worden. Het belangrijkste landgebruik blijft melkveehouderij en akkerbouw, maar aan de andere kant is er ruimte voor landschap, natuur, milieubescherming, cultuurhistorie, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. In elk geval staat de ambitie, “voortbouwen op kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen”, voorop. De voorgenomen ontwikkeling past bij de gestelde ambitie indien de kenmerken waar mogelijk behouden blijven.
Binnen het plangebied is ook de ambitie “Zone Ondernemen met Natuur en Water” gelegen. Hierbij gaat het er vooral om dat binnen deze gebieden er ruimte is voor groen ondernemen,
Ontwikkelingsperspectief, het plangebied is aangemerkt met mosgroen en wit/groen geruit wat betekent “Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap” en “Zone Ondernemen met Natuur en Water (ONW) buiten het Natuurnetwerk Nederland. (Bron: overijssel.tercera-ro. nl)
9
voor initiatieven en funcites die de economische en maatschappelijke dragers zijn van de kwaliteit van natuur, water en landschap én ruimte voor continuïteit van de aanwezige landbouwfunctie. Initiatieven van bewoners en ondernemers zijn hier leidend: zij zijn eigenaar en vormgever van de omgevingskwaliteit. De na te streven kwaliteitsdoelen voor natuur en water zijn daarbij het uitgangspunt.
werden voornamelijk gemaakt door wat dekzandwelvingen. In de jaren zijn hoogteverschillen verder geërodeerd door de wind, soms juist weer versterkt door de wijze van agrarisch gebruik, maar uiteindelijk weer verminderd door de schaalvergroting in de landbouw. Aan de zuidzijde waren uitgestrekte heidegebieden gelegen, op noord was er sprake van een kleinschalig matenlandschap.
Gebiedskenmerken Tenslotte wordt de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan de gebiedskenmerken. Er zijn vier lagen te onderscheiden (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving). Er gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Er staat omschreven in een catalogus gebiedskenmerken welke kenmerken diverse gebieden en hoe een ontwikkeling invulling dient te krijgen. De gebiedskenmerken zijn richtinggevend op aspecten als landschap, infrastructuur, milieu, bodem en cultuurhistorie. De stedelijke laag is niet opgenomen; deze is niet relevant wat betreft de voorgenomen ontwikkeling.
Laag van cultuurlandschap Door menselijk ingrijpen in de natuurlijke omstandigheden ontstaat er een (agrarisch) cultuurlandschap. Het landschap werd functioneel ingericht waarbij men nooit heeft nagedacht over de schoonheid ervan. Nu waarderen wij juist de ingrepen van destijds. De eerste nederzettingen in Nederland werden gesticht op de rand van de hogere stuwwallen en dekzandruggen naar de overgang met de lagere gronden. De akkers op de hogere gronden werden intensief gebruikt en bemest met heideplaggen uit het voormalige potstal systeem. De heideplaggen kwamen van de grootschalige open heidecomplexen die pas laat zijn ontgonnen door - in eerste instantie - gebrek aan kennis. De ontginning had een half open tot open landschap tot gevolg met een regelmatige grootschalige verkaveling. Een rationeel karakter met rechte wegen en vooral functionele, robuuste vormen van beplanting. Hoewel er aan de noordzijde sprake is geweest van een kleinschalig matenlandschap (het plangebied is omschreven als matenlandschap) moet bij een ontwikkeling rekening worden gebouwen met het open tot half open landschapstype van de heideontginning.
Natuurlijke laag De natuurlijke laag is aanvankelijk ontstaan zonder toedoen van de mens door onder andere invloeden van abiotische processen als de ijstijden, de wind en water. Zoals grote delen van Overijssel bestond ook het plangebied uit dekzandvlakten in dit geval afgewisseld met beekdalen. Door de uitgestrekte open gebieden was er minimaal sprake van hoogteverschil. Hoogteverschillen
10
Links: natuurlijke laag. Het plangebied is omschreven als : “dekzandvlakte en ruggen”. Midden: laag van Cultuurlandschap. Plangebied is omschreven als “matenlandschap”. Rechts: laag van de beleving. Plangebied is omschreven als “donkerte”. (Bron: overijssel.tercera-ro.nl)
11
Laag van de beleving Het plangebied is omschreven als donkerte. De donkere gebieden zijn veelal de buitengebieden van onder andere Overijssel. Waar elders dorpen, autowegen, kassengebieden en attractieparken zorgen voor licht, is het buitengebied een plek waar men nog de sterrenhemel kan waarnemen. De ambitie is om donkere plekken te behouden en waar mogelijk nog donkerder te maken. De ontwikkeling houdt rekening met deze ambitie. Er mag geen onnodig licht worden toegevoegd. 3.2 Bestemmingsplan buitengebied 2016 Tubbergen In het bestemmingsplan buitengebied blijkt dat er een erfinrichtingsplan nodig is als de ontwikkeling minder dan 3.000 m3 bedraagt. In gevallen boven de 3.000 m3 is er ook een landschapsplan vereist (ruimtelijk kwaliteitsplan). In dit geval is er sprake van een ontwikkeling van meer dan 3.000 m3. Dat betekent dat er een ruimtelijk kwaliteitsplan moet worden opgesteld waar ingegaan wordt op: - Beschrijving type landschap; - Beschrijving bestaande situatie (erfopbouw en ligging in het landschap) - Beschrijving en aanvulling op bestaande situatie in relatie tot gebiedskenmerken en de richtlijnen van het cascobeleid.
12
Met dit ruimtelijk kwaliteitsplan wordt voldaan aan de indieningsvereisten van het bestemmingsplan buitengebied. 3.3 Casco benadering Noordoost Twente De gemeente Tubbergen hanteert, vooral ter bescherming van het bestaande landschap, het casco beleid. Door het casco beleid is het mogelijk om via een kaart te achterhalen of een ontwikkeling wel of niet in strijd is met elementen welke tot de casco behoren. Elementen als onderdeel uitmakend van de Casco zijn in principe niet te verwijderen (groene lijnen/vlakken op de kaart). Er zijn nabij het plangebied casco elementen aanwezig, maar deze worden niet geveld of aangetast en/of zijn in het verleden al verdwenen. Het casco element midden op het erf is naar alle waarschijnlijkheid onjuist ingetekend. De ontwikkeling heeft geen gevolgen voor de bestaande casco elementen.
Fragment van de cascokaart behorende bij de casco benadering. (Bron: geo.overijssel.nl)
13
Nieuwe situatie Ten opzichte van de eerdere plannen is de verandering niet ingrijpend. De zijden langs de Stroveldsweg en de Hondenveldsweg blijven ongewijzigd. Met name aan de noord- en oostzijde wordt het plan logischerwijs gewijzigd vanwege het dempen van de watergangen (P en Q op tekening). Door het dempen van de sloot is er meer ruimte voor de aanleg van kuilvoerplaten. De verdere inrichting is om die reden daarom heen aangepast. Dit geldt vooral voor de omliggende houtsingel (G). De houtsingel wordt robuust en past het bedrijf op de meest essentiële plekken in. Ook aan de zuidzijde wordt een landschapsbosje (F) aangeplant om de kuilvoerplaten stevig in te passen. Door het dempen van de sloten kan het erf een vorm aannemen die veel beter in dit landschap past. De min of meer merkwaardige driehoekige vorm (R op tekening) komt te verdwijnen. Met de inpassing is er sprake van een situatie die aansluit bij de kenmerken van de overgang van de open jonge heideontginning naar het matenlandschap. Door de houtsingels is er sprake van een meer kleinschalig landschap. Maatregelen ter versterking van de ruimtelijke kwaliteit: - Aanplant van robuust landschapsbosje (F); - Aanplant van robuuste houtsingel (G); - Versterken / verbreden van bestaande houtsingel (H). Met de voorgestelde inpassing wordt voldaan aan het gesteld beleid.
14
A:
Best aande bedrijfswoning.
B:
Best aande bedrijfsbebouwing .
C:
Nieuw te bouwen bedrijfsbebouwing (1e fase).
D:
Nieuw te bouwen bedrijfsbebouwing (2e fase).
E:
Aanleg kuilvoerplaten.
F:
Aanleg brede houtsingel ter inpassing van het bedrijf. Aanleg met bosplantsoen best aande uit
O
hazelaar, lijsterbes, vuilboom, zomereik, zwarte els en Gelderse roos in een gelijke verhouding . Plant afst and 1 x 1 meter in een driehoeksverband. Aanplant met 1050 stuks in de maat 80-10 0 (hoogte in centimeters).
G
A
G:
P
Aanleg robuuste houtsingel ter inpassing van het bedrijf. Aanleg met bosplantsoen best aande uit hazelaar, lijsterbes, vuilboom, zomereik, zwarte els
B
en Gelderse roos in een gelijke verhouding . Plant afst and 1 x 1 meter in een driehoeksverband.
J
in centimeters). Lengte 212 meter met 7 plantrijen.
N
C
M
Aanplant met 1.484 stuks in de maat 80-10 0 (hoogte
O H:
bosplantsoen als genoemd onder H. I:
J
L
R
B I
Uitbreiding bomengaard met zomereiken en/of zomerlinden conform M. Aanplant met 13 zomereiken in de maat 20-25 (stamomtrek in cm).
G
Elke boom wordt voorzien van t wee boompalen.
K Q C
E
D L H
Best aande houtsingel versterken met 150 stuks
J:
Best aande houtopst anden.
K:
Erfverharding .
L:
Gras/wadi/ruigte.
M:
Best aande eikengaard.
N:
Nieuwe agrarische inrichting .
O:
Weiland.
P:
Te dempen watergang .
Q:
Reeds gedempte watergang .
R:
Best aande agrarische inrichting.
F
Nieuwe situatie, niet op schaal. (Bron: N+L Landschapsontwerpers) Project:
Inpassing bedrijf
Getekend:
NH
St atus:
DO
Adres:
Stroveldsweg 21a
Datum:
04-03-2023
Aant al pag .:
1
Woonplaats:
Reutum
Gecontroleerd:
-
Formaat:
A3
Schaal:
1:1250
Noord:
Tekening is noordgericht
nl-landschap.nl
15
l a n d s c h a p s o n t w e r p e r s
Oldenzaalseweg 38 • 7651 KC Tubbergen • info@nl-landschaps.nl • www.nl-landschap.nl
Bijlage 2
Quickscan Ecologie
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
67
Quickscan natuurwaardenonderzoek Stroveldsweg 21 Reutum
Effectbeoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000
Colofon Quickscan natuurwaardenonderzoek Stroveldsweg 21 Reutum
Effectbeoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000
Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten BTW-ID: NL001388212B56 E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0543-451142 / 0614-435700
Opdrachtgever:
BJZ.NU
Abonnementhouder van de Nationale Databank Flora en Fauna
Projectnummer en versie: 3058 versie 1.0 Ligging plangebied: Stroveldsweg 21 te Reuten Auteur: H. van Gijn
Status: definitief Rapportdatum: 27-09-2022 Veldwerk uitgevoerd door: Ing. P. Leemreise
1
Inhoudsopgave Samenvatting ..................................................................................................................................................... 3 Hoofdstuk 1